Zaak C‑185/08

Latchways plc en Eurosafe Solutions BV

tegen

Kedge Safety Systems BV en Consolidated Nederland BV

(verzoek van de Rechtbank ’s-Gravenhage om een prejudiciële beslissing)

„Richtlijn 89/106/EEG – Producten bestemd voor bouw – Richtlijn 89/686/EEG – Persoonlijke beschermingsmiddelen – Besluit 93/465/EEG – CE-markering – Verankeringsvoorzieningen tegen vallen van hoogte bij werkzaamheden op daken – Norm EN 795”

Samenvatting van het arrest

1.        Harmonisatie van wetgevingen – Persoonlijke beschermingsmiddelen – Richtlijn 89/686

(Richtlijn 89/686 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad)

2.        Harmonisatie van wetgevingen – Persoonlijke beschermingsmiddelen – Richtlijn 89/686

(Richtlijn 89/686 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad)

3.        Harmonisatie van wetgevingen – Producten bestemd voor bouw – Richtlijn 89/106

(Richtlijn 89/106 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad)

4.        Harmonisatie van wetgevingen – Overeenstemmingsbeoordelingsprocedures en voorschriften inzake aanbrengen en gebruik van CE-markering van overeenstemming – Besluit 93/465

(Besluit 93/465 van de Raad)

1.        De bepalingen van Europese norm 795 inzake verankeringsvoorzieningen van klasse A1 vallen niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 89/686 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1882/2003. Zij maken derhalve geen deel uit van het recht van de Unie en het Hof is dus niet bevoegd om deze uit te leggen.

(cf. punt 36, dictum 1)

2.        Verankeringsvoorzieningen die niet bestemd zijn om door de gebruiker ervan te worden gedragen of vastgehouden, vallen niet onder richtlijn 89/686 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1882/2003, noch als zodanig noch op grond van het feit dat zij bestemd zijn om te worden verbonden met een persoonlijk beschermingsmiddel.

(cf. punt 47, dictum 2)

3.        Verankeringsvoorzieningen die deel uitmaken van het bouwwerk waaraan zij zijn bevestigd voor de veiligheid bij gebruik van het dak van dit bouwwerk of bij eraan verrichte activiteiten, vallen onder richtlijn 89/106 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1882/2003.

Voor de toepasselijkheid van richtlijn 89/106 op een bepaald product is immers vereist dat is voldaan aan twee voorwaarden, waarbij de eerste betrekking heeft op de aard van dit product en de tweede op de functie ervan. Wat om te beginnen de aard van de onder richtlijn 89/106 vallende producten betreft, moeten als voor de bouw bestemde producten worden beschouwd, de producten die deel uitmaken van een bouwwerk, waarbij de demontage van deze producten het prestatievermogen van het bouwwerk vermindert en de demontage of vervanging ervan een bouwwerkzaamheid vormt. Wat vervolgens de functie van de onder de werkingssfeer van richtlijn 89/106 vallende producten betreft, moeten de voor de bouw bestemde producten kunnen dienen voor de uitvoering van bouwwerken die voor gebruik geschikt zijn, in het bijzonder wat de gebruiksveiligheid betreft, door te gebieden dat deze bouwwerken zodanig worden ontworpen en uitgevoerd dat het gebruik ervan of de erin verrichte activiteiten geen onaanvaardbare risico’s meebrengen, zoals uitglijden, vallen, botsen, brandwonden, elektrocutie of verwondingen door ontploffingen. Aan het dak bevestigde voorzieningen die deel uitmaken van het bouwwerk en die de veiligheid van personen beogen te waarborgen bij werkzaamheden op daken, door te vermijden dat van een hoogte wordt gevallen bij gebruik van het dak of in het kader van de eraan verrichte activiteiten, in het bijzonder onderhoudswerkzaamheden aan of reparatie van het bouwwerk, vallen derhalve onder richtlijn 89/106.

(cf. punten 51‑55, 59, dictum 3)

4.        Besluit 93/465 betreffende de modules voor de verschillende fasen van de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures en de voorschriften inzake het aanbrengen en het gebruik van de CE-markering van overeenstemming, staat eraan in de weg dat de CE-markering op facultatieve basis wordt aangebracht op een product dat niet valt binnen de werkingssfeer van de richtlijn uit hoofde waarvan het is aangebracht, zelfs al voldoet dit product aan de daarin vastgestelde technische voorschriften. De CE-markering mag alleen worden aangebracht op producten waarvoor het aanbrengen is voorzien door specifieke harmonisatiewetgeving van de Unie, en mag niet worden aangebracht op enig ander product.

(cf. punten 63‑64, dictum 4)







ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

21 oktober 2010 (*)

„Richtlijn 89/106/EEG – Producten bestemd voor bouw – Richtlijn 89/686/EEG – Persoonlijke beschermingsmiddelen – Besluit 93/465/EEG – CE-markering – Verankeringsvoorzieningen tegen vallen van hoogte bij werkzaamheden op daken – Norm EN 795”

In zaak C‑185/08,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Rechtbank ’s-Gravenhage (Nederland) bij vonnis van 23 april 2008, ingekomen bij het Hof op 29 april 2008, in de procedure

Latchways plc,

Eurosafe Solutions BV

tegen

Kedge Safety Systems BV,

Consolidated Nederland BV,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, D. Šváby (rapporteur), E. Juhász, G. Arestis en T. von Danwitz, rechters,

advocaat-generaal: V. Trstenjak,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 februari 2010,

gelet op de opmerkingen van:

–        Latchways plc en Eurosafe Solutions BV, vertegenwoordigd door A. Mak, advocaat,

–        Kedge Safety Systems BV en Consolidated Nederland BV, vertegenwoordigd door E. Schelhaas, advocaat,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. Wissels als gemachtigde,

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door J.‑C. Halleux als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Schønberg en G. Zavvos als gemachtigden, bijgestaan door F. Tuytschaever, advocaat,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 april 2010,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 89/106/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten (PB 1989, L 40, blz. 12), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003 (PB L 284, blz. 1; hierna: „richtlijn 89/106”), van richtlijn 89/686/EEG van de Raad van 21 december 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen (PB L 399, blz. 18), zoals gewijzigd bij verordening nr. 1882/2003 (hierna: „richtlijn 89/686”), en van besluit 93/465/EEG van de Raad van 22 juli 1993 betreffende de modules voor de verschillende fasen van de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures en de voorschriften inzake het aanbrengen en het gebruik van de CE-markering van overeenstemming (PB L 220, blz. 23).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Latchways plc en Eurosafe Solutions BV (hierna respectievelijk: „Latchways” en „Eurosafe Solutions”) enerzijds, en Kedge Safety Systems BV en Consolidated Nederland BV (hierna respectievelijk: „Kedge Safety Systems” en „Consolidated Nederland”) anderzijds, ter zake van de vraag of de door Latchways en Kedge Safety Systems vervaardigde verankeringsvoorzieningen tegen het vallen van een hoogte bij werkzaamheden op daken veilig zijn en of de CE-markering mag of moet zijn aangebracht op deze voorzieningen.

 Toepasselijke bepalingen

 Wettelijke regeling van de Unie

 Richtlijn 89/106

3        Artikel 1 van richtlijn 89/106 luidt als volgt:

„1.      Deze richtlijn is van toepassing op voor de bouw bestemde producten, voor zover de fundamentele voorschriften voor bouwwerken overeenkomstig artikel 3, lid 1, daarmee in verband staan.

2.      In deze richtlijn wordt onder ‚voor de bouw bestemde producten’ verstaan producten die worden vervaardigd om blijvend deel uit te maken van bouwwerken, waaronder zowel gebouwen als kunstwerken zijn begrepen.

[...]”

4        Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt:

„1.      De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 1 bedoelde [voor de bouw bestemde] producten die voor verwerking in [bouw]werken bestemd zijn, alleen dan in de handel kunnen worden gebracht, wanneer zij voor het beoogde doel geschikt zijn, dat wil zeggen zodanige eigenschappen bezitten dat de [bouw]werken waarin zij moeten worden verwerkt, gemonteerd, toegepast of geïnstalleerd, indien behoorlijk ontworpen en uitgevoerd, kunnen voldoen aan de in artikel 3 genoemde fundamentele voorschriften, voor zover die werken zijn onderworpen aan regelingen waarin die voorschriften zijn opgenomen.

2.      a)     Indien [voor de bouw bestemde] producten met betrekking tot andere aspecten onder andere richtlijnen vallen die voorzien in het aanbrengen van de in artikel 4, lid 2, bedoelde CE-markering, geeft deze markering aan dat de [voor de bouw bestemde] producten geacht worden ook aan de voorschriften van deze andere richtlijnen te voldoen.

[...]”

5        Artikel 3 van deze richtlijn stelt:

„1.      De fundamentele voorschriften voor [bouw]werken die op de technische eigenschappen van een [voor de bouw bestemd] product van invloed kunnen zijn, zijn in bijlage I in de vorm van doelstellingen weergegeven. [...]

[...]

3.      De fundamentele voorschriften worden concreet uitgewerkt in documenten (basisdocumenten), waarmee het vereiste verband wordt gelegd tussen de fundamentele voorschriften overeenkomstig lid 1 en de normalisatiemandaten, mandaten voor richtlijnen voor Europese technische goedkeuring of de erkenning van andere technische specificaties in de zin van de artikelen 4 en 5.”

6        Artikel 4 van dezelfde richtlijn bepaalt:

„1.      Normen en technische goedkeuringen worden in deze richtlijn ‚technische specificaties’ genoemd.

In deze richtlijn wordt verstaan onder ‚geharmoniseerde normen’: de technische specificaties die door [de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN)] of het [Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie (Cenelec)], dan wel door beide instanties, zijn vastgesteld op grond van de door de Commissie overeenkomstig richtlijn 83/189/EEG [van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB L 109, blz. 8)] verstrekte mandaten, aan de hand van een advies van het in artikel 19 bedoelde Comité, en in overeenstemming met de op 13 november 1984 ondertekende algemene bepalingen voor de samenwerking tussen de Commissie en deze beide instanties.

2.      De lidstaten gaan ervan uit dat de [voor de bouw bestemde] producten geschikt voor gebruik zijn wanneer zij van zodanige aard zijn dat de [bouw]werken waarin zij worden gebruikt, mits behoorlijk ontworpen en gebouwd, aan de in artikel 3 bedoelde fundamentele voorschriften kunnen voldoen, indien deze producten voorzien zijn van de CE-markering die aangeeft dat zij voldoen aan alle voorschriften van deze richtlijn, met inbegrip van de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures van hoofdstuk V en de procedure van hoofdstuk III. De CE-markering geeft aan:

a)      dat de producten in overeenstemming zijn met de nationale normen waarin de geharmoniseerde normen zijn getransponeerd, en waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen zijn gepubliceerd. De lidstaten publiceren de referenties van deze nationale normen;

b)      dat zij in overeenstemming zijn met een Europese technische goedkeuring, die overeenkomstig de procedure van hoofdstuk III is afgegeven, of

c)      dat zij in overeenstemming zijn met de in lid 3 bedoelde nationale technische specificaties, voor zover er geen geharmoniseerde specificaties bestaan; volgens de procedure van artikel 5, lid 2, wordt een lijst van deze nationale specificaties opgesteld.

[...]”

7        Artikel 7 van richtlijn 89/106 bepaalt:

„1.      Om de kwaliteit van de geharmoniseerde normen voor [voor de bouw bestemde] producten te waarborgen moeten deze normen door de Europese normalisatie-instellingen worden opgesteld op basis van mandaten die de Commissie hun [...] verleent [...].

2.      De aldus opgestelde normen moeten, rekening houdend met de basisdocumenten, zoveel mogelijk worden opgesteld in de vorm van prestatievoorschriften betreffende [voor de bouw bestemde] producten.

3.      Na het opstellen van de normen door de Europese normalisatie-instanties maakt de Commissie de referenties van de normen bekend in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.”

8        Punt 4 van bijlage I bij deze richtlijn luidt als volgt:

„Gebruiksveiligheid

Het bouwwerk moet zodanig worden ontworpen en uitgevoerd dat het gebruik ervan of erin verrichte activiteiten geen onaanvaardbare risico’s meebrengen, zoals uitglijden, vallen, botsen, brandwonden, elektrocutie of verwondingen door ontploffingen.”

 Richtlijn 89/686

9        Artikel 1 van richtlijn 89/686 bepaalt:

„1.      Deze richtlijn is van toepassing op persoonlijke beschermingsmiddelen, hierna te noemen ‚beschermingsmiddelen’.

Zij bevat de voor het in de handel brengen en het vrij verkeer binnen de Gemeenschap geldende voorwaarden, alsmede de fundamentele veiligheidsvoorschriften waaraan beschermingsmiddelen moeten voldoen om de gezondheid van de gebruiker te beschermen en zijn veiligheid te waarborgen.

2.      In deze richtlijn wordt onder beschermingsmiddel een uitrustingsstuk of ‑middel verstaan dat bestemd is om door een persoon te worden gedragen of vastgehouden als bescherming tegen één of meer gevaren die een bedreiging voor zijn gezondheid en zijn veiligheid kunnen vormen.

Als beschermingsmiddel wordt ook beschouwd:

a)      een geheel dat is samengesteld uit verscheidene uitrustingsstukken of ‑middelen die door de fabrikant onderling zijn verbonden om een persoon te beschermen tegen één of meer, mogelijk gelijktijdig optredende gevaren;

b)      een uitrustingsstuk of beschermingsmiddel dat al of niet onlosmakelijk verbonden is met een niet-beschermende persoonlijke uitrusting die door een persoon wordt gedragen of vastgehouden voor het bedrijven van een bepaalde activiteit;

c)      verwisselbare onderdelen van een beschermingsmiddel die voor de goede werking ervan onontbeerlijk zijn, en die uitsluitend voor dat beschermingsmiddel worden gebruikt.

3.      Als integrerend bestanddeel van een beschermingsmiddel wordt beschouwd, ieder samen met het beschermingsmiddel in de handel gebracht verbindingssysteem dat het beschermingsmiddel aan een andere, externe voorziening verbindt, zelfs wanneer het verbindingssysteem voor de tijdsduur dat de gebruiker aan het risico c.q. de risico’s is blootgesteld, niet ononderbroken behoeft te worden gedragen of meegevoerd.

[...]”

10      Artikel 3 van deze richtlijn stelt:

„De in artikel 1 bedoelde beschermingsmiddelen moeten aan de fundamentele gezondheids‑ en veiligheidsvoorschriften van bijlage II voldoen.”

11      Artikel 4, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt:

„De lidstaten mogen het in de handel brengen van beschermingsmiddelen of onderdelen van beschermingsmiddelen niet verbieden, beperken of belemmeren, indien deze voldoen aan deze richtlijn en voorzien zijn van de CE-markering, waarbij verklaard wordt dat zij voldoen aan alle bepalingen van deze richtlijn, met inbegrip van de in hoofdstuk II bedoelde overeenstemmingsbeoordelingsprocedures.”

12      Punt 3.1.2.2 van bijlage II bij richtlijn 89/686 bepaalt:

„Preventie van vallen van een hoogte

Beschermingsmiddelen bestemd om het vallen van een hoogte of de gevolgen daarvan te voorkomen moeten zijn uitgerust met een voorziening waarmee het lichaam wordt bevestigd, en met een verbindingssysteem dat kan worden verbonden met een veilig verankeringspunt. Zij moeten zodanig zijn ontworpen en gefabriceerd dat de valhoogte onder de te verwachten gebruiksomstandigheden zo gering mogelijk is, om te vermijden dat het lichaam tegen een obstakel stoot, waarbij de remkracht evenwel niet zo groot mag zijn dat lichamelijk letsel ontstaat of onderdelen van het beschermingsmiddel opengaan of afbreken, waardoor de gebruiker zou kunnen vallen.

Voorts moeten zij zodanig zijn uitgevoerd dat de gebruiker zich na de afremming in een behoorlijke positie bevindt, waarin hij zo nodig op hulp kan wachten.

De fabrikant moet in zijn gebruiksaanwijzing in het bijzonder alle nuttige gegevens verstrekken over:

–        de nodige kenmerken van het veilige verankeringspunt alsmede de minimale speling onder de gebruiker;

–        de wijze waarop de voorziening waarmee het lichaam wordt bevestigd het beste kan worden aangetrokken en waarop het verbindingssysteem aan het veilige verankeringspunt kan worden gekoppeld.”

 Besluit 93/465

13      Punt I B van de bijlage bij besluit 93/465 bepaalt:

„De voornaamste richtsnoeren voor het aanbrengen en het gebruik van de CE-markering zijn de volgende:

a)      De CE-markering geeft aan dat is voldaan aan alle verplichtingen die met betrekking tot het product aan de fabrikanten zijn opgelegd krachtens de [...] richtlijnen [van de Unie] die in het aanbrengen daarvan voorzien.

[...]

b)      De op industrieproducten aangebrachte CE-markering geeft aan dat de natuurlijke of rechtspersoon die de markering heeft aangebracht of heeft laten aanbrengen, zich ervan heeft vergewist dat het product met alle desbetreffende richtlijnen [van de Unie] in overeenstemming is en aan de passende overeenstemmingsbeoordelingsprocedures is onderworpen.

[...]

e)      Op elk industrieproduct dat onder de op de globale aanpak gebaseerde harmonisatierichtlijnen valt, moet de CE-markering worden aangebracht, tenzij de bijzondere richtlijnen in een uitzondering voorzien; het gaat daarbij niet om het afwijken van de markeringsprocedure, maar om het afwijken van administratieve procedures voor de overeenstemmingsbeoordeling die in bepaalde gevallen te zwaar worden geacht. Uitzonderingen of afwijkingen met betrekking tot de markering zouden dus niet mogen worden toegestaan als dat niet gerechtvaardigd is.

Alleen de CE-markering geldt als bewijs van overeenstemming van de industrieproducten met deze richtlijnen.

In dit verband onthouden de lidstaten zich ervan om met betrekking tot de overeenstemming met alle in de richtlijnen betreffende de CE-markering bedoelde voorschriften in hun nationale regelingen het gebruik van andere markeringen van overeenstemming dan de CE-markering op te nemen.

[...]

i)      Het is verboden andere markeringen aan te brengen die derden kunnen misleiden omtrent de betekenis of de grafische vorm van de CE-markering.

[...]

l)      De lidstaten stellen alle daartoe nodige bepalingen van nationaal recht vast om elke mogelijke verwarring te voorkomen en elk misbruik bij het gebruik van de CE-markering te voorkomen.

Onverminderd het bepaalde betreffende de toepassing van de vrijwaringsclausule in de betrokken richtlijn, ontstaat, wanneer een lidstaat vaststelt dat de CE-markering [...] ten onrechte is aangebracht, voor de fabrikant, voor zijn in de [Europese Unie] gevestigde gemachtigde of, bij uitzondering wanneer de bijzondere richtlijnen zulks bepalen, voor degene die het bewuste product in de [Europese Unie] in de handel brengt, de verplichting om onder de door deze lidstaat gestelde voorwaarden het product in overeenstemming te brengen en aan de overtreding een einde te maken. Indien de tekortkoming blijft bestaan, moet de lidstaat alle nodige maatregelen treffen om overeenkomstig de procedure van de vrijwaringsclausules het in de handel brengen van het betrokken product te beperken of te verbieden dan wel het uit de handel te laten nemen.”

 Norm EN 795 en bekendmaking van de referenties ervan in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen

14      De Europese norm 795 (hierna: „norm EN 795”), met als opschrift „Persoonlijke beschermingsmiddelen tegen vallen – Verankeringsvoorzieningen – Eisen en beproeving”, werd vastgesteld in het kader van een mandaat dat de CEN was verleend door de Commissie en de Europese Vrijhandelsassociatie. De punten 4.2 en 4.3.1.1 van deze norm preciseren de technische voorschriften waaraan de verankeringsvoorzieningen van klasse A1 moeten voldoen en dienen ter ondersteuning van de in punt 3.1.2.2 van bijlage II bij richtlijn 89/686 vermelde voorschriften.

15      Punt 3.13 van norm EN 795 luidt als volgt:

„3.13 Klassen

3.13.1 Klasse A

3.13.1.1 Klasse A1

Klasse A1 omvat constructieverankeringen die zijn ontworpen om verticale en horizontale vlakken en oppervlakken onder een hoek te zekeren, bijv. wanden, kolommen, bovendorpels.

[...]”

16      Bij mededeling 2000/C 40/05 van de Commissie in het kader van de tenuitvoerlegging van richtlijn 89/686/EEG, gewijzigd bij de richtlijnen 93/68/EEG, 93/95/EEG en 96/58/EG (PB 2000, C 40, blz. 7), zijn de titel en het referentienummer van norm EN 795 bekend gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, vergezeld van een waarschuwing volgens welke „[d]eze bekendmaking [...] geen betrekking [heeft] op de uitrusting beschreven in de klassen A (structurele verankeringen), [...]; deze uitrusting kan niet worden geacht in overeenstemming te zijn met de bepalingen van richtlijn 89/686/EEG”.

 Nationale regeling

17      Richtlijn 89/106 is in Nederlands recht omgezet bij het Bouwbesluit van 16 december 1991 (Staatsblad 1991, 680), dat sinds 1 januari 2003 is vervangen door het Bouwbesluit van 2003 (Staatsblad 2002, 410), dat nadien herhaaldelijk is gewijzigd.

18      Richtlijn 89/686 is in Nederlands recht omgezet bij het Warenwetbesluit persoonlijke beschermingsmiddelen (Staatsblad 1992, 396), dat is vastgesteld in uitvoering van de Nederlandse wet inzake onder meer de kwaliteit en de veiligheid van producten en nadien herhaaldelijk is gewijzigd.

19      Norm EN 795 is in Nederlands recht omgezet bij norm NEN 795.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

20      Latchways, een concurrente van Kedge Safety Systems, produceert en verkoopt de Mansafe, een verankeringsvoorziening die op het dak wordt bevestigd met behulp van schroeven die worden aangebracht in de onder de dakbedekking aanwezige dakconstructie. Zij brengt op deze voorziening de CE-markering aan uit hoofde van norm EN 795.

21      Kedge Safety Systems produceert en verkoopt de Kedge Safety, een verankeringsvoorziening die op het dak wordt bevestigd door middel van verkleving van de daartoe behorende rozet met de bitumineuze dakbedekking. Zij claimt dat deze voorziening voldoet aan norm EN 795.

22      Consolidated Nederland, een van de kopers van de Kedge Safety, heeft deze voorziening tweemaal, in de jaren 2004 en 2005, laten testen door een erkende instantie die bevoegd is voor certificering van persoonlijke beschermingsmiddelen aan de hand van de geharmoniseerde normen. Bij deze twee gelegenheden heeft deze instantie vastgesteld dat de Kedge Safety voldeed aan bepaalde punten van norm EN 795 die betrekking hadden op de voorzieningen van klasse A1, maar zij heeft uitdrukkelijk erop gewezen dat de uitgevoerde testen geen recht geven op een CE-markering of een verklaring van overeenstemming met richtlijn 89/686.

23      In 2005 heeft Latchways de Kedge Safety laten testen door twee andere erkende instanties. Beide kwamen tot de conclusie dat de Kedge Safety op een onderdeel van de bij norm EN 795 bepaalde test tekort was geschoten door bij bepaalde temperaturen los te laten toen daarop een statische kracht van 5,68 kN werd uitgeoefend, terwijl punt 4.3.1.1 van norm EN 795 een weerstand van minimaal 10 kN vereist.

24      In een kort geding voor de Rechtbank Dordrecht hebben Latchways en Eurosafe Solutions, de Nederlandse distributeur van Mansafe, verkregen dat Kedge Safety Systems het verbod werd opgelegd om te vermelden dat haar verankeringsvoorziening voldoet aan norm EN 795 behalve bij toepassing op nieuwe daken en op niet-zonnige dagen, en dat zij haar klanten hierover moest informeren.

25      In het kader van het hoofdgeding eisen Latchways en Eurosafe Solutions een verbod om de Kedge Safety in de handel te brengen zonder CE-markering, op grond dat dit product onder richtlijn 89/686 valt. Subsidiair vorderen zij dat Kedge Safety Systems en Consolidated Nederland wordt verboden om dit product te verhandelen voor gebruik op alle daken, te stellen dat dit voldoet aan norm EN 795 en te vermelden dat dit product veilig is.

26      In reconventie vorderen Kedge Safety Systems en Consolidated Nederland dat Latchways en Eurosafe Solutions het verbod wordt opgelegd om de CE-markering aan te brengen op de Mansafe, te verwijzen naar norm EN 795 en dit product nog te verhandelen. Tot staving van hun vorderingen voeren Kedge Safety Systems en Consolidated Nederland aan dat de klassen A, C en D van norm EN 795 onder richtlijn 89/106 vallen, zodat Latchways en Eurosafe Solutions geen aanspraak kunnen maken op een verklaring van overeenstemming van de Mansafe krachtens richtlijn 89/686.

27      Aangezien de Rechtbank ’s-Gravenhage twijfels had omtrent de op de betrokken verankeringsvoorzieningen toepasselijke richtlijnen, de modaliteiten van gebruik van de CE-markering en de aard van norm EN 795, heeft deze bij tussenvonnis van 18 juli 2007 partijen in het hoofdgeding verzocht om zich uit te spreken over de prejudiciële vragen die deze rechtbank aan het Hof wilde voorleggen.

28      Na kennisneming van de respectieve opmerkingen van de partijen in het hoofdgeding, heeft de Rechtbank ’s-Gravenhage de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)      Vallen klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in EN 795 (die bedoeld zijn om duurzaam ter plaatse te blijven) exclusief onder het bereik van richtlijn 89/106 [...]?

2)      Als vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, vallen deze verankeringsvoorzieningen – dan eventueel als onderdeel van het beschermingsmiddel – onder het bereik van richtlijn 89/686 [...]?

3)      Als de vragen 1 en 2 ontkennend worden beantwoord: dient dan mede gelet op bijlage II bij de richtlijn 89/686 [...], in het bijzonder [punt] 3.1.2.2. daarvan, – ten aanzien van een persoonlijk beschermingsmiddel dat onder het bereik van deze richtlijn valt – te worden beoordeeld of dit beschermingsmiddel op zichzelf (sec) voldoet aan de fundamentele eisen van deze richtlijn of dient daarbij mede te worden betrokken de vraag of de verankeringsvoorziening – waarmee het betreffende beschermingsmiddel wordt verbonden – veilig is onder de te verwachten gebruiksomstandigheden, als bedoeld in die bijlage II?

4)      Staat het gemeenschapsrecht en in het bijzonder [besluit] 93/465 [...] toe dat op facultatieve basis een CE-markering op een verankeringsvoorziening als bedoeld in vraag 1 wordt aangebracht als bewijs van overeenstemming met richtlijn 89/686 [...] en/of richtlijn 89/106 [...]?

5)      Indien het antwoord op vraag 4 geheel of gedeeltelijk bevestigend is: met inachtneming van welke procedure(s) dient die overeenstemming te worden bepaald ten aanzien van de richtlijn 89/686 [...] en/of 89/106 [...]?

6)      Dient de norm EN 795 ten aanzien van de onder vraag 1 bedoelde verankeringsvoorzieningen te worden aangemerkt als – door het Hof [...] uit te leggen – [Unie]recht?

7)      Als vraag 6 bevestigend wordt beantwoord, dient EN 795 dan zo te worden uitgelegd dat de onder vraag 1 bedoelde verankeringsvoorziening (door een Notified Body) moet worden getest onder te verwachten gebruiksomstandigheden (zoals buitentemperaturen, weersomstandigheden, veroudering van de verankeringsvoorziening zelf en/of van materialen waarmee zij is bevestigd, respectievelijk van de dakconstructie)?

8)      Als vraag 7 bevestigend wordt beantwoord, dient dan te worden getest met inachtneming van (in de gebruiksaanwijzing aangegeven) gebruiksrestricties?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

29      Allereerst dient te worden vastgesteld dat de eerste, de tweede en de derde vraag betrekking hebben op de toepasselijkheid van de richtlijnen 89/106 en 89/686 op verankeringsvoorzieningen van klasse A1 zoals omschreven in norm EN 795. De beantwoording van deze vragen vereist noodzakelijkerwijs dat het Hof deze norm uitlegt. Wat juridisch gezien de aard van deze norm is en hoe deze moet worden uitgelegd is evenwel het voorwerp van de zesde, de zevende en de achtste vraag. Derhalve dienen eerst laatstgenoemde vragen te worden behandeld.

 Zesde, zevende en achtste vraag: wat is juridisch gezien de aard van norm EN 795

30      Met zijn zesde, zevende en achtste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de bepalingen en voorschriften van norm EN 795 inzake de verankeringsvoorzieningen van klasse A1 onder het Unierecht vallen en dus door het Hof kunnen worden uitgelegd. Bij een bevestigend antwoord wordt het Hof verzocht om deze uit te leggen.

31      In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat in het kader van de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake producten, waarvan onder meer de richtlijnen 89/106 en 89/686 het gevolg zijn, de instellingen van de Unie richtlijnen vaststellen die de fundamentele voorschriften bepalen waaraan de producten die onder de werkingssfeer ervan vallen, moeten voldoen. De Commissie belast vervolgens overeenkomstig de procedure van richtlijn 83/189 Europese normalisatie-instellingen met de uitwerking van de technische specificaties die de in deze richtlijnen geformuleerde fundamentele voorschriften concretiseren. Zodra de normen door deze normalisatie-instellingen zijn opgesteld, maakt de Commissie de referenties ervan bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze bekendmaking heeft tot gevolg dat voor de producten die onder een harmonisatierichtlijn vallen en die voldoen aan de technische voorschriften die zijn omschreven in de op deze producten toepasselijke geharmoniseerde normen, een vermoeden geldt dat zij in overeenstemming zijn met de fundamentele voorschriften van de desbetreffende richtlijn.

32      In casu blijkt uit norm EN 795 dat deze is uitgewerkt in het kader van een mandaat dat de Commissie aan de CEN had verleend krachtens punt 3.1.2.2 van bijlage II bij richtlijn 89/686. Vervolgens werden de referenties van deze norm in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt in mededeling 2000/C 40/05. Deze mededeling wijst er evenwel uitdrukkelijk op dat die bekendmaking geen betrekking heeft op de uitrusting beschreven in onder meer klasse A1 van norm EN 795 en deze uitrusting niet kan worden geacht in overeenstemming te zijn met de bepalingen van richtlijn 89/686.

33      Zoals de advocaat-generaal in punt 123 van haar conclusie heeft opgemerkt, kunnen de bepalingen van norm EN 795 inzake verankeringsvoorzieningen van klasse A1 derhalve niet worden beschouwd als geharmoniseerde technische specificaties. Voor zover zij betrekking heeft op de verankeringsvoorzieningen van klasse A1, dient norm EN 795 dan ook te worden aangemerkt als een norm van technische aard die is vastgesteld door een particuliere normalisatie-instelling, zonder enige band met richtlijn 89/686.

34      Volgens vaste rechtspraak is het Hof, wanneer het uitspraak doet bij wijze van prejudiciële beslissing, enkel bevoegd om Unierechtelijke bepalingen te onderzoeken (zie in die zin beschikking van 16 januari 2008, Polier, C‑361/07, punt 9 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35      Aangezien in de punten 32 en 33 van het onderhavige arrest is vastgesteld dat de betrokken bepalingen geen Unierechtelijke bepalingen zijn, dient – zonder dat hoeft te worden ingegaan op de vraag wat juridisch gezien de aard van de geharmoniseerde normen is – te worden vastgesteld dat het Hof de bepalingen van norm EN 795 inzake verankeringsvoorzieningen van klasse A1 niet mag uitleggen.

36      Derhalve dient op de zesde vraag te worden geantwoord dat de bepalingen van norm EN 795 inzake verankeringsvoorzieningen van klasse A1 niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 89/686 vallen, dat zij derhalve geen deel uitmaken van het Unierecht, en dat het Hof dus niet bevoegd is om deze uit te leggen.

37      Gelet op het antwoord op de zesde vraag hoeven de zevende en de achtste vraag niet te worden beantwoord.

 Eerste, tweede en derde vraag: toepasselijkheid van de richtlijnen 89/106 en 89/686 op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde voorzieningen

38      Met zijn eerste, tweede en derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de in norm EN 795 omschreven verankeringsvoorzieningen van klasse A1 vallen onder richtlijn 89/106 of onder richtlijn 89/686.

39      Aangezien het Hof niet bevoegd is om de bepalingen en voorschriften van norm EN 795 inzake die voorzieningen uit te leggen, dienen de in het hoofdgeding aan de orde zijn verankeringsvoorzieningen, te weten de Mansafe en de Kedge Safety, in aanmerking te worden genomen.

40      Deze voorzieningen bestaan uit een structureel verankeringssysteem dat aan het dak van een constructie wordt bevestigd en waaraan een persoonlijk beschermingsmiddel dient te worden bevestigd. Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, is het de bedoeling dat deze verankeringsvoorzieningen bevestigd blijven aan de constructie na de installatie ervan en kunnen zij dus herhaaldelijk worden gebruikt, hetgeen de belanghebbende partijen ter terechtzitting hebben bevestigd.

41      Wat in de eerste plaats de toepasselijkheid van richtlijn 89/686 op deze voorzieningen betreft, omschrijft artikel 1 ervan de werkingssfeer van deze richtlijn door in de leden 2 en 3 ervan het begrip persoonlijk beschermingsmiddel te definiëren.

42      Bij een systematische lezing van die leden 2 en 3 blijkt dat de kwalificatie als persoonlijk beschermingsmiddel veronderstelt dat een dergelijk product wordt – of minstens kan worden – gedragen of vastgehouden door de gebruiker ervan voor de tijdsduur dat deze aan het risico is blootgesteld. Het moet dus gaan om een beweegbaar product. Vaststaat dat verankeringsvoorzieningen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, voor gebruik ervan worden bevestigd aan een bouwwerk. Derhalve zijn zij niet bestemd om door de gebruiker ervan te worden gedragen of vastgehouden in de zin van richtlijn 89/686.

43      Ook dient te worden vastgesteld dat de functie van deze voorzieningen eraan in de weg staat dat deze worden aangemerkt als „verbindingssystemen” in de zin van artikel 1, lid 3, van richtlijn 89/686, en dus worden beschouwd als een integrerend bestanddeel van een persoonlijk beschermingsmiddel. De functie van dergelijke voorzieningen is immers geenszins het verbinden van een persoonlijk beschermingsmiddel aan een „andere, externe voorziening” in de zin van dat artikel of aan een „veilig verankeringspunt” in de zin van punt 3.1.2.2 van bijlage II bij deze richtlijn. Zij zijn integendeel bestemd om een „externe voorziening” te vormen waaraan een persoonlijk beschermingsmiddel wordt bevestigd.

44      Gelet op de aard en de functie ervan, dient dus te worden vastgesteld dat verankeringsvoorzieningen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, niet onder richtlijn 89/686 vallen.

45      Aan deze vaststelling kan niet worden afgedaan door het in punt 3.1.2.2 van bijlage II bij richtlijn 89/686 vermelde voorschrift dat de fabrikant van een persoonlijk beschermingsmiddel in zijn gebruiksaanwijzing alle nuttige gegevens moet verstrekken over de nodige kenmerken van het veilige verankeringspunt waarmee dat persoonlijk beschermingsmiddel moet worden verbonden.

46      Uit artikel 3 van richtlijn 89/686 blijkt immers dat bijlage II bij deze richtlijn in zijn geheel en punt 3.1.2.2 van deze bijlage in het bijzonder louter de fundamentele gezondheids‑ en veiligheidsvoorschriften voor de persoonlijke beschermingsmiddelen vaststellen. De verplichting voor de fabrikant om nadere informatie te verstrekken over de nodige kenmerken van het veilige verankeringspunt waarmee een persoonlijk beschermingsmiddel moet worden verbonden, kan de werkingssfeer van deze richtlijn derhalve niet uitbreiden over de in artikel 1 ervan vastgestelde grenzen heen.

47      Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat verankeringsvoorzieningen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, die niet bestemd zijn om door de gebruiker ervan te worden gedragen of vastgehouden, niet onder richtlijn 89/686 vallen, noch als zodanig noch op grond van het feit dat zij bestemd zijn om te worden verbonden met een persoonlijk beschermingsmiddel.

48      Gelet op het antwoord op de tweede vraag hoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.

49      Wat in de tweede plaats de toepasselijkheid van richtlijn 89/106 op verankeringsvoorzieningen als de Mansafe en de Kedge Safety betreft, blijkt uit artikel 1, lid 1, ervan dat deze richtlijn van toepassing is op voor de bouw bestemde producten, voor zover de fundamentele voorschriften voor bouwwerken overeenkomstig artikel 3, lid 1, van deze richtlijn daarmee in verband staan. Voor de vaststelling van de fundamentele voorschriften voor deze bouwwerken die op de eigenschappen van een voor de bouw bestemd product van invloed kunnen zijn, verwijst laatstgenoemd artikel naar bijlage I bij richtlijn 89/106, die onder meer betrekking heeft op de gebruiksveiligheid van bouwwerken.

50      In dit opzicht is voor de toepasselijkheid van richtlijn 89/106 op een bepaald product vereist dat is voldaan aan twee voorwaarden, waarbij de eerste betrekking heeft op de aard van dit product en de tweede op de functie ervan.

51      Wat om te beginnen de aard van de onder richtlijn 89/106 vallende producten betreft, bepaalt artikel 1, lid 2, ervan dat als „voor de bouw bestemde producten” worden beschouwd, producten die worden vervaardigd om blijvend deel uit te maken van bouwwerken.

52      Allereerst dient te worden vastgesteld dat in richtlijn 89/106 de woorden „blijvend deel uit te maken” niet nader worden omschreven. Gelet op de gebruikelijke betekenis van deze woorden en op het doel van deze richtlijn, dat erin bestaat dat bouwwerken voldoen aan de erin vermelde fundamentele voorschriften, moet niettemin worden aangenomen dat als voor de bouw bestemde producten moeten worden beschouwd, de producten die deel uitmaken van een bouwwerk, waarbij de demontage van deze producten het prestatievermogen van het bouwwerk vermindert en de demontage of vervanging ervan een bouwwerkzaamheid vormt.

53      Gelet op de kenmerken van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verankeringsvoorzieningen, zoals die blijken uit punt 40 van het onderhavige arrest, moet worden vastgesteld dat deze voorzieningen op die manier aan het dak worden bevestigd dat zij deel uitmaken van het bouwwerk overeenkomstig de definitie van een voor de bouw bestemd product in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 89/106.

54      Wat vervolgens de functie van de onder richtlijn 89/106 vallende producten betreft, bepaalt punt 4 van bijlage I bij deze richtlijn dat de voor de bouw bestemde producten moeten kunnen dienen voor de uitvoering van bouwwerken die voor gebruik geschikt zijn, in het bijzonder wat de gebruiksveiligheid betreft, door te gebieden dat deze bouwwerken zodanig worden ontworpen en uitgevoerd dat het gebruik ervan of de erin verrichte activiteiten geen onaanvaardbare risico’s meebrengen, zoals uitglijden, vallen, botsen, brandwonden, elektrocutie of verwondingen door ontploffingen.

55      In casu staat vast dat verankeringsvoorzieningen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, de veiligheid van personen beogen te waarborgen bij werkzaamheden op daken, door te vermijden dat van een hoogte wordt gevallen bij gebruik van het dak of in het kader van de eraan verrichte activiteiten, in het bijzonder onderhoudswerkzaamheden aan of reparatie van het bouwwerk.

56      Derhalve dient te worden vastgesteld dat dergelijke voorzieningen de veiligheid waarborgen bij gebruik van het dak van bouwwerken of bij eraan verrichte activiteiten in de zin van punt 4 van bijlage I bij richtlijn 89/106.

57      Aan deze vaststelling kan niet worden afgedaan door het feit dat punt 4 van bijlage I bij deze richtlijn in de Nederlandse versie ervan („erin verrichte activiteiten”) geen betrekking heeft op de activiteiten die aan de buitenkant van een bouwwerk worden verricht, en dus die welke op daken worden verricht. Volgens vaste rechtspraak brengt het vereiste van een uniforme uitlegging van de handelingen van de Unie immers mee dat de tekst van een bepaling in geval van twijfel niet op zichzelf kan worden beschouwd, maar moet worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in de andere officiële talen (zie in die zin arrest van 20 november 2008, Heuschen & Schrouff Oriëntal Foods Trading, C‑375/07, Jurispr. blz. I‑8691, punt 46 en aangehaalde rechtspraak). De andere taalversies, zoals de Duitse, de Engelse en de Franse versie, maken geen enkel onderscheid tussen de binnen het bouwwerk verrichte activiteiten en die welke buiten het bouwwerk worden verricht.

58      Bovendien kan uit geen enkele bepaling van richtlijn 89/106 worden afgeleid dat een restrictieve uitlegging van de werkingssfeer ervan vereist is en ertoe moet leiden dat voorzieningen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, daarvan moeten worden uitgesloten. Gelet op de doelstellingen van deze richtlijn is het daarentegen voor de gebruiksveiligheid van bouwwerken van het grootste belang, in het bijzonder bij gebruik ervan door de personen die op daken werken, dat deze bij gebruik van een dak kunnen rekenen op verankeringsvoorzieningen die aan het bouwwerk zijn bevestigd en bedoeld zijn om duurzaam ter plaatse te blijven, en die na de bevestiging ervan deel uitmaken van dit bouwwerk en dus een voor de bouw bestemd product in de zin van richtlijn 89/106 zijn.

59      Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat verankeringsvoorzieningen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, die deel uitmaken van het bouwwerk waaraan zij zijn bevestigd ter waarborging van de veiligheid bij gebruik van het dak van dit bouwwerk of bij eraan verrichte activiteiten, onder richtlijn 89/106 vallen.

 Vierde en vijfde vraag inzake de uitlegging van besluit 93/465

60      Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of besluit 93/465 toestaat dat de CE-markering op facultatieve basis wordt aangebracht op een product dat niet valt binnen de werkingssfeer van de richtlijn uit hoofde waarvan het is aangebracht, maar dat voldoet aan de daarin vastgestelde technische voorschriften, en zo ja, welke procedure(s) daartoe in acht dient (dienen) te worden genomen.

61      Op dit punt dient te worden opgemerkt dat op grond van de punten I B, sub a, b en e, van de bijlage bij besluit 93/465, in onderlinge samenhang gelezen, kan worden vastgesteld dat de CE-markering het enige instrument is dat aangeeft dat enerzijds een product in overeenstemming is met de fundamentele voorschriften die in de erop van toepassing zijnde harmonisatierichtlijn(en) is (zijn) vastgesteld, en anderzijds dit product aan de passende procedures van beoordeling van de overeenstemming ervan met die richtlijnen is onderworpen.

62      Bovendien wijzen de punten I B, sub i en l, van diezelfde bijlage op de noodzaak, elke mogelijke verwarring en elk misbruik bij het gebruik van de CE-markering te voorkomen, in het bijzonder door de lidstaten de verplichting op te leggen om een einde te maken aan overtredingen die erin bestaan dat deze markering ten onrechte is aangebracht.

63      In deze omstandigheden mag de CE-markering alleen worden aangebracht op producten waarvoor het aanbrengen is voorzien door specifieke harmonisatiewetgeving van de Unie, en mag deze niet worden aangebracht op enig ander product. Elke andere opvatting zou er immers toe leiden dat verwarringsgevaar ontstaat met betrekking tot de betekenis van deze markering. Precies om dit gevaar af te weren bepaalt overigens artikel 30, lid 2, van verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 339/93 van de Raad (PB L 218, blz. 30), die van toepassing is met ingang van 1 januari 2010, dat de CE-markering alleen wordt aangebracht op producten waarvoor het aanbrengen is voorzien door specifieke harmonisatiewetgeving van de Unie, en niet op enig ander product wordt aangebracht.

64      Derhalve dient op de vierde vraag te worden geantwoord dat besluit 93/465 eraan in de weg staat dat de CE-markering op facultatieve basis wordt aangebracht op een product dat niet valt binnen de werkingssfeer van de richtlijn uit hoofde waarvan het is aangebracht, zelfs al voldoet dit product aan de daarin vastgestelde technische voorschriften.

65      Gelet op het antwoord op de vierde vraag hoeft de vijfde vraag niet te worden onderzocht.

 Kosten

66      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

1)      De bepalingen van Europese norm 795 inzake verankeringsvoorzieningen van klasse A1 vallen niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 89/686/EEG van de Raad van 21 december 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003. Zij maken derhalve geen deel uit van het Unierecht en het Hof is dus niet bevoegd om deze uit te leggen.

2)      Verankeringsvoorzieningen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, die niet bestemd zijn om door de gebruiker ervan te worden gedragen of vastgehouden, vallen niet onder richtlijn 89/686, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1882/2003, noch als zodanig noch op grond van het feit dat zij bestemd zijn om te worden verbonden met een persoonlijk beschermingsmiddel.

3)      Verankeringsvoorzieningen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, die deel uitmaken van het bouwwerk waaraan zij zijn bevestigd ter waarborging van de veiligheid bij gebruik van het dak van dit bouwwerk of bij eraan verrichte activiteiten, vallen onder richtlijn 89/106/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1882/2003.

4)      Besluit 93/465/EEG van de Raad van 22 juli 1993 betreffende de modules voor de verschillende fasen van de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures en de voorschriften inzake het aanbrengen en het gebruik van de CE-markering van overeenstemming, staat eraan in de weg dat de CE-markering op facultatieve basis wordt aangebracht op een product dat niet valt binnen de werkingssfeer van de richtlijn uit hoofde waarvan het is aangebracht, zelfs al voldoet dit product aan de daarin vastgestelde technische voorschriften.

ondertekeningen


* Procestaal: Nederlands.