EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32021R1059

Verordening (EU) 2021/1059 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en door externe financieringsinstrumenten

PE/49/2021/INIT

OJ L 231, 30.6.2021, p. 94–158 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1059/oj

30.6.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 231/94


VERORDENING (EU) 2021/1059 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 24 juni 2021

betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en door externe financieringsinstrumenten

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 178, artikel 209, lid 1, artikel 212, lid 2, en artikel 349,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 176 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) bedoeld om de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Unie ongedaan te helpen maken. Op grond van dat artikel en artikel 174, tweede en derde alinea, VWEU moet het EFRO de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio’s en de achterstand van de minst begunstigde regio’s helpen verkleinen, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan bepaalde categorieën regio’s, met een specifieke verwijzing naar grensoverschrijdende gebieden.

(2)

Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad (4) bevat de gemeenschappelijke bepalingen voor het EFRO en enkele andere fondsen, en Verordening (EU) 2021/1058 van het Europees Parlement en de Raad (5) bevat bepalingen betreffende de specifieke doelstellingen en het toepassingsgebied van de EFRO-steun. Er moeten tevens specifieke bepalingen worden vastgesteld betreffende de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg), in het kader waarvan een of meer lidstaten en hun regio’s en, waar relevant, partnerlanden en derde landen grensoverschrijdend samenwerken met het oog op effectieve programmering, waaronder bepalingen over technische bijstand, monitoring, evaluatie, communicatie, subsidiabiliteit, beheer en controle, en financieel beheer.

(3)

Het bevorderen van Interreg is een belangrijke prioriteit van het cohesiebeleid van de Unie. Voor steun voor kleine en middelgrote ondernemingen voor in het kader van Europese territoriale samenwerkingsprojecten (ETS) gedane kosten geldt reeds een groepsvrijstelling op grond van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie (6) en in het deel “regionale steun” van die verordening en de Commissierichtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020 zijn ook speciale bepalingen opgenomen in verband met regionale steun voor investeringen van ondernemingen van ongeacht welke omvang. Gezien de geringe financiële waarde van projecten en de kleine kans op negatieve gevolgen voor het handelsverkeer en de mededinging enerzijds, en de hoge toegevoegde waarde van de bestaande programma’s voor de territoriale cohesie in Europa anderzijds, wordt rekening houdend met de tijdens de voorbije 30 jaar opgedane ervaring verwacht dat het toepassingsgebied van de staatssteunregels met betrekking tot overheidsfinanciering van ETS-projecten verder zal worden verduidelijkt door toekomstige wijziging van Verordening (EU) nr. 651/2014, waarbij de overheidsfinanciering van Interreg-projecten grotendeels wordt vrijgesteld van de verplichting tot voorafgaande kennisgeving en de uitvoering van die projecten aanzienlijk wordt vergemakkelijkt.

(4)

Teneinde de harmonieuze ontwikkeling van het grondgebied van de Unie op verschillende niveaus te ondersteunen, moet het EFRO uit hoofde van de Interreg-doelstelling steun verstrekken voor grensoverschrijdende samenwerking, transnationale samenwerking, interregionale samenwerking en samenwerking van ultraperifere gebieden. In het proces moet rekening worden gehouden met de beginselen van partnerschap en bestuur op verschillende niveaus, waarbij moet worden gezorgd dat de schaal van het partnerschap voor een programma doeltreffend blijft.

(5)

Om recht te doen aan het belang van de strijd tegen de klimaatverandering, in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties te verwezenlijken, zullen de fondsen bijdragen aan de integratie van klimaatactie en aan de verwezenlijking van een algemene doelstelling om 30 % van de begrotingsuitgaven van de Unie te bestemmen voor het ondersteunen van de klimaatdoelstellingen. In dat kader moet het fonds activiteiten steunen die de klimaat- en milieunormen in acht nemen en geen afbreuk doen aan de milieudoelstellingen in de zin van artikel 17 van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en Raad (7).

(6)

Het onderdeel “grensoverschrijdende samenwerking” moet tot doel hebben gemeenschappelijke uitdagingen die in de grensregio’s door de betrokkenen gezamenlijk zijn vastgesteld, aan te gaan en het ongebruikte groeipotentieel in grensgebieden te benutten, zoals onderbouwd in de mededeling van de Commissie van 20 september 2017 met de titel “Groei en cohesie stimuleren in grensregio’s van de EU” (“grensregiomededeling”). Bijgevolg moeten de regio’s en gebieden aan de grens of afgescheiden door maximaal 150 km zee waar grensoverschrijdende wisselwerking doeltreffend kan plaatsvinden of waarin functionele gebieden kunnen worden afgebakend, als programmagebieden voor grensoverschrijdende samenwerking worden aangemerkt, zonder afbreuk te doen aan potentiële aanpassingen die nodig zijn om de samenhang en continuïteit van samenwerkingsprogrammagebieden te waarborgen.

(7)

Het onderdeel “grensoverschrijdende samenwerking” heeft ook betrekking op samenwerking tussen een of meer lidstaten of hun regio’s, en een of meer landen of regio’s, of andere gebieden buiten de Unie. Deze verordening ziet op zowel interne als externe grensoverschrijdende samenwerking; dat moet voor de programma-autoriteiten in de lidstaten en voor de autoriteiten van partners en begunstigden buiten de Unie tot een sterke vereenvoudiging en stroomlijning van de toepasselijke bepalingen leiden in vergelijking met de programmeringsperiode 2014-2020.

(8)

Het onderdeel “transnationale samenwerking” moet tot doel hebben de samenwerking te intensiveren door middel van acties die bevorderlijk zijn voor geïntegreerde territoriale ontwikkeling in samenhang met de prioriteiten van de Unie, met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel. Transnationale samenwerking moet grotere gebieden op het vasteland van de Unie en rond zeebekkens behelzen met zo veel mogelijk flexibiliteit met het oog op de samenhang en continuïteit van de samenwerkingsprogramma’s, inclusief eerdere externe maritieme grensoverschrijdende samenwerking in een ruimer kader voor maritieme samenwerking, met name door het daaronder vallende gebied af te bakenen en de specifieke doelstellingen voor die samenwerking, de vereisten voor een projectpartnerschap en de mogelijkheid tot het opzetten van subprogramma’s en van specifieke stuurcomités vast te stellen.

(9)

Op basis van de ervaringen met grensoverschrijdende en transnationale samenwerking in de ultraperifere gebieden tijdens de programmeringsperiode 2014-2020, waar de combinatie van beide onderdelen in één programma per samenwerkingsgebied voor programma-autoriteiten en begunstigden niet tot voldoende vereenvoudiging heeft geleid, moet een specifieke onderdeel “ultraperifere gebieden” worden gecreëerd om ultraperifere gebieden in staat te stellen zo effectief en eenvoudig mogelijk met naburige landen en gebieden samen te werken. In het kader van dat onderdeel kunnen oproepen tot het indienen van voorstellen worden gelanceerd voor gecombineerde financiering uit hoofde van het EFRO, het Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (“NDICI”) dat bij Verordening (EU) 2021/947 van het Europees Parlement en de Raad (8) is vastgesteld en het LGO-besluit dat is vastgesteld bij Besluit 2013/755/EU (9), volgens beheerswijzen die moeten worden overeengekomen tussen deelnemende lidstaten en regio’s en derde landen.

(10)

Op basis van de ervaring met interregionale samenwerkingsprogramma’s in het kader van Interreg moet het onderdeel “interregionale samenwerking” gericht zijn op het effectiever maken van cohesiebeleid door middel van vier specifieke programma’s: een programma voor het uitwisselen van ervaringen, innovatieve benaderingen en capaciteitsopbouw met de nadruk op beleidsdoelstellingen en de specifieke Interreg-doelstelling “een beter op samenwerking gebaseerd bestuur”, in verband met het in kaart brengen, verspreiden en overbrengen van goede praktijken in regionaal ontwikkelingsbeleid, waaronder programma’s in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei”; een programma voor de uitwisseling van ervaringen en capaciteitsopbouw in verband met het in kaart brengen, overbrengen en profijt trekken van goede praktijken inzake geïntegreerde en duurzame stadsontwikkeling, rekening houdend met de verbindingen tussen stad en platteland, inclusief steun aan acties die zijn ontwikkeld in het kader van artikel 11 van Verordening (EU) 2021/1058, welke een aanvulling vormt op en wordt gecoördineerd met het in artikel 12 van die verordening beschreven initiatief; een programma voor het uitwisselen van ervaringen, innovatieve benaderingen en capaciteitsopbouw ter harmonisering en vereenvoudiging van de uitvoering van Interreg-programma’s, ter harmonisering en vereenvoudiging van samenwerkingsacties als bedoeld in artikel 22, lid 3, punt d), vi), van Verordening (EU) 2021/1060 en ter ondersteuning van het opzetten, functioneren en gebruiken van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS) die reeds zijn opgezet of zullen worden opgezet op grond van Verordening (EG) nr. 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad (10), alsmede van macroregionale strategieën, en een programma voor het verbeteren van de analyse van ontwikkelingstendensen. De vier programma’s in het kader van het onderdeel “interregionale samenwerking” moeten voor de gehele Unie gelden en ook openstaan voor de deelname van derde landen.

(11)

Er moeten gemeenschappelijke objectieve criteria worden vastgesteld om te bepalen welke regio’s en gebieden subsidiabel zijn. De aanwijzing van subsidiabele regio’s en gebieden op Unieniveau moet daarom worden gebaseerd op de gemeenschappelijke indeling van de regio’s die is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad (11).

(12)

Samenwerking in al haar dimensies met de naburige derde landen van de Unie is een belangrijk beleidsinstrument voor regionale ontwikkeling en moet de regio’s van de lidstaten die aan derde landen grenzen, ten goede komen; daarom moet die samenwerking verder worden ondersteund of tot stand worden gebracht, naargelang het geval. Daartoe moeten het EFRO en de externe financieringsinstrumenten van de Unie, het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III), vastgesteld bij een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA III) (de “IPA III-verordening”), het NDICI en het LGO-besluit, steun verstrekken aan programma’s in het kader van grensoverschrijdende samenwerking, transnationale samenwerking, interregionale samenwerking en samenwerking van de ultraperifere gebieden. De steun uit het EFRO en de externe financieringsinstrumenten van de Unie moet op wederkerigheid en proportionaliteit zijn gebaseerd. Voor IPA III-fondsen die zijn toegewezen aan grensoverschrijdende samenwerking (“IPA III-CBC”) en NDICI-fondsen die zijn toegewezen aan grensoverschrijdende samenwerking voor gebieden die bestreken worden door het “geografische gebied nabuurschapsbeleid” (“NDICI-CBC”) moet de steun uit het EFRO worden aangevuld met ten minste gelijkwaardige bedragen uit het IPA III-CBC en het NDICI-CBC, tot een maximumbedrag dat wordt vastgesteld in de desbetreffende rechtshandeling.

(13)

Steun uit het IPA III moet voornamelijk gericht zijn op het ondersteunen van IPA III-begunstigden bij de versterking van democratische instellingen en de rechtsstaat, de hervorming van justitie en het openbaar bestuur, de naleving van grondrechten en de bevordering van gendergelijkheid, verdraagzaamheid, sociale inclusie en non-discriminatie, evenals regionale en lokale ontwikkeling. IPA III-steun moet gericht blijven op het ondersteunen van de inspanningen van de IPA III-begunstigden ter verbetering van regionale, macroregionale en grensoverschrijdende samenwerking, alsmede territoriale ontwikkeling, onder andere door het uitvoeren van macroregionale Uniestrategieën. Daarnaast moet IPA III-steun gericht zijn op veiligheid, migratie en grensbeheer, het waarborgen van toegang tot internationale bescherming, het delen van relevante informatie, het versterken van grenscontroles en het leveren van gezamenlijke inspanningen in de strijd tegen irreguliere migratie en migrantensmokkel.

(14)

Wat de NDICI-steun betreft, moet de Unie met naburige landen bijzondere betrekkingen ontwikkelen met als doel een ruimte van welvaart en goed nabuurschap tot stand te brengen, gebaseerd op de waarden van de Unie en gekenmerkt door nauwe en vreedzame betrekkingen die in het teken staan van samenwerking. Deze verordening moet dus de interne en externe aspecten van de relevante macroregionale strategieën ondersteunen. Die initiatieven zijn van strategisch belang en bieden zinvolle politieke kaders voor het verdiepen van de betrekkingen met en tussen de partnerlanden, op basis van wederzijdse verantwoordingsplicht, gedeelde ownership en verantwoordelijkheid.

(15)

Het is belangrijk dat de rol van de Europese Dienst voor extern optreden, die is opgericht bij Besluit 2010/427/EU van de Raad (12), en de rol van de Commissie bij de voorbereiding van de strategische programmering en van Interreg-programma’s met EFRO- en NDICI-steun, onverminderd in acht wordt genomen.

(16)

Gezien de specifieke situatie van de ultraperifere gebieden van de Unie moeten er maatregelen worden vastgesteld betreffende de verbetering van de voorwaarden waaronder deze regio’s toegang tot de structuurfondsen kunnen krijgen. Derhalve moeten sommige bepalingen van deze verordening aan de specifieke kenmerken van de ultraperifere gebieden van de Unie worden aangepast om hun samenwerking met landen en gebieden overzee (“LGO’s”) en derde landen te vereenvoudigen en te bevorderen, waarbij rekening wordt gehouden met de mededeling van de Commissie van 24 oktober 2017 getiteld “Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU”. Die samenwerking moet in nauw partnerschap met regionale integratie- en samenwerkingsorganisaties kunnen geschieden.

(17)

Deze verordening moet het voor LGO’s mogelijk maken om deel te nemen aan Interreg-programma’s. De specifieke kenmerken en uitdagingen van de LGO’s moeten in aanmerking worden genomen om hun daadwerkelijke toegang en deelname te vergemakkelijken.

(18)

De middelen die aan elk van de verschillende onderdelen van Interreg worden toegewezen, moeten worden vastgelegd, met inbegrip van het aandeel van elke lidstaat in de totale bedragen voor grensoverschrijdende samenwerking, transnationale samenwerking, samenwerking van de ultraperifere gebieden en de mogelijkheden voor de lidstaten wat de flexibiliteit tussen deze onderdelen betreft.

(19)

Ten behoeve van een zo efficiënt mogelijk gebruik van de steun uit het EFRO en de externe financieringsinstrumenten van de Unie moet er een mechanisme worden ingesteld om de teruggave van die steun te organiseren indien programma’s voor externe samenwerking niet kunnen worden vastgesteld of moeten worden beëindigd; dit geldt ook voor programma’s voor samenwerking met derde landen die geen steun ontvangen uit een financieringsinstrument van de Unie. Met dat mechanisme moet worden gestreefd naar een optimale werking van de programma’s en een maximale coördinatie tussen die instrumenten.

(20)

Het EFRO moet in het kader van Interreg bijdragen aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen binnen die van het cohesiebeleid. De lijst van de specifieke doelstellingen in het kader van de verschillende beleidsdoelstellingen moet evenwel worden afgestemd op de specifieke behoeften van Interreg, om interventies van het ESF-type mogelijk te maken, overeenkomstig artikel 4, lid 1, punten a) tot en met l), van Verordening (EU) 2021/1057 van het Europees Parlement en de Raad (13) via gezamenlijke acties in het kader van Interreg-programma’s.

(21)

Gelet op de unieke en specifieke omstandigheden op het eiland Ierland en met het oog op de ondersteuning van de Noord-Zuid-samenwerking in het kader van het Goede Vrijdagakkoord, moet een grensoverschrijdend Peace Plus-programma de werkzaamheden van eerdere programma’s tussen de aangrenzende graafschappen van Ierland en Noord-Ierland voortzetten en erop voortbouwen. Rekening houdend met het praktische belang van het programma moet worden gewaarborgd dat, wanneer het functioneert ter bevordering van vrede en verzoening, het EFRO ook bijdraagt aan het bevorderen van sociale, economische en regionale stabiliteit en samenwerking in de betrokken regio’s, met name door maatregelen die de samenhang tussen de gemeenschappen bevorderen. Gezien de specifieke kenmerken van dat programma moet het op een geïntegreerde manier worden beheerd, waarbij de bijdrage van het Verenigd Koninkrijk als externe bestemmingsontvangsten in dat programma moet worden opgenomen. Voorts mogen bepaalde regels voor de selectie van concrete acties in deze verordening niet op dat programma van toepassing zijn voor wat betreft concrete acties ter bevordering van vrede en verzoening.

(22)

Deze verordening moet twee specifieke Interreg-doelstellingen toevoegen: een eerste doelstelling ter ondersteuning van de versterking van de institutionele capaciteit en verbetering van de juridische en administratieve samenwerking, met name wanneer het de uitvoering van de Commissiemededeling over grensregio’s betreft, ter intensivering van de samenwerking tussen burgers en instellingen en de ontwikkeling en coördinatie van macroregionale en zeebekkenstrategieën, ter bevordering van wederzijds vertrouwen, met name door het aanmoedigen van people-to-people-acties, en een tweede doelstelling om onderwerpen op het gebied van samenwerking aan te pakken inzake veiligheid, beveiliging, beheer van grensoverschrijdingen en migratie.

(23)

Het grootste gedeelte van de steun van de Unie moet aan een beperkt aantal beleidsdoelstellingen worden besteed om het effect van Interreg zo groot mogelijk te maken. Synergieën en complementariteit tussen de onderdelen van Interreg moeten worden versterkt.

(24)

Bepalingen over de voorbereiding, goedkeuring en wijziging van Interreg-programma’s, en over territoriale ontwikkeling, over de selectie van concrete acties, over monitoring en evaluatie, over de programma-autoriteiten, over audits van concrete acties en over transparantie en communicatie moeten aan de specifieke kenmerken van de Interreg-programma’s worden aangepast in vergelijking met de bepalingen van Verordening (EU) 2021/1060 Die specifieke bepalingen moeten eenvoudig en duidelijk worden gehouden om overregulering en extra administratieve lasten voor de lidstaten en de begunstigden te voorkomen.

(25)

De tijdens de programmeringsperiode 2014-2020 vastgestelde bepalingen over de criteria op grond waarvan concrete acties als echt gezamenlijk en coöperatief kunnen worden beschouwd, over het partnerschap binnen een concrete Interreg-actie en over de verplichtingen van de hoofdpartner moeten blijven gelden. Interreg-partners moeten samenwerken bij de ontwikkeling en de uitvoering alsmede op het gebied van personeelsvoorziening en van financiering of beide en als het gaat om de samenwerking van de ultraperifere gebieden, in twee van deze vier samenwerkingsdimensies, aangezien het eenvoudiger moet worden steun van het EFRO en van externe financieringsinstrumenten van de Unie zowel op programmaniveau als op het niveau van een concrete actie te combineren.

(26)

In programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking vormen people-to-people- en kleinschalige projecten belangrijke en succesvolle instrumenten, met een grote Europese meerwaarde, om grensobstakels en grensoverschrijdende obstakels uit de weg te ruimen, lokale interpersoonlijke contacten te bevorderen en grensgebieden en hun burgers dichter bij elkaar te brengen. Deze projecten hebben tot dusver steun gekregen via fondsen voor kleinschalige projecten of soortgelijke instrumenten, hoewel ze nooit het onderwerp zijn geweest van specifieke bepalingen, en daarom is het nodig de regels voor die fondsen te verduidelijken. Om de meerwaarde en voordelen van people-to-people- en kleinschalige projecten te behouden, ook in verband met lokale en regionale ontwikkeling, en ter vereenvoudiging van het beheer van de financiering van kleine projecten door de eindontvangers, die vaak niet vertrouwd zijn met het aanvragen van Uniefinanciering, moet onder een bepaalde drempel het gebruik van vereenvoudigde kostenopties en vaste bedragen verplicht worden gesteld.

(27)

Vanwege de deelname van meer dan één lidstaat en de daaruit voortvloeiende hogere administratieve kosten, onder meer voor regionale contactpunten ook bekend als “steunpunten”, die belangrijke contactpunten zijn voor projectaanvragers en -uitvoerders en derhalve fungeren als rechtstreeks verbindingspunt met de gezamenlijke secretariaten of de relevante autoriteiten, maar in het bijzonder ook voor controles en vertaling, moet het maximumbedrag van de uitgaven voor technische bijstand hoger zijn dan in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei”. Ter compensatie van de hogere administratieve kosten moeten de lidstaten worden aangespoord om de administratieve lasten van de uitvoering van gezamenlijke projecten waar mogelijk te verminderen. Voorts moeten Interreg-programma’s met beperkte steun van de Unie of externe grensoverschrijdende Interreg-programma’s een bepaald minimumbedrag voor technische bijstand ontvangen om voldoende financiering voor doeltreffende activiteiten inzake technische bijstand te garanderen, onder meer voor regionale filialen van gezamenlijke secretariaten en contactpunten die zijn opgezet om de afstand tot potentiële begunstigden en partners te verkleinen.

(28)

Op grond van de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (14) moet deze verordening worden geëvalueerd op basis van overeenkomstig specifieke monitoringvereisten verzamelde informatie, waarbij echter administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, en overregulering moeten worden vermeden. Die voorschriften moeten, waar passend, meetbare indicatoren omvatten als maatstaf om de effecten van de financiering in de praktijk te evalueren.

(29)

Op basis van tijdens de programmeringsperiode 2014-2020 opgedane ervaringen moet het systeem waarbij een duidelijke hiërarchie van subsidiabiliteitsregels voor uitgaven is vastgesteld, worden voortgezet, waarbij het beginsel wordt gehandhaafd dat subsidiabiliteitsregels voor uitgaven op Unieniveau of voor een Interreg-programma in hun geheel worden vastgesteld ter voorkoming van mogelijke tegenstrijdigheden of inconsistenties tussen verschillende verordeningen dan wel tussen Unierecht en nationaal recht. Aanvullende regels die door één lidstaat zijn vastgesteld en alleen op de begunstigden in die lidstaat van toepassing zijn, moeten tot een strikt minimum worden beperkt. Met name de voor de programmeringsperiode 2014-2020 vastgelegde Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 481/2014 van de Commissie (15) moeten in deze verordening worden geïntegreerd.

(30)

De lidstaten moeten worden aangemoedigd om de taken van de beheerautoriteit toe te vertrouwen aan een EGTS of om zo’n groepering, net als andere grensoverschrijdende juridische entiteiten, verantwoordelijk te stellen voor het beheer van een subprogramma, een geïntegreerde territoriale investering of een of meer fondsen voor kleinschalige projecten of als enige partner te laten optreden. In dat verband moet een grensoverschrijdende juridische entiteit, die ook een Euregio kan zijn, worden opgericht en rechtspersoonlijkheid hebben op grond van het recht van een van de deelnemende landen, en moet worden toegestaan dat regionale en lokale autoriteiten van alle deelnemende landen daaraan deelnemen.

(31)

Om de voor de programmeringsperiode 2014-2020 ingestelde betalingsketen voort te zetten, namelijk van de Commissie via de certificeringsautoriteit naar de hoofdpartner, moet die betalingsketen onder de boekhoudfunctie worden voortgezet. De steun van de Unie moet aan de hoofdpartner worden betaald, tenzij dit tussen de hoofdpartner en de andere partners tot dubbele vergoedingen leidt voor omzetting naar euro’s en terug naar een andere valuta, of andersom. Tenzij anders bepaald moet de hoofdpartner erop toezien dat de andere partners het totale bedrag van de bijdrage uit het respectieve EU-fonds integraal ontvangen binnen de door alle partners overeengekomen termijn en volgens dezelfde procedure als die welke voor de hoofdpartner geldt.

(32)

Op grond van artikel 63, lid 9, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (16) (het “Financieel Reglement”) moet in sectorspecifieke regelgeving rekening worden gehouden met de behoeften van Interreg-programma’s, met name wat betreft de auditfunctie. De bepalingen over het jaarlijks auditadvies, het jaarlijkse controleverslag en de audits van concrete acties moeten derhalve worden vereenvoudigd en worden aangepast aan die programma’s waarbij meer dan één lidstaat is betrokken.

(33)

Met betrekking tot de terugvordering wegens onregelmatigheden moet een duidelijke keten van financiële aansprakelijkheid worden vastgesteld van de enige partner of van andere partners via de hoofdpartner en de beheerautoriteit naar de Commissie. Er moet een bepaling worden opgenomen betreffende de aansprakelijkheid van lidstaten, derde landen, partnerlanden of LGO’s indien terugvordering van de enige partner, van andere partners of van de hoofdpartner niet lukt, in de zin dat de lidstaat dan de beheerautoriteit vergoedt. In het kader van Interreg-programma’s is er dus geen ruimte voor oninbare bedragen op het niveau van begunstigden. De regels moeten echter worden verduidelijkt voor het geval dat een lidstaat, derde land, partnerland of LGO de beheerautoriteit niet vergoedt. Ook de verplichtingen van de hoofdpartner wat terugvordering betreft moeten worden verduidelijkt.

(34)

Om zowel in de deelnemende lidstaten als in derde landen, partnerlanden of LGO’s een grotendeels gemeenschappelijk geheel van regels toe te passen, moet deze verordening ook van toepassing zijn op de deelname van derde landen, partnerlanden of LGO’s, tenzij er in een specifiek hoofdstuk van deze verordening specifieke regels zijn vastgelegd. In derde landen, partnerlanden of LGO’s kunnen vergelijkbare tegenhangers van Interreg-programma-autoriteiten bestaan. Uitgaven moeten subsidiabel worden vanaf de ondertekening van de financieringsovereenkomst door het betrokken derde land, partnerland of LGO. Aanbestedingen voor begunstigden in het derde land, partnerland of LGO moeten voldoen aan de regels voor aanbestedingen voor extern optreden als bepaald in het Financieel Reglement. Voor de sluiting van een financieringsovereenkomst met elk van de derde landen, partnerlanden of LGO’s, alsmede van de overeenkomst tussen de beheerautoriteit en elk derde land, partnerland of LGO betreffende steun uit een extern financieringsinstrument van de Unie of, in geval van een andere overdracht van een extra bijdrage van een derde land, partnerland of LGO naar het Interreg-programma dan nationale medefinanciering moeten de procedures worden vastgelegd.

(35)

Hoewel Interreg-programma’s waaraan derde landen, partnerlanden of LGO’s deelnemen, in gedeeld beheer moeten worden uitgevoerd, moet het mogelijk zijn om samenwerking van de ultraperifere gebieden in indirect beheer uit te voeren. Over hoe die programma’s geheel of gedeeltelijk in indirect beheer moeten worden uitgevoerd, moeten specifieke regels worden opgesteld.

(36)

Op basis van de tijdens de programmeringsperiode 2014-2020 opgedane ervaringen met grote infrastructuurprojecten in het kader van programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking in het kader van het Europees nabuurschapsinstrument vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad (17) moeten de procedures worden vereenvoudigd. De Commissie moet zich evenwel bepaalde rechten voorbehouden betreffende de selectie van die projecten.

(37)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om de lijsten van Interreg-programmagebieden die steun moeten krijgen en de lijst van het totale bedrag aan steun van de Unie voor elk Interreg-programma vast te stellen en te wijzigen. Tevens moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om de meerjarige strategiedocumenten vast te stellen voor Interreg-programma’s die door een extern financieringsinstrument van de Unie worden ondersteund. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (18). Hoewel die handelingen van algemene aard zijn, moet de raadplegingsprocedure worden gevolgd, aangezien zij alleen de technische uitvoering van de bepalingen betreffen. Indien van toepassing, moeten de meerjarige strategiedocumenten voor Interreg-programma’s die door een extern financieringsinstrument worden ondersteund, ook de procedure van de IPA III-verordening en Verordening (EU) 2021/947 eerbiedigen.

(38)

Om eenvormige voorwaarden voor de goedkeuring van Interreg-programma’s en wijzigingen daarvan te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Indien van toepassing, moeten externe grensoverschrijdende Interreg- programma’s voldoen aan de comitéprocedures die in de IPA III-verordening en in Verordening (EU) 2021/947 zijn vastgesteld betreffende het eerste goedkeuringsbesluit van die programma’s.

(39)

Om bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening aan te vullen of te wijzigen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlage. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(40)

Gelet op de vaststelling van deze verordening na het begin van de programmeringsperiode, en rekening houdend met de noodzaak om Interreg op gecoördineerde en geharmoniseerde wijze uit te voeren, alsmede om een snelle uitvoering ervan mogelijk te maken, moet deze verordening in werking treden op de dag na die van de bekenmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(41)

Daar het doel van deze verordening, namelijk het stimuleren van samenwerking tussen lidstaten en tussen lidstaten en derde landen, partnerlanden of LGO’s, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om dit doel te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

INHOUDSTAFEL

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

AFDELING I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN INTERREG-ONDERDELEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Artikel 2

Definities

Artikel 3

Interreg-onderdelen

AFDELING II

GEOGRAFISCHE AFBAKENING

Artikel 4

Geografische afbakening van grensoverschrijdende samenwerking

Artikel 5

Geografische afbakening van transnationale samenwerking

Artikel 6

Geografische afbakening van interregionale samenwerking

Artikel 7

Geografische afbakening van samenwerking van ultraperifere gebieden

Artikel 8

Lijst van Interreg-programmagebieden die steun kunnen ontvangen

AFDELING III

MIDDELEN EN MEDEFINANCIERINGSPERCENTAGES

Artikel 9

EFRO-middelen voor Interreg-programma’s

Artikel 10

Bepalingen voor alle fondsen

Artikel 11

Lijst van Interreg-programmamiddelen

Artikel 12

Teruggave van middelen en beëindiging

Artikel 13

Medefinancieringspercentages

HOOFDSTUK II

Specifieke doelstellingen voor Interreg en thematische concentratie

Artikel 14

Specifieke doelstellingen voor Interreg

Artikel 15

Thematische concentratie

HOOFDSTUK III

PROGRAMMERING

AFDELING I

VOORBEREIDING, GOEDKEURING EN WIJZIGING VAN INTERREG-PROGRAMMA’S

Artikel 16

Voorbereiding en indiening van Interreg-programma’s

Artikel 17

Inhoud van Interreg-programma’s

Artikel 18

Goedkeuring van Interreg-programma’s

Artikel 19

Wijziging van Interreg-programma’s

AFDELING II

TERRITORIALE ONTWIKKELING

Artikel 20

Geïntegreerde territoriale ontwikkeling

Artikel 21

Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling

AFDELING III

CONCRETE ACTIES EN FONDSEN VOOR KLEINSCHALIGE PROJECTEN

Artikel 22

Selectie van concrete acties in het kader van Interreg

Artikel 23

Partnerschap binnen concrete acties in het kader van Interreg

Artikel 24

Steun voor projecten van beperkte financiële omvang

Artikel 25

Fondsen voor kleinschalige projecten

Artikel 26

Taken van de hoofdpartner

AFDELING IV

TECHNISCHE BIJSTAND

Artikel 27

Technische bijstand

HOOFDSTUK IV

Monitoring, evaluatie en communicatie

AFDELING I

MONITORING

Artikel 28

Monitoringcomité

Artikel 29

Samenstelling van het monitoringcomité

Artikel 30

Taken van het monitoringcomité

Artikel 31

Evaluatie

Artikel 32

Indiening van gegevens

Artikel 33

Eindverslag over de prestaties

Artikel 34

Indicatoren voor Interreg-programma’s

AFDELING II

EVALUATIE EN COMMUNICATIE

Artikel 35

Evaluatie tijdens de programmeringsperiode

Artikel 36

Verantwoordelijkheden van de beheerautoriteiten en partners met betrekking tot transparantie en communicatie

HOOFDSTUK V

SUBSIDIABILITEIT

Artikel 37

Regels betreffende de subsidiabiliteit van de uitgaven

Artikel 38

Algemene bepalingen inzake de subsidiabiliteit van de kostencategorieën

Artikel 39

Personeelskosten

Artikel 40

Kantoor- en administratieve kosten

Artikel 41

Reis- en verblijfskosten

Artikel 42

Kosten voor externe expertise en diensten

Artikel 43

Kosten voor uitrusting

Artikel 44

Kosten voor infrastructuur en werkzaamheden

HOOFDSTUK VI

INTERREG: PROGRAMMA-, BEHEER-, CONTROLE- EN AUDITAUTORITEITEN

Artikel 45

Interreg-programma-autoriteiten

Artikel 46

Taken van de beheerautoriteit

Artikel 47

De boekhoudfunctie

Artikel 48

Taken van de auditautoriteit

Artikel 49

Audits van concrete acties

HOOFDSTUK VII

FINANCIEEL BEHEER

Artikel 50

Budgettaire vastleggingen

Artikel 51

Betalingen en voorfinanciering

Artikel 52

Terugvordering

HOOFDSTUK VIII

DEELNAME VAN DERDE LANDEN, PARTNERLANDEN, LGO’S OF ORGANISATIES VOOR REGIONALE INTEGRATIE EN SAMENWERKING AAN INTERREG-PROGRAMMA’S IN GEDEELD BEHEER

Artikel 53

Toepasselijke bepalingen

Artikel 54

Interreg-programma-autoriteiten en hun taken

Artikel 55

Beheermethodes

Artikel 56

Subsidiabiliteit

Artikel 57

Grote infrastructuurprojecten

Artikel 58

Aanbestedingen

Artikel 59

Sluiting van financieringsovereenkomsten in gedeeld beheer

Artikel 60

Andere bijdragen van derde landen, partnerlanden of LGO’s dan medefinanciering

HOOFDSTUK IX

SPECIFIEKE BEPALINGEN VOOR INDIRECT BEHEER

Artikel 61

Samenwerking van ultraperifere gebieden

HOOFDSTUK X

SLOTBEPALINGEN

Artikel 62

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

Artikel 63

Comitéprocedure

Artikel 64

Overgangsbepalingen

Artikel 65

Inwerkingtreding

BIJLAGE

Model voor Interreg-programma’s

Kaart

Kaart van het programmagebied

Aanhangsel 1

Uniebijdrage op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages

Aanhangsel 2

Uniebijdrage op basis van financiering die niet gekoppeld is aan kosten

Aanhangsel 3

Lijst met geplande concrete acties van strategisch belang, met een tijdschema

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

AFDELING I

Onderwerp, toepassingsgebied en Interreg-onderdelen

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Bij deze verordening worden regels vastgesteld voor de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) met het oog op het bevorderen van de samenwerking tussen lidstaten en hun regio’s binnen de Unie en tussen lidstaten, hun regio’s en derde landen, partnerlanden, andere gebieden of landen en gebieden overzee (LGO’s), of organisaties voor regionale integratie en samenwerking.

Daarnaast bevat deze verordening de nodige bepalingen om te zorgen voor effectieve programmering, met inbegrip van technische bijstand, monitoring, evaluatie, communicatie, subsidiabiliteit, beheer en controle, alsook het financiële beheer van programma’s in het kader van Interreg (“Interreg-programma’s”) die worden ondersteund door het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO).

Met betrekking tot de steun voor Interreg-programma’s uit het instrument voor pretoetredingssteun (“IPA III”), het “instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking” (“NDICI”) en de financiering voor alle LGO’s voor de periode 2021-2027 die bij Besluit 2013/755/EU als programma is vastgesteld, (gezamenlijk “de externe financieringsinstrumenten van de Unie” genoemd), worden bij deze verordening extra specifieke doelstellingen vastgesteld, evenals de integratie van deze fondsen in Interreg-programma’s, de criteria voor derde landen, partnerlanden en LGO’s en hun regio’s om in aanmerking te komen voor de steun, en bepaalde specifieke uitvoeringsvoorschriften.

Met betrekking tot de steun uit het EFRO en de externe financieringsinstrumenten van de Unie (gezamenlijk de “Interreg-fondsen” genoemd) voor Interreg-programma’s worden bij deze verordening specifieke Interreg-doelstellingen vastgesteld, alsmede de organisatie van Interreg, de subsidiabiliteitscriteria voor derde landen, partnerlanden en LGO’s en hun regio’s, de financiële middelen en de criteria voor de toewijzing ervan.

Verordening (EU) 2021/1060 en Verordening (EU) 2021/1058 zijn van toepassing op Interreg-programma’s, tenzij anders is bepaald in die verordeningen of in deze verordening, of indien Verordening (EU) 2021/1060 alleen van toepassing kunnen zijn op de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei”.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 2 van Verordening (EU) 2021/1060 Tevens gelden de volgende definities:

1)

“IPA III-begunstigde”: een land of gebied dat is opgenomen in de relevante bijlage bij de IPA III-verordening;

2)

“derde land”: een land dat geen lidstaat is en geen steun ontvangt uit de Interreg-fondsen, of dat bijdraagt aan de algemene begroting van de Unie (de “Uniebegroting”) door middel van externe bestemmingsontvangsten;

3)

“partnerland”: een IPA III-begunstigde of een land of gebied dat voor de Interreg A- en B-programma’s wordt bestreken door het “nabuurschapsgebied” zoals vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) 2021/947 of de Russische Federatie, of voor de Interreg C- en D-programma’s, een land of gebied dat wordt bestreken door een geografisch gebied in het kader van het NDICI, en steun ontvangt van de externe financieringsinstrumenten van de Unie;

4)

“grensoverschrijdende juridische entiteit”: een juridische entiteit die is opgericht naar het recht van een van de deelnemende landen aan een Interreg-programma, mits deze is opgezet door territoriale autoriteiten of andere instanties uit ten minste twee deelnemende landen;

5)

“organisatie voor regionale integratie en samenwerking”: in de context van samenwerking van de ultraperifere gebieden, een groep derde landen of regio’s in eenzelfde geografisch gebied die gericht is op nauwe samenwerking inzake kwesties van gemeenschappelijk belang, waar ook lidstaten deel van kunnen uitmaken.

Voor de toepassing van deze verordening moet, wanneer in Verordening (EU) 2021/1060 wordt verwezen naar een “lidstaat”, dit worden opgevat als “lidstaat waar de beheerautoriteit gevestigd is”, en wanneer in die verordening wordt verwezen naar “elke lidstaat” of “de lidstaten”, dit worden opgevat als “de lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO’s die deelnemen aan een bepaald Interreg-programma”.

Voor de toepassing van deze verordening moet, wanneer in Verordening (EU) 2021/1060 wordt verwezen naar “de fondsen” als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt a), van die verordening, of naar Verordening (EU) 2021/1058, dit zodanig worden opgevat dat het respectieve externe financieringsinstrument van de Unie hier eveneens onder valt.

Artikel 3

Interreg-onderdelen

In het kader Interreg ondersteunen het EFRO en, indien van toepassing, de externe financieringsinstrumenten van de Unie de volgende onderdelen:

1)

grensoverschrijdende samenwerking tussen aangrenzende regio’s ter bevordering van geïntegreerde en harmonieuze regionale ontwikkeling tussen naburige land- en zeegrensregio’s (“Interreg A”):

a)

interne grensoverschrijdende samenwerking tussen aangrenzende regio’s van twee of meer lidstaten of tussen aangrenzende regio’s van ten minste één lidstaat en één of meer derde landen bedoeld in artikel 4, lid 2, of

b)

externe grensoverschrijdende samenwerking tussen aangrenzende regio’s van ten minste één lidstaat en één of meer van de volgende:

i)

IPA III-begunstigden;

ii)

partnerlanden die steun ontvangen in het kader van het NDICI, of

iii)

de Russische Federatie, teneinde haar deelname mogelijk te maken aan grensoverschrijdende samenwerking die ook door het NDICI wordt ondersteund;

2)

transnationale samenwerking over grotere transnationale gebieden of rond zeebekkens, waarbij nationale, regionale en lokale programmapartners in lidstaten, derde landen, partnerlanden en LGO’s betrokken zijn, met het oog op een hogere mate van territoriale integratie (“Interreg B”);

3)

interregionale samenwerking om de effectiviteit van het cohesiebeleid te versterken (“Interreg C”) door het bevorderen van:

a)

de uitwisseling van ervaringen, innovatieve benaderingen en capaciteitsopbouw met de nadruk op de in artikel 5, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060 vermelde beleidsdoelstellingen en op de specifieke Interreg-doelstelling “een beter, op samenwerking gebaseerd bestuur”, in verband met het in kaart brengen, verspreiden en overbrengen van goede praktijken in regionaal ontwikkelingsbeleid, waaronder programma’s in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” (het “Interreg Europa-programma”);

b)

de uitwisseling van ervaringen, innovatieve benaderingen en capaciteitsopbouw in verband met het in kaart brengen, overbrengen en in de praktijk brengen van goede praktijken inzake geïntegreerde en duurzame stadsontwikkeling, rekening houdend met de verbindingen tussen stad en platteland, waarbij steun wordt verstrekt aan acties die zijn ontwikkeld in het kader van artikel 11 van Verordening (EU) 2021/1058 en het in artikel 12 van die verordening beschreven initiatief op gecoördineerde wijze wordt aangevuld (“het Urbact-programma”);

c)

de uitwisseling van ervaringen, innovatieve benaderingen en capaciteitsopbouw met het oog op “het Interact-programma”:

i)

het harmoniseren en vereenvoudigen van de uitvoering van Interreg-programma’s, alsmede het bijdragen aan het in de praktijk brengen van de resultaten ervan;

ii)

het harmoniseren en vereenvoudigen van mogelijke samenwerkingsacties als bedoeld in artikel 22, lid 3, punt d), vi), van Verordening (EU) 2021/1060;

iii)

het steunen van de oprichting, de werking en het gebruik van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS);

d)

de analyse van ontwikkelingstrends met betrekking tot de doelstellingen van “territoriale samenhang” (het “Espon-programma”);

4)

samenwerking tussen ultraperifere gebieden onderling en met een of meer van hun naburige derde landen, partnerlanden of LGO’s of organisaties voor regionale integratie en samenwerking, om hun regionale integratie en harmonieuze ontwikkeling in de regio te vergemakkelijken (Interreg D).

AFDELING II

Geografische afbakening

Artikel 4

Geografische afbakening van grensoverschrijdende samenwerking

1.   Steun uit het EFRO voor grensoverschrijdende samenwerking kan worden verstrekt aan regio’s van NUTS-niveau 3 in de Unie die aan interne en externe landgrenzen met derde landen of partnerlanden zijn gelegen, alsmede aan EU-regio’s van NUTS-niveau 3 die zeegrenzen hebben en die maximaal 150 km overzee van elkaar verwijderd zijn, behoudens eventuele aanpassingen die nodig zijn voor de coherentie en continuïteit van samenwerkingsprogrammagebieden en waar grensoverschrijdende interactie daadwerkelijk kan plaatsvinden.

2.   Interne programma’s voor grensoverschrijdende samenwerking in het kader van Interreg kunnen betrekking hebben op regio’s in Noorwegen, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk die vergelijkbaar zijn met regio’s van NUTS-niveau 3, alsook op Andorra, Liechtenstein, Monaco en San Marino.

3.   Steun uit het IPA III of het NDICI voor externe grensoverschrijdende samenwerking kan worden verstrekt aan regio’s van NUTS-niveau 3 van het partnerland aan gene zijde van de grens of, indien er geen NUTS-classificatie is, daarmee vergelijkbare gebieden die gelegen zijn aan land- of zeegrenzen tussen lidstaten en partnerlanden en die in aanmerking komen voor steun uit het IPA III of het NDICI, behoudens eventuele aanpassingen die nodig zijn voor de coherentie en continuïteit van samenwerkingsprogramma’s.

Artikel 5

Geografische afbakening van transnationale samenwerking

1.   Steun uit het EFRO voor transnationale samenwerking kan worden verstrekt aan EU-regio’s van NUTS-niveau 2, met inbegrip van ultraperifere gebieden, die grote transnationale gebieden bestrijken en rekening houdend (indien van toepassing) met macroregionale of zeebekkenstrategieën.

2.   Indien de betrokken lidstaat of lidstaten een transnationaal samenwerkingsprogramma indient/indienen, kan dit op zijn of hun verzoek ook betrekking hebben op een of meer ultraperifere gebieden van die lidstaat of lidstaten.

3.   Transnationale samenwerkingsprogramma’s kunnen betrekking hebben op de volgende landen of gebieden, ongeacht of zij al dan niet steun ontvangen uit de Uniebegroting:

a)

regio’s in IJsland, Noorwegen, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk, alsook Andorra, Liechtenstein, Monaco en San Marino;

b)

LGO’s;

c)

de Faeröer;

d)

regio’s van partnerlanden in het kader van het IPA III of het NDICI.

4.   De in lid 2 bedoelde regio’s, derde landen, partnerlanden en LGO’s zijn regio’s van NUTS-niveau 2 of, indien er geen NUTS-classificatie is, daarmee vergelijkbare gebieden.

Artikel 6

Geografische afbakening van interregionale samenwerking

1.   Steun uit het EFRO voor interregionale samenwerking wordt verstrekt op het gehele grondgebied van de Unie, inclusief de ultraperifere gebieden.

2.   Interregionale samenwerkingsprogramma’s kunnen betrekking hebben op het gehele grondgebied van de in de artikelen 4, 5 en 7 genoemde derde landen, partnerlanden en andere gebieden of LGO’s, of een deel ervan, ongeacht of zij steun ontvangen uit de externe financieringsinstrumenten van de Unie of niet.

Artikel 7

Geografische afbakening van samenwerking van ultraperifere gebieden

1.   Steun uit het EFRO voor samenwerking van ultraperifere gebieden wordt verstrekt aan alle regio’s die genoemd worden in artikel 349, eerste alinea, VWEU.

2.   Interreg-programma’s die de ultraperifere gebieden betreffen kunnen door het NDICI gesteunde partnerlanden (of delen daarvan) en/of door het Programma voor landen en gebieden overzee (PLGO) ondersteunde LGO’s bestrijken.

Artikel 8

Lijst van Interreg-programmagebieden die steun kunnen ontvangen

1.   Voor de toepassing van de artikelen 4 tot en met 7 stelt de Commissie bij uitvoeringshandelingen een lijst vast van Interreg-programmagebieden die steun kunnen ontvangen, uitgesplitst naar elk onderdeel en elk Interreg-programma. Die uitvoeringshandelingen wordt vastgesteld volgens de in artikel 63, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

Externe grensoverschrijdende programma’s worden als “Interreg-A IPA III-CBC-programma’s” (IPA III-CBC) of als “Interreg-A NEXT-programma’s” (NDICI-CBC) in de lijst opgenomen.

2.   De in lid 1, eerste alinea, genoemde uitvoeringshandelingen bevatten ook een lijst met de EU-regio’s van NUTS-niveau 3 die in aanmerking zijn genomen bij een EFRO-toewijzing voor grensoverschrijdende samenwerking aan alle binnengrenzen en aan de buitengrenzen die onder de externe financieringsinstrumenten van de Unie vallen.

3.   Regio’s van derde landen of partnerlanden of van gebieden buiten de Unie die geen steun ontvangen uit het EFRO of van een extern financieringsinstrument van de Unie, of die bijdragen aan de Uniebegroting via externe bestemmingsontvangsten, moeten eveneens worden vermeld in de in lid 1, tweede alinea, genoemde lijst.

AFDELING III

Middelen en medefinancieringspercentages

Artikel 9

EFRO-middelen voor Interreg-programma’s

1.   De EFRO-middelen voor Interreg-programma’s bedragen 8 050 000 000 EUR (prijspeil van 2018) van de totale middelen die beschikbaar zijn voor vastleggingen in de begroting uit het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds voor de programmeringsperiode 2021-2027, genoemd in artikel 109, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060.

2.   De in lid 1 genoemde middelen worden als volgt toegewezen:

a)

72,2 % (d.w.z. in totaal 5 812 790 000 EUR) voor grensoverschrijdende samenwerking over land en zeegrenzen heen (“onderdeel A”);

b)

18,2 % (d.w.z. 1 466 000 000 EUR) voor transnationale samenwerking (“onderdeel B”);

c)

6,1 % (d.w.z. 490 000 000 EUR) voor interregionale samenwerking (“onderdeel C”);

d)

3,5 % (d.w.z. 281 210 000 EUR) voor samenwerking van ultraperifere gebieden (“onderdeel D”).

3.   De Commissie stelt elke lidstaat op de hoogte van zijn aandeel (opgesplitst naar jaar) van de totaalbedragen voor de onderdelen A, B en D, overeenkomstig de methodiek bepaald in punt 8 van bijlage XXVI bij Verordening (EU) 2021/1060.

4.   Elke lidstaat kan tot 15 % van de financiële toewijzingen aan elk van de onderdelen A, B en D overdragen van een van die onderdelen naar een of meer van de andere onderdelen.

5.   Op basis van de volgens lid 3 meegedeelde bedragen deelt elke lidstaat de Commissie mee, of en hoe hij gebruik heeft gemaakt van de in lid 4 genoemde mogelijkheid tot overdracht, met vermelding van de daaruit resulterende verdeling over de Interreg-programma’s waaraan deze lidstaat deelneemt.

Artikel 10

Bepalingen voor alle fondsen

1.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met een meerjarige strategiedocument voor externe grensoverschrijdende en transnationale samenwerkingsprogramma’s bevat die door het EFRO en het NDICI, door het EFRO en IPA III of door het EFRO, het NDICI en IPA III worden gesteund. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 63, lid 2, van deze verordening bedoelde raadplegingsprocedure en in, waar passend, met inachtneming van de procedure van de IPA III-verordening.

Met betrekking tot de door het EFRO en het NDICI gesteunde Interreg-programma’s worden in de uitvoeringshandeling de in artikel 14, lid 2, van Verordening (EU) 2021/947 bedoelde elementen vastgesteld.

Ten aanzien van Interreg-programma’s die door het EFRO en IPA III worden ondersteund, heeft de uitvoeringshandeling ook betrekking op de deelname van IPA III-begunstigden of partnerlanden aan de Interreg C- en D-programma’s.

2.   De Commissie en de betrokken lidstaten stellen de bijdrage vast van het EFRO aan externe grensoverschrijdende Interreg-programma’s die ook worden gesteund met financiële middelen uit IPA III-CBC, of met financiële middelen uit NDICI-CBC. De voor elke lidstaat vastgestelde EFRO-bijdrage mag daarna niet opnieuw over de betrokken lidstaten worden verdeeld.

Bij de vaststelling van de bijdragen van het IPA III en het NDICI aan de Interreg B-, C- en D-programma’s wordt rekening gehouden met de samenstelling van het betrokken programmapartnerschap van de lidstaten, de IPA-begunstigden en de partnerlanden. Die bijdragen kunnen worden vastgelegd in de door lid 1, eerste alinea, bestreken meerjarige strategiedocumenten.

3.   Afzonderlijke externe grensoverschrijdende programma’s ontvangen steun uit het EFRO op voorwaarde dat het IPA III-CBC of het NDICI-CBC ten minste dezelfde bedragen verstrekken uit hoofde van de relevante meerjarige strategiedocument. Die bijdrage is gebonden aan een maximumbedrag, als bepaald in de in de IPA III-verordening of in Verordening (EU) 2021/947.

Indien de herziening van de betrokken strategische programmeringsdocumenten in het kader van het IPA III of het NDICI echter tot vermindering van de bedragen voor de resterende jaren leidt, moeten de lidstaten uit één van de volgende opties kiezen:

a)

zij verzoeken om het in artikel 12, lid 3, bedoeld mechanisme;

b)

zij continueren het Interreg-programma met de resterende steun uit het EFRO en uit het IPA III-CBC of het NDICI-CBC, of

c)

zij combineren de in de punten a) en b) van deze alinea bedoelde opties.

4.   De jaarlijkse kredieten voor steun uit het EFRO, het IPA III-CBC of het NDICI-CBC voor externe grensoverschrijdende Interreg-programma’s worden opgenomen in de desbetreffende begrotingsonderdelen van het begrotingsjaar 2021.

5.   Indien de Commissie een specifieke financiële toewijzing heeft opgenomen ter ondersteuning van partnerlanden of -regio’s in het kader van Verordening (EU) 2021/947 of van LGO’s in het kader van Besluit 2013/755/EU, of in het kader van beide, teneinde hun samenwerking met de aangrenzende ultraperifere gebieden van de Unie overeenkomstig artikel 33, lid 2, van Verordening (EU) 2021/947 en/of artikel 87 van Besluit 2013/755/EU te versterken, kan het EFRO ook bijdragen, en wel conform de bepalingen van de onderhavige verordening. Dit kan gebeuren indien zulks dienstig is en op basis van wederkerigheid en proportionaliteit in relatie tot de hoogte van financiering uit het NDICI en/of het PLGO. De bijdrage van het EFRO wordt in dat geval toegewezen aan acties die worden uitgevoerd door een partnerland of -regio of een andere entiteit uit hoofde van Verordening (EU) 2021/947, of door een land, een gebied of een andere entiteit uit hoofde van Besluit 2013/755/EU of door een ultraperifere gebied van de Unie, in het kader van een of meer gezamenlijke Interreg B-, C- of D-programma’s of in het kader van de in artikel 59 van deze verordening bedoelde samenwerkingsmaatregelen die zijn vastgesteld en worden uitgevoerd overeenkomstig deze verordening.

Artikel 11

Lijst van Interreg-programmamiddelen

1.   Op basis van de informatie die zij op grond van artikel 9, lid 5, van de lidstaten heeft ontvangen, stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast met een lijst van alle Interreg-programma’s en het totaalbedrag van de totale EFRO-steun voor elk programma’s en, indien van toepassing, de totale steun uit elk afzonderlijk extern financieringsinstrument van de Unie. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 63, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

2.   Die uitvoeringshandelingen bevatten ook een lijst van de overeenkomstig artikel 9, lid 4, overgemaakte bedragen, uitgesplitst naar lidstaat.

Artikel 12

Teruggave van middelen en beëindiging

1.   Indien uiterlijk op 31 maart van het betrokken jaar geen extern grensoverschrijdend programma voor 2022 of 2023 bij de Commissie is ingediend, wordt de jaarlijkse bijdrage uit het EFRO voor dat programma die niet opnieuw is toegewezen aan een ander programma dat is ingediend voor externe grensoverschrijdende Interreg-programma’s, toegewezen aan interne grensoverschrijdende Interreg-programma’s waaraan wordt deelgenomen door de betrokken lidstaat.

2.   Indien uiterlijk op 31 maart 2024 nog steeds externe grensoverschrijdende Interreg-programma’s lopen die niet bij de Commissie zijn ingediend, wordt de in artikel 9, lid 5, genoemde bijdrage uit het EFRO voor deze programma’s voor de resterende jaren tot en met 2027 — voor zover die niet opnieuw is toegewezen aan een ander Interreg-programma dat ook steun ontvangt uit respectievelijk het IPA III-CBC of het NDICI-CBC — toegewezen aan interne grensoverschrijdende Interreg-programma’s waaraan wordt deelgenomen door de betrokken lidstaten.

3.   Reeds door de Commissie goedgekeurde externe grensoverschrijdende Interreg-programma’s worden beëindigd of de toewijzing aan deze programma’s wordt verminderd volgens de vigerende regels en procedures, en wel in het bijzonder als:

a)

geen van de onder het betrokken Interreg-programma vallende partnerlanden de bijbehorende financieringsovereenkomst binnen de termijnen van artikel 59 heeft ondertekend, of

b)

het Interreg-programma niet kan worden uitgevoerd als gepland, omdat zich tussen de deelnemende landen problemen hebben voorgedaan.

In deze gevallen wordt de in lid 1 genoemde bijdrage uit het EFRO die overeenstemt met nog niet vastgelegde jaartranches of met jaartranches die zijn vastgelegd maar die gedurende het betrokken begrotingsjaar geheel of ten dele zijn vrijgemaakt — voor zover die tranches niet opnieuw zijn toegewezen aan een ander Interreg-programma dat ook steun ontvangt uit respectievelijk het IPA III-CBC of het NDICI-CBC — toegewezen aan interne grensoverschrijdende Interreg-programma’s waaraan wordt deelgenomen door die lidstaat.

4.   De deelname van een partnerland of van een LGO aan een reeds door de Commissie goedgekeurd Interreg B-programma wordt beëindigd indien zich een van de in lid 3, eerste alinea, punt a) of punt b), genoemde situaties voordoet.

De deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, de overige deelnemende partnerlanden verzoeken dat:

a)

het Interreg-programma wordt beëindigd, met name indien de belangrijkste gezamenlijke ontwikkelingsproblemen van het programma niet kunnen worden aangepakt zonder de deelname van het partnerland of LGO;

b)

de toewijzing voor dat Interreg-programma wordt verminderd, conform de vigerende regels en procedures, of

c)

het Interreg-programma wordt voortgezet zonder de deelname van het partnerland of LGO.

Indien de toewijzing aan het Interreg-programma wordt verminderd conform het bepaalde in punt b), wordt de bijdrage uit het EFRO die overeenstemt met nog niet vastgelegde jaartranches, toegewezen aan een ander Interreg B-programma waaraan een of meer van de betrokken lidstaten deelnemen of, als een lidstaat slechts deelneemt aan één programma Interreg B, aan één of meer interne grensoverschrijdende Interreg-programma’s waaraan die lidstaat deelneemt.

5.   Het bedrag dat vrijkomt door de uit hoofde van dit artikel verlaagde bijdrage uit het IPA III, het NDICI of het PLGO wordt respectievelijk gebruikt overeenkomstig de IPA III-verordening, Verordening (EU) 2021/947 of Besluit 2013/755/EU.

6.   Indien een derde land, partnerland of LGO dat met nationale middelen bijdraagt aan een Interreg-programma, waarbij het niet gaat om de nationale medefinanciering van steun uit het EFRO of uit een extern financieringsinstrument van de Unie, deze bijdrage vermindert tijdens de uitvoering van het Interreg-programma, hetzij in het algemeen of in verband met gezamenlijke concrete acties die reeds zijn geselecteerd en na ontvangst van het document zoals bedoeld in artikel 22, lid 6, verzoekt de deelnemende lidstaat, c.q. verzoeken de deelnemende lidstaten om één van de in de tweede alinea van lid 4 van dit artikel vermelde opties.

Artikel 13

Medefinancieringspercentages

1.   Voor Interreg-programma’s mag het medefinancieringspercentage op het niveau van elk Interreg-programma niet meer dan 80 % bedragen.

2.   Niettegenstaande lid 1 van dit artikel mag het medefinancieringspercentage voor Interreg D-programma’s niet hoger zijn dan 85 %, tenzij een hoger percentage is vastgelegd in Besluit 2013/755/EU of een handeling die op grond van dat besluit of, indien van toepassing, op grond van de Verordening (EU) 2021/947 is vastgesteld of een handeling op grond van die verordening.

3.   Indien Interreg-programma’s steun krijgen uit het EFRO en IPA III-CBC, en indien de toewijzing uit het EFRO 50 % of minder bedraagt van de totale Unietoewijzing, kan een hoger percentage worden vastgesteld in de IPA III-verordening of een op grond van die verordening vastgestelde handeling.

4.   Indien Interreg-programma’s steun krijgen uit het EFRO en ofwel alleen het NDICI of zowel het NDICI als het IPA III, en indien de toewijzing uit het EFRO 50 % of minder bedraagt van de totale Unietoewijzing, kan een hoger percentage worden vastgesteld in Verordening (EU) 2021/947 of een op grond van die verordening vastgestelde handeling.

HOOFDSTUK II

SPECIFIEKE DOELSTELLINGEN VOOR INTERREG EN THEMATISCHE CONCENTRATIE

Artikel 14

Specifieke doelstellingen voor Interreg

1.   Het EFRO, binnen zijn toepassingsgebied zoals bepaald in artikel 5 van Verordening (EU) 2021/1058, en, indien van toepassing, de externe financieringsinstrumenten van de Unie dragen bij aan de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen die zijn vermeld in artikel 5, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060, door middel van gezamenlijke acties in het kader van de Interreg-programma’s.

2.   In geval van het grensoverschrijdende “Peace Plus”-programma, in het kader waarvan het vrede en verzoening ondersteunt, levert het EFRO ter verwezenlijking van een specifieke doelstelling binnen beleidsdoelstelling 4 ook een bijdrage aan het bevorderen van de sociale, economische en regionale stabiliteit in de betrokken regio’s, met name door maatregelen die de samenhang tussen gemeenschappen verbeteren. Die specifieke doelstelling wordt door een afzonderlijke prioriteit ondersteund.

3.   Naast de specifieke doelstellingen van het EFRO, vermeld in artikel 3 van Verordening (EU) 2021/1058, dragen het EFRO en, indien van toepassing, de externe financieringsinstrumenten van de Unie aan de verwezenlijking van de in artikel 4, lid 1, punten a) tot en met l), van Verordening (EU) 2021/1057 genoemde doelstellingen bij door middel van gezamenlijke acties in het kader van Interreg-programma’s.

4.   In het kader van de Interreg-programma’s kunnen het EFRO en, indien van toepassing, de externe financieringsinstrumenten van de Unie ook steun verstrekken aan de specifieke Interreg-doelstelling “een beter op samenwerking gebaseerd bestuur”, door middel van de één van de volgende acties:

a)

versterken van de institutionele capaciteit van overheidsinstanties, met name die welke belast zijn met het beheer van een bepaald gebied, en van de belanghebbenden (alle onderdelen);

b)

verbeteren van de efficiëntie van het openbaar bestuur door het bevorderen van juridische en administratieve samenwerking en samenwerking tussen burgers, actoren uit het maatschappelijke middenveld en instellingen, met name met het oog op oplossingen voor juridische en andere obstakels in grensregio’s (onderdelen A, C, D en, waar passend, onderdeel B);

c)

opbouwen van wederzijds vertrouwen, met name door het aanmoedigen van people-to-people-acties (onderdelen A, C, D en, waar passend, onderdeel B);

d)

verbeteren van de institutionele capaciteit van overheidsinstanties en belanghebbenden voor de uitvoering van macroregionale en zeebekkenstrategieën, alsook van andere territoriale strategieën (alle onderdelen);

e)

verbeteren van duurzame democratie en ondersteuning van actoren uit het maatschappelijk middenveld en hun rol bij hervormingsprocessen en democratische transities (alle onderdelen met betrekking tot derde landen, partnerlanden en LGO’s), en

f)

andere acties die beter beheer van samenwerking ondersteunen (alle onderdelen).

5.   In het kader van de Interreg-programma’s kunnen het EFRO en, indien toepasselijk, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie ook steun verlenen aan de externe specifieke Interreg-doelstelling “een veiliger, zekerder Europa”, met name door acties op het gebied van het beheer van grensoverschrijdingen, mobiliteit en migratie, met inbegrip van de bescherming en economische en sociale integratie van onderdanen van derde landen, bijvoorbeeld migranten en personen die internationale bescherming genieten.

Artikel 15

Thematische concentratie

1.   Ten minste 60 % van de EFRO-bijdrage en, indien van toepassing, van de externe financieringsinstrumenten van de Unietoewijzingen aan elk van de Interreg A-, B- en D-programma’s wordt toegewezen aan beleidsdoelstelling 2 en maximaal twee andere beleidsdoelstellingen genoemd in artikel 5, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060.

Aan de Interreg A-programma’s volgens binnenlandse landgrenzen wordt ten minste 60 % van de toegewezen EFRO-bijdrage toegewezen aan de beleidsdoelstellingen 2 en 4 en maximaal twee andere beleidsdoelstellingen genoemd in artikel 5, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060.

2.   Van de EFRO-bijdrage en, indien van toepassing, van de externe financieringsinstrumenten van de Unie aan elk Interreg A-, B- en D-programma kan tot 20 % worden toegewezen aan de specifieke Interreg-doelstelling “een beter op samenwerking gebaseerd bestuur” en tot 5 % aan de specifieke Interreg-doelstelling “een veiliger, zekerder Europa”.

3.   Indien een Interreg B-programma een macroregionale strategie of een zeebekkenstrategie ondersteunt, draagt ten minste 80 % van de EFRO-bijdrage evenals, indien van toepassing, een gedeelte van de toewijzingen van de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand bij aan de doelstellingen van die strategie.

4.   Alle in artikel 5, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060 genoemde beleidsdoelstellingen en de specifieke doelstelling voor Interreg van “een beter op samenwerking gebaseerd bestuur” kunnen voor het Interreg Europa-programma en het Urbact-programma worden geselecteerd. Voor de programma’s Interact en Espon worden de totale EFRO-bijdrage en, indien van toepassing, van de externe financieringsinstrumenten van de Unie toegewezen aan de specifieke Interreg-doelstelling “een beter op samenwerking gebaseerd bestuur”.

HOOFDSTUK III

PROGRAMMERING

AFDELING I

Voorbereiding, goedkeuring en wijziging van Interreg-programma’s

Artikel 16

Voorbereiding en indiening van Interreg-programma’s

1.   De doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (Interreg) wordt uitgevoerd door middel van Interreg-programma’s in gedeeld beheer, met uitzondering van de Interreg D-programma’s, die, in overeenstemming met de betrokken lidstaat of lidstaten en na consultatie van de belanghebbenden, geheel of gedeeltelijk in indirect beheer kunnen worden uitgevoerd.

2.   De deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden, LGO’s of organisaties voor regionale integratie en samenwerking stellen, overeenkomstig het model in de bijlage, een Interreg-programma op voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027.

3.   De deelnemende lidstaten stellen in samenwerking met de programmapartners bedoeld in artikel 8 van Verordening (EU) 2021/1060 een Interreg-programma op. Bij de voorbereiding van Interreg B-programma’s die betrekking hebben op macroregionale of zeebekkenstrategieën, houden de lidstaten en de programmapartners rekening met de thematische prioriteiten van de betrokken macroregionale en zeebekkenstrategieën, en raadplegen zij de relevante actoren; daarnaast zorgen zij ervoor dat deze actoren op macroregionaal en zeebekkenniveau aan het begin van de programmeringsperiode worden samengebracht in overeenstemming met dat artikel

De deelnemende derde landen, partnerlanden of, naargelang het geval, LGO’s betrekken, hierbij tevens de programmapartners, inclusief organisaties voor regionale integratie en samenwerking, die gelijkwaardig zijn aan die waarnaar in dat artikel wordt verwezen.

4.   De lidstaat waar de toekomstige beheerautoriteit gevestigd is, dient uiterlijk op 2 april 2022 bij de Commissie een Interreg-programma in namens alle deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden, LGO’s of organisaties voor regionale integratie en samenwerking.

Indien een Interreg-programma evenwel door een extern financieringsinstrument van de Unie wordt ondersteund, legt de lidstaat waar de toekomstige beheerautoriteit gevestigd is, het Interreg-programma voor aan de Commissie uiterlijk negen maanden na de goedkeuring door de Commissie van de desbetreffende meerjarige strategiedocumenten als bepaald in artikel 10, lid 1, of in overeenstemming met de respectieve basiswetgevingshandeling van dat externe financieringsinstrument van de Unie.

5.   De deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO’s bevestigen schriftelijk hun instemming met de inhoud van een Interreg-programma voordat het bij de Commissie wordt ingediend. Deze instemming omvat ook een verbintenis van alle deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, van derde landen, partnerlanden of LGO’s, om de nodige medefinanciering voor de uitvoering van het Interreg-programma te verstrekken evenals, indien van toepassing, de verbintenis tot de financiële bijdrage van de betrokken derde landen, partnerlanden of LGO’s.

In afwijking van de eerste alinea worden voor Interreg-programma’s waarbij ultraperifere gebieden en derde landen, partnerlanden of LGO’s betrokken zijn, de respectieve derde landen, partnerlanden of LGO’s door de betrokken lidstaten geraadpleegd voordat de Interreg-programma’s bij de Commissie worden ingediend. In dit geval mag de instemming met de inhoud van de Interreg-programma’s en de eventuele financiële bijdrage van de derde landen, partnerlanden of LGO’s ook worden vastgelegd in de formeel goedgekeurde notulen van de overlegvergaderingen met de betrokken derde landen, partnerlanden of LGO’s of van de beraadslagingen van de organisaties voor regionale integratie en samenwerking.

6.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 62 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijlage te wijzigen teneinde deze aan te passen aan de veranderingen die zich tijdens de programmeringsperiode voor niet-essentiële elementen daarvan voordoen.

Artikel 17

Inhoud van Interreg-programma’s

1.   Elk Interreg-programma bevat een gezamenlijke strategie voor de bijdrage van het programma aan de verwezenlijking van de in artikel 5, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060 vermelde beleidsdoelstellingen en, waar relevant, de in artikel 14, leden 4 en 5, van de onderhavige verordening vermelde specifieke Interreg-doelstellingen, en de mededeling van de resultaten ervan.

2.   Elk Interreg-programma bestaat uit prioriteiten.

Elke prioriteit moet overeenstemmen met één beleidsdoelstelling of, indien van toepassing, met respectievelijk één of beide specifieke Interreg-doelstellingen, en moet bestaan uit een of meerdere specifieke doelstellingen. Bij dezelfde beleidsdoelstelling of specifieke Interreg-doelstelling kunnen verschillende prioriteiten horen.

3.   Voor elk Interreg-programma wordt het volgende vastgesteld:

a)

het programmagebied, met inbegrip van, waar mogelijk, een kaart daarvan als afzonderlijk document;

b)

een samenvatting van de voornaamste gemeenschappelijke uitdagingen, rekening houdend met:

i)

economische, sociale en territoriale verschillen en ongelijkheden;

ii)

gezamenlijke investeringsbehoeften en complementariteit en synergieën met andere financieringsprogramma’s en -instrumenten;

iii)

lessen uit ervaringen uit het verleden;

iv)

macroregionale strategieën en zeebekkenstrategieën, indien op het programmagebied als geheel of gedeeltelijk één of meer strategieën van toepassing zijn;

c)

een motivering voor de geselecteerde beleidsdoelstellingen en specifieke Interreg-doelstellingen, bijbehorende prioriteiten, specifieke doelstellingen of acties uit hoofde van de specifieke Interreg-doelstellingen en de vormen van steun, waarbij indien nodig ontbrekende schakels in de grensoverschrijdende infrastructuur worden aangepakt;

d)

de specifieke doelstellingen of acties uit hoofde van de specifieke Interreg-doelstellingen voor elke prioriteit;

e)

voor elke specifieke doelstelling of voor elke actie uit hoofde van de specifieke Interreg-doelstellingen:

i)

de gerelateerde soorten acties en de verwachte bijdrage ervan aan die specifieke doelstellingen of acties uit hoofde van de specifieke Interreg-doelstellingen en, indien van toepassing, aan macroregionale strategieën en zeebekkenstrategieën;

ii)

outputindicatoren en resultaatindicatoren met de bijbehorende mijlpalen en doelstellingen;

iii)

de voornaamste doelgroepen;

iv)

een opgave van de beoogde specifieke gebieden, met inbegrip van het geplande gebruik van geïntegreerde territoriale investeringen, vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling of een ander territoriaal instrument;

v)

het voorgenomen gebruik van financieringsinstrumenten, en

vi)

een indicatieve verdeling van de geprogrammeerde middelen per interventietype;

f)

een financieringsplan dat de volgende tabellen bevat, zonder verdeling per deelnemende lidstaat, deelnemend derde land, deelnemend partnerland of deelnemend LGO, tenzij anders vermeld:

i)

een tabel met per jaar de totale financiële toewijzingen voor het EFRO en, indien van toepassing, voor elk extern financieringsinstrument van de Unie voor de gehele programmeringsperiode;

ii)

een tabel met voor elke prioriteit de totale financiële toewijzingen uit het EFRO en, indien van toepassing, uit elk extern financieringsinstrument van de Unie per prioriteit, de nationale medefinanciering en of de nationale medefinanciering is samengesteld uit publieke en private bijdragen;

g)

de maatregelen die zijn getroffen om de in artikel 8 van Verordening (EU) 2021/1060 bedoelde relevante programmapartners te betrekken bij de opstelling van het Interreg-programma en de rol van die programmapartners bij de uitvoering, monitoring en evaluatie van dat programma;

h)

de voorgenomen aanpak van de communicatie en zichtbaarheid met betrekking tot het Interreg-programma door het vaststellen van de doelstellingen, het doelpubliek, de communicatiekanalen, inclusief, waar passend, de communicatieactiviteiten op sociale media, de geplande begroting en de toepasselijke indicatoren voor monitoring en evaluatie, en

i)

een indicatie van de steun aan kleinschalige projecten, met inbegrip van kleine projecten in het kader van fondsen voor kleinschalige projecten.

Bij de indiening van het programma wordt daarbij ter informatie een lijst met geplande concrete acties van strategisch belang gevoegd, met een tijdschema.

4.   Met betrekking tot de in lid 3 bedoelde informatie worden de financiële toewijzingen voor de in punt f) van dat lid genoemde tabellen en wat betreft de steun uit de externe financieringsinstrumenten van de Unie, als volgt vermeld:

a)

voor Interreg A-programma’s die worden ondersteund door het IPA III en het NDICI, als één bedrag (“IPA III-CBC” of “NEXT-CBC”), waarbij de bijdragen van Rubriek 2, “Cohesie en waarden”, subplafond “Economische, sociale en territoriale samenhang”, en Rubriek 6, “Nabuurschap en internationaal beleid”, worden gecombineerd;

b)

voor Interreg B- en C-programma’s die worden ondersteund door het IPA III, het NDICI of het PLGO, als één bedrag (“Interreg-fondsen”), waarbij de bijdragen uit Rubriek 2 en Rubriek 6 worden gecombineerd, of uitgesplitst per financieringsinstrument “EFRO”, “IPA III”, “NDICI” en “PLGO”, naargelang de keuze van de programmapartners;

c)

voor Interreg B-programma’s die worden ondersteund door het PLGO, uitgesplitst naar financieringsinstrument (“EFRO” en “PLGO”);

d)

voor Interreg D-programma’s die worden ondersteund door het NDICI, uitgesplitst naar financieringsinstrument (“EFRO”, “NDICI” en “PLGO”, naargelang het geval).

5.   Met betrekking tot lid 3, eerste alinea, punt e), vi), van dit artikel worden de interventietypes gebaseerd op een nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) 2021/1060.

6.   Het Interreg-programma moet:

a)

bepalen welke de programma-autoriteiten zijn en aan welke instantie de Commissie betalingen dient te verrichten;

b)

de procedure vaststellen volgens welke het gemeenschappelijk secretariaat zal worden opgericht;

c)

onder de deelnemende lidstaten, en indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO’s bepalen hoe de aansprakelijkheid wordt verdeeld indien er door de beheerautoriteit of de Commissie financiële correcties worden opgelegd.

7.   De beheerautoriteit brengt de Commissie op de hoogte van elke verandering in de in lid 6, punt a) of punt b), bedoelde informatie waarvoor geen programmawijziging nodig is.

8.   Indien, met betrekking tot Interreg A-, B- of D-programma’s, een A-programma betrekking heeft op lange grenzen met heterogene ontwikkelingsuitdagingen en -behoeften, kunnen de lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden en LGO’s die deelnemen aan een Interreg-programma, subprogrammagebieden vaststellen.

9.   In afwijking van lid 3 wordt de inhoud van Interreg C-programma’s aangepast aan het specifieke karakter van die Interreg-programma’s, meer bepaald als volgt:

a)

de in punt a) van lid 3 bedoelde informatie is niet vereist;

b)

de op grond van de punten b) en g) van lid 3 vereiste informatie wordt in de vorm van een kort overzicht verstrekt;

c)

voor elke specifieke doelstelling worden de volgende gegevens verstrekt:

i)

met betrekking tot Interact en Espon, de vastlegging van één enkele begunstigde of een beperkte lijst van begunstigden en de toekenningsprocedure;

ii)

de gerelateerde actietypes en de verwachte bijdrage daarvan aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen;

iii)

outputindicatoren en resultaatindicatoren met de bijbehorende mijlpalen en doelstellingen;

iv)

de voornaamste doelgroepen, en

v)

een indicatieve verdeling van de geprogrammeerde middelen per interventietype.

Artikel 18

Goedkeuring van Interreg-programma’s

1.   De Commissie beoordeelt elk Interreg-programma en de mate waarin het in overeenstemming is met de Verordeningen (EU) 2021/1060 en (EU) 2021/1058 en de onderhavige verordening, en, in het geval van steun uit een extern financieringsinstrument van de Unie en, indien van toepassing, de consistentie ervan met het in artikel 10, lid 1, van deze verordening bedoelde meerjarig strategiedocument of het desbetreffende strategische programmeringskader op grond van de respectieve basiswetgevingshandeling van één of meer van die instrumenten.

2.   De Commissie kan binnen drie maanden na de datum waarop het Interreg-programma is ingediend door de lidstaat waar de toekomstige beheerautoriteit gevestigd is, opmerkingen formuleren.

3.   Deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO’s evalueren het Interreg-programma en houden daarbij rekening met de opmerkingen van de Commissie.

4.   De Commissie stelt uiterlijk vijf maanden na de datum van eerste indiening van elk Interreg-programma door de lidstaat waar de toekomstige beheerautoriteit gevestigd is, door middel van een uitvoeringshandeling een besluit tot goedkeuring van het programma vast.

5.   Met betrekking tot externe grensoverschrijdende Interreg-programma’s stelt de Commissie haar besluiten uit hoofde van lid 4 van dit artikel vast na raadpleging van het overeenkomstig de relevante bepalingen van de IPA III-verordening opgerichte “IPA III-Comité” en van het overeenkomstig artikel 45 van Verordening (EU) 2021/947 opgerichte “comité van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking”.

Artikel 19

Wijziging van Interreg-programma’s

1.   Na raadpleging van en goedkeuring door het monitoringcomité kan de beheerautoriteit, in overeenstemming met artikel 8 van Verordening (EU) 2021/1060, een gemotiveerd verzoek tot wijziging van een Interreg-programma indienen samen met het gewijzigde programma, waarin wordt uiteengezet wat het verwachte effect van die wijziging op het verwezenlijken van de doelstellingen is.

2.   De Commissie beoordeelt de mate waarin de verzochte wijziging in overeenstemming is met de Verordeningen (EU) 2021/1060 en (EU) 2021/1058 en met de onderhavige verordening, en kan binnen twee maanden na de datum waarop het gewijzigde programma door de lidstaat is ingediend, opmerkingen formuleren.

3.   Deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO’s evalueren het gewijzigde programma en houden daarbij rekening met de opmerkingen van de Commissie.

4.   De Commissie neemt door middel van een uitvoeringshandeling een besluit tot goedkeuring van de wijziging van een Interreg-programma, uiterlijk vier maanden na de indiening ervan door de beheerautoriteit.

5.   Na raadpleging van en goedkeuring door het monitoringcomité kan de beheerautoriteit, in overeenstemming met artikel 8 van Verordening (EU) 2021/1060, tijdens de programmeringsperiode een bedrag van maximaal 10 % van de initiële toewijzing van een prioriteit en niet meer dan 5 % van de programmabegroting overdragen naar een andere prioriteit van hetzelfde Interreg-programma.

Dergelijke overdrachten hebben geen gevolgen voor de voorgaande jaren.

De overdracht en de daaraan gerelateerde wijzigingen moeten niet als ingrijpend worden beschouwd, en vergen geen besluit van de Commissie tot wijziging van het Interreg-programma. Zij moeten echter wel voldoen aan alle regelgeving. De beheerautoriteit dient bij de Commissie de in artikel 17, lid 3, punt f), ii), bedoelde herziene tabel in, samen met alle daaraan gerelateerde wijzigingen in het programma.

6.   Voor het corrigeren van tikfouten of louter redactionele wijzigingen die de uitvoering van het Interreg-programma niet beïnvloeden, is geen goedkeuring van de Commissie vereist. De beheerautoriteit stelt de Commissie van dergelijke correcties in kennis.

AFDELING II

Territoriale ontwikkeling

Artikel 20

Geïntegreerde territoriale ontwikkeling

Voor de Interreg-programma’s vertegenwoordigen de betrokken territoriale autoriteiten of instanties die verantwoordelijk zijn voor het opstellen van territoriale of lokale ontwikkelingsstrategieën, als bedoeld in artikel 28 van Verordening (EU) 2021/1060, of betrokken zijn bij de selectie van de in het kader van deze strategieën, als bedoeld in artikel 29, lid 5, van die verordening te ondersteunen concrete acties, ten minste twee deelnemende landen waarvan er ten minste één een lidstaat is.

Een grensoverschrijdende juridische entiteit of een EGTS die een geïntegreerde territoriale investering op grond van artikel 30 van Verordening (EU) 2021/1060 of een ander territoriaal instrument op grond van artikel 28, eerste alinea, punt c), van die verordening uitvoert, kan tevens de enige begunstigde overeenkomstig artikel 23, lid 6, van deze verordening zijn, mits er sprake is van een scheiding van functies binnen de grensoverschrijdende juridische entiteit of de EGTS.

Artikel 21

Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling

Interreg-programma’s kunnen vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (“CLLD”) als bepaald in artikel 28, eerste alinea, punt b), van Verordening (EU) 2021/1060 omvatten, mits de betrokken lokale actiegroepen zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de publieke en private lokale sociaaleconomische belangen, waarbij niet één belangengroep alleen de controle heeft over de besluitvorming, en van ten minste twee deelnemende landen waarvan er één een lidstaat is.

AFDELING III

Concrete acties en fondsen voor kleinschalige projecten

Artikel 22

Selectie van concrete acties in het kader van Interreg

1.   Concrete acties in het kader van Interreg worden door een overeenkomstig artikel 28 opgericht monitoringcomité geselecteerd in overeenstemming met de strategie en doelstellingen van het programma.

Dat monitoringcomité kan voor de selectie van concrete acties één of, met name in het geval van subprogramma’s, meerdere stuurcomités oprichten, die optreden onder zijn verantwoordelijkheid. Stuurcomités passen het partnerschapsbeginsel van artikel 8 van Verordening (EU) 2021/1060 toe.

Indien een concrete actie geheel of gedeeltelijk buiten het programmagebied binnen of buiten de Unie wordt uitgevoerd, is voor de selectie van die concrete actie de uitdrukkelijke goedkeuring van de beheerautoriteit in het monitoringcomité of, indien van toepassing, in het stuurcomité vereist.

Indien bij de actie een of meer partners betrokken zijn die gevestigd zijn op het grondgebied van een lidstaat, een derde land, een partnerland of een LGO die c.q. dat niet vertegenwoordigd is in het monitoringcomité, stelt de beheerautoriteit haar uitdrukkelijke goedkeuring afhankelijk van de indiening van een schriftelijke aanvaarding door de lidstaat, het derde land, het partnerland of het LGO in kwestie om de bedragen die ten onrechte aan deze partners zijn betaald, terug te betalen overeenkomstig artikel 52, lid 2.

Indien de in de vierde alinea van dit lid genoemde schriftelijke aanvaarding niet kan worden verkregen, moet de instantie die een concrete actie geheel of gedeeltelijk buiten het programmagebied uitvoert, van een bank of een andere financiële instelling een garantie verkrijgen ten belope van het bedrag van de verstrekte Interreg-fondsen. Een dergelijke garantie wordt opgenomen in het in lid 6 bedoelde document.

2.   Voor de selectie van concrete acties moet het monitoringcomité of, indien van toepassing, het stuurcomité criteria en procedures vaststellen en toepassen die niet-discriminerend en transparant zijn, toegankelijkheid voor personen met een handicap en gendergelijkheid waarborgen, en rekening houden met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het beginsel van duurzame ontwikkeling, alsook met het beleid van de Unie op milieugebied overeenkomstig artikel 11 en artikel 191, lid 1, VWEU.

De criteria en procedures waarborgen de prioritering van de te selecteren concrete acties teneinde ervoor te zorgen dat de financiering van de Unie maximaal bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het Interreg-programma en de uitvoering van de samenwerkingscomponent van de concrete acties in het kader van de Interreg-programma’s, als bedoeld in artikel 23, leden 1 en 4, van deze verordening.

3.   De beheerautoriteit stelt de Commissie op haar verzoek in kennis van de selectiecriteria voorafgaand aan hun eerste indiening bij het toezichtcomité of, indien van toepassing, het directiecomité. Hetzelfde geldt voor eventuele latere wijzigingen van deze criteria.

4.   Bij de selectie van de concrete acties heeft het monitoringcomité of, indien van toepassing, het stuurcomité de volgende taken:

a)

waarborgen dat de geselecteerde concrete acties in overeenstemming zijn met het Interreg-programma en effectief bijdragen tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen ervan;

b)

waarborgen dat de geselecteerde concrete acties niet in strijd zijn met de desbetreffende strategieën die op grond van artikel 10, lid 1, zijn vastgesteld, of die voor een of meer externe financieringsinstrumenten van de Unie zijn vastgesteld;

c)

waarborgen dat de geselecteerde concrete acties de beste verhouding tussen het steunbedrag, de uitgevoerde activiteiten en de verwezenlijking van doelstellingen vertegenwoordigen;

d)

zich ervan vergewissen dat de begunstigde over de nodige financiële middelen en mechanismen beschikt om de exploitatie- en onderhoudskosten te dekken voor concrete acties die investeringen in infrastructuur of productieve investeringen omvatten, opdat deze financieel houdbaar zijn;

e)

waarborgen dat de geselecteerde concrete acties die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad (19) vallen, worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling of een screeningprocedure en dat terdege rekening is gehouden met de beoordeling van alternatieve oplossingen, overeenkomstig de voorschriften van die richtlijn;

f)

nagaan of voldaan is aan het toepasselijke recht indien de concrete acties zijn begonnen vóór de indiening van een financieringsaanvraag bij de beheerautoriteit;

g)

waarborgen dat een geselecteerde concrete actie binnen het toepassingsgebied van het betrokken Interreg-fonds valt en aan een interventietype wordt toegewezen;

h)

waarborgen dat concrete acties geen activiteiten omvatten die deel uitmaakten van een concrete actie waarvoor een verplaatsing in de zin van artikel 2, punt 27), van Verordening (EU) 2021/1060 gold of die zouden neerkomen op een overdracht van een productieve activiteit in de zin van artikel 65, lid 1, punt a), van die verordening.

i)

waarborgen dat de geselecteerde concrete acties niet rechtstreeks worden beïnvloed door een met redenen omkleed advies van de Commissie met betrekking tot een inbreukprocedure binnen het toepassingsgebied van artikel 258 VWEU dat de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven of de uitvoering van concrete acties in gevaar brengt, en

j)

waarborgen dat voor investeringen in infrastructuur met een verwachte levensduur van ten minste vijf jaar een beoordeling van de verwachte gevolgen van klimaatverandering wordt uitgevoerd.

5.   Het monitoringcomité of, indien van toepassing, het stuurcomité keurt de voor de selectie van concrete acties in het kader van Interreg gebruikte methodes en criteria, inclusief eventuele wijzigingen daarvan, goed, onverminderd artikel 33, lid 3, punt b), van Verordening (EU) 2021/1060 betreffende de vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling en artikel 24 van de onderhavige verordening.

6.   Voor elke concrete actie in het kader van Interreg verstrekt de beheerautoriteit de hoofdpartner of de enige partner een document waarin de voorwaarden voor steun voor de actie zijn vermeld, met inbegrip van de specifieke vereisten betreffende de producten of diensten die moeten worden geleverd, het financieringsplan, de uitvoeringstermijn en, indien van toepassing, de toe te passen methode voor de vaststelling van de kosten van de concrete actie en de voorwaarden voor betaling van de steun.

In dit document worden tevens de verplichtingen van de hoofdpartner met betrekking tot terugvorderingen op grond van artikel 52 vastgelegd. Deze verplichtingen worden vastgesteld door het monitoringcomité.

Artikel 23

Partnerschap binnen concrete acties in het kader van Interreg

1.   Bij concrete acties die in het kader van de Interreg A-, B- en D-programma’s worden geselecteerd, zijn partners uit ten minste twee deelnemende landen of LGO’s betrokken, waarvan er ten minste één begunstigde uit een lidstaat afkomstig is.

Bij concrete acties die in het kader van het Interreg Europa-programma en het Urbact-programma worden geselecteerd, zijn partners uit ten minste drie deelnemende landen betrokken, waarvan er ten minste twee begunstigden uit de lidstaten afkomstig zijn.

Begunstigden van steun uit Interreg-fondsen en partners die aan de concrete actie deelnemen maar geen financiële steun uit die fondsen ontvangen (gezamenlijk “partners” genoemd) vormen een partnerschap voor concrete acties in het kader van Interreg.

2.   Een concrete actie in het kader van Interreg kan in één land of LGO worden uitgevoerd, mits in de aanvraag voor de concrete actie de gevolgen en de voordelen voor het programmagebied zijn vastgelegd.

3.   Lid 1 is niet van toepassing op concrete acties in het kader van het grensoverschrijdende Peace Plus-programma indien dat programma vrede en verzoening ondersteunt.

4.   De partners werken samen bij de ontwikkeling en uitvoering van concrete acties in het kader van Interreg, en bij de personeelsvoorziening daarvoor of de financiering daarvan, of bij beide.

Voor concrete acties in het kader van Interreg D-programma’s moeten de partners uit ultraperifere gebieden en derde landen, partnerlanden of LGO’s slechts voor twee van de vier in de eerste alinea vermelde aspecten samenwerken.

5.   Als er twee of meer partners zijn, wordt één van hen door de gezamenlijke partners aangewezen als hoofdpartner.

6.   Een grensoverschrijdende juridische entiteit of EGTS kan de enige partner zijn van een concrete actie in het kader van programma’s van de Interreg- A, B en C, mits tot de leden daarvan partners uit ten minste twee deelnemende landen behoren.

De grensoverschrijdende juridische entiteit of de EGTS bestaat uit leden uit ten minste drie deelnemende landen in het kader van het Interreg Europa-programma en het Urbact-programma.

Een juridische entiteit die een financieringsinstrument, een fonds van holdingfondsen of een fonds voor kleinschalige projecten, naargelang het geval, uitvoert, kan de enige begunstigde van een concrete actie in het kader van Interreg zijn zonder dat de in de eerste alinea vermelde vereisten inzake de samenstelling ervan gelden.

7.   Een enige partner is geregistreerd in een lidstaat die deelneemt aan het Interreg-programma.

Artikel 24

Steun voor projecten van beperkte financiële omvang

1.   Interreg A-, B- en D-programma’s steunen projecten van beperkte financiële omvang, hetzij:

a)

rechtstreeks binnen elk programma; hetzij

b)

binnen een of meer fondsen voor kleinschalige projecten.

2.   Indien een Interreg B- of D-programma niet in staat is de in lid 1 vastgelegde verplichtingen na te komen, worden de redenen waarom de verplichting niet kan worden nagekomen, in het programmadocument uiteengezet overeenkomstig punt 6 van het model in de bijlage.

Artikel 25

Fondsen voor kleinschalige projecten

1.   De totale bijdrage uit het EFRO of, indien van toepassing, uit de externe financieringsinstrumenten van de Unie aan fondsen voor kleinschalige projecten in het kader van een Interreg-programma mag niet meer bedragen dan 20 % van de totale toewijzing aan het Interreg-programma.

De eindontvangers van een fonds voor kleinschalige projecten ontvangen steun uit het EFRO, of indien van toepassing, uit de externe financieringsinstrumenten van de Unie via de begunstigde en voeren de kleinschalige projecten uit binnen dat fonds voor kleinschalige projecten (“kleinschalig project”).

2.   Het fonds voor kleinschalige projecten is een concrete actie in de zin van artikel 2, punt 4), van Verordening (EU) 2021/1060, die door een begunstigde wordt beheerd, rekening houdend met zijn taken en beloning.

De begunstigde is een grensoverschrijdende juridische entiteit of een EGTS, of een entiteit met rechtspersoonlijkheid.

De begunstigde selecteert de kleinschalige projecten die door de eindontvangers in de zin van artikel 2, punt 18, van Verordening (EU) 2021/1060 worden uitgevoerd. Indien de begunstigde geen grensoverschrijdende juridische entiteit of EGTS is, selecteert een entiteit met vertegenwoordigers van ten minste twee deelnemende landen, waarvan er ten minste één een lidstaat is, de gezamenlijke kleinschalige projecten.

3.   In het document met de voorwaarden voor de steun aan een fonds voor kleinschalige projecten worden, naast de in artikel 22, lid 6, vermelde elementen, de elementen genoemd die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de begunstigde:

a)

een niet-discriminerende en transparante selectieprocedure vaststelt;

b)

objectieve criteria voor de selectie van kleinschalige projecten toepast, waarbij belangenconflicten worden vermeden;

c)

steunaanvragen beoordeelt;

d)

projecten selecteert en het steunbedrag voor elk kleinschalig project vaststelt;

e)

verantwoording moet afleggen voor de uitvoering van de concrete actie en op zijn niveau alle bewijsstukken bewaart die nodig zijn voor het auditspoor overeenkomstig bijlage XIII bij Verordening (EU) 2021/1060;

f)

de lijst van de eindontvangers die profiteren van de concrete actie, bekendmaakt.

De begunstigde ziet erop toe dat de eindontvangers voldoen aan de in artikel 36 vastgelegde vereisten.

4.   De selectie van kleine projecten wordt niet beschouwd als het delegeren van taken door de beheerautoriteit aan een intermediaire instantie als bedoeld in artikel 71, lid 3, van Verordening (EU) 2021/1060.

5.   Personeelskosten en andere kosten die overeenstemmen met de kostencategorieën van de artikelen 39 tot en met 43, die door de begunstigde worden gemaakt voor het beheer van het fonds of de fondsen voor kleinschalige projecten, bedragen ten hoogste 20 % van de totale subsidiabele kosten van het fonds respectievelijk de fondsen voor kleinschalige projecten.

6.   Indien de overheidsbijdrage aan een klein project niet meer bedraagt dan 100 000 EUR, bestaat de bijdrage uit het EFRO of, indien van toepassing, een extern financieringsinstrument van de Unie uit eenheidskosten of vaste bedragen of financiering volgens een vaste percentage, behalve voor projecten waarvoor de steun staatssteun vormt.

Indien de totale kosten van elk project niet meer bedragen dan 100 000 EUR, kan het steunbedrag voor een of meer kleinschalige projecten worden vastgesteld op basis van een ontwerpbegroting, die per geval wordt opgesteld en vooraf wordt goedgekeurd door de begunstigde die de middelen voor het kleine project beheert.

Indien er gebruik wordt gemaakt van financiering volgens een vast percentage, mogen de kostencategorieën waarop de vaste percentages van toepassing zijn, worden terugbetaald in overeenstemming met artikel 53, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2021/1060.

Artikel 26

Taken van de hoofdpartner

1.   De hoofdpartner:

a)

stelt de regelingen met de andere partners vast in een overeenkomst waarin onder meer bepalingen zijn opgenomen die een goed financieel beheer garanderen van de respectieve Uniemiddelen die zijn toegewezen aan de concrete actie in het kader van Interreg, met inbegrip van de regelingen voor de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen;

b)

neemt de verantwoordelijkheid op zich om de uitvoering van de gehele concrete actie in het kader van Interreg te garanderen, en

c)

garandeert dat de door alle partners gedeclareerde uitgaven zijn gedaan voor de uitvoering van de concrete actie in het kader van Interreg, overeenkomen met de tussen alle partners overeengekomen activiteiten, en in overeenstemming zijn met het document dat door de beheerautoriteit conform artikel 22, lid 6, is verstrekt.

2.   Tenzij anders bepaald in regelingen die zijn vastgelegd overeenkomstig lid 1, punt a), ziet de hoofdpartner erop toe dat de andere partners het totale bedrag van de bijdragen uit het respectieve EU-fonds integraal ontvangen binnen een door alle partners overeengekomen termijn en volgens dezelfde procedure als die welke voor de hoofdpartner geldt. Er mogen geen bedragen in mindering worden gebracht of worden ingehouden, noch specifieke heffingen of andere heffingen met gelijke werking worden toegepast waardoor die bedragen voor de andere partners worden verminderd.

3.   Elke partner in een aan een concrete actie van Interreg deelnemend(e) lidstaat, derde land, partnerland of LGO kan als de hoofdpartner worden aangewezen.

AFDELING IV

Technische bijstand

Artikel 27

Technische bijstand

1.   Het bedrag van de uit de Fondsen toegewezen middelen voor technische bijstand wordt overeenkomstig artikel 17, lid 3, punt f), als onderdeel van de financiële toewijzingen voor elke prioriteit van het programma vastgesteld, en krijgt niet de vorm van een afzonderlijke prioriteit of van een specifiek programma.

2.   Technische bijstand voor elk Interreg-programma wordt vergoed volgens een vast percentage door toepassing van de in lid 3 van dit artikel vermelde percentages op de subsidiabele uitgaven die in iedere betalingsaanvraag zijn opgenomen krachtens artikel 91, lid 3, punt a) of punt c), van Verordening (EU) 2021/1060.

3.   Het percentage van de EFRO-bijdrage en de externe financieringsinstrumenten van de Unie wordt vergoed voor technische bijstand, is als volgt:

a)

voor interne grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma’s die worden gesteund door het EFRO: 7 %;

b)

voor door het IPA III-CBC of het NDICI-CBC gesteunde externe grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma’s, voor Interreg B-programma’s waarbij de steun uit het EFRO 50 % of minder bedraagt en voor Interreg D-programma’s, zowel voor de EFRO-bijdrage als voor een of meer van de externe financieringsinstrumenten van de Unie: 10 %, en

c)

voor Interreg B-programma’s waarbij de steun uit het EFRO meer dan 50 % bedraagt en voor Interreg C-programma’s, zowel voor de EFRO-bijdrage, als, indien van toepassing, voor een of meer van de externe financieringsinstrumenten van de Unie: 8 %.

4.   Voor Interreg-programma’s met een totale toewijzing uit het EFRO van 30 000 000 EUR tot 50 000 000 EUR wordt het bedrag dat resulteert uit het percentage voor technische bijstand, verhoogd met een aanvullend bedrag van 500 000 EUR. De Commissie voegt dat bedrag toe aan de eerste tussentijdse betaling.

5.   Voor Interreg-programma’s met een totale toewijzing uit het EFRO van minder dan 30 000 000 EUR worden het in EUR uitgedrukte bedrag dat nodig is voor technische bijstand, en het daaruit resulterende percentage vastgelegd in het besluit van de Commissie tot goedkeuring van het betrokken Interreg-programma op grond van artikel 18.

HOOFDSTUK IV

MONITORING, EVALUATIE EN COMMUNICATIE

AFDELING I

Monitoring

Artikel 28

Monitoringcomité

1.   De lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden en LGO’s die deelnemen aan dat programma, richten binnen drie maanden na de datum waarop de Commissie de lidstaten op grond van artikel 18 in kennis heeft gesteld van haar besluit tot goedkeuring van een Interreg-programma, in overleg met de beheerautoriteit een comité op dat de uitvoering van het Interreg-programma monitort (“monitoringcomité”).

2.   Ieder monitoringcomité stelt zijn reglement van orde vast.

Het reglement van orde van het monitoringcomité en, in voorkomend geval, van het stuurcomité voorkomt situaties van belangenconflicten bij het selecteren van concrete Interreg-acties en bevat bepalingen over stemrechten en de regels voor het bijwonen van de vergaderingen.

3.   Het monitoringcomité vergadert ten minste een keer per jaar en evalueert alle vraagstukken die invloed hebben op de vooruitgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma.

4.   De beheerautoriteit publiceert het reglement van orde van het monitoringcomité en een samenvatting van zowel gegevens als informatie, inclusief besluiten, die het monitoringcomité heeft goedgekeurd, op de in artikel 36, lid 2, bedoelde website.

Artikel 29

Samenstelling van het monitoringcomité

1.   De samenstelling van het monitoringcomité van elk Interreg-programma wordt overeengekomen door de lidstaten en, indien van toepassing, door de aan dat programma deelnemende derde landen, partnerlanden en LGO’s, waarbij wordt gezorgd voor een evenwichtige vertegenwoordiging van:

a)

de relevante autoriteiten, met inbegrip van intermediaire instanties;

b)

instanties die gezamenlijk in het hele programmagebied zijn opgericht of die een deel daarvan bestrijken, met inbegrip van EGTS, en

c)

vertegenwoordigers van de in artikel 8 van Verordening (EU) 2021/1060 bedoelde programmapartners uit lidstaten, derde landen, partnerlanden en LGO’s.

Bij de samenstelling van het monitoringcomité wordt rekening gehouden met het aantal aan het betrokken Interreg-programma deelnemende lidstaten, derde landen, partnerlanden en LGO’s.

2.   De beheerautoriteit publiceert de ledenlijst van het monitoringcomité op de in artikel 36, lid 2, bedoelde website.

3.   Vertegenwoordigers van de Commissie nemen met raadgevende stem deel aan de werkzaamheden van het monitoringcomité.

Artikel 30

Taken van het monitoringcomité

1.   Het monitoringcomité onderzoekt:

a)

de vooruitgang bij het uitvoeren van het programma en het bereiken van de mijlpalen en doelstellingen van het Interreg-programma;

b)

vraagstukken die van invloed zijn op de prestaties van het Interreg-programma en de maatregelen die genomen zijn om die vraagstukken aan te pakken;

c)

wat financieringsinstrumenten betreft, de onderdelen van de voorafgaande beoordeling genoemd in artikel 58, lid 3, van Verordening (EU) 2021/1060 en het strategiedocument bedoeld in artikel 59, lid 1, van die verordening;

d)

de vooruitgang bij de uitvoering van de evaluaties, de samenvattingen van evaluaties en het vervolg dat aan de bevindingen is gegeven;

e)

de uitvoering van communicatie- en zichtbaarheidsacties;

f)

de voortgang bij de uitvoering van concrete Interreg-acties die van strategisch belang zijn en, indien van toepassing, van grote infrastructuurprojecten, en

g)

de vooruitgang bij de capaciteitsopbouw voor overheidsinstanties en begunstigden, indien van toepassing.

2.   In aanvulling op de taken betreffende de selectie van concrete acties als bedoeld in artikel 22, hecht het monitoringcomité zijn goedkeuring aan:

a)

de methodiek en de criteria voor de selectie van concrete acties — inclusief wijzigingen daarvan, na de Commissie daarvan, als ze daarom heeft verzocht, kennis te hebben gegeven overeenkomstig artikel 22, lid 2, van deze verordening, onverminderd artikel 33, lid 3, punten b), c) en d), van Verordening (EU) 2021/1060;

b)

het evaluatieplan en eventuele wijzigingen daarvan;

c)

een voorstel van de beheerautoriteit tot wijziging van een Interreg-programma, met inbegrip van voorstellen voor een overdracht overeenkomstig artikel 19, lid 5, en

d)

een eindverslag over de prestaties.

Artikel 31

Evaluatie

1.   De Commissie kan een evaluatie organiseren om de prestaties van Interreg-programma’s te onderzoeken.

De evaluatie kan schriftelijk worden uitgevoerd.

2.   De beheerautoriteit verstrekt de Commissie op haar verzoek binnen één maand beknopte informatie over de in artikel 30, lid 1, genoemde elementen. Die informatie is gebaseerd op de meest recente gegevens waarover de lidstaten en, in voorkomend geval, derde landen, partnerlanden en LGO’s beschikken.

3.   Het resultaat van de evaluatie wordt vastgelegd in overeengekomen notulen.

4.   De beheerautoriteit geeft gevolg aan door de Commissie aangehaalde kwesties en stelt de Commissie binnen drie maanden na de datum van de evaluatie in kennis van de getroffen maatregelen.

Artikel 32

Indiening van gegevens

1.   Elke beheerautoriteit dient uiterlijk op 31 januari, 30 april, 31 juli en 31 oktober van ieder jaar de cumulatieve gegevens voor het respectieve Interreg-programma langs elektronische weg in bij de Commissie conform het model in bijlage VII bij Verordening (EU) 2021/1060, met uitzondering van de in lid 2, punt b), en in lid 3 van dit artikel bedoelde informatie, die uiterlijk op 31 januari en 31 juli van ieder jaar wordt ingediend.

De gegevens worden uiterlijk op 31 januari 2022 voor het eerst ingediend en uiterlijk op 31 januari 2030 voor het laatst.

2.   De in lid 1 bedoelde gegevens worden voor elke prioriteit uitgesplitst per specifieke doelstelling en hebben betrekking op:

a)

het aantal geselecteerde concrete Interreg-acties, de totale subsidiabele kosten ervan, de bijdrage van het respectieve Interreg-fonds en het totaal van de door de hoofdpartners aan de beheerautoriteit gedeclareerde subsidiabele uitgaven, steeds uitgesplitst per interventietype;

b)

de waarden van de output- en resultaatindicatoren voor de geselecteerde concrete Interreg-acties en de door de voltooide concrete Interreg-acties bereikte waarden.

3.   Voor financieringsinstrumenten worden ook gegevens verstrekt over:

a)

subsidiabele uitgaven per type financieel product;

b)

het bedrag van als subsidiabele uitgaven gedeclareerde beheerskosten en -vergoedingen;

c)

het bedrag, per type financieel product, van particuliere en overheidsmiddelen die in aanvulling op de fondsen beschikbaar zijn gesteld;

d)

rente en andere voordelen die voortvloeien uit de steun uit de Interreg-fondsen aan de in artikel 60 van Verordening (EU) 2021/1060 bedoelde financieringsinstrumenten en de teruggevloeide middelen die zijn toe te rekenen aan steun uit de Interreg-fondsen als bedoeld in artikel 62 van die verordening;

e)

de totale waarde van leningen aan en investeringen in eigen vermogen of in quasi-eigenvermogen van eindontvangers die met programmamiddelen zijn gegarandeerd en daadwerkelijk zijn uitgekeerd aan eindontvangers.

4.   De gegevens die conform dit artikel worden ingediend, zijn betrouwbaar en stemmen overeen met de gegevens die in het in artikel 72, lid 1, punt e), van Verordening (EU) 2021/1060 bedoelde elektronische systeem aan het einde van de maand die voorafgaat aan de maand van indiening beschikbaar zijn.

5.   De beheerautoriteit publiceert alle bij de Commissie ingediende gegevens op de in artikel 36, lid 2, bedoelde website, of verstrekt op die website een link naar die gegevens.

Artikel 33

Eindverslag over de prestaties

1.   Elke beheerautoriteit dient uiterlijk op 15 februari 2031 bij de Commissie een eindverslag over de prestaties van het respectieve Interreg-programma in.

Het eindverslag over de prestaties wordt ingediend aan de hand van het model dat overeenkomstig artikel 43, lid 5, van Verordening (EU) 2021/1060 is vastgesteld.

2.   In het eindverslag over de prestaties wordt beoordeeld in hoeverre de programmadoelstellingen zijn bereikt op basis van de in artikel 30 genoemde elementen, met uitzondering van lid 1, punt c), en lid 2, punt d), van dat artikel.

3.   De Commissie onderzoekt het eindverslag over de prestaties en deelt de beheerautoriteit binnen vijf maanden na de datum van ontvangst van dat verslag haar opmerkingen mee. Als er dergelijke opmerkingen worden gemaakt, verstrekt de beheerautoriteit alle nodige informatie in verband met die opmerkingen, en stelt zij de Commissie, in voorkomend geval, binnen drie maanden na ontvangst van de opmerkingen in kennis van de genomen maatregelen. De Commissie stelt de beheerautoriteit binnen twee maanden na ontvangst van de door deze verstrekte nodige informatie in kennis van de aanvaarding van het verslag. Indien de Commissie de beheerautoriteit niet binnen deze termijn in kennis stelt, wordt het verslag geacht te zijn aanvaard.

4.   De beheerautoriteit publiceert het eindverslag over de prestaties op de in artikel 36, lid 2, bedoelde website.

Artikel 34

Indicatoren voor Interreg-programma’s

1.   Gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren, als vervat in bijlage I bij Verordening (EU) 2021/1058 en, waar nodig, programmaspecifieke output- en resultaatindicatoren worden gebruikt overeenkomstig artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060, en artikel 17, lid 3, punt e), ii), en artikel 32, lid 2, punt b), van de onderhavige verordening.

2.   Indien relevant worden programmaspecifieke output- en resultaatindicatoren gebruikt naast de indicatoren die zijn geselecteerd overeenkomstig lid 1.

Alle gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren die zijn opgenomen in tabel 2 van bijlage I bij Verordening (EU) 2021/1058 kunnen ook worden gebruikt voor specifieke doelstellingen in het kader van een van de beleidsdoelstellingen 1 tot en met 5 of, indien relevant, in het kader van de in artikel 14, leden 4 en 5, van deze verordening vastgelegde specifieke doelstellingen voor Interreg.

3.   Voor de outputindicatoren bedragen de uitgangswaarden nul. De mijlpalen voor 2024 en de doelstellingen voor 2029 zijn cumulatief.

AFDELING II

Evaluatie en communicatie

Artikel 35

Evaluatie tijdens de programmeringsperiode

1.   De lidstaat of de beheerautoriteit verricht evaluaties van de programma’s met betrekking tot een of meer van de volgende criteria: effectiviteit, efficiëntie, relevantie, samenhang en Unie-meerwaarde, dit ter verbetering van de kwaliteit van het ontwerp en de uitvoering van de programma’s. De evaluaties kunnen ook betrekking hebben op andere relevante criteria, zoals inclusiviteit, non-discriminatie en zichtbaarheid, en kunnen betrekking hebben op meer dan één programma.

2.   In aanvulling op de in lid 1 bedoelde evaluaties, wordt uiterlijk op 30 juni 2029 van elk programma een evaluatie ter beoordeling van het effect ervan verricht.

3.   De evaluaties worden toevertrouwd aan functioneel onafhankelijke interne of externe deskundigen.

4.   De beheerautoriteit zorgt voor procedures voor het opstellen en verzamelen van de voor evaluaties vereiste gegevens.

5.   De beheerautoriteit stelt een evaluatieplan op dat betrekking kan hebben op meer dan één Interreg-programma.

6.   De beheerautoriteit dient het evaluatieplan uiterlijk een jaar na de goedkeuring van het Interreg-programma in bij het monitoringcomité.

7.   De beheerautoriteit publiceert alle evaluaties op de in artikel 36, lid 2, bedoelde website.

Artikel 36

Verantwoordelijkheden van de beheerautoriteiten en partners met betrekking tot transparantie en communicatie

1.   Elke beheerautoriteit wijst voor elk Interreg-programma een contactpersoon voor communicatie aan. Een contactpersoon voor communicatie kan verantwoordelijk zijn voor meer dan één programma.

2.   De beheerautoriteit zorgt binnen zes maanden na de goedkeuring van het Interreg-programma op grond van artikel 18 voor een website met informatie over elk Interreg-programma waarvoor zij verantwoordelijk is, met betrekking tot de doelstellingen, activiteiten, beschikbare financieringsmogelijkheden en verwezenlijkingen van het programma.

3.   Artikel 49, leden 2 tot en met 6, van Verordening (EU) 2021/1060 over de verantwoordelijkheden van de beheerautoriteit is van toepassing.

4.   Elke partner van een concrete Interreg-actie of elke instantie die een financieringsinstrument uitvoert, erkent de steun uit een Interreg-fonds, met inbegrip van voor financieringsinstrumenten hergebruikte middelen overeenkomstig artikel 62 van Verordening (EU) 2021/1060, aan de concrete Interreg-actie door:

a)

op de officiële website of socialemediasites van de partner, indien die bestaan, een korte beschrijving van de concrete Interreg-actie — in verhouding tot de door een Interreg-fonds verstrekte steun — op te nemen, met inbegrip van het doel en de resultaten ervan, en daarbij de nadruk te leggen op de financiële steun uit het Interreg-fonds;

b)

te zorgen voor een verklaring waarin de steun uit een Interreg-fonds duidelijk zichtbaar benadrukt wordt in documenten en communicatiemateriaal over de uitvoering van de concrete Interreg-actie, bedoeld voor het grote publiek of voor deelnemers;

c)

duidelijk zichtbaar voor het publiek duurzame platen of borden met het embleem van de Unie overeenkomstig de technische kenmerken in bijlage IX bij Verordening (EU) 2021/1060 te plaatsen, zodra de materiële uitvoering van een met materiële investeringen of de aankoop van materiaal gepaard gaande concrete Interreg-actie start gaat of het aangekochte materiaal is geïnstalleerd, ten aanzien van door een Interreg-fonds ondersteunde acties, waarvan de totale kosten meer dan 100 000 EUR bedragen;

d)

voor concrete Interreg-acties die niet onder punt c) vallen, ten minste een affiche van minstens A3-formaat of een equivalent elektronisch display te plaatsen met informatie over de concrete Interreg-actie waarbij de aandacht wordt gevestigd op de steun uit een Interreg-fonds, tenzij de begunstigde een natuurlijke persoon is;

e)

voor concrete acties van strategisch belang en concrete acties waarvan de totale kosten meer bedragen van 5 000 000 EUR, een communicatie-evenement te organiseren en de Commissie en de bevoegde beheerautoriteit daar tijdig bij te betrekken.

De term “Interreg” wordt gebruikt naast het embleem van de Unie overeenkomstig artikel 47 van Verordening (EU) 2021/1060.

5.   Voor fondsen voor kleinschalige projecten en financieringsinstrumenten zorgt de begunstigde er door middel van de contractuele voorwaarden voor dat eindontvangers voldoen aan de vereisten om publiekelijk te communiceren over de concrete Interreg-actie.

Voor financieringsinstrumenten erkent de eindontvanger de oorsprong van en geeft hij zichtbaarheid aan de Uniefinanciering (met name wanneer hij de acties en de resultaten ervan propageert) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, op samenhangende en effectieve wijze te informeren.

6.   Indien er geen corrigerende maatregelen genomen zijn, stelt de beheerautoriteit maatregelen in, rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel, door intrekking van maximaal 2 % van de steun uit de fondsen aan:

a)

de betrokken begunstigde die zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 47 van Verordening (EU) 2021/1060 of de leden 4 en 5 van dit artikel niet nakomt, of

b)

de betrokken eindontvanger die de vereisten van lid 5 niet nakomt.

HOOFDSTUK V

SUBSIDIABILITEIT

Artikel 37

Regels betreffende de subsidiabiliteit van de uitgaven

1.   Een concrete actie in het kader van Interreg kan geheel of gedeeltelijk buiten een lidstaat worden uitgevoerd, ook indien dit buiten het grondgebied van de Unie is, mits de concrete Interreg-actie bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het respectieve Interreg-programma.

2.   Onverminderd de subsidiabiliteitsregels die zijn vastgesteld in de artikelen 63 tot en met 68 van Verordening (EU) 2021/1060, in de artikelen 5 en 7 van Verordening (EU) 2021/1058 of dit hoofdstuk, met inbegrip van de op grond daarvan vastgestelde handelingen, stellen de deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden en LGO’s door middel van een gezamenlijk besluit in het monitoringcomité enkel aanvullende regels betreffende de subsidiabiliteit van de uitgaven voor het Interreg-programma vast voor uitgavencategorieën die niet onder die bepalingen vallen. Die aanvullende regels hebben betrekking op het Interreg-programma als geheel.

Indien een Interreg-programma echter concrete acties selecteert op basis van oproepen tot het indienen van voorstellen, worden die aanvullende regels vastgesteld voordat de oproepen tot het indienen van voorstellen zijn gepubliceerd. In alle andere gevallen worden die aanvullende regels vastgesteld voordat de concrete acties worden geselecteerd.

3.   Voor aangelegenheden die niet vallen onder de subsidiabiliteitsregels zoals vastgesteld in de artikelen 63 tot en met 68 van Verordening (EU) 2021/1060 , in de artikelen 5 en 7 van Verordening (EU) 2021/1058 en in dit hoofdstuk, met inbegrip van de op grond hiervan vastgestelde handelingen of regels die overeenkomstig lid 2 van dit artikel zijn vastgesteld, zijn de nationale regels van de lidstaat en, indien van toepassing, van de derde landen, partnerlanden en LGO’s waar de uitgaven zijn gedaan, van toepassing.

4.   In geval van een verschil van mening tussen de beheerautoriteit en de auditautoriteit met betrekking tot de subsidiabiliteit als zodanig van een geselecteerde concrete Interreg-actie in het kader van een Interreg-programma, prevaleert het advies van de beheerautoriteit, waarbij rekening moet worden gehouden met het advies van het monitoringcomité.

5.   LGO’s komen niet in aanmerking voor steun uit het EFRO uit hoofde van de Interreg-programma’s, maar mogen onder de in deze verordening vastgestelde voorwaarden aan die programma’s deelnemen.

Artikel 38

Algemene bepalingen inzake de subsidiabiliteit van de kostencategorieën

1.   De deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden en LGO’s kunnen in het monitoringcomité van een Interreg-programma overeenkomen dat uitgaven die onder een of meer van de in de artikelen 39 tot en met 44 bedoelde categorieën vallen, niet subsidiabel zijn in het kader van een of meer prioriteiten van een Interreg-programma.

2.   Alle uitgaven die overeenkomstig deze verordening subsidiabel zijn, dienen betrekking te hebben op de kosten van het opzetten of het opzetten en uitvoeren van een concrete actie of een deel van een concrete actie.

3.   De volgende kosten zijn niet subsidiabel:

a)

boetes, financiële sancties, gerechtskosten en kosten van geschillen;

b)

kosten van geschenken, of

c)

kosten in verband met schommelingen van wisselkoersen.

4.   Indien het in artikel 56, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060 bepaalde vaste percentage wordt gebruikt voor de berekening van andere subsidiabele kosten dan directe personeelskosten van een concrete actie, wordt dat percentage niet toegepast op directe personeelskosten die op basis van een vast percentage als bedoeld in artikel 39, lid 3, punt c), van deze verordening berekend worden.

5.   In afwijking van artikel 76, lid 1, punt c), van Verordening (EU) 2021/1060, worden uitgaven in een andere valuta dan de euro door elke begunstigde uit een land dat de euro niet als munt heeft, in euro’s omgerekend aan de hand van de maandelijkse boekhoudkundige wisselkoers van de Commissie in de maand waarin deze uitgaven ter verificatie zijn ingediend.

Artikel 39

Personeelskosten

1.   Personeelskosten omvatten de bruto arbeidskosten van het personeel van de Interreg-partner in een van de volgende vormen van dienstverband:

a)

voltijds;

b)

deeltijds met een vast percentage werktijd per maand;

c)

deeltijds met een flexibel percentage werktijd per maand, of

d)

op uurbasis.

2.   Personeelskosten zijn beperkt tot:

a)

salarisbetalingen met betrekking tot de activiteiten die de entiteit niet zou ondernemen indien de betrokken concrete actie niet zou worden uitgevoerd, welke zijn vastgelegd in tewerkstellingsdocument, hetzij in de vorm van een arbeidsovereenkomst of overeenkomst van werk of een aanstellingsbesluit, of bij wet, en welke verband houden met de in de functiebeschrijving van het betrokken personeelslid vermelde verantwoordelijkheden;

b)

andere kosten die direct verband houden met de salarisbetalingen door de werkgever, zoals belastingen en socialezekerheidsbijdragen, met inbegrip van pensioenpremies, die vallen onder Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (20), op voorwaarde dat die kosten:

i)

zijn vastgelegd in een arbeidsdocument of bij wet;

ii)

in overeenstemming zijn met de wetgeving waarnaar in het arbeidsdocument wordt verwezen, en met de normale praktijk in het land waar en/of de organisatie waarbij het individuele personeelslid feitelijk werkt, en

iii)

niet door de werkgever kunnen worden teruggevorderd.

Wat punt a) van de eerste alinea betreft, kunnen betalingen aan natuurlijke personen die voor de Interreg-partner werken op grond van een andersoortig contract dan een arbeidsovereenkomst of overeenkomst van werk gelijkgesteld worden aan salarisbetalingen, en worden dergelijke andersoortige contracten als arbeidsdocument beschouwd.

3.   Personeelskosten kunnen worden vergoed:

a)

overeenkomstig artikel 53, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2021/1060, gestaafd door arbeidsdocument en salarisafrekeningen;

b)

met vereenvoudigde kostenopties bedoeld in artikel 53, lid 1, punten b) tot en met f), van Verordening (EU) 2021/1060;

c)

als een vast percentage van maximaal 20 % van de andere directe kosten dan de directe personeelskosten van die concrete actie, zonder verplichting voor de lidstaat om te berekenen welk percentage van toepassing is, of

d)

als een uurtarief overeenkomstig artikel 55, leden 2 tot en met 4, van Verordening (EU) 2021/1060, hetzij voor directe personeelskosten van personen die voltijds aan de concrete actie werken, hetzij voor personen die deeltijds aan de concrete actie werken op grond van lid 4, punt b), van dit artikel.

4.   Personeelskosten voor personen die deeltijds aan de concrete actie werken, worden berekend als:

a)

een vast percentage van de bruto arbeidskosten overeenkomstig artikel 55, lid 5, van Verordening (EU) 2021/1060, of

b)

een flexibel aandeel in de bruto arbeidskosten overeenkomstig een aantal aan de concrete actie bestede uren dat per maand varieert, op basis van een werktijdregistratiesysteem dat 100 % van de arbeidstijd van de werknemer bestrijkt.

5.   Voor personeelsleden die overeenkomstig lid 1, punt d), in dienst zijn, wordt het uurtarief vermenigvuldigd met het aantal feitelijk aan de concrete actie bestede uren, op basis van een arbeidstijdregistratiesysteem.

Artikel 40

Kantoor- en administratieve kosten

1.   Kantoor- en administratieve kosten zijn beperkt tot de volgende posten:

a)

kantoorhuur;

b)

verzekeringen en belastingen in verband met de gebouwen waarin het personeel is gevestigd en de uitrusting van het kantoor (zoals brand- of diefstalverzekering);

c)

nutsvoorzieningen (zoals elektriciteit, verwarming en water);

d)

kantoorbenodigdheden;

e)

boekhouding;

f)

archieven;

g)

onderhoud, reiniging en reparaties;

h)

beveiliging;

i)

IT-systemen;

j)

communicatie (zoals telefoon, fax, internet, postdiensten en visitekaartjes);

k)

bankkosten voor het openen en beheren van de rekening(en) indien voor de uitvoering van een concrete actie een afzonderlijke rekening moet worden geopend, en

l)

kosten voor transnationale financiële transacties.

2.   Kantoor- en administratieve kosten worden berekend als een vast percentage van de bruto arbeidskosten overeenkomstig artikel 54, eerste alinea, punt b), van Verordening (EU) 2021/1060.

Artikel 41

Reis- en verblijfskosten

1.   Reis- en verblijfskosten zijn - ongeacht of dergelijke kosten binnen of buiten het programmagebied zijn gemaakt en betaald - beperkt tot de volgende kostenposten:

a)

reiskosten (zoals tickets, reis- en autoverzekeringen, brandstof, kilometerstand, tolheffing en parkeerkosten);

b)

de kosten van maaltijden;

c)

verblijfskosten;

d)

visumkosten, en

e)

dagvergoedingen.

2.   Alle in lid 1, punten a) tot en met d), genoemde kostenposten die al door een dagvergoeding worden gedekt, worden niet vergoed in aanvulling op die dagvergoeding.

3.   Reis- en verblijfskosten van externe deskundigen en dienstverleners vallen onder de in artikel 42 bedoelde kosten voor externe expertise en diensten.

4.   Rechtstreekse betaling van de uitgaven voor in lid 1, punten a) tot en met d), vermelde kostenposten door een medewerker van de begunstigde wordt gestaafd door een bewijs van vergoeding door de begunstigde aan die werknemer.

5.   Reis- en verblijfskosten van een concrete actie kunnen worden berekend als een vast percentage van maximaal 15 % van de directe personeelskosten van die concrete actie, zonder verplichting voor de lidstaat om te berekenen welk percentage van toepassing is.

Artikel 42

Kosten voor externe expertise en diensten

Kosten voor externe expertise en diensten zijn beperkt tot de volgende diensten en expertise die worden verleend door een andere publieke of private instantie of natuurlijke persoon dan de begunstigde en alle partners van de concrete actie:

a)

studies of enquêtes (zoals evaluaties, strategieën, conceptnota’s, ontwerpen en handboeken);

b)

opleiding;

c)

vertalingen;

d)

ontwikkeling, wijzigingen en aanpassingen van IT-systemen en websites;

e)

promotie, communicatie, publiciteit, promotiemateriaal en -activiteiten, of informatie die verband houdt met een concrete actie of met een programma als zodanig;

f)

financieel beheer;

g)

diensten met betrekking tot de organisatie en uitvoering van evenementen of vergaderingen (met inbegrip van huur, catering en vertolking);

h)

deelname aan evenementen (zoals inschrijvingskosten);

i)

juridisch advies en notariële diensten, technische en financiële expertise en andere advies- en accountantsdiensten;

j)

intellectuele-eigendomsrechten;

k)

verificaties op grond van artikel 74, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2021/1060 en van artikel 46, lid 1, van deze verordening;

l)

kosten voor de boekhoudfunctie op het niveau van het programma op grond van artikel 76 van Verordening (EU) 2021/1060 en artikel 47 van deze verordening;

m)

auditkosten op het niveau van het programma op grond van de artikelen 78 en 81 van Verordening (EU) 2021/1060 en van de artikelen 48 en 49 van deze verordening;

n)

verstrekking van garanties door een bank of andere financiële instelling wanneer dit vereist wordt door wetgeving van de Unie of nationale wetgeving of in een programmeringsdocument van het monitoringcomité;

o)

reis- en verblijfkosten van externe deskundigen, sprekers, voorzitters van vergaderingen en dienstverleners, en

p)

andere specifieke expertise en diensten die nodig zijn voor concrete acties.

Artikel 43

Kosten voor uitrusting

1.   Kosten van uitrusting die is gekocht, gehuurd of geleased door de begunstigde van de concrete actie, afgezien van de in artikel 40 bedoelde uitrusting, zijn beperkt tot de volgende posten:

a)

kantoorapparatuur;

b)

IT-apparatuur en software;

c)

meubilair en uitrusting;

d)

laboratoriumbenodigdheden;

e)

machines en instrumenten;

f)

gereedschappen of apparaten;

g)

voertuigen, en

h)

andere specifieke uitrusting die nodig is voor concrete acties.

2.   Kosten voor de aanschaf van tweedehandsuitrusting kunnen subsidiabel zijn onder de volgende voorwaarden:

a)

er is geen andere steun voor ontvangen uit de Interreg-fondsen of uit de in artikel 1, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2021/1060 genoemde Fondsen;

b)

de prijs is niet hoger dan de algemeen aanvaarde marktprijs voor dergelijke uitrusting, en

c)

de technische eigenschappen beantwoorden aan de eisen van de concrete actie en aan de geldende normen en standaarden.

Artikel 44

Kosten voor infrastructuur en werkzaamheden

Kosten voor infrastructuur en werken zijn beperkt tot de volgende posten:

a)

de aankoop van grond overeenkomstig artikel 64, lid 1, punt b), van Verordening (EU) 2021/1060;

b)

bouwvergunningen;

c)

bouwmaterialen;

d)

arbeid, en

e)

gespecialiseerde werkzaamheden (zoals bodemsanering en ontmijning).

HOOFDSTUK VI

INTERREG: PROGRAMMA-, BEHEER-, CONTROLE- EN AUDITAUTORITEITEN

Artikel 45

Interreg-programma-autoriteiten

1.   De lidstaten en, in voorkomend geval, de derde landen, partnerlanden en LGO’s die deelnemen aan een Interreg-programma, wijzen voor de toepassing van artikel 71 van Verordening (EU) 2021/1060 één beheerautoriteit en één auditautoriteit aan.

2.   De beheerautoriteit en de auditautoriteit zijn in dezelfde lidstaat gevestigd.

3.   Met betrekking tot het grensoverschrijdend Peace Plus-programma wordt het orgaan voor speciale EU-programma’s beschouwd als zijnde gevestigd in een lidstaat indien dit orgaan is aangewezen als beheerautoriteit.

4.   De lidstaten en, in voorkomend geval, de derde landen, partnerlanden en LGO’s die deelnemen aan een Interreg-programma, kunnen een EGTS aanwijzen als beheerautoriteit van het programma.

5.   Indien de beheerautoriteit van een Interreg-programma een intermediaire instantie aanwijst conform artikel 71, lid 3, van Verordening (EU) 2021/1060, voert deze instantie haar taken uit in meer dan één deelnemende lidstaat of, in voorkomend geval, in een deelnemend derde land, partnerland of LGO. Onverminderd artikel 22 van deze verordening, kunnen een of meer intermediaire instanties deze taken verrichten in slechts één deelnemende lidstaat of, in voorkomend geval, in een deelnemend derde land, partnerland of LGO, indien deze keuze gebaseerd is op bestaande structuren.

Artikel 46

Taken van de beheerautoriteit

1.   De beheerautoriteit van een Interreg-programma is belast met de taken die zijn vastgesteld in de artikelen 72, 74 en 75 van Verordening (EU) 2021/1060, met uitzondering van het selecteren van concrete acties als bedoeld in artikel 72, lid 1, punt a), en artikel 73 van die verordening en zij doet de betalingen aan begunstigden als bedoeld in artikel 74, lid 1, punt b), van die verordening indien de boekhoudfunctie, conform artikel 47 van deze verordening, wordt verricht door een andere instantie. Deze taken worden uitgevoerd op het gehele grondgebied waarop het programma betrekking heeft, behoudens de uitzonderingen bepaald in hoofdstuk VIII van deze verordening2021/1060.

2.   De beheerautoriteit richt na overleg met de aan het Interreg-programma deelnemende lidstaten en, in voorkomend geval, met derde landen, partnerlanden of LGO’s die aan het Interreg-programma deelnemen, een gemeenschappelijk secretariaat op, waarbij voor de personeelssamenstelling rekening wordt gehouden met het programmapartnerschap.

Het gemeenschappelijke secretariaat assisteert de beheerautoriteit en het monitoringcomité. Het gemeenschappelijke secretariaat verstrekt ook informatie aan potentiële begunstigden over de financieringsmogelijkheden van Interreg-programma’s en assisteert de begunstigden en de partners bij de uitvoering van concrete acties.

Voor Interreg-programma’s die ook steun ontvangen uit externe financieringsinstrumenten van de Unie, kunnen in een of meer partnerlanden of LGO’s een of meer filialen van het gezamenlijke secretariaat worden opgericht, zodat het zijn taken dichter bij potentiële begunstigden en partners uit het partnerland respectievelijk LGO kan uitvoeren.

3.   In afwijking van artikel 74, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2021/1060 en onverminderd artikel 45, lid 5, van de onderhavige verordening kunnen de lidstaten en, in voorkomend geval, het aan het Interreg-programma deelnemende derde land, partnerland of LGO besluiten dat beheerverificaties als bedoeld in artikel 74, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2021/1060 worden verricht door het aanwijzen, door elke lidstaat, van een instantie of persoon die op zijn grondgebied is belast met die verificatie (de ”controleur”).

4.   De controleurs mogen dezelfde instanties zijn die verantwoordelijk zijn voor het verrichten van die verificaties voor de programma’s in het kader van de doelstelling “investeren in werkgelegenheid en groei” of, in het geval van derde landen, partnerlanden of LGO’s, voor het verrichten van vergelijkbare verificaties in het kader van externe financieringsinstrumenten van de Unie. Controleurs zijn functioneel onafhankelijk van de auditautoriteit en van de leden van de groep auditors.

5.   Wanneer is besloten dat beheerverificaties worden verricht door de aangewezen controleurs op grond van lid 4, vergewist de beheerautoriteit zich ervan dat de uitgaven van aan een concrete actie deelnemende begunstigden door een aangewezen controleur zijn geverifieerd.

6.   Elke lidstaat en elk derde land, partnerland of LGO zorgt ervoor dat de uitgaven van een begunstigde geverifieerd kunnen worden binnen drie maanden na de indiening van de documenten door de betrokken begunstigde.

7.   Elke lidstaat en elk derde land, partnerland of LGO is verantwoordelijk voor de op eigen grondgebied verrichte verificaties.

8.   Elke lidstaat en elk derde land, partnerland of LGO wijst als controleur hetzij een nationale of regionale autoriteit aan, hetzij een private instantie of een natuurlijke persoon als beschreven in lid 9.

9.   Indien de controleur die de beheerverificaties uitvoert een private instantie of een natuurlijke persoon is, moeten deze controleurs ten minste:

a)

lid zijn van een nationale boekhoud- of auditinstantie of -instelling die op haar beurt lid is van de International Federation of Accountants (IFAC);

b)

lid zijn van een nationale boekhoud- of auditinstantie of -instelling zonder lid te zijn van de IFAC, maar zich ertoe verbinden de beheerverificaties uit te voeren overeenkomstig de IFAC-normen en -ethiek;

c)

geregistreerd zijn als statutair auditor in het openbare register van een openbaar controleorgaan in een lidstaat overeenkomstig de beginselen van openbaar toezicht van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad (21), of

d)

geregistreerd zijn als statutair auditor in het openbare register van een openbaar controleorgaan in een derde land, partnerland of LGO, mits dit register onderworpen is aan de beginselen van openbaar toezicht volgens de wetgeving van het betrokken land.

Artikel 47

De boekhoudfunctie

1.   De lidstaten en, in voorkomend geval, derde landen, partnerlanden en LGO’s die deelnemen aan een Interreg-programma, moeten het eens zijn over de regels voor de boekhouding.

2.   De boekhoudfunctie omvat de taken in artikel 76, lid 1, punten a) en b), van Verordening (EU) 2021/1060 en heeft tevens betrekking op betalingen door de Commissie en, als algemene regel, op betalingen aan de hoofdpartner conform artikel 74, lid 1, punt b), van die verordening.

Artikel 48

Taken van de auditautoriteit

1.   De auditautoriteit van een Interreg-programma vervult de in dit artikel en in artikel 49 bedoelde taken op het gehele grondgebied waarop het Interreg-programma betrekking heeft.

Indien de auditautoriteit niet de in lid 1 bedoelde bevoegdheid heeft, wordt zij bijgestaan door een groep auditors die is samengesteld uit een vertegenwoordiger van elke lidstaat die en, in voorkomend geval, elk derde land, partnerland of LGO dat aan het Interreg-programma deelneemt. Elke lidstaat en, in voorkomend geval, elk derde land, partnerland of LGO is verantwoordelijk voor de op eigen grondgebied verrichte audits.

Elke vertegenwoordiger van elke lidstaat die en, in voorkomend geval, elk derde land, partnerland of LGO dat aan het Interreg-programma deelneemt, is verantwoordelijk voor het verstrekken van de feitelijke gegevens over de uitgaven op zijn grondgebied die de auditautoriteit nodig heeft om haar beoordeling te verrichten.

De groep auditors wordt opgericht uiterlijk drie maanden na het besluit tot goedkeuring van het Interreg-programma op grond van artikel 18. Zij stelt een reglement van orde op en wordt voorgezeten door de auditautoriteit die verantwoordelijk is voor het Interreg-programma.

De auditors zijn functioneel onafhankelijk van de instanties of personen die op grond artikel 46, lid 3, verantwoordelijk zijn voor beheerverificaties.

2.   De auditautoriteit van een Interreg-programma voert systeemaudits en audits van concrete acties uit om de Commissie op onafhankelijke wijze zekerheid te bieden over de effectiviteit van de beheers- en controlesystemen en over de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven die in de bij de Commissie ingediende rekeningen zijn opgenomen.

3.   Indien een Interreg-programma is opgenomen in de populatie waaruit de Commissie op grond van artikel 49, lid 1, een gemeenschappelijke steekproef selecteert, voert de auditautoriteit audits van door de Commissie geselecteerde concrete acties uit om de Commissie onafhankelijke zekerheid te bieden dat de beheers- en controlesystemen doeltreffend functioneren.

4.   Audits worden verricht volgens internationaal aanvaarde auditnormen.

5.   De auditautoriteit stelt elk jaar uiterlijk op 15 februari na het einde van het boekjaar een jaarlijks auditadvies conform artikel 63, lid 7, van het Financieel Reglement op en dient dit in bij de Commissie. Het auditadvies wordt opgesteld aan de hand van het model in bijlage XIX bij Verordening (EU) 2021/1060, op basis van alle verrichte auditwerkzaamheden. De volgende aspecten komen in het auditadvies aan de orde:

a)

de volledigheid, de waarheidsgetrouwheid en de nauwkeurigheid van de rekeningen;

b)

de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven die in de bij de Commissie ingediende rekeningen zijn opgenomen, en

c)

het beheers- en controlesysteem van het Interreg-programma.

Indien het Interreg-programma is opgenomen in de populatie waaruit de Commissie krachtens artikel 49, lid 1, een gemeenschappelijke steekproef selecteert, heeft het jaarlijkse auditadvies uitsluitend betrekking op de in de punten a) en c) van de eerste alinea van dit lid, bedoelde aspecten.

De termijn van 15 februari kan bij uitzondering, en op basis van een kennisgeving door de auditautoriteit, door de Commissie worden verlengd tot 1 maart.

6.   De auditautoriteit stelt elk jaar uiterlijk op 15 februari na het einde van het boekjaar een jaarlijks controleverslag op conform artikel 63, lid 5, punt b), van het Financieel Reglement en dient dit in bij de Commissie. Dit controleverslag wordt opgesteld aan de hand van het model in bijlage XX bij Verordening (EU) 2021/1060. Het verslag ondersteunt het in lid 5 genoemde auditadvies en geeft een samenvatting van de bevindingen, met inbegrip van een analyse van de aard en de omvang van eventuele fouten en tekortkomingen in de systemen, de voorgestelde en uitgevoerde corrigerende maatregelen, en het daaruit volgende totale foutenpercentage en het resterende foutenpercentage van de uitgaven die in de bij de Commissie ingediende rekeningen zijn opgenomen.

7.   Indien het Interreg-programma is opgenomen in de populatie waaruit de Commissie op grond van artikel 49, lid 1, een gemeenschappelijke steekproef selecteert, stelt de auditautoriteit aan de hand van het model in bijlage XX bij Verordening (EU) 2021/1060 het in lid 6 van dit artikel genoemde jaarlijkse controleverslag op, dat aan de eisen van artikel 63, lid 5, punt b), van het Financieel Reglement voldoet en het in lid 5 van dit artikel genoemde auditadvies ondersteunt.

Het controleverslag geeft een samenvatting van de bevindingen, met inbegrip van een analyse van de aard en de omvang van de eventuele fouten en tekortkomingen in de systemen, de voorgestelde en uitgevoerde corrigerende maatregelen, de resultaten van de audits van concrete acties die door de auditautoriteit zijn uitgevoerd naar aanleiding van de in artikel 49, lid 1, bedoelde gemeenschappelijke steekproef en de door de Interreg-programma-autoriteiten uitgevoerde financiële correcties ten aanzien van afzonderlijke onregelmatigheden in deze concrete acties zoals door de auditautoriteit geconstateerd.

8.   De auditautoriteit zendt de systeemauditverslagen naar de Commissie zodra de vereiste contradictoire procedure met de auditobjecten is voltooid.

9.   Tenzij anders is overeengekomen, komen de Commissie en de auditautoriteit regelmatig, en wel ten minste een keer per jaar, bijeen om de auditstrategie, het jaarlijkse controleverslag en het auditadvies te bespreken, hun auditplannen en -methoden op elkaar af te stemmen, en van gedachten te wisselen over de verbetering van de beheers- en controlesystemen.

Artikel 49

Audits van concrete acties

1.   De Commissie selecteert een gemeenschappelijke steekproef van concrete acties, of andere steekproefeenheden, met behulp van een statistische steekproefmethode voor de audits van deze acties die in elk boekjaar door de auditautoriteiten moeten worden uitgevoerd voor Interreg-programma’s welke steun ontvangen uit het EFRO of uit een extern financieringsinstrument van de Unie.

De gemeenschappelijke steekproef moet representatief zijn voor alle Interreg-programma’s die de populatie vormen.

Ten behoeve van de selectie van de gemeenschappelijke steekproef kan de Commissie groepen van Interreg-programma’s indelen aan de hand van specifieke risico’s van de programma’s.

2.   De programma-autoriteiten verstrekken de Commissie uiterlijk op 1 augustus na het einde van het boekjaar de informatie die nodig is voor de selectie van een gemeenschappelijke steekproef.

Deze informatie wordt verstrekt in een gestandaardiseerd elektronisch formaat, moet volledig zijn en verenigbaar zijn met de bij de Commissie gedeclareerde uitgaven voor het referentieboekjaar.

3.   Onverminderd de verplichting tot het uitvoeren van een audit als bedoeld in artikel 48, lid 2, voeren de auditautoriteiten voor Interreg-programma’s die onder de gemeenschappelijke steekproef vallen, geen aanvullende audits uit van concrete acties uit hoofde van deze programma’s, tenzij daartoe door de Commissie overeenkomstig lid 8 van dit artikel verzocht of in gevallen waarin een auditautoriteit heeft bevonden dat er specifieke risico’s zijn.

4.   De Commissie stelt de auditautoriteiten van de betrokken Interreg-programma’s tijdig op de hoogte van de geselecteerde gemeenschappelijke steekproef, zodat zij de audits kunnen uitvoeren in het algemeen uiterlijk op 1 september na het einde van elk boekjaar.

5.   De betrokken auditautoriteiten dienen — en wel ten laatste in de jaarlijkse controleverslagen die overeenkomstig artikel 48, leden 6 en 7, bij de Commissie moeten worden ingediend — informatie in over de resultaten van deze audits en over eventuele financiële correcties voor afzonderlijke onregelmatigheden die zijn ontdekt.

6.   Na beoordeling van de resultaten van audits van overeenkomstig lid 1 geselecteerde concrete acties berekent de Commissie een algeheel geëxtrapoleerd foutenpercentage voor de Interreg-programma’s die zijn opgenomen in de populatie waaruit de gemeenschappelijke steekproef was geselecteerd. De Commissie doet dit ten behoeve van haar eigen procedure voor het verkrijgen van zekerheid.

7.   Indien het in lid 6 bedoelde algehele geëxtrapoleerde foutenpercentage meer dan 2 % bedraagt van de totale gedeclareerde uitgaven voor de Interreg-programma’s in de populatie waaruit de gemeenschappelijke steekproef was geselecteerd, berekent de Commissie een algeheel resterend foutenpercentage, waarbij zij rekening houdt met de door de Interreg-programma-autoriteiten toegepaste financiële correcties voor afzonderlijke onregelmatigheden die zijn ontdekt tijdens de audits van op grond van lid 1 geselecteerde concrete acties.

8.   Indien het in lid 7 bedoelde algehele resterend foutenpercentage meer dan 2 % bedraagt van de totale gedeclareerde uitgaven voor de Interreg-programma’s in de populatie waaruit de gemeenschappelijke steekproef was geselecteerd, bepaalt de Commissie of het nodig is de auditautoriteit van een bepaald Interreg-programma of een groep Interreg-programma’s waarvoor het hoogste foutenpercentage geldt, te verzoeken aanvullende controlewerkzaamheden te verrichten teneinde het foutenpercentage nader te beoordelen en de vereiste corrigerende maatregelen te beoordelen voor de Interreg-programma’s die de geconstateerde onregelmatigheden vertonen.

9.   Op basis van de beoordeling van de resultaten van de aanvullende auditwerkzaamheden waarom overeenkomstig lid 8 van dit artikel is verzocht, kan de Commissie verzoeken dat er aanvullende financiële correcties worden toegepast voor de Interreg-programma’s die de geconstateerde onregelmatigheden vertonen. In dergelijke gevallen voeren de Interreg-programma-autoriteiten de nodige financiële correcties uit in overeenstemming met artikel 103 van Verordening (EU) 2021/1060.

10.   Elke auditautoriteit van een Interreg-programma waarvoor de in lid 2 van dit artikel bedoelde informatie ontbreekt of onvolledig is of niet is ingediend binnen de in de eerste alinea van dat lid vastgelegde termijn, voert een afzonderlijke steekproefprocedure voor dat Interreg-programma uit in overeenstemming met artikel 79 van Verordening (EU) 2021/1060.

HOOFDSTUK VII

FINANCIEEL BEHEER

Artikel 50

Budgettaire vastleggingen

De besluiten van de Commissie tot goedkeuring van Interreg-programma’s op grond van artikel 18 van deze verordening voldoen aan de vereisten die nodig zijn om financieringsbesluiten te vormen in de zin van artikel 110, lid 2, van het Financieel Reglement met betrekking tot het EFRO en de steun uit een extern financieringsinstrument van de Unie in gedeeld beheer.

Artikel 51

Betalingen en voorfinanciering

1.   De EFRO-bijdrage en, in voorkomend geval, de steun uit externe financieringsinstrumenten van de Unie voor Interreg-programma’s worden overeenkomstig artikel 47, lid 2, op één enkele rekening zonder nationale subrekeningen betaald.

2.   Vóór 1 juli van de jaren 2022 tot en met 2026 of in het jaar van het goedkeuringsbesluit, en wel uiterlijk 60 dagen na de vaststelling daarvan keert de Commissie, mits er middelen beschikbaar zijn, in jaarlijkse tranches voorfinanciering uit op basis van de totale steun uit elk van de Interreg-fondsen, conform het besluit tot goedkeuring van elk Interreg-programma op grond van artikel 18. Hiervoor gelden de volgende percentages:

a)

2021: 1 %;

b)

2022: 1 %;

c)

2023: 3 %;

d)

2024: 3 %;

e)

2025: 3 %;

f)

2026: 3 %.

3.   Indien Interreg-programma’s steun krijgen uit het EFRO en IPA III-CBC, en indien de EFRO-bijdrage 50 % of minder bedraagt van de totale Unietoewijzing, verstrekt de Commissie voorfinanciering overeenkomstig de relevante bepalingen van de IPA III-verordening.

4.   Indien Interreg-programma’s steun krijgen uit het EFRO en ofwel het NDICI of zowel het NDICI als het IPA III, en indien de EFRO-bijdrage 50 % of minder bedraagt van de totale Unietoewijzing, verstrekt de Commissie voorfinanciering overeenkomstig artikel 22, lid 5, van Verordening (EU) 2021/947, rekening houdend met de werkelijke financieringsbehoeften.

De artikelen 96 en 97 van Verordening (EU) 2021/1060 zijn van overeenkomstige toepassing op de voorfinanciering op grond van de eerste alinea van dit lid.

5.   Het als voorfinanciering betaalde bedrag wordt voor 2021 en 2022 jaarlijks en voor 2023 en de daaropvolgende jaren uiterlijk in het laatste boekjaar vereffend in de rekeningen van de Commissie; dat geldt ook voor de op grond van de leden 3 en 4 betaalde voorfinancieringsbedragen.

Artikel 52

Terugvordering

1.   De beheerautoriteit ziet erop toe dat elk bedrag dat als gevolg van een onregelmatigheid wordt betaald, wordt teruggevorderd van de hoofd- of enige partner. Niet-hoofdpartners betalen ten onrechte betaalde bedragen terug aan de hoofdpartner.

2.   De lidstaten, derde landen, partnerlanden en LGO’s die deelnemen aan een Interreg-programma, kunnen besluiten dat de hoofd- of enige partner en de beheerautoriteit van het programma niet verplicht zijn om ten onrechte betaalde bedragen die niet hoger zijn dan 250 EUR, exclusief rente, in te vorderen van enig Interreg-fonds, ten laste van een concrete actie in een bepaald boekjaar.

Aan de Commissie hoeft geen andere informatie te worden verstrekt dan de informatie over een besluit op grond van de eerste alinea.

3.   Indien de hoofdpartner er niet in slaagt terugbetaling van andere partners te verkrijgen, of indien de beheerautoriteit er niet in slaagt terugbetaling van de hoofdpartner of van de enige partner te verkrijgen, betaalt de lidstaat, het derde land, het partnerland of het LGO op het grondgebied waarvan de betrokken partner gevestigd is of — in het geval van een EGTS — geregistreerd is, ten onrechte aan die partner betaalde bedragen terug aan de beheerautoriteit. De beheerautoriteit is verantwoordelijk voor de terugbetaling van de bedragen aan de algemene begroting van de Unie, en wel volgens de verdeling van de aansprakelijkheid onder de deelnemende lidstaten, derde landen, partnerlanden en LGO’s, zoals vastgelegd in het Interreg-programma.

4.   Zodra de lidstaat, het derde land, het partnerland of het LGO aan de beheerautoriteit de ten onrechte aan een partner betaalde bedragen heeft terugbetaald, kan de lidstaat, het derde land, het partnerland of het LGO op grond van nationaal recht een terugvorderingsprocedure tegen deze partner instellen of continueren. Bij een geslaagde terugvordering kan een lidstaat, een derde land, een partnerland of een LGO deze bedragen gebruiken voor nationale medefinanciering van het betrokken Interreg-programma. De lidstaat, het derde land, het partnerland of het LGO heeft met betrekking tot dergelijke nationale terugvorderingen geen rapportageverplichtingen jegens de programma-autoriteiten, het monitoringcomité of de Commissie.

5.   Indien een lidstaat, een derde land, een partnerland of een LGO de beheerautoriteit niet conform lid 4 van dit artikel heeft vergoed voor bedragen die ten onrechte aan een partner zijn betaald, gelden voor deze bedragen een invorderingsopdracht van de Commissie, die indien mogelijk wordt uitgevoerd door middel van verrekening met respectievelijk de lidstaat, het derde land, het partnerland of het LGO. De terugvordering vormt geen financiële correctie en brengt geen verlaging van de steun uit het EFRO of een extern financieringsinstrument van de Unie aan het betrokken Interreg-programma met zich mee. De teruggevorderde bedragen worden aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 21, lid 3, van het Financieel Reglement.

Bedragen die niet door een lidstaat aan de beheerautoriteit worden terugbetaald, worden verrekend met latere betalingen aan hetzelfde Interreg-programma. De beheerautoriteit gaat vervolgens over tot verrekening met die lidstaat op basis van de aansprakelijkheid van de deelnemende lidstaten, zoals vastgelegd in het Interreg-programma ingeval van financiële correcties die door de beheerautoriteit of door de Commissie zijn opgelegd.

Bedragen die niet door een derde land, een partnerland of een LGO aan de beheerautoriteit worden terugbetaald, worden verrekend met latere betalingen aan programma’s uit de betrokken externe financieringsinstrumenten van de Unie.

HOOFDSTUK VIII

DEELNAME VAN DERDE LANDEN, PARTNERLANDEN, LGO’S OF ORGANISATIES VOOR REGIONALE INTEGRATIE EN SAMENWERKING AAN INTERREG-PROGRAMMA’S IN GEDEELD BEHEER

Artikel 53

Toepasselijke bepalingen

De hoofdstukken I tot en met VII en hoofdstuk X zijn van toepassing op het grensoverschrijdende Peace Plus-programma en op de door externe financieringsinstrumenten van de Unie ondersteunde deelname van derde landen, partnerlanden en LGO’s, alsmede van organisaties voor regionale integratie en samenwerking aan Interreg-programma’s die onderworpen zijn aan de bepalingen van dit hoofdstuk.

Artikel 54

Interreg-programma-autoriteiten en hun taken

1.   Elk derde land, partnerland en LGO dat aan een Interreg-programma deelneemt, wijst een nationale of regionale autoriteit aan als contactpunt voor de beheerautoriteit (het ”contactpunt”).

2.   Het contactpunt, een instantie die is gelijkgesteld aan de Interreg-programmacommunicatiemedewerker, bedoeld in artikel 36, lid 1, of het filiaal of de filialen, ondersteunt/ondersteunen de beheerautoriteit en de partners in het derde land, partnerland of LGO in kwestie met betrekking tot de in artikel 36, leden 2 tot en met 6, bedoelde taken.

Artikel 55

Beheermethodes

1.   Interreg A-programma’s die door zowel het EFRO als het IPA III-CBC of het NDICI-CBC worden ondersteund, worden zowel in de lidstaten als in de deelnemende derde landen en partnerlanden in gedeeld beheer uitgevoerd.

Het grensoverschrijdende Peace Plus-programma wordt zowel in Ierland als in het Verenigd Koninkrijk in gedeeld beheer uitgevoerd.

2.   Interreg B- en C-programma’s die bijdragen uit het EFRO en een of meer externe financieringsinstrumenten van de Unie combineren, worden in gedeeld beheer uitgevoerd in zowel de lidstaten als de deelnemende derde landen, deelnemende partnerlanden of deelnemende LGO’s, of, met betrekking tot Interreg D, in alle LGO’s, ongeacht of deze LGO’s steun ontvangen uit een of meer externe financieringsinstrumenten van de Unie.

3.   Interreg D-programma’s die bijdragen uit het EFRO en een of meer externe financieringsinstrumenten van de Unie combineren, worden op een van de volgende wijzen uitgevoerd:

a)

in gedeeld beheer in de lidstaten en in de deelnemende derde landen en LGO’s;

b)

alleen in gedeeld beheer in de lidstaten en in de deelnemende derde landen en LGO’s met betrekking tot EFRO-uitgaven buiten de Unie voor een of meer concrete acties, terwijl de bijdragen uit een of meer externe financieringsinstrumenten van de Unie in indirect beheer worden beheerd;

c)

in indirect beheer in de lidstaten en in de deelnemende derde landen en LGO’s.

Indien een Interreg D-programma geheel of gedeeltelijk in indirect beheer wordt uitgevoerd, is artikel 61 van toepassing.

Artikel 56

Subsidiabiliteit

1.   Uitgaven komen, in afwijking van artikel 63, lid 2, van Verordening (EU) 2021/1060, in aanmerking voor een bijdrage uit externe financieringsinstrumenten van de Unie indien zij vanaf 1 januari 2021 of vanaf de datum van indiening van het programma, indien deze datum eerder valt, bij de voorbereiding en uitvoering van concrete Interreg-acties zijn gedaan en betaald, maar kunnen ook bij het programma in rekening worden gebracht na de datum waarop de financieringsovereenkomst met het respectieve derde land, partnerland of LGO is gesloten.

Uitgaven voor technische bijstand die wordt beheerd door in een lidstaat gevestigde programma-autoriteiten kunnen evenwel reeds worden gedeclareerd vóór de datum waarop de financieringsovereenkomst met het betrokken derde land, partnerland of LGO werd gesloten.

2.   Wanneer een Interreg-programma concrete acties selecteert op basis van oproepen tot het indienen van voorstellen, kunnen dergelijke oproepen aanvragen voor een bijdrage uit externe financieringsinstrumenten van de Unie bevatten, ook al dateren die oproepen evenals de selectie van de concrete acties van vóór de sluiting van de desbetreffende financieringsovereenkomst.

De beheerautoriteit kan het in artikel 22, lid 6, bedoelde document verstrekken voordat de desbetreffende financieringsovereenkomst is gesloten.

Artikel 57

Grote infrastructuurprojecten

1.   Onder dit hoofdstuk vallende Interreg-programma’s kunnen grote infrastructuurprojecten ondersteunen, d.w.z. concrete acties die een reeks werkzaamheden, activiteiten of diensten omvatten die bestemd zijn om een specifieke, ondeelbare functie met duidelijk vastgestelde doelstellingen van gemeenschappelijk belang te vervullen met de bedoeling grensoverschrijdende effecten te sorteren en baten te realiseren en waarbij een begrotingsaandeel met een totale kostprijs van minstens 2 500 000 EUR wordt toegewezen voor het verwerven, bouwen of moderniseren van infrastructuur.

2.   Elke begunstigde die een groot infrastructuurproject of een gedeelte daarvan uitvoert, volgt de toepasselijke aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten.

3.   De lidstaat waar de beheerautoriteit van het betrokken Interreg-programma is gevestigd zendt de Commissie een lijst met geplande grote infrastructuurprojecten met vermelding van voorgenomen naam, locatie, budget en hoofdpartner daarvan. Die lijst wordt aan de Commissie als apart document toegestuurd, hetzij bij de indiening van de ondertekende kopie van de financieringsovereenkomst of van een kopie van de in artikel 59 bedoelde uitvoeringsovereenkomst, hetzij uiterlijk twee maanden vóór de vergadering van het monitoringcomité of, in voorkomend geval, het stuurcomité dat de eerste van de beoogde grote infrastructuurprojecten selecteert.

4.   Wanneer de selectie van een of meer grote infrastructuurprojecten op de agenda van een monitoringcomité of, indien van toepassing, stuurcomité staat, zendt de beheerautoriteit de Commissie uiterlijk twee maanden vóór de datum van de vergadering, ter informatie een conceptnota voor elk dergelijk project toe. De conceptnota telt maximaal drie bladzijden en bevat de naam, de locatie, de begroting, de hoofdpartner en de overige partners, alsmede de belangrijkste doelstellingen en verwachte prestaties van het project. Indien de conceptnota met betrekking tot een of meer grote infrastructuurprojecten niet binnen de vastgestelde termijn aan de Commissie is toegezonden, kan de Commissie verlangen dat de voorzitter van het monitoringcomité of het stuurcomité de betrokken projecten van de agenda van de vergadering afvoert.

Artikel 58

Aanbestedingen

1.   Indien voor de uitvoering van een concrete actie aanbestedingen van diensten, leveringen of werken door een begunstigde nodig zijn, zijn de volgende regels van toepassing:

a)

indien de begunstigde in een lidstaat gevestigd is en een aanbestedende overheidsdienst of een aanbestedende instantie is in de zin van recht van de Unie dat van toepassing is op openbare aanbestedingsprocedures, past hij nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe;

b)

indien de begunstigde een overheidsinstantie van een partnerland in het kader van het IPA III of het NDICI is waarvoor de medefinanciering is overgedragen aan de beheerautoriteit, kan hij nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toepassen, mits de financieringsovereenkomst dit mogelijk maakt en de opdracht wordt gegund aan de economisch voordeligste inschrijving of, indien van toepassing, aan de goedkoopste inschrijving, waarbij belangenconflicten vermeden worden.

2.   Voor het aanbesteden van goederen, werken of diensten in alle andere gevallen dan die bedoeld in lid 1 van dit artikel, zijn de aanbestedingsprocedures van de artikelen 178 en 179 van het Financieel Reglement en hoofdstuk 3, punten 36 tot en met 41, van bijlage I bij dat Reglement van toepassing.

Artikel 59

Sluiting van financieringsovereenkomsten in gedeeld beheer

1.   Met het oog op de uitvoering van een Interreg-programma in een derde land, partnerland of LGO, in overeenstemming met artikel 112, lid 4, van het Financieel Reglement wordt er een financieringsovereenkomst gesloten tussen de Commissie, namens de Unie, en elk deelnemend derde land, partnerland of LGO, dat wordt vertegenwoordigd in overeenstemming met zijn nationaal juridisch kader.

2.   Elke financieringsovereenkomst wordt uiterlijk op 31 december van het jaar na het jaar van de eerste vastlegging in de begroting gesloten en wordt geacht te zijn gesloten op de datum waarop de laatste partij de overeenkomst ondertekend heeft.

Een financieringsovereenkomst treedt in werking op de datum:

a)

waarop de laatste partij de overeenkomst ondertekend heeft, of

b)

waarop het derde land, partnerland of LGO de ratificatieprocedure overeenkomstig zijn nationaal juridisch kader heeft afgerond, en de Commissie hiervan in kennis heeft gesteld.

3.   De Commissie dient de ontwerp-financieringsovereenkomst in bij de goedkeuring van het externe programma.

Indien meer dan één derde land, partnerland of LGO betrokken is bij een Interreg-programma, moet vóór de in lid 2 genoemde datum ten minste één financieringsovereenkomst worden gesloten door beide partijen. De andere derde landen, partnerlanden of LGO’s kunnen hun respectieve financieringsovereenkomsten uiterlijk op 30 juni van het tweede jaar na het jaar van de eerste vastlegging in de begroting ondertekenen.

4.   De lidstaat waar de beheerautoriteit van het relevante Interreg-programma gevestigd is:

a)

kan de financieringsovereenkomst eveneens ondertekenen, of

b)

ondertekent onverwijld een uitvoeringsovereenkomst met elk derde land, partnerland of LGO dat aan dat Interreg-programma deelneemt, met de wederzijdse rechten en verplichtingen met betrekking tot de uitvoering en het financieel beheer ervan.

5.   Een overeenkomstig lid 4, punt b), ondertekende uitvoeringsovereenkomst heeft betrekking op ten minste de volgende elementen:

a)

gedetailleerde regelingen voor betalingen;

b)

financieel beheer;

c)

bijhouden van registers;

d)

rapportageverplichtingen;

e)

verificaties, controles en audits, en

f)

onregelmatigheden en terugvorderingen.

6.   Indien de lidstaat waar de beheerautoriteit van het Interreg-programma gevestigd is, besluit tot ondertekening van de financieringsovereenkomst overeenkomstig lid 4, punt a), van dit artikel wordt die financieringsovereenkomst beschouwd als een instrument voor de uitvoering van de begroting van de Unie overeenkomstig het financieel reglement en niet als een internationale overeenkomst als bedoeld in de artikelen 216 tot en met 219 VWEU.

Artikel 60

Andere bijdragen van derde landen, partnerlanden of LGO’s dan medefinanciering

1.   Indien een derde land, partnerland of LGO een andere financiële bijdrage ter ondersteuning van het Interreg-programma dan zijn medefinanciering van de steun van de Unie aan het Interreg-programma overmaakt aan de beheerautoriteit, worden de regels betreffende die financiële bijdrage opgenomen in het volgende document:

a)

indien de betrokken lidstaat een financieringsovereenkomst ondertekent overeenkomstig artikel 59, lid 4, punt a):

i)

in een afzonderlijk deel van die financieringsovereenkomst, of

ii)

in een afzonderlijke uitvoeringsovereenkomst die hetzij wordt ondertekend tussen de lidstaat waar de beheerautoriteit gevestigd is, en het derde land, partnerland of LGO, hetzij rechtstreeks wordt ondertekend tussen de beheerautoriteit en de bevoegde autoriteit in het derde land, partnerland of LGO, en

b)

indien de betrokken lidstaat een uitvoeringsovereenkomst ondertekent overeenkomstig artikel 59, lid 4, punt b):

i)

in een afzonderlijk deel van die uitvoeringsovereenkomst, of

ii)

in een aanvullende uitvoeringsovereenkomst die wordt ondertekend tussen dezelfde in punt a) bedoelde partijen.

Voor de toepassing van punt b), i), van de eerste alinea kunnen delen van de uitvoeringsovereenkomst, indien van toepassing, betrekking hebben op zowel de overgedragen financiële bijdrage als de steun van de Unie aan het Interreg-programma.

2.   Een in lid 1 van dit artikel bepaald uitvoeringsovereenkomst bevat ten minste de elementen betreffende de in artikel 59, lid 5, genoemde medefinanciering van het derde land, partnerland, of LGO.

Daarnaast bevat de uitvoeringsovereenkomst de volgende twee elementen:

a)

het bedrag van de aanvullende financiële bijdrage, en

b)

het beoogde gebruik ervan en de voorwaarden daarvoor, met inbegrip van de voorwaarden voor aanvragen voor die aanvullende bijdrage.

3.   Met betrekking tot het grensoverschrijdend Peace Plus-programma maakt de financiële bijdrage van het Verenigd Koninkrijk aan activiteiten van de Unie in de vorm van externe bestemmingsontvangsten als bedoeld in artikel 21, lid 2, punt e), van het Financieel Reglement deel uit van de begrotingskredieten voor rubriek 2 “Cohesie en waarden”, subplafond “Economische, sociale en territoriale samenhang”.

Deze bijdrage wordt onderworpen aan een specifieke financieringsovereenkomst met het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 59 van deze verordening. De Commissie alsmede het Verenigd Koninkrijk en Ierland zijn partijen bij deze specifieke financieringsovereenkomst.

De specifieke financieringsovereenkomst moet worden gesloten vóór het begin van de uitvoering van het programma zodat het orgaan voor speciale EU-programma’s de op de uitvoering van het programma toepasselijke Uniewetgeving kan toepassen.

HOOFDSTUK IX

SPECIFIEKE BEPALINGEN VOOR INDIRECT BEHEER

Artikel 61

Samenwerking van ultraperifere gebieden

1.   Indien een Interreg D-programma, met de toestemming van de betrokken lidstaat en de betrokken regio’s, gedeeltelijk of geheel in indirect beheer wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 55, lid 3, punt b), respectievelijk punt c) van deze verordening, worden de uitvoeringstaken toevertrouwd aan een van de instanties die zijn vermeld in artikel 62, lid 1, eerste alinea, punt c), van het Financieel Reglement, en meer bepaald aan een dergelijke instantie die gevestigd is in de deelnemende lidstaat, met inbegrip van de beheerautoriteit van het betrokken Interreg-programma.

2.   In overeenstemming met artikel 154, lid 6, punt c), van het Financieel Reglement kan de Commissie besluiten geen beoordeling vooraf als bedoeld in de leden 3 en 4 van dat artikel te verlangen wanneer de begrotingsuitvoeringstaken, bedoeld in artikel 62, lid 1, eerste alinea, punt c), van dat Reglement worden toevertrouwd aan een beheerautoriteit van een Interreg-programma voor ultraperifere gebieden die is aangewezen overeenkomstig artikel 45, lid 1, van de onderhavige verordening en in overeenstemming met artikel 71 van Verordening (EU) 2021/1060 is aangewezen.

3.   Indien de in artikel 62, lid 1, eerste alinea, punt c), van het Financieel Reglement bedoelde begrotingsuitvoeringstaken worden toevertrouwd aan een lidstaatsorganisatie, is artikel 157 van dat Reglement van toepassing.

4.   Indien een door een of meer externe financieringsinstrumenten medegefinancierd(e) programma of actie wordt uitgevoerd door een derde land, partnerland of LGO of door een van de andere in artikel 62, lid 1, eerste alinea, punt c), van het Financieel Reglement vermelde of in Verordening (EU) 2021/947 of Besluit 2013/755/EU bedoelde instanties, zijn de desbetreffende regels van deze instrumenten van toepassing.

De voorwaarden voor de uitvoering van een deel van een Interreg-programma van onderdeel D in indirect beheer overeenkomstig artikel 55, lid 3, punt b) of punt c), van deze verordening, worden vastgelegd in een overeenkomst tussen de Commissie, de beheerautoriteit of haar lidstaat en de met de uitvoering belaste instantie.

Hoofdstuk X

Slotbepalingen

Artikel 62

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 16, lid 6, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt voor een onbepaalde tijd vanaf 1 juli 2021 aan de Commissie toegekend.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 16, lid 6, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 16, lid 6, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 63

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 115, lid 1, van Verordening (EU) 2021/1060 ingestelde comité. Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 64

Overgangsbepalingen

Verordening (EU) nr. 1299/2013, c.q. elke handeling die op grond van die verordening is vastgesteld, blijft van toepassing op programma’s en concrete acties die worden gesteund door het EFRO in de programmeringsperiode 2014-2020.

Artikel 65

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 juni 2021.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

D. M. SASSOLI

Voor de Raad

De voorzitter

A.P. ZACARIAS


(1)  PB C 440 van 6.12.2018, blz. 116.

(2)  PB C 86 van 7.3.2019, blz. 137.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 26 maart 2019 (PB C 108 van 26.3.2021, blz. 247) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 27 mei 2021 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Standpunt van het Europees Parlement van 23 juni 2021 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(4)  Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer- en visabeleid (zie bladzijde 159 van dit Publicatieblad).

(5)  Verordening (EU) 2021/1058 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds (zie bladzijde 60 van dit Publicatieblad).

(6)  Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1).

(7)  Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).

(8)  Verordening (EU) 2021/947 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juni 2021 tot vaststelling van het Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking — “Global Europe”, tot wijziging en intrekking van Besluit nr. 466/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) 2017/1601 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009 van de Raad (PB L 209 van 14.6.2021, blz. 1).

(9)  Besluit 2013/755/EU van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie (“LGO-besluit”) (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).

(10)  Verordening (EG) nr. 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS) (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 19).

(11)  Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).

(12)  Besluit 2010/427/EU van de Raad van 26 juli 2010 tot vaststelling van de organisatie en werking van de Europese dienst voor extern optreden (PB L 201 van 3.8.2010, blz. 30).

(13)  Verordening (EU)2021/1057 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 tot vaststelling van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1296/2013 (zie bladzijde 21 van dit Publicatieblad).

(14)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(15)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 481/2014 van de Commissie van 4 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot specifieke regels betreffende de subsidiabiliteit van de uitgaven voor samenwerkingsprogramma’s (PB L 138 van 13.5.2014, blz. 45).

(16)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(17)  Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 27).

(18)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(19)  Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).

(20)  Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1).

(21)  Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad (PB L 157 van 9.6.2006, blz. 87).


BIJLAGE

MODEL VOOR INTERREG-PROGRAMMA’S

CCI

[15 tekens]

Titel

[255]

Versie

 

Eerste jaar

[4]

Laatste jaar

[4]

Subsidiabel vanaf

 

Subsidiabel tot en met

 

Nummer van het besluit van de Commissie

 

Datum van het besluit van de Commissie

 

Nummer van het besluit tot wijziging van het programma

[20]

Datum inwerkingtreding van het besluit tot wijziging van het programma

 

NUTS-regio’s die onder het programma vallen

 

Onderdeel

 

1.

Gezamenlijke programmastrategie: belangrijkste ontwikkelingsproblemen en beleidsreacties

1.1.

Programmagebied (niet vereist voor Interreg C-programma’s)

Referentie: artikel 17, lid 3, punt a), artikel 17, lid 9, punt a)

Tekstveld [2 000]

1.2.

Gezamenlijke programmastrategie: Samenvatting van de belangrijkste gemeenschappelijke problemen, rekening houdend met economische, sociale en territoriale verschillen en ongelijkheden, gezamenlijke investeringsbehoeften, en complementariteit en synergieën met andere financieringsprogramma’s en -instrumenten, geleerde lessen uit ervaringen uit het verleden en macroregionale strategieën en zeebekkenstrategieën, indien het programmagebied geheel of gedeeltelijk door een of meer strategieën wordt gedekt.

Referentie: artikel 17, lid 3, punt b), artikel 17, lid 9, punt b)

Tekstveld [50 000]

1.3.

Motivering van de selectie van beleidsdoelstellingen en specifieke Interreg-doelstellingen, bijbehorende prioriteiten, specifieke doelstellingen en de vormen van steun, waarbij zo nodig ontbrekende schakels in de grensoverschrijdende infrastructuur worden aangepakt

Referentie: artikel 17, lid 3, punt c)

Tabel 1

Geselecteerde beleidsdoelstelling of specifieke doelstelling voor Interreg

Geselecteerde specifieke doelstelling

Prioriteit

Motivering van de selectie

 

 

 

[2 000 per doelstelling]

2.

Prioriteiten [300]

Referentie: artikel 17, lid 3, punten d) en e)

2.1.

Titel van de prioriteit (herhaald voor elke prioriteit)

Referentie: artikel 17, lid 3, punt d)

Tekstveld: [300]

2.1.1.

Specifieke doelstelling (herhaald voor elke geselecteerde specifieke doelstelling)

Referentie: artikel 17, lid 3, punt e)

Tekstveld: [300]

2.1.2.

Gerelateerde soorten acties en de bijdrage ervan aan die specifieke doelstellingen en aan macroregionale strategieën en zeebekkenstrategieën, indien van toepassing

Referentie: artikel 17, lid 3, punt e), i), en lid 9, punt c), ii)

Tekstveld [7 000]

Voor de programma’s Interact en Espon:

Referentie: artikel 17, lid 9, punt c), i)

Definitie van één enkele begunstigde of een beperkte lijst van begunstigden en de toekenningsprocedure

Tekstveld [7 000]

2.1.3.

Indicatoren

Referentie: artikel 17, lid 3, punt e), ii), en lid 9, punt c), iii)

Tabel 2

Outputindicatoren

Prioriteit

Specifieke doelstelling

ID

[5]

Indicator

Meeteenheid

[255]

Mijlpaal (2024)

[200]

Einddoel (2029)

[200]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Tabel 3

Resultaatindicatoren

Prioriteit

Specifieke doelstelling

ID

Indicator

Meet-eenheid

Uitgangs-waarde

Referentie-jaar

Einddoel (2029)

Gegevens-bron

Opmerkingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2.1.4.

Voornaamste doelgroepen

Referentie: artikel 17, lid 3, punt e), iii), en lid 9, punt c), iv)

Tekstveld [7 000]

2.1.5.

Indicatie van de beoogde specifieke gebieden, met inbegrip van het geplande gebruik van geïntegreerde territoriale investering, vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling of andere territoriale instrumenten

Referentie: artikel 17, lid 3, punt e), iv)

Tekstveld [7 000]

2.1.6.

Gepland gebruik van financieringsinstrumenten

Referentie: artikel 17, lid 3, punt e), v)

Tekstveld [7 000]

2.1.7.

Indicatieve uitsplitsing van de EU-programmamiddelen naar interventietype

Referentie: artikel 17, lid 3, punt e), vi), en lid 9, punt c), v)

Tabel 4

Dimensie 1 — Interventiegebied

Nr. van de prioriteit

Fonds

Specifieke doelstelling

Code

Bedrag (in EUR)

 

 

 

 

 


Tabel 5

Dimensie 2 — Financieringsvorm

Nr. van de prioriteit

Fonds

Specifieke doelstelling

Code

Bedrag (in EUR)

 

 

 

 

 


Tabel 6

Dimensie 3 — Territoriale uitvoeringsmechanismen en territoriale focus

Nr. van de prioriteit

Fonds

Specifieke doelstelling

Code

Bedrag (in EUR)

 

 

 

 

 

3.

Financieringsplan

Referentie: artikel 17, lid 3, punt f)

3.1

Financiële toewijzingen per jaar

Referentie: artikel 17, lid 3, punt g), i), en lid 4, punten a) tot en met d)

Tabel 7

Fonds

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Totaal

EFRO

(doelstelling “Europese territoriale samenwerking”)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

IPA III-CBC (1)

 

 

 

 

 

 

 

 

NDICI-CBC (1)

 

 

 

 

 

 

 

 

IPA III (2)

 

 

 

 

 

 

 

 

NDICI (2)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

PLGO (3)

 

 

 

 

 

 

 

 

Interreg-fondsen (4)

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

 

 

 

 

 

 

 

 

3.2

Totale financiële toewijzingen per fonds en nationale medefinanciering

Referentie: artikel 17, lid 3, punt f), ii), en lid 4, punten a) tot en met d)

Tabel 8

Beleids-doelstelling nr.

Prioriteit

Fonds

(voor zover van toepassing)

Berekenings-grondslag voor de EU-steun (totaal aan subsidiabele kosten of publieke bijdrage)

EU-bijdrage

(a) = (a1) + (a2)

Indicatieve uitsplitsing van EU-bijdrage

Nationale bijdrage

(b)=(c)+(d)

Indicatieve uitsplitsing van de nationale bijdrage

Totaal

(e)=(a)+(b)

Medefinancierings-percentage

(f)=(a)/(e)

Bijdragen van de derde landen

(ter informatie)

zonder technische bijstand op grond van artikel 27, lid 1 (a1)

zonder technische bijstand op grond van artikel 27, lid 1

(a2)

Nationaal overheid

(c)

Nationaal particulier

(d)

 

Prioriteit 1

EFRO

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

IPA III-CBC (5)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

NDICI-CBC (5)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

IPA III (6)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

NDICI (6)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

PLGO (7)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Interreg-fondsen (8)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Prioriteit 2

(fondsen als hierboven)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

Alle fondsen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

EFRO

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

IPA III-CBC

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

NDICI-CBC

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

IPA III

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

NDICI

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

PLGO

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Interreg-fondsen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

Alle fondsen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

4.

Maatregel die is genomen om de relevante partners te betrekken bij de opstelling van het Interreg-programma en de rol van die programmapartners bij de uitvoering, de monitoring en de evaluatie

Referentie: artikel 17, lid 3, punt g)

Tekstveld [10 000]

5.

Aanpak van de communicatie en zichtbaarheid met betrekking tot het Interreg-programma (de doelstellingen, het doelpubliek, de communicatiekanalen, inclusief de communicatieactiviteiten op sociale media, indien nodig, de geplande begroting en de toepasselijke indicatoren voor monitoring en evaluatie)

Referentie: artikel 17, lid 3, punt h)

Tekstveld [4 500]

6.

Indicatie van de steun aan kleinschalige projecten, met inbegrip van kleine projecten in het kader van fondsen voor kleinschalige projecten.

Referentie: artikel 17, lid 3, punt i), artikel 24

Tekstveld [7 000]

7.

Uitvoeringsbepalingen

7.1.

Programma-autoriteiten

Referentie: artikel 17, lid 6, punt a)

Tabel 9

Programma-autoriteiten

Naam van de instelling [255]

Naam van de contactpersoon [200]

E-mailadres [200]

Beheerautoriteit

 

 

 

Nationale autoriteit (voor programma’s met deelnemende derde landen of partnerlanden, indien van toepassing)

 

 

 

Auditautoriteit

 

 

 

Groep vertegenwoordigers van auditors

 

 

 

Instantie waaraan de Commissie de betalingen verricht

 

 

 

7.2.

Procedure voor het instellen van het gemeenschappelijk secretariaat

Referentie: artikel 17, lid 6, punt b)

Tekstveld [3 500]

7.3

Verdeling van de aansprakelijkheden onder de deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden en LGO’s, in het geval van financiële correcties die door de beheerautoriteit of de Commissie worden opgelegd

Referentie: artikel 17, lid 6, punt c)

Tekstveld [10 500]

8.

gebruik van eenheidskosten, vaste bedragen, vaste percentages en niet aan kosten gekoppelde financiering

Referentie: artikelen 94 en 95 van Verordening (EU) 2021/1060 (GB-verordening)

Tabel 10

Gebruik van eenheidskosten, vaste bedragen, vaste percentages en niet aan kosten gekoppelde financiering

Beoogd gebruik van de artikelen 94 en 95

JA

NEEN

Vanaf de goedkeuring zal in het kader van het programma gebruik worden gemaakt van de vergoeding van de Uniebijdrage op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages per prioriteit overeenkomstig artikel 94 van de GB-verordening (zo ja, vul aanhangsel 1 in)

Vanaf de goedkeuring zal in het kader van het programma gebruik worden gemaakt van de vergoeding van de Uniebijdrage op basis van financiering die niet gekoppeld is aan kosten overeenkomstig artikel 95 van de GB-verordening (zo ja, vul aanhangsel 2 in)

Kaart

Kaart van het programmagebied


(1)  Interreg A, externe grensoverschrijdende samenwerking.

(2)  Interreg B en C.

(3)  Interreg B, C en D.

(4)  EFRO, IPA III, NDICI of PLGO, indien als één bedrag in het kader van Interreg B en C.

(5)  Interreg A, externe grensoverschrijdende samenwerking.

(6)  Interreg B en C.

(7)  Interreg B, C en D.

(8)  EFRO, IPA III, NDICI of PLGO, indien als één bedrag in het kader van Interreg B en C.


Aanhangsel 1

Uniebijdrage op basis van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages

Model voor de indiening van gegevens voor beoordeling door de Commissie

(artikel 94 van Verordening (EU) 2021/1060 (GB-verordening))

Datum van indiening van het voorstel

 

 

 

Dit aanhangsel is niet vereist wanneer vereenvoudige kostenopties op EU-niveau worden gebruikt, welke zijn vastgesteld bij de in artikel 94, lid 4, van de GB-verordening bedoelde gedelegeerde handeling.

A.   Samenvatting van de belangrijkste elementen

Prioriteit

Fonds

Specifieke doelstelling

Het geraamde aandeel van de totale financiële toewijzing binnen de prioriteit waarop de vereenvoudigde kostenopties zullen worden toegepast in % (raming)

Type(s) concrete actie

Indicator voor de vergoedingstrigger

Meeteenheid voor de indicator voor de vergoedingstrigger

Type vereenvoudigde kostenoptie (standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages)

Bedrag (in EUR) of percentage (in geval van vaste percentages) van de vereenvoudigde kostenopties

 

 

 

 

Code (1)

Beschrijving

Code (2)

Beschrijving

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.   Bijzonderheden per type concrete actie (in te vullen voor elk type concrete actie)

Heeft de beheerautoriteit steun ontvangen van een extern bedrijf om de onderstaande vereenvoudigde kosten op te stellen?

 

 

Zo ja, gelieve te vermelden welk extern bedrijf:

Ja/Neen— Naam van het externe bedrijf


1.1.

Beschrijving van het type concrete actie en tijdspad voor de uitvoering ervan (3)

 

1.2.

Specifieke doelstelling

 

1.3.

Indicator voor de vergoedingstrigger (4)

 

1.4.

Meeteenheid voor de indicator voor de vergoedingstrigger

 

1.5.

Bedrag per meeteenheid of percentage (voor vaste percentages) van de vereenvoudigde kostenopties

 

1.6.

Bedrag

 

1.7.

Categorieën kosten die worden gedekt door de eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

 

1.8.

Bestrijken deze categorieën kosten alle subsidiabele uitgaven van de concrete actie? (JA/NEEN)

 

1.9.

Verrekeningsmethode (5)

 

1.10.

Verificatie van de verwezenlijking van de geleverde eenheden

beschrijf welk(e) document(en)/systeem zal/zullen worden gebruikt om de verwezenlijking van de geleverde eenheden te verifiëren

beschrijf wat en door wie zal worden gecontroleerd tijdens de beheerverificaties

beschrijf wat de regelingen zijn om de relevante gegevens/documenten te verzamelen en op te slaan

 

1.11.

Mogelijke averechtse prikkels, mitigerende maatregelen (6) en het geraamde risiconiveau (hoog/medium/laag)

 

1.12.

Totaalbedrag (nationaal en voor de EU) dat naar verwachting door de Commissie op deze basis zal worden vergoed

 

C.   Berekening van de standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages

1.

Bron van de gegevens die worden gebruikt voor de berekening van de standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages (wie de gegevens heeft geproduceerd, verzameld en geregistreerd; waar de gegevens zijn opgeslagen; vervaldata; validering, enz.):

 

2.

Gelieve aan te geven waarom de voorgestelde methode en berekening op basis van artikel 88, lid 2, van de GB-verordening relevant zijn voor het type concrete actie:

 

3.

Gelieve aan te geven hoe de berekeningen zijn uitgevoerd, met name door eventuele veronderstellingen ten aanzien van kwaliteit of hoeveelheden te beschrijven. Indien relevant, moeten statistische bewijzen en referentiewaarden worden gebruikt en, indien verzocht, verstrekt in een formaat dat kan worden gebruikt door de Commissie:

 

4.

Gelieve uit te leggen hoe u ervoor heeft gezorgd dat alleen subsidiabele uitgaven zijn opgenomen in de berekening van de standaardschaal van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages:

 

5.

Beoordeling door de auditautoriteiten van de berekeningsmethode, de bedragen en de regelingen om de verificatie, kwaliteit, verzameling en opslag van gegevens te waarborgen:

 


(1)  Dit verwijst naar de code van de interventiegebiedsdimensie in tabel 1 van bijlage I bij de GB-verordening.

(2)  Dit verwijst naar de code van de gemeenschappelijke indicator, indien van toepassing.

(3)  Beoogde aanvangsdatum van de selectie van acties en beoogde einddatum van de voltooiing ervan (zie artikel 63, lid 5, van de GB-verordening).

(4)  Voor acties die meerdere vereenvoudigde kostenopties omvatten die verschillende categorieën kosten, verschillende projecten of opeenvolgende fases van een actie bestrijken, moeten de velden 1.3 tot en met 1.11 voor elke indicator voor de vergoedingstrigger worden ingevuld.

(5)  Geef, indien van toepassing, de frequentie en timing van de verrekening aan en een duidelijke verwijzing naar een specifieke indicator (met een link naar de website waar de indicator staat gepubliceerd, indien van toepassing).

(6)  Zijn er mogelijke negatieve implicaties voor de kwaliteit van de ondersteunde acties en, zo ja, welke maatregelen (zoals kwaliteitsverzekering) worden genomen om het risico af te dekken?


Aanhangsel 2

Uniebijdrage op basis van financiering die niet gekoppeld is aan kosten

Model voor de indiening van gegevens voor beoordeling door de Commissie

(artikel 95 van Verordening (EU) 2021/1060 (de GB-verordening))

Datum van indiening van het voorstel

 

 

 

Dit aanhangsel is niet vereist wanneer bedragen worden gebruikt voor financiering op EU-niveau dat niet gekoppeld is aan kosten die zijn vastgesteld bij de in artikel 95, lid 4, van de GB-verordening bedoelde gedelegeerde handeling.

A.   Samenvatting van de belangrijkste elementen

Prioriteit

Fonds

Specifieke doelstelling

Het totale bedrag dat wordt gedekt door niet aan kosten gekoppelde financiering

Type(s) concrete actie

Voorwaarden waaraan moet worden voldaan of resultaten die moeten worden verwezenlijkt die vergoeding door de Commissie triggeren

Indicator

Meeteenheid voor de voorwaarden waaraan moet worden voldaan of resultaten die moeten worden verwezenlijkt die vergoeding door de Commissie triggeren

Beoogd type vergoedingsmethode die wordt gebruikt om de begunstigde(n) te vergoeden

 

 

 

 

Code (1)

Beschrijving

 

Code (2)

Beschrijving

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.   Bijzonderheden per type concrete actie (in te vullen voor elk type concrete actie)

1.1.

Beschrijving van het type concrete actie

 

1.2.

Specifieke doelstelling

 

1.3.

Voorwaarden waaraan moet worden voldaan of te behalen resultaten

 

1.4.

Termijn om aan de voorwaarden te voldoen of de resultaten te behalen

 

1.5.

Meeteenheid voor de voorwaarden waaraan moet worden voldaan of resultaten die moeten worden verwezenlijkt die vergoeding door de Commissie triggeren

 

1.6.

Tussentijdse te behalen prestaties (indien van toepassing) die aanleiding geven tot terugbetaling door de Commissie, met tijdschema voor terugbetalingen

Tussentijdse te behalen prestaties

Beoogde datum

Bedragen (in EUR)

 

 

 

 

 

 

1.7.

Totaalbedrag (inclusief Unie- en nationale financiering)

 

1.8.

Verrekeningsmethode

 

1.9.

Verificatie van de verwezenlijking van het resultaat of de voorwaarde (en, indien van toepassing, de tussentijdse prestaties)

beschrijf welk(e) document(en)/systeem zal/zullen worden gebruikt om de verwezenlijking van het resultaat of de voorwaarde te verifiëren (en waar relevant elk van de tussentijds te behalen resultaten)

beschrijf hoe en door wie beheerverificaties (worden verricht

beschrijf wat de regelingen zijn om de relevante gegevens/documenten te verzamelen en op te slaan

 

1.10.

Gebruik van subsidies in de vorm van financiering die niet aan kosten gekoppeld is/Heeft de door de lidstaat aan de begunstigden verstrekte subsidie de vorm van financiering die niet gekoppeld is aan kosten? (JA/NEEN)

 

1.11.

Regelingen om het auditspoor te waarborgen

Vermeld de instantie(s) die verantwoordelijk is (zijn) voor deze regelingen.

 


(1)  Dit verwijst naar de code voor de interventiegebiedsdimensie in tabel 1 van bijlage I bij de GB-verordening en bijlage IV bij de EFMZVA-verordening.

(2)  Dit verwijst naar de code van een gemeenschappelijke indicator, indien van toepassing.


Aanhangsel 3

Lijst met geplande concrete acties van strategisch belang met een tijdschema — Artikel 17, lid 3

Tekstveld [2 000]


Top