Zaak C‑404/06

Quelle AG

tegen

Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände

(verzoek van het Bundesgerichtshof om een prejudiciële beslissing)

„Bescherming van consument – Richtlijn 1999/44/EG – Verkoop van en garanties voor consumptiegoederen – Recht van verkoper om, in geval van vervanging van niet-conform goed, van consument vergoeding te eisen voor gebruik van dat goed – Kosteloosheid van gebruik van niet-conform goed”

Samenvatting van het arrest

1.        Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van Hof – Grenzen

(Art. 234 EG)

2.        Harmonisatie van wetgevingen – Verkoop van en garanties voor consumptiegoederen – Richtlijn 1999/44

(Richtlijn 1999/44 van het Europees Parlement en de Raad, art. 3)

1.        In het kader van de procedure van artikel 234 EG, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, is het uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van gemeenschapsrecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden.

Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen.

In dit verband kan de onzekerheid of de nationale rechter, na het antwoord van het Hof op een prejudiciële vraag over de uitlegging van een richtlijn, het nationale recht met inachtneming van de door het Hof ontwikkelde beginselen tegen de achtergrond van dat antwoord kan uitleggen, geen invloed hebben op de verplichting voor het Hof om uitspraak te doen op deze vraag. Elke andere oplossing zou immers ingaan tegen het doel zelf van de door artikel 234 EG aan het Hof verleende bevoegdheden, namelijk in de eerste plaats een uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht door de nationale rechterlijke instanties verzekeren.

(cf. punten 19‑22)

2.        Artikel 3 van richtlijn 1999/44 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling volgens welke de verkoper, in geval van levering van een niet-conform consumptiegoed, van de consument een vergoeding mag eisen voor het gebruik van het niet-conforme goed tot aan de vervanging ervan door een nieuw goed.

Zowel uit de tekst als uit de relevante voorstukken van de richtlijn blijkt immers dat voor de gemeenschapswetgever de kosteloosheid van het in overeenstemming brengen van het goed door de verkoper een wezenlijk element van de door deze richtlijn aan de consument verleende bescherming is. Deze op de verkoper rustende verplichting om het goed kosteloos in overeenstemming te brengen, hetzij in de vorm van herstel hetzij in de vorm van vervanging van het niet-conforme goed, beoogt de consument te beschermen tegen het risico van financiële lasten, dat hem zonder die bescherming ervan zou kunnen weerhouden zijn rechten geldend te maken. Op grond van deze door de gemeenschapswetgever gewilde kosteloosheid moet worden uitgesloten dat de verkoper financiële aanspraken geldend maakt in het kader van de nakoming van zijn verplichting om het goed waarop de overeenkomst betrekking heeft, in overeenstemming te brengen. Het kosteloos in overeenstemming brengen beantwoordt overigens aan het doel van de richtlijn, namelijk een hoog niveau van consumentenbescherming verwezenlijken.

(cf. punten 33‑34, 36, 43 en dictum)







ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

17 april 2008 (*)

„Bescherming van consument – Richtlijn 1999/44/EG – Verkoop van en garanties voor consumptiegoederen – Recht van verkoper om, in geval van vervanging van niet-conform goed, van consument vergoeding te eisen voor gebruik van dat goed – Kosteloosheid van gebruik van niet-conform goed”

In zaak C‑404/06,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) bij beslissing van 16 augustus 2006, ingekomen bij het Hof op 28 september 2006, in de procedure

Quelle AG

tegen

Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: P. Jann (rapporteur), kamerpresident, A. Tizzano, A. Borg Barthet, M. Ilešič en E. Levits, rechters,

advocaat-generaal: V. Trstenjak,

griffier: B. Fülöp, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 oktober 2007,

gelet op de opmerkingen van:

–        Quelle AG, vertegenwoordigd door A. Piekenbrock, Rechtsanwalt,

–        het Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände, vertegenwoordigd door P. Wassermann en J. Kummer, Rechtsanwälte,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Lumma en J. Kemper als gemachtigden,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door N. Díaz Abad als gemachtigde,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer, als gemachtigde,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Aresu, B. Schima en I. Kaufmann-Bühler als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 november 2007,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3 van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (PB L 171, blz. 12; hierna: „richtlijn”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Quelle AG (hierna: „Quelle”), een postorderbedrijf, en het Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände (hierna: „Bundesverband”), een erkende consumentenvereniging die een mandaat heeft gekregen van S. Brüning, een cliënte van dat bedrijf.

 Toepasselijke bepalingen

 Gemeenschapsregeling

3        De richtlijn is vastgesteld op grond van artikel 95 EG. In de eerste overweging van de considerans ervan wordt eraan herinnerd dat in artikel 153, leden 1 en 3, EG is bepaald dat de Europese Gemeenschap bijdraagt tot de verwezenlijking van een hoog niveau van consumentenbescherming door middel van de maatregelen die zij op grond van artikel 95 EG neemt.

4        In artikel 3, „Rechten van de consument”, van de richtlijn wordt bepaald:

„1.      De verkoper is jegens de consument aansprakelijk voor elk gebrek aan overeenstemming dat bestaat bij de aflevering van de goederen.

2.      In geval van gebrek aan overeenstemming, heeft de consument het recht dat de goederen kosteloos door herstelling of vervanging in overeenstemming worden gebracht, overeenkomstig lid 3, of dat de prijs op passende wijze wordt verminderd of dat de koopovereenkomst met betrekking tot deze goederen wordt ontbonden, overeenkomstig de leden 5 en 6.

3.      In eerste instantie heeft de consument het recht om van de verkoper het kosteloze herstel of de kosteloze vervanging van de goederen te verlangen behalve als dat onmogelijk of buiten verhouding zou zijn.

Een vorm van genoegdoening wordt geacht buiten verhouding te zijn indien zij voor de verkoper kosten meebrengt die, vergeleken met de alternatieve vorm van genoegdoening onredelijk zijn [...].

Herstelling of vervanging moet, rekening houdend met de aard van de goederen en het gebruik van de goederen dat de consument wenste, binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de consument plaatsvinden.

4.      De term ‚kosteloos’ in de leden 2 en 3 heeft betrekking op de kosten die gemaakt moeten worden om de goederen in overeenstemming te brengen, met name de kosten van verzending, loon en materiaal.

5.      De consument kan een passende prijsvermindering of de ontbinding van de koopovereenkomst verlangen:

–      indien hij geen aanspraak kan maken op herstelling of vervanging, of

–        indien de verkoper niet binnen een redelijke termijn tot genoegdoening is overgegaan, of

–        indien de verkoper niet zonder ernstige overlast voor de consument tot genoegdoening is overgegaan.

–        [...]”

5        Volgens de vijftiende overweging van de considerans van de richtlijn staat „het de lidstaten vrij [...] te bepalen dat elke terugbetaling aan de consument kan worden verminderd teneinde rekening te houden met het gebruik dat de consument van het goed heeft gehad sedert het hem is afgeleverd; [...] de gedetailleerde regeling betreffende de wijze waarop tot de ontbinding van de overeenkomst wordt gekomen, kan worden vastgelegd in het nationale recht”.

6        Artikel 5, „Termijnen”, lid 1, eerste zin, van de richtlijn luidt als volgt:

„De verkoper is aansprakelijk krachtens artikel 3 wanneer het gebrek aan overeenstemming zich manifesteert binnen een termijn van twee jaar vanaf de aflevering van de goederen.”

7        Artikel 8, „Nationaal recht en minimum aan bescherming”, lid 2, van de richtlijn luidt als volgt:

„De lidstaten kunnen op het door deze richtlijn bestreken gebied strengere voorschriften vaststellen of handhaven voor zover deze met het Verdrag verenigbaar zijn, teneinde de consument een hogere graad van bescherming te verzekeren.”

 Nationale regeling

8        De bepalingen die zijn vastgesteld ter omzetting van de richtlijn in het Duitse recht, zijn met name neergelegd in § 439 en § 346 van het Bürgerliche Gesetzbuch (Duits burgerlijk wetboek; hierna: het „BGB”).

9        § 439, „Uitvoering a posteriori”, lid 4, BGB bepaalt:

„Indien de verkoper in het kader van de uitvoering a posteriori een goed zonder gebreken levert, kan hij overeenkomstig de §§ 346 tot en met 348 van de koper de teruggave van het gebrekkige goed verlangen.”

10      § 346, „Gevolgen van de opzegging”, leden 1 tot en met 3, BGB, luidt als volgt:

„1.      Wanneer een partij voor zichzelf een opzeggingsrecht heeft bedongen of een wettelijk opzeggingsrecht heeft, dient zij in geval van opzegging de ontvangen prestaties en de genoten voordelen te restitueren.

2.      In plaats daarvan dient de schuldenaar een vergoeding te betalen indien:

1)      restitutie gelet op de aard van het gepresteerde uitgesloten is;

2)      de schuldenaar het ontvangen goed heeft verbruikt, vervreemd, belast, verwerkt of omgevormd;

3)      het ontvangen goed versleten is of teniet is gegaan, behoudens wanneer de slijtage voortvloeit uit het normale gebruik van het goed.

Indien de overeenkomst in een tegenprestatie voorziet, vormt deze de basis voor de berekening van de vergoeding; indien een vergoeding dient te worden betaald voor het gebruik van een geleend goed, kan het bewijs worden geleverd dat dit gebruik minder waard was.

3.      De vergoedingsplicht vervalt:

1)      wanneer het gebrek op grond waarvan de overeenkomst kan worden opgezegd, pas bij de verwerking of de omvorming van het goed aan het licht is gekomen;

2)      voor zover de schuldeiser de gevolgen van de slijtage of het tenietgaan dient te dragen of de schade ook bij hem zou zijn ontstaan;

3)      wanneer in het geval van een wettelijk opzeggingsrecht het goed is versleten of tenietgegaan bij de rechthebbende hoewel deze dezelfde zorgvuldigheid heeft betracht als die welke hij gewoonlijk voor zijn eigen zaken betracht.

In geval van verrijking is hiervoor een vergoeding verschuldigd.”

11      § 100, „Gebruiksvoordelen”, BGB bepaalt:

„De gebruiksvoordelen zijn de vruchten van een goed of van een recht, alsook de voordelen die aan het gebruik van het goed of van het recht verbonden zijn.”

 Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag

12      In augustus 2002 heeft Quelle Brüning een fornuis voor privégebruik geleverd. Begin 2004 stelde Brüning vast dat het toestel een gebrek vertoonde. Aangezien het toestel niet kon worden hersteld, heeft zij het terugbezorgd aan Quelle, die haar een nieuw toestel heeft toegezonden. Voor het gebruik dat Brüning van het eerste toestel had gehad, vroeg Quelle deze laatste echter een vergoeding van 69,97 EUR.

13      Het Bundesverband heeft als mandataris van Brüning gevorderd dat dit bedrag aan deze laatste wordt terugbetaald. Verder heeft het gevorderd dat Quelle ertoe wordt veroordeeld om, in geval van vervanging van een goed dat niet in overeenstemming is met de verkoopovereenkomst (hierna: „niet-conform goed”), geen bedragen meer in rekening te brengen voor het gebruik van dat goed.

14      De rechter in eerste aanleg heeft de vordering tot terugbetaling toegewezen en afwijzend beslist op de vordering ertoe strekkende dat aan Quelle verbod wordt opgelegd om bedragen in rekening te brengen voor het gebruik van een niet-conform goed. De hogere beroepen die Quelle en het Bundesverband tegen dit vonnis hebben ingesteld, zijn verworpen. Het Bundesgerichtshof, dat kennis dient te nemen van een beroep tot „Revision”, stelt vast dat uit de bepalingen van § 439, lid 4, en § 346, leden 1 en 2, punt 1, BGB, in hun onderlinge samenhang gelezen, voortvloeit dat de verkoper in geval van vervanging van een niet-conform goed recht heeft op een vergoeding ter compensatie van de voordelen die de koper uit het gebruik van dat goed tot aan de vervanging ervan door een nieuw goed heeft gehaald.

15      Het Bundesgerichtshof heeft bedenkingen bij de eenzijdige last die aldus aan de koper wordt opgelegd, maar verklaart dat het geen mogelijkheid ziet om de nationale regeling te corrigeren bij wege van uitlegging. Een uitlegging volgens welke de verkoper van de koper geen vergoeding voor het gebruik van het vervangen goed kan vorderen, zou immers in strijd zijn met de bewoordingen van de relevante bepalingen van het BGB en met de duidelijk tot uitdrukking gebrachte wil van de wetgever, en verboden worden door artikel 20, lid 2, van het Grundgesetz, volgens hetwelk de rechterlijke macht is gebonden door wet en recht.

16      Omdat het echter betwijfelt of de bepalingen van het BGB in overeenstemming zijn met de gemeenschapsregeling, heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Dienen de bepalingen van artikel 3, lid 2, juncto artikel 3, lid 3, eerste alinea, en lid 4, of artikel 3, lid 3, derde volzin, van [de] richtlijn [...] aldus te worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de verkoper, wanneer hij consumptiegoederen vervangt en aldus een situatie creëert die met de koopovereenkomst in overeenstemming is, kan eisen dat de consument hem voor het gebruik van de aanvankelijk geleverde niet-contractconforme consumptiegoederen een vergoeding betaalt?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

17      Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3 van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling volgens welke de verkoper, in geval van levering van een niet-conform consumptiegoed, van de consument een vergoeding mag eisen voor het gebruik van het niet-conforme goed tot aan de vervanging ervan door een nieuw goed.

 De ontvankelijkheid

18      Ter terechtzitting heeft Quelle betoogd, dat de prejudiciële vraag niet-ontvankelijk is omdat de verwijzende rechter heeft aangegeven dat de bepalingen waarbij de richtlijn in nationaal recht is omgezet, slechts op één manier kunnen worden uitgelegd, en het Duitse grondwettelijk recht uitlegging contra legem verbiedt. Ingeval het Hof artikel 3 van de richtlijn op een andere manier uitlegt, zal die rechter dus geen rekening kunnen houden met het antwoord van het Hof.

19      In dit verband zij eraan herinnerd dat in het kader van de procedure van artikel 234 EG, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, het uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van gemeenschapsrecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (zie met name arresten van 22 juni 2006, Conseil général de la Vienne, C‑419/04, Jurispr. blz. I‑5645, punt 19, en 18 juli 2007, Lucchini, C‑119/05, Jurispr. blz. I‑6199, punt 43).

20      Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (zie met name de reeds aangehaalde arresten Conseil général de la Vienne, punt 20, en Lucchini, punt 44).

21      Dit is in casu niet het geval.

22      De onzekerheid of de nationale rechter, na het antwoord van het Hof op een prejudiciële vraag over de uitlegging van een richtlijn, het nationale recht met inachtneming van de door het Hof ontwikkelde beginselen (zie in die zin arresten van 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a., C‑397/01–C‑403/01, Jurispr. blz. I‑8835, punten 113‑116, en 4 juli 2006, Adeneler e.a., C‑212/04, Jurispr. blz. I‑6057, punten 110‑112) tegen de achtergrond van dat antwoord kan uitleggen, kan geen invloed hebben op de verplichting voor het Hof om uitspraak te doen op deze vraag. Elke andere oplossing zou immers ingaan tegen het doel zelf van de door artikel 234 EG aan het Hof verleende bevoegdheden, namelijk in de eerste plaats een uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht door de nationale rechterlijke instanties verzekeren (arresten van 6 december 2005, Gaston Schul Douane-expediteur, C­‑461/03, Jurispr. blz. I‑10513, punt 21, en 10 januari 2006, IATA en ELFAA, C‑344/04, Jurispr. blz. I­‑­403, punt 27).

23      Bijgevolg is het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.

 Ten gronde

24      Volgens het Bundesverband, de Spaanse en de Oostenrijkse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt in artikel 3, lid 3, van de richtlijn duidelijk bepaald dat niet alleen het herstel door de verkoper van een niet-conform goed, maar in voorkomend geval ook de vervanging van dat goed door een conform goed zonder kosten voor de consument moet worden verricht. De verplichting tot kosteloos herstel of kosteloze vervanging is een onlosmakelijk geheel dat de koper beoogt te beschermen tegen het risico van financiële lasten die hem ervan zouden kunnen weerhouden zijn rechten te doen gelden.

25      De Duitse regering wijst erop dat de tekst van de richtlijn geen antwoord geeft op de vraag of de verkoper, in geval van vervanging van een niet-conform goed, een vergoeding voor het gebruik van dat goed kan eisen. Zij beklemtoont dat, bekeken vanuit de opzet van de richtlijn, de vijftiende overweging van de considerans ervan een zeer algemeen rechtbeginsel formuleert dat de lidstaten alle ruimte laat om in hun wetgeving te regelen in welke situaties de consument een vergoeding voor het gebruik van een goed moet betalen.

26      Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat volgens artikel 3, lid 1, van de richtlijn de verkoper jegens de consument aansprakelijk is voor elk gebrek aan overeenstemming dat bestaat bij de aflevering van de goederen.

27      Artikel 3, lid 2, geeft een opsomming van de rechten die de consument jegens de verkoper geldend kan maken in geval van gebrek aan overeenstemming van het geleverde goed. In eerste instantie heeft de consument het recht te verlangen dat het goed in overeenstemming wordt gebracht. Wanneer dat niet mogelijk is, kan hij in tweede instantie verlangen dat de prijs wordt verminderd of dat de overeenkomst wordt ontbonden.

28      Met betrekking tot het in overeenstemming brengen van het goed wordt in artikel 3, lid 3, van de richtlijn gepreciseerd dat de consument het recht heeft om van de verkoper het kosteloze herstel of de kosteloze vervanging van het goed te verlangen behalve als dat onmogelijk of buiten verhouding zou zijn.

29      De Duitse regering voert aan dat zowel in de tekst van het door de Commissie ingediende voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verkoop van en de waarborgen voor consumptiegoederen (96/C 307/09) (PB 1996, C 307, blz. 8) als in die van het door de Commissie ingediende gewijzigde voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad (98/C 148/11) (PB 1998, C 148, blz. 12) alleen sprake is van „kosteloze herstelling” of van „vervanging” van het goed. Dit stilzwijgen over de financiële gevolgen van een vervanging toont haars inziens aan dat niet was voorzien dat de richtlijn de kwestie van een eventuele vergoeding voor het gebruik zou regelen.

30      Deze omstandigheid is evenwel volstrekt irrelevant daar de in het gemeenschappelijke standpunt (EG) nr. 51/98 van de Raad van 24 september 1998 met het oog op de aanneming van de richtlijn (PB C 333, blz. 46) gehanteerde begrippen „het kosteloze herstel of de kosteloze vervanging” in de definitieve tekst zijn opgenomen en daarmee uiting geven aan de wil van de gemeenschapswetgever om de bescherming van de consument te versterken.

31      Volgens artikel 3, lid 4, van de richtlijn heeft de term „kosteloos” betrekking op „de kosten die gemaakt moeten worden om de goederen in overeenstemming te brengen, met name de kosten van verzending, loon en materiaal”. Uit het gebruik door de gemeenschapswetgever van de bijwoordelijke uitdrukking „met name” blijkt dat deze opsomming indicatief en niet limitatief is.

32      De door de Duitse regering aangevoerde omstandigheid dat in de persmededeling C/99/77 van het bemiddelingscomité „Europees Parlement – Raad” van 18 maart 1999 betreffende de consensus over de waarborgen voor de consumenten een limitatieve definitie van de term „kosteloos” wordt gegeven, is in dit verband niet ter zake dienend. Het is immers vaste rechtspraak dat een verklaring in notulen van de Raad, die niet in de tekst van een bepaling van afgeleid recht is terug te vinden, niet kan worden gebruikt bij de uitlegging van de genoemde bepaling (zie onder meer arresten van 26 februari 1991, Antonissen, C‑292/89, Jurispr. blz. I‑745, punt 18, en 10 januari 2006, Skov en Bilka, C‑402/03, Jurispr. blz. I‑199, blz. 42).

33      Zowel uit de tekst als uit de relevante voorstukken van de richtlijn blijkt dus dat voor de gemeenschapswetgever de kosteloosheid van het in overeenstemming brengen van het goed door de verkoper een wezenlijk element van de door deze richtlijn aan de consument verleende bescherming is.

34      Deze op de verkoper rustende verplichting om het goed kosteloos in overeenstemming te brengen, hetzij in de vorm van herstel hetzij in de vorm van vervanging van het niet-conforme goed, beoogt de consument te beschermen tegen het risico van financiële lasten, dat, zoals de advocaat-generaal in punt 49 van haar conclusie heeft opgemerkt, hem zonder die bescherming ervan zou kunnen weerhouden zijn rechten geldend te maken. Op grond van deze door de gemeenschapswetgever gewilde kosteloosheid moet worden uitgesloten dat de verkoper financiële aanspraken geldend maakt in het kader van de nakoming van zijn verplichting om het goed waarop de overeenkomst betrekking heeft, in overeenstemming te brengen.

35      Deze uitlegging vindt steun in de door de gemeenschapswetgever in artikel 3, lid 3, derde alinea, van de richtlijn tot uitdrukking gebrachte wil om de consument daadwerkelijke bescherming te verlenen. In deze bepaling wordt immers gepreciseerd dat elke herstelling of vervanging niet alleen binnen een redelijke termijn maar ook zonder ernstige overlast voor de consument moet plaatsvinden.

36      Deze uitlegging is ook in overeenstemming met het doel van de richtlijn die, zoals in de eerste overweging van de considerans ervan wordt aangegeven, een hoog niveau van consumentenbescherming beoogt te verwezenlijken. Zoals uit artikel 8, lid 2, van deze richtlijn voortvloeit, is de bescherming die deze richtlijn verleent, het minimum en mogen de lidstaten strengere voorschriften vaststellen, maar geen afbreuk doen aan de waarborgen die de gemeenschapswetgever heeft verleend.

37      De andere argumenten die de Duitse regering tegen die uitlegging heeft aangevoerd, kunnen deze uitlegging niet op losse schroeven zetten.

38      Met betrekking tot de draagwijdte van de vijftiende overweging van de considerans van de richtlijn, volgens welke rekening mag worden gehouden met het gebruik dat de consument van het niet-conforme goed heeft gehad, dient te worden opgemerkt dat het eerste deel van die overweging betrekking heeft op een „terugbetaling” aan de consument, terwijl het tweede deel ziet op de „wijze waarop tot de ontbinding van de overeenkomst wordt gekomen”. Deze termen zijn dezelfde als die welke zijn gebruikt in het gemeenschappelijke standpunt van de Raad waarnaar de Duitse regering eveneens heeft verwezen.

39      Uit deze terminologie blijkt duidelijk dat de vijftiende overweging van de considerans uitsluitend betrekking heeft op het in artikel 3, lid 5, van de richtlijn bedoelde geval van ontbinding van de overeenkomst. In dat geval moet de verkoper op grond van het beginsel van de wederzijdse teruggave van de ontvangen voordelen, de prijs van het goed aan de consument terugbetalen. Anders dan de Duitse regering stelt, kan de vijftiende overweging van de considerans dus niet worden uitgelegd als een algemeen beginsel dat de lidstaten machtigt om in alle gevallen waarin zij dat wensen, met inbegrip van het geval van een gewoon verzoek om vervanging op grond van artikel 3, lid 3, van de richtlijn, rekening te houden met het gebruik dat de consument van het niet-conforme goed heeft gehad.

40      Met betrekking tot de stelling van de Duitse regering dat de omstandigheid dat de consument in geval van vervanging van een niet-conform goed een nieuw goed ontvangt zonder een financiële vergoeding te moeten betalen, een ongerechtvaardigde verrijking oplevert, dient eraan te worden herinnerd dat volgens artikel 3, lid 1, van de richtlijn de verkoper jegens de consument aansprakelijk is voor elk gebrek aan overeenstemming dat bestaat bij de aflevering van het goed.

41      Ingeval de verkoper een niet-conform goed levert, voert hij de verbintenis die hij bij de verkoopovereenkomst is aangegaan, niet correct uit en moet hij dus opkomen voor de gevolgen van de slechte uitvoering van die verbintenis. Dat de consument, die de verkoopprijs heeft betaald en zijn contractuele verbintenis dus correct heeft uitgevoerd, een nieuw goed ontvangt ter vervanging van het niet-conforme goed, levert geen ongerechtvaardigde verrijking op. Hij ontvangt slechts met vertraging een goed dat in overeenstemming is met de bepalingen van de overeenkomst, een goed dat hij van meet af aan had moeten ontvangen.

42      De financiële belangen van de verkoper worden overigens beschermd door, enerzijds, de in artikel 5, lid 1, van de richtlijn bepaalde verjaringstermijn van twee jaar, en anderzijds de hem door artikel 3, lid 3, tweede alinea, van de richtlijn geboden mogelijkheid om vervanging van het goed te weigeren ingeval deze vorm van genoegdoening buiten verhouding is doordat zij voor hem onredelijke kosten meebrengt.

43      Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 3 van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling volgens welke de verkoper, in geval van levering van een niet-conform consumptiegoed, van de consument een vergoeding mag eisen voor het gebruik van het niet-conforme goed tot aan de vervanging ervan door een nieuw goed.

 Kosten

44      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 3 van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling volgens welke de verkoper, in geval van levering van een niet-conform consumptiegoed, van de consument een vergoeding mag eisen voor het gebruik van het niet-conforme goed tot aan de vervanging ervan door een nieuw goed.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.