61981J0102

ARREST VAN HET HOF VAN 23 MAART 1982. - " NORDSEE " DEUTSCHE HOCHSEEFISCHEREI GMBH TEGEN REEDEREI MOND HOCHSEEFISCHEREI NORDSTERN AG & CO. KG EN REEDEREI FRIEDRICH BUSSE HOCHSEEFISCHEREI NORDSTERN AG & CO. KG. - (" BIJSTAND EOGFL VOOR DE BOUW VAN VISSERSSCHEPEN -'POOLING'"). - (VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR W. RICHTER, PRESIDENT VAN HET HANSEATISCHE OBERLANDESGERICHT BREMEN, IN ZIJN HOEDANIGHEID VAN ARBITER). - ZAAK NO. 102/81.

Jurisprudentie 1982 bladzijde 01095
Spaanse bijz. uitgave bladzijde 00241
Zweedse bijz. uitgave bladzijde 00345
Finse bijz. uitgave bladzijde 00363


Samenvatting
Partijen
Onderwerp
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Trefwoorden


PREJUDICIELE VRAGEN - VOORLEGGING AAN HOF - RECHTERLIJKE INSTANTIE IN ZIN VAN ARTIKEL 177 VERDRAG - BEGRIP - SCHEIDSGERECHT - UITSLUITING - VOORWAARDEN - VOOR SCHEIDSGERECHT GEREZEN VRAGEN VAN GEMEENSCHAPSRECHT - ONDERZOEK DOOR GEWONE RECHTER - MOGELIJKHEID VOOR DEZE ZICH TOT HOF TE WENDEN

( EEG-VERDRAG , ARTIKEL 177 )

Samenvatting


EEN ARBITER DIE GEROEPEN IS EEN GESCHIL TE BESLECHTEN TUSSEN PARTIJEN BIJ EEN OVEREENKOMST KRACHTENS EEN DAARIN OPGENOMEN BEDING , KAN NIET WORDEN AANGEMERKT ALS EEN ' ' RECHTERLIJKE INSTANTIE VAN EEN DER LID-STATEN ' ' IN DE ZIN VAN ARTIKEL 177 VAN HET VERDRAG , WANNEER ER RECHTENS NOCH FEITELIJK ENIGE VERPLICHTING VOOR DE CONTRACTSPARTIJEN BESTAAT HUN GESCHILLEN AAN EEN SCHEIDSGERECHT VOOR TE LEGGEN , EN DE OVERHEID VAN DE DESBETREFFENDE LID-STAAT NOCH BIJ DE BESLISSING OM DE WEG VAN DE ARBITRAGE TE KIEZEN IS BETROKKEN NOCH DE MOGELIJKHEID HEEFT AMBTSHALVE IN TE GRIJPEN IN HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE VOOR DE ARBITER .

WANNEER IN EEN OP PARTIJAFSPRAAK BERUSTENDE ARBITRAGE VRAGEN VAN GEMEEN SCHAPSRECHT RIJZEN DIE EVENTUEEL DOOR DE GEWONE RECHTER KUNNEN WORDEN ONDERZOCHT , HETZIJ IN HET KADER VAN DE ASSISTENTIE DIE HIJ DE SCHEIDSGERECHTEN VERLEENT , HETZIJ IN HET KADER VAN DE TOETSING VAN HET ARBITRALE VONNIS , DAN STAAT HET AAN DEZE RECHTER NA TE GAAN OF HIJ KRACHTENS ARTIKEL 177 VAN HET VERDRAG HET HOF MOET VERZOEKEN OM UITLEGGING VAN OF EEN OORDEEL OVER DE GELDIGHEID VAN BEPALINGEN VAN GEMEENSCHAPSRECHT , DIE HIJ EVENTUEEL BIJ HET VERRICHTEN VAN DEZE TAKEN MOET TOEPASSEN .

Partijen


IN ZAAK 102/81 ,

BETREFFENDE EEN VERZOEK AAN HET HOF KRACHTENS ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG VAN W . RICHTER , PRESIDENT VAN HET HANSEATISCHE OBERLANDESGERICHT BREMEN , IN ZIJN HOEDANIGHEID VAN ARBITER IN HET GESCHIL TUSSEN

' ' NORDSEE ' ' DEUTSCHE HOCHSEEFISCHEREI GMBH , TE BREMERHAVEN ,

EN

1 . REEDEREI MOND HOCHSEEFISCHEREI NORDSTERN AG & CO . KG , TE BREMERHAVEN ,

2.REEDEREI FRIEDRICH BUSSE HOCHSEEFISCHEREI NORDSTERN AG & CO . KG , TE BREMERHAVEN ,

Onderwerp


OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING OVER DE UITLEGGING VAN DE VERORDENINGEN VAN DE RAAD NRS . 17/64 VAN 5 FEBRUARI 1964 ( PB VAN 1964 , BLZ . 586 ), 729/70 VAN 21 APRIL 1970 ( PB L 94 VAN 1970 , BLZ . 13 ) EN 2722/72 VAN 19 DECEMBER 1972 ( PB L 291 VAN 1972 , BLZ . 30 ), ALLE BETREKKING HEBBENDE OP BIJSTAND DOOR HET EUROPEES ORIENTATIE- EN GARANTIEFONDS VOOR DE LANDBOUW , AFDELING ORIENTATIE ,

Overwegingen van het arrest


1 DE ARBITER IN EEN ARBITRAGEPROCEDURE TUSSEN DRIE IN BREMERHAVEN GEVESTIGDE VENNOOTSCHAPPEN NAAR DUITS RECHT HEEFT BIJ BESLISSING VAN 22 APRIL 1981 , INGEKOMEN TEN HOVE OP 27 APRIL 1981 , KRACHTENS ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG TWEE PREJUDICIELE VRAGEN GESTELD OVER DE UITLEGGING VAN ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG EN DE VERORDENINGEN VAN DE RAAD NRS . 17/64 VAN 5 FEBRUARI 1964 ( PB 1964 , BLZ . 586 ), 729/70 VAN 21 APRIL 1970 ( PB L 94 VAN 1970 , BLZ . 13 ) EN 2722/72 VAN 19 DECEMBER 1972 ( PB L 291 VAN 1972 , BLZ 30 ); DEZE VERORDENINGEN HEBBEN ALLE BETREKKING OP BIJSTAND VAN DE AFDELING ORIENTATIE VAN HET EUROPESE ORIENTATIE- EN GARANTIEFONDS VOOR DE LANDBOUW ( HIERNA : EOGFL ).

2 HET BODEMGESCHIL BETREFT DE NAKOMING VAN EEN OP 27 JUNI 1973 TUSSEN ENIGE DUITSE REDERIJEN GESLOTEN OVEREENKOMST . DEZE OVEREENKOMST HAD IN HET KADER VAN EEN GEZAMENLIJK BOUWPROGRAMMA VAN DERTIEN FABRIEKSCHEPEN TEN DOEL ALLE BIJSTAND DIE DE CONTRACTSPARTIJEN VAN HET EOGFL ZOUDEN ONTVANGEN , ONDERLING ALDUS TE VERDELEN , DAR EEN DERTIENDE DEEL VAN HET TOTALE BEDRAG AAN TOEGEKENDE BIJSTAND AAN DE BOUW VAN ELK SCHIP TEN GOEDE ZOU KOMEN . TEVOREN HADDEN PARTIJEN IN ONDERLING OVERLEG BIJ HET EOGFL AANVRAGEN INGEDIEND OM BIJSTAND VOOR DE BOUW VAN NEGEN SCHEPEN .

3 DE COMMISSIE WILLIGDE UITEINDELIJK SLECHTS ZES VAN DEZE AANVRAGEN IN ; DE OVERIGE AANVRAGEN WERDEN HETZIJ AFGEWEZEN HETZIJ INGETROKKEN . EEN VAN DE AAN HET BOUWPROGRAMMA DEELNEMENDE ONDERNEMINGEN EISTE VAN DE TWEE BETALING VAN DE HAAR UIT HOOFDE VAN DE OVEREENKOMST VAN 27 JUNI 1973 TOEKOMENDE BEDRAGEN .

4 HIEROVER ONSTOND EEN GESCHIL , DAT AAN EEN SCHEIDSGERECHT IS VOORGELEGD . DE OVEREENKOMST VAN 1973 BEVATTE NAMELIJK HET BEDING DAT , ZO PARTIJEN NIET TOT OVEREENSTEMMING KONDEN KOMEN OVER DE UIT DE OVEREENKOMST ONSTANE KWESTIES , EEN ARBITER MET UITSLUITING VAN DE GEWONE RECHTER DAAROVER DEFINITIEF ZOU BESLISSEN . TOEN DE PARTIJEN BIJ HET GESCHIL HET NIET EENS BLEKEN TE KUNNEN WORDEN OVER DE PERSOON VAN DE ARBITER , WERD DEZE OVEREENKOMSTIG DIT BEDING AANGEWEZEN DOOR DE KAMER VAN KOOPHANDEL TE BREMEN .

5 TIJDENS DE PROCEDURE VOOR DE ARBITER STELDEN VERWEERSTERS , DAT DE OVEREENKOMST VAN 1973 ONGELDIG WAS VOOR ZOVER ZIJ ERTOE STREKTE DE BOUW VAN SCHEPEN WAARVOOR DE COMMISSIE GEEN BIJSTAND VAN HET EOGFL HAD TOEGEKEND , TOCH DAARVAN TE LATEN PROFITEREN . VOLGENS VERWEERSTERS IS DE BIJSTAND VAN HET EOGFL AAN DE UITVOERING VAN EEN BEPAALD PROJECT GEBONDEN EN KAN HIJ DERHALVE NIET RECHTSGELDIG DOOR DE ONTVANGER NAAR EEN ANDER PROJECT WORDEN OVERGEHEVELD .

6 DE ARBITER IS VAN MENING DAT DE GELDIGHEID VAN DE CONTRACTUELE VERDELING VAN DE BIJSTAND VAN HET EOGFL NAAR DUITS RECHT AFHANGT VAN DE VRAAG , OF EEN DERGELIJKE VERDELING EEN ONREGELMATIGHEID IN DE ZIN VAN DE DESBETREFFENDE GEMEENSCHAPSVERORDENINGEN IS . OMDAT HIJ EEN BESLISSING OVER DEZE VRAAG NOODZAKELIJK ACHT OM UITSPRAAK TE KUNNEN DOEN , HEEFT HIJ ZICH TOT HET HOF GEWEND .

DE TOEPASSELIJKHEID VAN ARTIKEL 177

7 HET SCHEIDSGERECHT DAT ZICH TOT HET HOF HEEFT GEWEND , IS INGESTELD INGEVOLGE EEN TUSSEN PARTICULIEREN GESLOTEN OVEREENKOMST . DERHALVE MOET EERST WORDEN ONDERZOCHT OF HET ALS EEN RECHTERLIJKE INSTANTIE VAN EEN DER LID-STATEN IN DE ZIN VAN ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG IS TE BESCHOUWEN .

8 DE EERSTE PREJUDICIELE VRAAG VAN DE ARBITER BETREFT DIT PROBLEEM . ZIJ LUIDT :

' ' IS EEN DUITS SCHEIDSGERECHT DAT NIET NAAR BILLIJKHEID , DOCH VOLGENS DE WET HEEFT TE BESLISSEN EN WELKS BESLISSING TUSSEN PARTIJEN DEZELFDE WERKING HEEFT ALS EEN IN KRACHT VAN GEWIJSDE GEGAAN RECHTERLIJK VONNIS ( PAR 1040 ZPO ), KRACHTENS ARTIKEL 177 , LID 2 , EEG-VERDRAG BEVOEGD HET HOF VAN JUSTITIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN OM EEN PREJUDICIELE UITSPRAAK TE VERZOEKEN?

' '

9 HIEROMTRENT MOET WORDEN OPGEMERKT DAT , ZOALS DE VRAAG OVERIGENS AANDUIDT , DE BEVOEGDHEID VAN HET HOF OM OVER DE GESTELDE VRAGEN UITSPRAAK TE DOEN , AFHANGT VAN DE BIJZONDERE KENMERKEN VAN DE ARBITRAGEPROCEDURE WAAROVER HET IN CASU GAAT .

10 HET IS JUIST DAT HET FUNGEREN VAN HET ONDERHAVIGE SCHEIDSGERECHT , ZOALS DE ARBITER IN ZIJN VRAAG HEEFT AANGEGEVEN , IN ZOVERRE EEN ZEKERE GELIJKENIS VERTOONT MET DE RECHTERLIJKE WERKZAAMHEID , DAT DE ARBITRAGEPROCEDURE WETTELIJK IS GEREGELD , DE ARBITER NAAR DE REGELEN DES RECHTS HEEFT TE BESLISSEN , EN ZIJN BESLISSING TUSSEN PARTIJEN DE WERKING VAN EEN IN KRACHT VAN GEWIJSDE GEGAAN VONNIS HEEFT EN EEN VOOR TENUITVOERLEGGING VATBARE TITEL KAN OPLEVEREN WANNEER ZIJ UITVOERBAAR WORDT VERKLAARD . DEZE KENMERKEN VOLSTAAN ECHTER NIET OM DE ARBITER DE STATUS VAN ' ' RECHTERLIJKE INSTANTIE VAN EEN DER LID-STATEN ' ' IN DE ZIN VAN ARTIKEL 177 EEG-VERDRAG TE VERLENEN .

11 IN DE EERSTE PLAATS MOET WORDEN VASTGESTELD , DAT HET DE CONTRACTSPARTIJEN BIJ HET SLUITEN VAN DE OVEREENKOMST IN 1973 VRIJSTOND , DE BESLECHTING VAN EVENTUEEL RIJZENDE GESCHILLEN AAN DE GEWONE RECHTER OVER TE LATEN DAN WEL DE WEG VAN DE ARBITRAGE TE KIEZEN DOOR EEN DESBETREFFEND BEDING IN HUN OVEREENKOMST OP TE NEMEN . BLIJKENS DE OMSTANDIGHEDEN BESTOND ER VOOR DE CONTRACTSPARTIJEN RECHTENS NOCH FEITELIJK EEN VERPLICHTING HUN GESCHILLEN AAN EEN SCHEIDSGERECHT VOOR TE LEGGEN .

12 IN DE TWEEDE PLAATS DIENT TE WORDEN GECONSTATEERD , DAT DE DUITSE OVERHEID BIJ DE BESLISSING OM DE WEG VAN DE ARBITRAGE TE KIEZEN , NIET WAS BETROKKEN EN NIET DE MOGELIJKHEID HEEFT AMBTSHALVE IN TE GRIJPEN IN HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE VOOR DE ARBITER . ALS LID-STAAT VAN DE GEMEENSCHAP , DE INGEVOLGE DE ARTIKELEN 5 EN 169-171 EEG-VERDRAG VOOR DE NAKOMING VAN DE UIT HET GEMEENSCHAPSRECHT VOORVLOEIENDE VERPLICHTINGEN OP ZIJN GRONDGEBIED VERANTWOORDELIJK IS , HEEFT DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND DE ZORG DAT DEZE VERPLICHTINGEN OP HET IN CASU BETROKKEN GEBIED WORDEN NAGELEEFD , NIET AAN PARTICULIERE PERSONEN OPGEDRAGEN OF OVERGELATEN .

13 UIT HET VOORGAANDE VOLGT , DAT TUSSEN DE ONDERHAVIGE ARBITRAGE EN HET ALGEMENE STELSEL VAN RECHTSBESCHERMING IN DE BETROKKEN LID-STAAT NIET EEN VOL DOENDE NAUWE BAND BESTAAT OM DE ARBITER ALS ' ' RECHTERLIJKE INSTANTIE VAN EEN DER LID-STATEN ' ' IN DE ZIN VAN ARTIKEL 177 TE KUNNEN AANMERKEN .

14 GELIJK HET HOF IN ZIJN ARREST VAN 6 OKTOBER 1981 ( BROEKMEULEN , 246/80 , JURISPR . 1981 , BLZ . 2311 ) OVERWOOG , MOET HET GEMEENSCHAPSRECHT OP HET GRONDGEBIED VAN ALLE LID-STATEN VOLLEDIG WORDEN NAGELEEFD ; HET STAAT PARTIJEN BIJ EEN OVEREENKOMST DUS NIET VRIJ DAARVAN AF TE WIJKEN . VANUIT DIT GEZICHTSPUNT ZIJ EROP GEWEZEN DAT , WANNEER IN EEN OP PARTIJAFSPRAAK BERUSTENDE ARBITRAGE VRAGEN VAN GEMEENSCHAPSRECHT RIJZEN , DEZE VRAGEN EVENTUEEL DOOR DE GEWONE RECHER KUNNEN WORDEN ONDERZOCHT , HETZIJ IN HET KADER VAN DE ASSISTENTIE DIE HIJ DE SCHEIDSGERECHTEN VERLEENT , IN HET BIJZONDER DOOR DEZE BIJ BEPAALDE PROCESHANDELINGEN TE ONDERSTEUNEN OF DOOR HET GELDENDE RECHT UIT TE LEGGEN , HETZIJ IN HET KADER VAN DE - AL NAAR DE OMSTANDIGHEID VAN HET GEVAL MEER OF MINDER UITGEBREIDE - TOETSING VAN HET ARBITRALE VONNIS , WAARTOE DE GEWONE RECHTER GEROEPEN IS IN GEVAL VAN HOGER BEROEP , VERZET , UITVOERBAARVERKLARING OF VAN ENIG ANDER RECHTSMIDDEL DAT VOLGENS HET TOEPASSELIJKE NATIONALE RECHT OPENSTAAT .

15 HET STAAT AAN DEZE NATIONALE RECHTER , NA TE GAAN OF HIJ KRACHTENS ARTIKEL 177 HET HOF MOET VERZOEKEN OM UITLEGGING VAN OF EEN OORDEEL OVER DE GELDIGHEID VAN BEPALINGEN VAN GEMEENSCHAPSRECHT , DIE HIJ EVENTUEEL BIJ HET VERRICHTEN VAN DIE ONDERSTEUNENDE EN TOETSENDE TAKEN MOET TOEPASSEN .

16 HET HOF IS MITSDIEN IN HET ONDERHAVIGE GEVAL NIET BEVOEGD UITSPRAAK TE DOEN .

Beslissing inzake de kosten


KOSTEN

17 DE KOSTEN DOOR DE REGERING VAN HET KONINKRIJK DENEMARKEN , DE REGERING VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK , DE REGERING VAN HET VERENIGD KONINKRIJK EN DOOR DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN WEGENS INDIENING HUNNER OPMERKINGEN BIJ HET HOF GEMAAKT , KUNNEN NIET VOOR VERGOEDING IN AANMERKING KOMEN . TEN AANZIEN VAN DE PARTIJEN IN HET BODEMGESCHIL IS DE PROCEDURE ALS EEN VOOR HET SCHEIDSGERECHT GEREZEN INCIDENT TE BESCHOUWEN , ZODAT HET SCHEIDSGERECHT OVER DE KOSTEN HEEFT TE BESLISSEN .

Dictum


HET HOF VAN JUSTITIE ,

UITSPRAAK DOENDE OP DE VRAGEN , BIJ BESLISSING VAN 22 APRIL 1981 GESTELD DOOR DE ARBITER IN HET GESCHIL TUSSEN ENERZIJDS NORDSEE DEUTSCHE HOCHSEEFISCHEREI GMBH EN ANDERZIJDS REEDEREI MOND HOCHSEEFISCHEREI NORDSTERN AG & CO . KG EN REEDEREI FRIEDRICH BUSSE HOCHSEEFISCHEREI NORDSTERN AG & CO . KG , VERKLAART VOOR RECHT :

HET HOF IS NIET BEVOEGD OP DE DOOR DE ARBITER GESTELDE VRAGEN UITSPRAAK TE DOEN .