Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht op tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures /* COM/2010/0082 def. - COD 2010/0050 */
[pic] | EUROPESE COMMISSIE | Brussel, 9.3.2010 COM(2010) 82 definitief 2010/0050 (COD) Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende het recht op tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures TOELICHTING 1. INLEIDING 1. Met dit voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad wordt beoogd voor het recht op tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures binnen de gehele Europese Unie gemeenschappelijke minimumnormen vast te stellen. Dit voorstel is de eerste stap in een reeks maatregelen die zijn vervat in de routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures, die de Raad op 30 november 2009 heeft aangenomen en waarin de Commissie verzocht wordt stapsgewijs met voorstellen te komen. Deze aanpak wordt thans als de beste werkwijze beschouwd en zal helpen om geleidelijk wederzijds vertrouwen op te bouwen. Dit voorstel moet derhalve worden beschouwd als een onderdeel van een wetgevingspakket dat de komende jaren zal worden ingediend en dat voor de procedurele rechten in strafprocedures binnen de gehele Europese Unie minimumnormen zal vaststellen. 2. Het voorstel heeft ten doel de rechten te verbeteren van verdachten die de proceduretaal niet verstaan en spreken. Met gemeenschappelijke minimumnormen in verband met deze rechten moet het gemakkelijker worden om het beginsel van wederzijdse erkenning toe te passen, waardoor de justitiële samenwerking tussen de lidstaten van de EU beter zal verlopen. 3. Het voorstel lijkt op en vervangt het voorstel dat op 8 juli 2009 als een ontwerpkaderbesluit werd ingediend[1]. De tekst werd besproken in werkgroepen van de Raad. Op de Raad Justitie van 23 oktober 2009 werd een akkoord bereikt over een algemene aanpak, maar er was niet voldoende tijd om het voorstel vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 aan te nemen. Hierdoor kwam het vorige voorstel te vervallen. 4. Wat de rechtsgrondslag betreft, is het voorstel gebaseerd op artikel 82, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Dit artikel bepaalt het volgende: "Voor zover nodig ter bevordering van de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie, kunnen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure bij richtlijnen minimumvoorschriften vaststellen. In die minimumvoorschriften wordt rekening gehouden met de verschillen tussen de rechtstradities en rechtsstelsels van de lidstaten. Deze minimumvoorschriften hebben betrekking op: (a) de wederzijdse toelaatbaarheid van bewijs tussen de lidstaten; (b) de rechten van personen in de strafvordering; (c) de rechten van slachtoffers van misdrijven; (d) […]. " Wederzijdse erkenning kan maar werken indien er wederzijds vertrouwen bestaat. Om het wederzijdse vertrouwen en daaruit voortvloeiend de wederzijdse samenwerking te verbeteren, moeten de voorschriften tot op zekere hoogte verenigbaar zijn. 5. Het recht op tolk- en vertaaldiensten, dat voortvloeit uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en ook uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie kan worden afgeleid[2], is van fundamenteel belang voor een persoon aan wie een strafbaar feit ten laste wordt gelegd en die de proceduretaal niet verstaat, zodat hij weet wat hem ten laste wordt gelegd en het verloop van de procedure begrijpt. Overeenkomstig het EVRM moeten de tolk- en vertaaldiensten kosteloos zijn. 6. Effectbeoordeling (SEC(2009 915 en de samenvatting daarvan SEC(2009) 916): in de voorbereiding van het voorstel van juli 2009 verrichtte de Commissie een effectbeoordeling, die ook geldig is voor dit voorstel voor een richtlijn. Het verslag van de effectbeoordeling kan worden gevonden op http://ec.europa.eu/governance/impact/ia_carried_out/docs/ia_2009/sec_2009_0917_en.pdf . 2. ACHTERGROND 7. In artikel 6, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) is bepaald dat de grondrechten, zoals zij worden gewaarborgd door het EVRM en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene beginselen deel uitmaken van het recht van de Unie. Artikel 6, lid 1, VEU bepaalt dat de Unie de rechten, vrijheden en beginselen erkent die zijn vastgesteld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000, als aangepast op 12 december 2007 te Straatsburg, dat dezelfde juridische waarde als het VWEU en het VEU heeft. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten garandeert het recht op een eerlijk proces, op juridisch advies en op vertegenwoordiging, terwijl artikel 48 de eerbiediging van de rechten van de verdediging garandeert. 8. Volgens de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Tampere[3] zou wederzijdse erkenning de hoeksteen van de justitiële samenwerking moeten worden, en zouden wederzijdse erkenning "[...] en de noodzakelijke onderlinge aanpassing van de wetgevingen [...] de rechterlijke bescherming van de rechten van het individu ten goede komen"[4]. 9. In de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 26 juli 2000 inzake de wederzijdse erkenning van definitieve beslissingen in strafzaken[5] werd verklaard dat er "daarom op [moet] worden toegezien dat de behandeling van verdachten en de rechten van de verdediging niet alleen niet in het gedrang komen door de toepassing van dit beginsel [van wederzijdse erkenning], maar zelfs beter worden gewaarborgd". 10. Dit werd bevestigd in het programma van maatregelen om uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen[6] ("programma van maatregelen"), dat door de Raad en de Commissie werd goedgekeurd. Daarin werd erop gewezen dat "de omvang van de wederzijdse erkenning nauw samenhangt met het bestaan en de inhoud van bepaalde parameters die de doeltreffendheid ervan bepalen". 11. Deze parameters omvatten regelingen voor de bescherming van de rechten van verdachten (parameter 3) en de vaststelling van gemeenschappelijke minimumnormen, die noodzakelijk zijn om de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning te vergemakkelijken (parameter 4). Dit voorstel voor een richtlijn geeft concrete vorm aan de in het programma vastgelegde doelstelling de bescherming van de rechten van het individu te versterken. 12. In 2004 diende de Commissie een veelomvattend voorstel[7] in voor een wetgeving die enkele belangrijke rechten van verweerders in strafzaken bestreek. Dit voorstel kon niet door de Raad worden aangenomen. 13. Op 30 november 2009 nam de Raad een routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures[8] aan, waarin opgeroepen werd om een stapsgewijze aanpak te volgen met het oog op de goedkeuring van vijf maatregelen die enkele belangrijke procedurele rechten bestrijken, en waarin de Commissie verzocht werd met de nodige voorstellen te komen. De eerste maatregel waaraan in de routekaart werd gedacht, betreft het recht op tolk- en vertaaldiensten. 14. In het programma van Stockholm, dat door de Europese Raad van 10 en 11 september 2009 is aangenomen[9], wordt opnieuw beklemtoond dat de bescherming van de rechten van het individu in strafprocedures een fundamentele waarde van de Unie is die essentieel is om het onderlinge vertrouwen tussen de lidstaten en het vertrouwen van de burgers in de Europese Unie in stand te houden. Ook wordt verklaard dat de routekaart voortaan deel uitmaakt van het programma van Stockholm en wordt de Commissie verzocht om passende voorstellen in te dienen voor de spoedige implementatie. 3. HET RECHT OP TOLK- EN VERTAALDIENSTEN OP GROND VAN HET EVRM EN HET HANDVEST VAN DE GRONDRECHTEN VAN DE EU 15. Artikel 5 EVRM — het recht op vrijheid en veiligheid – bepaalt het volgende: "(1) Eenieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure: (…) (f) in het geval van rechtmatige arrestatie of detentie […] van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is; (2) Eenieder die gearresteerd is moet onverwijld en in een taal die hij verstaat op de hoogte worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en van alle beschuldigingen welke tegen hem zijn ingebracht. " (…) (4) Eenieder, wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, heeft het recht voorziening te vragen bij het gerecht opdat dit spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de detentie onrechtmatig is. " En artikel 6 EVRM — het recht op een eerlijk proces – bepaalt het volgende: "3) Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten: (a) onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging; (…) (e) zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat en niet spreekt. " Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie heeft deze rechten vastgelegd in zijn artikel 6 en zijn artikelen 47 tot en met 50. Met name artikel 47 garandeert het recht op een eerlijk proces, op juridisch advies en op vertegenwoordiging. Artikel 48 garandeert de eerbiediging van het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging[10]. 16. Het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) heeft in verband met artikel 6 van het EVRM verklaard dat de beklaagde recht heeft op kosteloze bijstand door een tolk, zelfs indien hij wordt veroordeeld, dat hij het recht heeft om de stukken waarin de tenlastelegging is opgenomen, te ontvangen in een taal die hij verstaat, dat hij dankzij de bijstand door een tolk in staat moet worden gesteld om het verloop van de procedure te begrijpen en dat de tolk bekwaam moet zijn. Dat de beklaagde recht heeft op kosteloze bijstand door een tolk, zelfs indien hij wordt veroordeeld, volgt uit het arrest Luedicke, Belkacem en Koç tegen Duitsland [11]. In de zaak Kamasinski tegen Oostenrijk [12] werd verklaard dat de kwaliteit van de diensten van de tolk voldoende hoog moet zijn om ervoor te zorgen dat de verdachte inzicht krijgt in de zaak tegen hem en zich kan verdedigen. Dit recht geldt ook voor de procedurestukken en de procedure die aan het proces voorafgaat. Het EHRM heeft verklaard dat de kwaliteit van de diensten van de tolk "toereikend" moet zijn en dat de tenlastelegging in detail, aan de betrokkene moet worden toegelicht in een taal die hij verstaat ( Brozicek tegen Italië )[13]. Het zijn de gerechtelijke autoriteiten die moeten aantonen dat de verdachte de taal van het gerecht wel spreekt en het is niet de verdachte die moet aantonen dat hij die taal niet spreekt[14]. De tolk moet bekwaam zijn en de rechter moet waken over de eerlijkheid van het proces ( Cuscani tegen het Verenigd Koninkrijk )[15]. 17. In het voorstel voor een ontwerprichtlijn zijn minimumnormen opgenomen en wordt voortgebouwd op het EVRM en de rechtspraak van het EHRM. Het reflectieforum van de Commissie over meertaligheid en tolkenopleiding[16] heeft een verslag opgesteld met aanbevelingen in verband met de kwaliteit van de diensten van tolken en vertalers. Dit verslag was het resultaat van de bijeenkomsten van het reflectieforum, die in 2008 door het directoraat-generaal Tolken werden gehouden om na te gaan of er maatregelen moesten worden genomen en zo ja, welke maatregelen konden worden genomen. Het forum concludeerde dat maatregelen nodig waren en deed aanbevelingen om in strafprocedures beter te zorgen voor bekwame en opgeleide tolken. De aanbevelingen voorzien onder meer in een curriculum voor gerechtelijk tolk en een regeling voor accreditatie, certificering en registratie van gerechtelijke tolken. 18. Het directoraat-generaal Vertaling van de Europese Commissie (DGT) heeft het initiatief Europese master in vertaling (EMT) gelanceerd. In samenwerking met een groep deskundigen, allen eminente academici, is een referentiekader voor de universitaire vertaalopleiding opgesteld, dat uit zes vaardigheden bestaat. In september 2009 heeft het DGT een netwerk van hoogwaardige vertaalprogramma's op masterniveau in de hele EU opgezet om de kwaliteit van de vertaalopleidingen, onder meer op het gespecialiseerde gebied van de juridische vertalingen, en het beroep van vertaler in alle lidstaten op te waarderen. 19. Indien nodig kan een beroep worden gedaan op de financieringsmogelijkheden die op het niveau van de Europese Unie beschikbaar zijn, ter ondersteuning van de inspanningen van de lidstaten om de eisen van deze wetgeving na te leven, in het bijzonder voor de tolk- en vertaaldiensten die door de staat worden gefinancierd. 4. TOELICHTING PER ARTIKEL Artikel 1 – Toepassingsgebied 19. Het toepassingsgebied bestrijkt strafprocedures en procedures voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. Het voorstel geldt voor alle personen, vanaf het ogenblik dat zij ervan verdacht worden een strafbaar feit te hebben gepleegd totdat zij definitief zijn veroordeeld (eventueel na een procedure in hoger beroep). Het is belangrijk dat zaken in verband met een Europees aanhoudingsbevel binnen de werkingssfeer vallen, aangezien het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel deze rechten slechts heel algemeen behandelt. In dit opzicht is het voorstel een verdere ontwikkeling van artikel 5 EVRM. 20. Aangezien in de rechtspraak van het EHRM wordt verduidelijkt dat personen die met betrekking tot strafbare feiten worden verhoord, ongeacht of zij reeds formeel in staat van beschuldiging zijn gesteld, onder artikel 6 EVRM vallen, geldt dit artikel ook voor personen die in verband met een strafvervolging zijn gearresteerd of gedetineerd. Deze rechten gelden vanaf het tijdstip waarop de persoon ervan in kennis wordt gesteld dat hij ervan verdacht wordt een strafbaar feit te hebben gepleegd. Artikel 2 - Recht op bijstand door een tolk 21. Dit artikel legt het basisbeginsel vast dat een verdachte tijdens de onderzoeks- en de gerechtelijke fase van de procedure, dat wil zeggen tijdens politieverhoren, op het proces, op alle tussentijdse zittingen en in de fase van hoger beroep, door een tolk moet worden bijgestaan. Dit geldt ook voor de communicatie tussen de verdachte of beklaagde en zijn advocaat. Er moet een systeem worden ingevoerd om te bepalen of de betrokkene een tolk nodig heeft. Voorts moet de betrokkene beroep kunnen aantekenen tegen een beslissing waarbij wordt vastgesteld dat hij geen tolk nodig heeft en moet hij de kwaliteit van de verstrekte tolkdiensten kunnen betwisten. 22. Ook procedures in verband met een Europees aanhoudingsbevel vallen uitdrukkelijk onder de bepaling. Artikel 3 - Recht op vertaling van essentiële stukken 23. De verdachte heeft recht op schriftelijke vertaling van essentiële stukken, om het eerlijk verloop van de procedure te waarborgen. In de zaak Kamasinski tegen Oostenrijk[17] werd verklaard dat het recht op bijstand door een tolk ook slaat op het "documentenmateriaal" en dat de beklaagde voldoende inzicht moet krijgen in de zaak tegen hem zodat hij zich kan verdedigen[18]. Essentiële stukken in strafprocedures zijn onder meer de tenlastelegging en alle relevant documentenmateriaal zoals getuigenverklaringen, die nodig zijn om "in bijzonderheden, de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging" te verstaan overeenkomstig artikel 6, lid 3, onder a), van het EVRM. Ook aanhoudingsbevelen of bevelen waardoor de betrokkene van zijn vrijheid wordt beroofd, moeten worden vertaald, alsook de uitspraak van het gerecht waarvan de betrokkene kennis moet kunnen nemen om zijn recht op hoger beroep uit te oefenen (artikel 2 van Protocol nr. 7 bij het EVRM). Indien de stukken erg lang zijn, kunnen de vertalingen worden beperkt tot de relevante passages. 24. In procedures voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel moet het Europees aanhoudingsbevel worden vertaald. 25. Een persoon mag ook afstand doen van zijn recht op vertaling, mits hij vooraf juridisch advies heeft ontvangen. Artikel 4 – Kosten van de tolk- en vertaaldiensten 26. Dit artikel bepaalt dat de kosten van de tolk- en vertaaldiensten voor rekening van de lidstaat komen. Dat de beklaagde recht heeft op kosteloze bijstand door een tolk, zelfs indien hij wordt veroordeeld, volgt uit het arrest Luedicke, Belkacem en Koç tegen Duitsland [19]. Artikel 5 - Kwaliteit van de tolk- en vertaaldiensten 27. Dit artikel stelt het basisbeginsel vast dat de kwaliteit van de tolk- en vertaaldiensten gewaarborgd moet zijn. Aanbevelingen in verband hiermee kunnen worden gevonden in het verslag van het reflectieforum over meertaligheid en tolkenopleiding[20]. Artikel 6 - Non-regressieclausule 28. Dit artikel moet ervoor zorgen dat de vaststelling van gemeenschappelijke minimumnormen overeenkomstig de richtlijn niet tot een verlaging van de normen in bepaalde lidstaten leidt en dat de normen die in het EVRM, in het Handvest van de grondrechten en in andere relevante bepalingen van internationaal recht zijn opgenomen, gehandhaafd blijven. De lidstaten blijven volledig vrij om strengere normen te vast te stellen dan die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld. Artikel 7 – Tenuitvoerlegging 29. Dit artikel bepaalt dat de lidstaten de richtlijn uiterlijk op xx/xx/20xx ten uitvoer moeten leggen en uiterlijk op diezelfde datum aan de Raad en de Commissie de tekst moeten meedelen van de bepalingen waarmee de richtlijn in hun nationale recht wordt omgezet. Artikel 8 – Verslaglegging 30. Twaalf maanden na het verstrijken van de tenuitvoerleggingstermijn moet de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag indienen waarin wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten de nodige maatregelen hebben getroffen om aan deze richtlijn te voldoen, indien nodig vergezeld van wetgevingsvoorstellen. Artikel 9 - Inwerkingtreding 31. Dit artikel bepaalt dat de richtlijn in werking treedt op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie . 5. SUBSIDIARITEITSBEGINSEL 32. De doelstelling van het voorstel kan niet voldoende door de lidstaten alleen worden bereikt, aangezien het voorstel tot doel heeft vertrouwen tussen hen onderling te bevorderen en het bijgevolg belangrijk is om een gemeenschappelijke minimumnorm af te spreken die van toepassing is in de gehele Europese Unie. Het voorstel zal de materiële procedureregels van de lidstaten in verband met tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures nader tot elkaar brengen teneinde wederzijds vertrouwen te doen ontstaan. Het voorstel is derhalve in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel. 6. EVENREDIGHEIDSBEGINSEL 33. Het voorstel is in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel: het is beperkt tot het minimum dat vereist is om de vastgestelde doelstelling op Europees niveau te bereiken, en gaat niet verder dan wat daartoe nodig is. 2010/0050 (COD) Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende het recht op tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 82, lid 2, Gezien het voorstel van de Europese Commissie[21], Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[22], Gezien het advies van het Comité van de Regio's[23], Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure, Overwegende hetgeen volgt: (1) In artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is het recht op een eerlijk proces, en in het kader daarvan het recht op juridisch advies en vertegenwoordiging, vastgelegd. Artikel 48 van het Handvest garandeert de eerbiediging van het vermoeden van onschuld en van de rechten van de verdediging. (2) De Europese Unie stelt zich ten doel een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te handhaven en te ontwikkelen. Volgens de conclusies van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999, en met name punt 33, moet het beginsel van wederzijdse erkenning de hoeksteen van de justitiële samenwerking in burgerlijke en in strafzaken binnen de Europese Unie worden. (3) Op 29 november 2000 keurde de Raad, in overeenstemming met de conclusies van Tampere, een programma van maatregelen goed om uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen[24]. In de inleiding van het programma wordt uitgelegd dat wederzijdse erkenning "de samenwerking tussen de lidstaten en de bescherming van de rechten van het individu [moet] versterken". (4) De toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen veronderstelt dat de lidstaten vertrouwen hebben in elkaars strafrechtsstelsels. De omvang van die wederzijdse erkenning hangt nauw samen met het bestaan en de inhoud van bepaalde parameters, waaronder "regelingen voor de bescherming van de rechten van [...] verdachten"[25] en gemeenschappelijke minimumnormen, die noodzakelijk zijn om de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning te vergemakkelijken. (5) Wederzijdse erkenning kan alleen effectief functioneren in een geest van vertrouwen, waarbij niet alleen de gerechtelijke autoriteiten, maar alle bij de strafprocedure betrokken actoren beslissingen van de gerechtelijke autoriteiten van de andere lidstaten als gelijkwaardig aan hun eigen beslissingen beschouwen; daarbij gaat het "niet alleen om het vertrouwen dat de regels van de partners adequaat zijn, maar ook om het vertrouwen dat deze regels correct worden toegepast"[26]. (6) Hoewel alle lidstaten partij zijn bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden heeft de ervaring geleerd dat dit gegeven op zichzelf niet altijd zorgt voor voldoende vertrouwen in de strafrechtsstelsels van andere lidstaten. (7) Artikel 82, lid 2, van het Verdrag voorziet in de vaststelling van minimumvoorschriften die in de lidstaten van toepassing zijn, ter bevordering van de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken met een grensoverschrijdende dimensie. Gemeenschappelijke minimumnormen moeten het vertrouwen in de strafrechtsstelsels van alle lidstaten vergroten, wat dan weer moet leiden tot een efficiëntere justitiële samenwerking in een klimaat van wederzijds vertrouwen. (8) Op 30 november 2009 keurde de Raad de routekaart ter versterking van de procedurele rechten goed, waarin de Commissie werd verzocht stapsgewijs met voorstellen te komen in verband met het recht op tolk- en vertaaldiensten, het recht op informatie over hun rechten, het recht op juridisch advies vóór en tijdens het proces, het recht van een aangehouden persoon op communicatie met familie, werkgever en consulaire instanties, en bijzondere waarborgen voor kwetsbare verdachten. (9) In deze richtlijn, die de eerste maatregel in verband met de routekaart is, worden gemeenschappelijke normen vastgesteld voor tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures, om het nodige vertrouwen tussen de lidstaten te vergroten. (10) Het recht op tolk- en vertaaldiensten ten behoeve van personen die de proceduretaal niet verstaan, is vastgelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens. De richtlijn moet de toepassing van dit recht in de praktijk vergemakkelijken, teneinde het recht op een eerlijk proces te waarborgen. (11) De rechten waarin deze richtlijn voorziet, moeten ook gelden in procedures voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. De lidstaten die het bevel ten uitvoer leggen, moeten een gezochte persoon die de taal van de procedure niet spreekt of verstaat, tolk- en vertaaldiensten aanbieden en de kosten daarvan voor hun rekening nemen. (12) De verdachte of beklaagde moet onder meer aan zijn raadsman zijn versie van de feiten kunnen geven en zijn raadsman kunnen wijzen op verklaringen die hij betwist en op feiten die tot zijn verdediging kunnen worden aangevoerd. (13) Een beslissing dat tolk- en vertaaldiensten niet nodig zijn, moet kunnen worden aangevochten. De lidstaten moeten garanderen dat de verdachte of beklaagde het recht heeft beroep aan te tekenen tegen een beslissing dat tolkdiensten niet nodig zijn, alsook wanneer de verstrekte tolk- en vertaaldiensten zo ontoereikend zijn dat dit gelijkstaat met het weigeren van tolkdiensten. (14) De zorgplicht ten aanzien van verdachten of beklaagden die mogelijk in een zwakke positie verkeren, inzonderheid ingevolge fysieke beperkingen waardoor zij niet goed kunnen communiceren, is een onderdeel van een eerlijke rechtsbedeling. De bevoegde autoriteiten moeten er derhalve voor zorgen dat deze personen hun rechten uit hoofde van deze richtlijn daadwerkelijk kunnen uitoefenen, door rekening te houden met de kwetsbaarheid die maakt dat zij mogelijk de procedure minder goed kunnen volgen en zich minder goed verstaanbaar kunnen maken, en door de nodige maatregelen te nemen om deze rechten te waarborgen. (15) Een eerlijk verloop van de procedure vereist dat essentiële stukken worden vertaald ten behoeve van de verdachte of beklaagde. Essentiële stukken die moeten worden vertaald, zijn onder meer de beslissing waardoor een persoon van zijn vrijheid wordt beroofd, de tenlastelegging, het belangrijkste schriftelijke bewijsmateriaal en alle beslissingen. (16) Afzien van het recht op schriftelijke vertaling van stukken moet ondubbelzinnig zijn en kan slechts geldig zijn nadat juridisch advies is ontvangen. (17) De doeltreffendheid van de tolk- en vertaaldiensten moet door verschillende middelen worden gewaarborgd, zoals opleiding voor rechters, advocaten, officieren van justitie en andere bevoegde personeelsleden van de gerechten, zodat zij vertrouwd zijn met de situatie van degenen die tolkdiensten nodig hebben en van de tolken. (18) Deze richtlijn stelt minimumvoorschriften vast. De lidstaten moeten de in deze richtlijn vastgestelde rechten kunnen uitbreiden, zodat ook in situaties die niet in deze richtlijn aan bod komen, een hoger beschermingsniveau kan worden geboden. Het beschermingsniveau mag nooit lager zijn dan de normen die zijn opgenomen in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens. (19) In deze richtlijn worden de grondrechten en de beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend, in acht genomen. Deze richtlijn wil met name het recht op vrijheid, het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging beschermen en moet dienovereenkomstig ten uitvoer worden gelegd. (20) De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de bepalingen van deze richtlijn, die overeenstemmen met rechten die zijn gewaarborgd door het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in overeenstemming daarmee en met de relevante rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens ten uitvoer worden gelegd. (21) Aangezien het doel om gemeenschappelijke minimumnormen tot stand te brengen niet op afdoende wijze door een eenzijdig optreden van de lidstaten - op centraal, regionaal of lokaal niveau – kan worden bereikt, doch enkel op het niveau van de Unie, kunnen het Europees Parlement en de Raad overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te bereiken. (22) [Overeenkomstig de artikelen 1, 2, 3 en 4 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, gehecht aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in verband met het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, hebben het Verenigd Koninkrijk en Ierland laten weten dat zij wensen deel te nemen aan de aanneming en de toepassing van deze richtlijn.]/[Onverminderd artikel 4 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland in verband met het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland niet deel aan de aanneming van deze richtlijn; deze is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing in deze landen.][27] Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, dat aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van deze richtlijn; deze is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat, HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD: Artikel 1 Onderwerp en toepassingsgebied 1. Deze richtlijn stelt voorschriften vast met betrekking tot het recht op tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures en procedures voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde rechten gelden voor eenieder, vanaf het ogenblik waarop de bevoegde autoriteiten van een lidstaat hem ervan in kennis stellen dat hij ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd tot de beëindiging van de procedure. Artikel 2 Het recht op bijstand door een tolk 1. De lidstaten zorgen ervoor dat een verdachte of beklaagde die de taal van de strafprocedure niet verstaat en spreekt, onverwijld wordt bijgestaan door een tolk die tolkdiensten verstrekt die van voldoende hoog niveau zijn om het eerlijk verloop van de strafprocedure te waarborgen. Het recht op bijstand door een tolk geldt tijdens de procedure voor onderzoeks- en gerechtelijke autoriteiten, onder meer tijdens politieverhoren, tijdens alle noodzakelijke ontmoetingen tussen de verdachte en zijn advocaat, tijdens alle zittingen van het gerecht en tijdens alle noodzakelijke tussenzittingen. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat de verdachte wanneer nodig door een tolk wordt bijgestaan telkens wanneer hij tijdens de strafprocedure rechtsbijstand krijgt. 3. De lidstaten voorzien in een procedure om na te gaan of de verdachte of beklaagde de taal van de strafprocedure verstaat en spreekt. 4. De lidstaten zorgen ervoor dat de verdachte of beklaagde het recht heeft beroep aan te tekenen tegen een beslissing waarbij wordt vastgesteld dat tolkdiensten niet nodig zijn. 5. Het recht op bijstand door een tolk omvat bijstand aan personen met gehoor- of spraakstoornissen. 6. In verband met de procedure voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel zorgen de lidstaten ervoor dat de persoon tegen wie die procedure wordt gevoerd en die de proceduretaal niet verstaat en spreekt, tijdens die procedure door een tolk wordt bijgestaan. Artikel 3 Het recht op schriftelijke vertaling van essentiële stukken 1. De lidstaten zorgen ervoor dat een verdachte of beklaagde die de taal van de strafprocedure niet verstaat, van alle essentiële stukken schriftelijke vertalingen ontvangt, waarvan het niveau voldoende hoog is om het eerlijk verloop van de strafprocedure te waarborgen. 2. De te vertalen noodzakelijke stukken zijn onder meer het aanhoudingsbevel dat de persoon van zijn vrijheid berooft, de tenlastelegging, het belangrijkste bewijsmateriaal en de uitspraak. 3. De verdachte of beklaagde of zijn advocaat kan een met redenen omkleed verzoek indienen om vertaling van andere stukken, waaronder schriftelijk juridisch advies van de advocaat van de verdachte. 4. De lidstaten zorgen ervoor dat de verdachte of beklaagde het recht heeft beroep aan te tekenen tegen een beslissing waarbij wordt vastgesteld dat vertaaldiensten niet nodig zijn. 5. In verband met de procedure voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel zorgen de lidstaten ervoor dat de persoon tegen wie die procedure wordt gevoerd en die de taal waarin het Europees aanhoudingsbevel is opgesteld, niet verstaat en spreekt, tijdens die procedure een vertaling van dit stuk ontvangt. 6. Een persoon die uit hoofde van dit artikel recht heeft op vertaling van stukken, mag afzien van dit recht nadat hij dienaangaande juridisch advies heeft ontvangen. Artikel 4 Kosten van de tolk- en vertaaldiensten ten laste van de lidstaten De lidstaten nemen alle kosten van de tolk- en vertaaldiensten die uit de toepassing van de artikelen 2 en 3 voortvloeien, voor hun rekening, ongeacht het resultaat van de procedure. Artikel 5 Doeltreffendheid van de tolk- en vertaaldiensten 1. Tolken en vertalers verlenen hun diensten zodanig dat de verdachte of beklaagde zijn rechten onverkort kan uitoefenen. 2. De lidstaten bieden rechters, advocaten, officieren van justitie, politieambtenaren en bevoegde personeelsleden van de gerechten opleiding aan om ervoor te zorgen dat de verdachte het verloop van de procedure kan begrijpen en dat zij beter inzicht krijgen in de rol van tolken en vertalers. Artikel 6 Non-regressieclausule Geen enkele bepaling in deze richtlijn mag worden opgevat als een beperking of afwijking van de rechten en procedurele waarborgen die voortvloeien uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, uit andere relevante bepalingen van internationaal recht of uit de wetten van de lidstaten die een hoger beschermingsniveau bieden. Artikel 7 Tenuitvoerlegging 1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op …* [* - 24 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] aan deze richtlijn te voldoen. 2. Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. 3. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen, alsmede een transponeringstabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn. Artikel 8 Verslaglegging Uiterlijk op … [ 36 maanden na de bekendmaking van deze richtlijn in het Publicatieblad ] dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in waarin wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten de nodige maatregelen hebben getroffen om aan deze richtlijn te voldoen, indien nodig vergezeld van wetgevingsvoorstellen. In dit verslag komen ook de toekomstige kosten aan bod van de maatregelen die overeenkomstig deze richtlijn door de lidstaten worden genomen. Artikel 9 Inwerkingtreding Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie . Artikel 10 Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten, overeenkomstig de Verdragen. Gedaan te Brussel, Voor het Europees Parlement Voor de Raad De voorzitter De voorzitter [1] COM(2009) 338 van 8.7.2009. [2] In de Toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB C 303 van 14.12.2007), gehecht aan het Handvest, is in de toelichting bij artikel 48 het volgende bepaald: "Artikel 48 is hetzelfde als artikel 6, leden 2 en 3, van het EVRM [ artikel 6, leden 2 en 3, van het EVRM worden geciteerd ]. Overeenkomstig artikel 52, lid 3, heeft dit recht dezelfde inhoud en reikwijdte als het recht dat door het EVRM wordt gewaarborgd." Artikel 52, lid 3, van het Handvest bepaalt voorts: "Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt." [3] 15 en 16 oktober 1999. [4] Punt 33 van de conclusies. [5] COM(2000) 495 definitief van 29.7.2000. [6] PB C 12 van 15.1.2001, blz. 10. [7] COM(2004) 328 van 28.4.2004. [8] PB C 295 van 4.12.2009, blz. 1. [9] Conclusies van de Europese Raad van 10 en 11 december 2009. [10] Zie voetnoot 2. [11] Arrest van 28 november 1978, serie A nr. 29: " 46.The Court thus finds that the ordinary meaning of the term […] “free” in Article 6 para. 3(e) […] is confirmed by the object and purpose of Article 6. The Court concludes that the right protected by Article 6 para. 3(e) entails, for anyone who cannot speak or understand the language used in court, the right to receive the free assistance of an interpreter, without subsequently having claimed back from him payment of the costs thereby incurred". [46. Het Hof stelt derhalve vast dat de gebruikelijke betekenis van de term […] "kosteloos" in artikel 6, lid 3, onder e), wordt bevestigd door het voorwerp en het doel van artikel 6. Het Hof concludeert dat het door artikel 6, lid 3, onder e), beschermde recht betekent dat eenieder die de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd, niet kan spreken of verstaan, het recht heeft kosteloos door een tolk te worden bijgestaan, zonder dat de daarbij gemaakte kosten later van hem kunnen worden teruggevorderd.] [12] Arrest van 19 december 1989, reeks A nr. 168. [13] 19 december 1989 (10964/84) [1989] EHRM 23. [14] "41[…] the Italian judicial authorities should have taken steps to comply with it so as to ensure observance of the requirements of Article 6 § 3 (a) (art. 6-3-a), unless they were in a position to establish that the applicant in fact had sufficient knowledge of Italian to understand from the notification the purport of the letter notifying him of the charges brought against him. No such evidence appears from the documents in the file or the statements of the witnesses heard on 23 April 1989. On this point there has therefore been a violation of Article 6 § 3 (a) (art. 6-3-a)". [41. […] de Italiaanse gerechtelijke autoriteiten hadden maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat de vereisten van artikel 6, lid 3, onder a), werden nageleefd, tenzij zij konden aantonen dat de verdachte in feite het Italiaans voldoende machtig was om uit de betekening de draagwijdte van de tenlasteleggingen tegen hem te begrijpen. In de stukken van het dossier kan dit bewijs niet worden gevonden, noch uit de verklaringen van de getuigen die op 23 april 1989 werden gehoord. Op dit punt werd derhalve artikel 6, lid 3, onder a), geschonden.] [15] 24 september 2002 (nr. 3277/96). [16] http://ec.europa.eu/commission_barroso/orban/docs/FinalL_Reflection_Forum_Report_en.pdf [17] Arrest van 19 december 1989, reeks A nr. 168. [18] „74. The right […] to the free assistance of an interpreter applies not only to oral statements made at the trial hearing but also to documentary material and the pre-trial proceedings. Paragraph 3 (e) (art. 6-3-e) signifies that a person "charged with a criminal offence" who cannot understand or speak the language used in court has the right to the free assistance of an interpreter for the translation or interpretation of all those documents or statements in the proceedings instituted against him which it is necessary for him to understand or to have rendered into the court's language in order to have the benefit of a fair trial. […] However, paragraph 3 (e) (art. 6-3-e) does not go so far as to require a written translation of all items of written evidence or official documents in the procedure. The interpretation assistance provided should be such as to enable the defendant to have knowledge of the case against him and to defend himself, notably by being able to put before the court his version of the events. In view of the need for the right guaranteed by paragraph 3 (e) (art. 6-3-e) to be practical and effective, the obligation of the competent authorities is not limited to the appointment of an interpreter but, if they are put on notice in the particular circumstances, may also extend to a degree of subsequent control over the adequacy of the interpretation provided (see the Artico judgment)." [74. Het recht op kosteloze bijstand door een tolk is niet alleen van toepassing op mondelinge verklaringen ter terechtzitting, maar ook op alle bewijsmateriaal en procedures voorafgaand aan het proces. Artikel 6, lid 3, onder e), betekent dat een persoon "tegen wie een vervolging is ingesteld" en die de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd, niet verstaat en niet spreekt, recht heeft op kosteloze bijstand door een tolk voor de vertaling of de vertolking van alle stukken of verklaringen in de procedure tegen hem die voor hem van belang zijn om inzicht te krijgen in de zaak tegen hem, teneinde het eerlijk verloop van het proces te waarborgen. Artikel 6, lid 3, onder e), vereist echter niet dat alle schriftelijke bewijsmateriaal of alle processtukken schriftelijk worden vertaald. De bijstand door een tolk moet van dien aard zijn dat de verdachte inzicht kan krijgen in de zaak tegen hem en zich kan verdedigen door het gerecht zijn versie van de feiten te geven. Om het recht van artikel 6, lid 3, onder e), doeltreffend in de praktijk om te zetten, moeten de bevoegde autoriteiten niet alleen een tolk aanwijzen. Indien daarom wordt gevraagd in een specifieke zaak, moeten zij erop toezien dat de kwaliteit van de diensten van de tolk voldoende hoog is (zie het arrest Artico).] [19] "46.The Court thus finds that the ordinary meaning of the term […] "free" in Article 6 para. 3(e) […] is confirmed by the object and purpose of Article 6. The Court concludes that the right protected by Article 6 para. 3(e) entails, for anyone who cannot speak or understand the language used in court, the right to receive the free assistance of an interpreter, without subsequently having claimed back from him payment of the costs thereby incurred." [46. Het Hof stelt derhalve vast dat de gebruikelijke betekenis van de term […] "kosteloos" in artikel 6, lid 3, onder e), wordt bevestigd door het voorwerp en het doel van artikel 6. Het Hof concludeert dat het door artikel 6, lid 3, onder e), beschermde recht betekent dat eenieder die de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd, niet kan spreken of verstaan, het recht heeft kosteloos door een tolk te worden bijgestaan, zonder dat de daarbij gemaakte kosten later van hem kunnen worden teruggevorderd.] [20] Zie voetnoot 14. [21] PB C …, blz. …. [22] PB C …, blz. …. [23] PB C …, blz. …. [24] PB C 12 van 15.1.2001, blz. 10. [25] PB C 12 van 15.1.2001, blz. 10. [26] COM(2000) 495 van 26.7.2000, blz. 4. [27] De definitieve formulering van deze overweging van de richtlijn zal afhangen van de definitieve positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, overeenkomstig de bepalingen van Protocol nr. 21.