Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32017D0939

Besluit (EU) 2017/939 van de Raad van 11 mei 2017 betreffende de sluiting namens de Europese Unie van het Verdrag van Minamata inzake kwik

OJ L 142, 2.6.2017, p. 4–39 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2017/939/oj

2.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 142/4


BESLUIT (EU) 2017/939 VAN DE RAAD

van 11 mei 2017

betreffende de sluiting namens de Europese Unie van het Verdrag van Minamata inzake kwik

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, in samenhang met artikel 218, lid 6,tweede alinea, onder a),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Besluit (EU) 2017/938 van de Raad van 23 september 2013 (2) is het Verdrag van Minamata inzake kwik („het Verdrag”) namens de Europese Unie ondertekend op 10 oktober 2013, onder voorbehoud van de sluiting ervan op een latere datum.

(2)

Het Verdrag is aangenomen in Kumamoto op 10 oktober 2013. Het Verdrag biedt een kader om het gebruik en antropogene emissies en lozingen van kwik en kwikverbindingen in lucht, water en bodem te beheersen en te beperken met het oog op de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu.

(3)

Kenmerkend voor kwik is het grensoverschrijdende karakter van de stof. Daarom is wereldwijde actie vereist als aanvulling op interne maatregelen om de bescherming van burgers en het milieu in de hele Unie te waarborgen.

(4)

In het Zevende Milieuactieprogramma (3) worden langetermijnacties vastgesteld voor een niet-toxisch milieu en wordt vermeld dat maatregelen moeten worden genomen om in 2020 te hebben gezorgd voor minimalisering van de aanzienlijke schadelijke effecten van chemische stoffen op de volksgezondheid en het milieu.

(5)

Met de strategie van de Gemeenschap voor kwik uit 2005, als herzien in 2010, wordt beoogd de emissie van kwik te verminderen, het aanbod van en de vraag naar kwik te beperken, bescherming te bieden tegen blootstelling aan kwik en internationale maatregelen voor kwik te bevorderen.

(6)

De Raad bevestigt opnieuw zijn engagement, als weergegeven in zijn conclusies van 14 maart 2011, voor het algemene doel de volksgezondheid en het milieu te beschermen tegen het vrijkomen van kwik en kwikverbindingen door het vrijkomen in lucht, water en bodem van door de mens geloosd kwik tot een minimum te beperken en, waar mogelijk, uiteindelijk wereldwijd te elimineren. Het Verdrag draagt bij tot de verwezenlijking van deze doelstellingen.

(7)

Overeenkomstig artikel 30, lid 3, van het Verdrag dient de Unie in de akte van goedkeuring de omvang van haar bevoegdheid ter zake van door het Verdrag geregelde aangelegenheden te vermelden.

(8)

Het Verdrag dient te worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het Verdrag van Minamata inzake kwik wordt namens de Europese Unie goedgekeurd.

De in artikel 30, lid 3, van het Verdrag voorgeschreven bevoegdheidsverklaring wordt eveneens goedgekeurd.

De tekst van het Verdrag en de bevoegdheidsverklaring zijn aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wijst de persoon (personen) aan die gemachtigd is (zijn) om namens de Unie de akte van goedkeuring waarin artikel 30, lid 1, van het Verdrag voorziet, samen met de bevoegdheidsverklaring, neer te leggen.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 11 mei 2017.

Voor de Raad

De voorzitter

R. GALDES


(1)  Goedkeuring gegeven op 27 april 2017 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Besluit (EU) 2017/938 van de Raad van 23 september 2013 betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie, van het Verdrag van Minamata inzake kwik (zie blz. 2 van dit Publicatieblad).

(3)  Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 „Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet” (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171).


VERTALING

BIJLAGE

VERDRAG VAN MINAMATA INZAKE KWIK

De partijen bij dit Verdrag,

Erkennend dat kwik een chemische stof is die mondiaal reden geeft tot bezorgdheid vanwege de verspreiding ervan over lange afstand in de atmosfeer, persistente aanwezigheid ervan in het milieu na de antropogene introductie, de mogelijkheid tot bioaccumulatie ervan in ecosystemen en de aanzienlijke schadelijke gevolgen ervan voor de menselijke gezondheid en het milieu,

Herinnerend aan besluit 25/5 van 20 februari 2009 van de Beheerraad van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties om de aanzet te geven tot internationale actie om kwik op efficiënte, effectieve en samenhangende wijze te beheren,

Herinnerend aan paragraaf 221 van het slotdocument „The future we want” van de Conferentie van de Verenigde Naties inzake duurzame ontwikkeling waarin werd opgeroepen tot succesvolle afronding van de onderhandelingen over een mondiaal, juridisch bindend instrument inzake kwik teneinde de gevaren voor de menselijke gezondheid en het milieu aan te pakken,

Herinnerend aan de herbevestiging door de Conferentie van de Verenigde Naties inzake duurzame ontwikkeling van de beginselen van de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling, met inbegrip van onder meer gemeenschappelijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden, en erkennend de onderscheiden omstandigheden en mogelijkheden van staten en de noodzaak van wereldwijde actie,

Zich bewust van de gezondheidsproblemen, in het bijzonder in ontwikkelingslanden, als gevolg van de blootstelling aan kwik van kwetsbare bevolkingsgroepen, met name vrouwen, kinderen, en, via hen, toekomstige generaties,

Gelet op de bijzondere kwetsbaarheid van arctische ecosystemen en inheemse gemeenschappen vanwege de biomagnificatie van kwik en de verontreiniging van traditioneel voedsel en bezorgd zijnde over de inheemse gemeenschappen meer in het algemeen vanwege de gevolgen van kwik,

Gezien de belangrijke lessen van de Minamataziekte, met name de ernstige gezondheids- en milieueffecten van kwikverontreiniging en de noodzaak ervoor te zorgen dat kwik op de juiste wijze wordt beheerd en dat dergelijke gebeurtenissen in de toekomst worden voorkomen,

Het belang benadrukkend van financiële, technische en technologische ondersteuning en capaciteitsopbouw, met name voor ontwikkelingslanden en landen met een overgangseconomie, teneinde de nationale mogelijkheden om kwik te beheren te versterken en de effectieve uitvoering van het Verdrag te bevorderen,

Tevens de activiteiten van de Wereldgezondheidsorganisatie ter bescherming van de menselijke gezondheid tegen kwik en de rol van relevante multilaterale milieuverdragen erkennend, in het bijzonder het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan en het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel,

Erkennend dat dit Verdrag en andere internationale verdragen op het gebied van milieu en handel elkaar ondersteunen,

Benadrukkend dat niets in dit Verdrag bedoeld is om de rechten en verplichtingen van partijen die voortvloeien uit bestaande internationale verdragen aan te tasten,

In het besef dat met bovenstaande overweging niet beoogd wordt een hiërarchie aan te brengen tussen dit Verdrag en andere internationale instrumenten,

Vaststellend dat niets in dit Verdrag een partij belet aanvullende nationale maatregelen te nemen die verenigbaar zijn met de bepalingen van dit Verdrag bij inspanningen om de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen tegen blootstelling aan kwik in overeenstemming met de overige verplichtingen van die partij uit hoofde van het toepasselijke internationale recht,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1

Doelstelling

Dit Verdrag heeft tot doel de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen tegen antropogene emissies en lozingen van kwik en kwikverbindingen.

Artikel 2

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

a)   „ambachtelijke en kleinschalige goudwinning”: het delven van goud door individuele mijnwerkers of kleine ondernemingen met een beperkte kapitaalinvestering en productie;

b)   „beste beschikbare technieken”: de technieken die het effectiefst zijn bij het voorkomen en, wanneer dat praktisch niet mogelijk is, verminderen van emissies en lozingen van kwik in lucht, water en bodem en de gevolgen van deze emissies en lozingen voor het milieu als geheel, rekening houdend met economische en technische overwegingen voor een bepaalde partij of bepaalde faciliteit op het grondgebied van die partij. In deze context betekent:

„beste”: het effectiefst bij het bereiken van een hoog algemeen beschermingsniveau voor het milieu als geheel;

„beschikbare” technieken: met betrekking tot een bepaalde partij en een bepaalde faciliteit op het grondgebied van die partij, de technieken die zijn ontwikkeld op een schaal die toepassing in de desbetreffende industriële sector onder economisch en technisch haalbare omstandigheden mogelijk maakt, met inachtneming van de kosten en baten, ongeacht of deze technieken worden gebruikt of ontwikkeld op het grondgebied van die partij, mits deze toegankelijk zijn voor de exploitant van de faciliteit zoals vastgesteld door die partij, alsmede

„technieken”: gebruikte technologieën, operationele praktijken en de wijze waarop installaties worden ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld;

c)   „beste milieupraktijken”: toepassing van de meest geschikte combinatie van maatregelen en strategieën ten behoeve van milieubeheer;

d)   „kwik”: elementair kwik (Hg(0), CAS no. 7439-97-6);

e)   „kwikverbinding”: een stof die bestaat uit kwikatomen en een of meer atomen van andere chemische elementen, die uitsluitend door een chemische reactie in verschillende componenten kan worden gesplitst;

f)   „kwikhoudend product”: een product of een onderdeel ervan waaraan opzettelijk kwik of een kwikverbinding is toegevoegd;

g)   „partij”: een staat of regionale organisatie voor economische integratie die ermee heeft ingestemd door dit Verdrag te worden gebonden en ten aanzien waarvan het Verdrag van kracht is;

h)   „aanwezige partijen die hun stem uitbrengen”: partijen die aanwezig zijn en voor- of tegenstemmen tijdens een vergadering van de partijen;

i)   „primaire kwikmijnbouw”: mijnbouw waarbij het delven van kwik het hoofddoel is;

j)   „regionale organisatie voor economische integratie”: een organisatie samengesteld uit soevereine staten van een bepaalde regio waaraan de lidstaten daarvan de bevoegdheid ten aanzien van bij dit Verdrag geregelde aangelegenheden hebben overgedragen en die in overeenstemming met haar eigen procedures naar behoren gemachtigd is dit Verdrag te ondertekenen, te bekrachtigen, te aanvaarden, goed te keuren of hiertoe toe te treden, alsmede

k)   „toegestaan gebruik”: elk gebruik door een partij van kwik of kwikverbindingen die in overeenstemming is met dit Verdrag, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, gebruik in overeenstemming met de artikelen 3, 4, 5, 6 en 7.

Artikel 3

Bronnen voor het aanbod aan kwik en de handel erin

1.   Voor de toepassing van dit artikel:

a)

omvatten verwijzingen naar „kwik” mengsels van kwik met andere stoffen, waaronder kwiklegeringen, met een kwikconcentratie van ten minste 95 gewichtsprocent, alsmede

b)

wordt onder „kwikverbindingen” verstaan kwik(I)chloride (ook bekend als kalomel), kwik(II)oxide, kwik(II)sulfaat, kwik(II)nitraat, cinnaber en kwiksulfide.

2.   De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op:

a)

hoeveelheden kwik of kwikverbindingen die voor onderzoek op laboratoriumschaal of als referentienorm worden gebruikt, of

b)

van nature voorkomende sporen kwik of kwikverbindingen die aanwezig zijn in producten zoals andere kwikvrije metalen, ertsen of minerale producten, waaronder kool, of producten die van deze materialen zijn afgeleid, en sporen die onbedoeld in chemische producten zijn terechtgekomen, of

c)

kwikhoudende producten.

3.   Geen van de partijen staat primaire kwikmijnbouw toe die niet reeds op haar grondgebied plaatsvond op de datum waarop het Verdrag ten aanzien van haar in werking trad.

4.   Elke partij staat uitsluitend primaire kwikmijnbouw toe die reeds op haar grondgebied plaatsvond op de datum waarop het Verdrag voor haar in werking trad tot een termijn van ten hoogste vijftien jaar na deze datum. Gedurende deze termijn wordt het bij deze mijnbouw gewonnen kwik uitsluitend gebruikt bij de vervaardiging van kwikhoudende producten in overeenstemming met artikel 4, of bij productieprocessen in overeenstemming met artikel 5, of verwijderd in overeenstemming met artikel 11, zonder handelwijzen die leiden tot terugwinning, hergebruik, recuperatie, direct hergebruik of alternatief gebruik.

5.   Elke partij:

a)

streeft ernaar individuele voorraden kwik of kwikverbindingen van meer dan 50 ton, alsmede bronnen waaruit kwik wordt gewonnen die voorraden opleveren van meer dan 10 ton per jaar die zich op haar grondgebied bevinden te identificeren;

b)

treft maatregelen om te waarborgen dat het overtollige kwik dat overblijft na de ontmanteling van chloor-alkalifaciliteiten wordt verwijderd in overeenstemming met de richtlijnen voor milieuverantwoord beheer bedoeld in artikel 11, derde lid, onderdeel a, zonder handelwijzen die leiden tot terugwinning, hergebruik, recuperatie, direct hergebruik of alternatief gebruik.

6.   Geen van de partijen staat de export van kwik toe, uitgezonderd:

a)

naar een partij die de exporterende partij haar schriftelijke toestemming heeft doen toekomen en dan uitsluitend ten behoeve van:

i)

een gebruik dat de importerende partij ingevolge dit Verdrag is toegestaan, of

ii)

milieuverantwoorde tijdelijke opslag zoals vervat in artikel 10, of

b)

naar een staat die geen partij is die de exporterende partij zijn schriftelijke toestemming heeft doen toekomen met inbegrip van een verklaring waaruit blijkt dat:

i)

de staat die geen partij is maatregelen heeft genomen om de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu en de naleving van de bepalingen van de artikelen 10 en 11 te waarborgen, alsmede

ii)

dit kwik uitsluitend bestemd is voor een gebruik dat een partij ingevolge dit Verdrag is toegestaan of voor milieuverantwoorde tijdelijke opslag zoals vervat in artikel 10.

7.   Voor de schriftelijke toestemming die ingevolge het zesde lid vereist is kan een exporterende partij zich baseren op een algemene kennisgeving aan het Secretariaat door de importerende partij of staat die geen partij is. In deze algemene kennisgeving staan de voorwaarden vermeld waaronder de importerende partij of staat die geen partij is toestemming verleent. De kennisgeving kan te allen tijde door deze partij of staat die geen partij is worden ingetrokken. Het Secretariaat houdt een openbaar register bij van al deze kennisgevingen.

8.   Geen van de partijen staat de import van kwik toe uit een staat die geen partij is waaraan zij haar schriftelijke toestemming zal verlenen, tenzij de staat die geen partij is een verklaring heeft overgelegd dat het kwik niet afkomstig is uit bronnen die ingevolge lid 3 of lid 5, onderdeel b, als niet toegestaan worden aangemerkt.

9.   Een partij die ingevolge het zevende lid een algemene kennisgeving van toestemming indient, kan beslissen het achtste lid niet toe te passen, mits zij uitgebreide beperkingen blijft stellen aan de export van kwik en nationale maatregelen heeft genomen om te waarborgen dat geïmporteerd kwik op milieuverantwoorde wijze wordt beheerd. De partij verstrekt het Secretariaat een kennisgeving van deze beslissing, met inbegrip van informatie over haar exportbeperkingen en nationale regelgevende maatregelen, alsmede informatie over de hoeveelheden en de landen van herkomst van kwik dat wordt geïmporteerd uit staten die geen partij zijn. Het Secretariaat houdt een openbaar register bij van al deze kennisgevingen. Het Comité uitvoering en naleving toetst en evalueert deze kennisgevingen en ondersteunende informatie in overeenstemming met artikel 15 en kan, in voorkomend geval, aanbevelingen doen aan de Conferentie van de partijen.

10.   De in het negende lid vervatte procedure kan worden gevolgd tot de afsluiting van de tweede vergadering van de Conferentie van de partijen. Daarna kan de procedure niet meer worden gevolgd, tenzij de Conferentie van de partijen bij eenvoudige meerderheid van de aanwezige partijen die hun stem uitbrengen anders beslist, behalve ten aanzien van een partij die voor het einde van de tweede vergadering van de Conferentie van de partijen een kennisgeving ingevolge het negende lid heeft verstrekt.

11.   In de verslagen die elke partij ingevolge artikel 21 indient wordt informatie opgenomen waaruit blijkt dat aan de vereisten van dit artikel is voldaan.

12.   De Conferentie van de partijen verstrekt tijdens haar eerste vergadering nadere richtlijnen met betrekking tot dit artikel, met name ten aanzien van het vijfde lid, onderdeel a, het zesde en achtste lid, en stelt de vereiste inhoud op van de in het zesde lid, onderdeel b, en achtste lid, bedoelde verklaring en neemt deze aan.

13.   De Conferentie van de partijen evalueert of de handel in bepaalde kwikverbindingen de doelstelling van dit Verdrag in gevaar brengt en bestudeert of het zesde en achtste lid van toepassing dienen te worden op bepaalde kwikverbindingen door deze op te nemen in een aanvullende bijlage die in overeenstemming met artikel 27 wordt aangenomen.

Artikel 4

Kwikhoudende producten

1.   Elk van de partijen zorgt er door het nemen van passende maatregelen voor dat de productie, import of export van kwikhoudende producten vermeld in deel I van bijlage A niet is toegestaan na de voor die producten gespecificeerde datum van uitfasering, behalve wanneer er een uitzondering is gespecificeerd in bijlage A of wanneer de partij een geregistreerde vrijstelling ingevolge artikel 6 heeft.

2.   Een partij kan, als alternatief voor het eerste lid, op het tijdstip van bekrachtiging of zodra een wijziging van bijlage A voor haar in werking treedt, aangeven dat zij andere maatregelen of strategieën uitvoert om de in deel I van bijlage A vermelde producten aan te pakken. Een partij kan uitsluitend voor dit alternatief kiezen, indien zij kan aantonen dat zij de productie, import en export van het overgrote deel van de in deel I van bijlage A vermelde producten reeds tot een „de-minimis”-niveau heeft teruggebracht en dat zij maatregelen of strategieën heeft ingevoerd om het gebruik van kwik in aanvullende, niet in deel I van bijlage A vermelde producten te verminderen op het moment waarop de partij het Secretariaat in kennis stelt van haar beslissing van dit alternatief gebruik te maken. Een partij die voor dit alternatief kiest, dient daarnaast:

a)

bij de eerste gelegenheid aan de Conferentie van de partijen verslag uit te brengen van de ingevoerde maatregelen of strategieën, met inbegrip van een kwantificering van de bereikte reducties;

b)

maatregelen of strategieën toe te passen om het gebruik van kwik te verminderen in producten die in deel I van bijlage A zijn vermeld waarvoor nog geen „de-minimis”-waarde is behaald;

c)

aanvullende maatregelen te overwegen om verdere reducties te bewerkstelligen, alsmede

d)

geen beroep te kunnen doen op vrijstellingen ingevolge artikel 6 voor een productcategorie waarvoor dit alternatief is gekozen.

Uiterlijk vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag toetst de Conferentie van de partijen, als onderdeel van de toetsingsprocedure ingevolge het achtste lid, de voortgang en effectiviteit van de ingevolge dit lid genomen maatregelen.

3.   Elke partij neemt maatregelen voor kwikhoudende producten vermeld in deel II van bijlage A in overeenstemming met de daarin vervatte bepalingen.

4.   Het Secretariaat verzamelt en houdt op basis van door de partijen verstrekte informatie, informatie bij over kwikhoudende producten en hun alternatieven en stelt deze informatie algemeen beschikbaar. Het Secretariaat stelt ook andere relevante informatie die door de partijen is ingediend algemeen beschikbaar.

5.   Elke partij neemt maatregelen om te voorkomen dat kwikhoudende producten waarvan de productie, import en export ingevolge dit artikel niet zijn toegestaan, worden opgenomen in samengestelde producten.

6.   Elke partij ontmoedigt de productie en commerciële distributie van kwikhoudende producten die niet vallen onder het gebruik van kwikhoudende producten zoals dat tot op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag voor die partij bekend was, tenzij een beoordeling van de risico's en voordelen van het product aantoont dat het product voordelen voor het milieu en de menselijke gezondheid oplevert. De partijen voorzien het Secretariaat, in voorkomend geval, van informatie over een dergelijk product, met inbegrip van informatie over de risico's en voordelen voor het milieu en de menselijke gezondheid van dit product. Het Secretariaat stelt deze informatie algemeen beschikbaar.

7.   Elke partij kan bij het Secretariaat een voorstel indienen voor het vermelden in bijlage A van een kwikhoudend product, met inbegrip van informatie over de beschikbaarheid, technische en economische haalbaarheid en risico's en voordelen voor het milieu en de gezondheid van de kwikvrije alternatieven voor het product, rekening houdend met informatie ingevolge het vierde lid.

8.   Uiterlijk vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag toetst de Conferentie van de partijen bijlage A en kan zij wijzigingen van die bijlage in overweging nemen in overeenstemming met artikel 27.

9.   Bij de toetsing van bijlage A overeenkomstig het achtste lid houdt de Conferentie van de partijen ten minste rekening met:

a)

elk voorstel dat ingevolge het zevende lid wordt ingediend;

b)

de informatie die overeenkomstig het vierde lid beschikbaar is gesteld, alsmede

c)

de beschikbaarheid voor de partijen van kwikvrije alternatieven die technisch en economisch haalbaar zijn, rekening houdend met de risico's en voordelen voor het milieu en de menselijke gezondheid.

Artikel 5

Productieprocessen waarbij kwik of kwikverbindingen worden gebruikt

1.   Voor de toepassing van dit artikel en bijlage B omvatten productieprocessen waarbij kwik of kwikverbindingen worden gebruikt geen processen waarbij gebruik wordt gemaakt van kwikhoudende producten, processen voor het vervaardigen van kwikhoudende producten of processen waarbij kwikhoudend afval wordt verwerkt.

2.   Elke partij zorgt er door het nemen van passende maatregelen voor dat het gebruik van kwik of kwikverbindingen bij de in deel I van bijlage B vermelde productieprocessen niet is toegestaan na de in die bijlage gespecificeerde datum van uitfasering voor de individuele processen, tenzij de partij een geregistreerde vrijstelling ingevolge artikel 6 heeft.

3.   Elke partij neemt maatregelen om het gebruik van kwik of kwikverbindingen bij de in deel II van bijlage B vermelde processen te beperken in overeenstemming met de daarin vervatte bepalingen.

4.   Het Secretariaat verzamelt, op basis van door de partijen verstrekte informatie, informatie over processen waarbij kwik of kwikverbindingen worden gebruikt en hun alternatieven, houdt deze bij en stelt deze informatie algemeen beschikbaar. De partijen kunnen ook andere relevante informatie indienen, die door het Secretariaat algemeen beschikbaar wordt gesteld.

5.   Elke partij met een of meer faciliteiten waar kwik of kwikverbindingen worden gebruikt bij de in bijlage B vermelde productieprocessen:

a)

neemt maatregelen om de emissies en lozingen van kwik of kwikverbindingen door deze faciliteiten aan te pakken;

b)

neemt in haar ingevolge artikel 21 ingediende verslagen informatie op over de ingevolge dit lid genomen maatregelen, alsmede

c)

streeft ernaar faciliteiten op haar grondgebied te identificeren die kwik of kwikverbindingen gebruiken voor in bijlage B vermelde processen en dient uiterlijk drie jaar nadat het Verdrag voor haar in werking treedt bij het Secretariaat informatie in over het aantal en type faciliteiten en de geraamde jaarlijkse hoeveelheid kwik of kwikverbindingen die in deze faciliteiten worden gebruikt. Het Secretariaat stelt deze informatie algemeen beschikbaar.

6.   Geen van de partijen staat toe dat een faciliteit die niet bestond voor de datum waarop het Verdrag voor haar in werking trad kwik of kwikverbindingen gebruikt bij de in bijlage B vermelde productieprocessen. Voor deze faciliteiten gelden geen vrijstellingen.

7.   Elke partij ontmoedigt de ontwikkeling van faciliteiten die een ander productieproces gebruiken waarbij bewust kwik of kwikverbindingen worden gebruikt dat niet bestond voor de datum van inwerkingtreding van het Verdrag, tenzij de partij ten genoegen van de Conferentie van de partijen kan aantonen dat het productieproces aanzienlijke voordelen voor milieu en gezondheid biedt en dat er geen technisch en economisch haalbare kwikvrije alternatieven beschikbaar zijn die dezelfde voordelen bieden.

8.   De partijen worden aangemoedigd informatie uit te wisselen over relevante nieuwe technologische ontwikkelingen, economisch en technisch haalbare kwikvrije alternatieven en mogelijke maatregelen en technieken voor het verminderen en waar mogelijk beëindigen van het gebruik van kwik en kwikverbindingen in, en emissies en lozingen van kwik en kwikverbindingen bij, de in bijlage B vermelde productieprocessen.

9.   Elke partij kan een voorstel tot wijziging van bijlage B indienen voor vermelding van een productieproces waarbij kwik of kwikverbindingen worden gebruikt. Het voorstel omvat informatie over de beschikbaarheid, technische en economische haalbaarheid en risico's en voordelen voor milieu en gezondheid van de kwikvrije alternatieven voor het proces.

10.   Uiterlijk vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag toetst de Conferentie van de partijen bijlage B en kan zij wijzigingen van die bijlage in overweging nemen in overeenstemming met artikel 27.

11.   Bij toetsing van bijlage B ingevolge het tiende lid, houdt de Conferentie van de partijen ten minste rekening met:

a)

elk voorstel dat ingevolge het negende lid wordt ingediend;

b)

de informatie die ingevolge het vierde lid beschikbaar wordt gesteld, alsmede

c)

de beschikbaarheid voor de partijen van kwikvrije alternatieven die technisch en economisch haalbaar zijn, rekening houdend met de risico's en voordelen voor milieu en gezondheid.

Artikel 6

Vrijstellingen die partijen kunnen aanvragen

1.   Elke staat of regionale organisatie voor economische integratie kan een of meer vrijstellingen van de in bijlage A en bijlage B vermelde data van uitfasering, hierna te noemen „vrijstelling”, registreren door het Secretariaat hiervan schriftelijk in kennis te stellen:

a)

op het moment waarop hij of zij partij bij dit Verdrag wordt, of

b)

in het geval van een kwikhoudend product dat door een wijziging in bijlage A is opgenomen of een productieproces waarbij kwik wordt gebruikt dat door een wijziging is toegevoegd aan bijlage B, uiterlijk op de datum waarop de betreffende wijziging voor die partij in werking treedt.

Deze registratie gaat vergezeld van een verklaring waarin de partij toelicht waarom vrijstelling nodig is.

2.   Een vrijstelling kan worden geregistreerd voor een in bijlage A of B vermelde categorie of voor een subcategorie die door een staat of regionale organisatie voor economische integratie wordt geïdentificeerd.

3.   Elke partij met een of meer vrijstellingen wordt in een register opgenomen. Het Secretariaat legt het register aan, houdt het bij en stelt het algemeen beschikbaar.

4.   Het register omvat:

a)

een lijst van de partijen met een of meer vrijstellingen;

b)

de voor elke partij geregistreerde vrijstelling of vrijstellingen, alsmede

c)

de datum waarop elke vrijstelling verstrijkt.

5.   Tenzij een partij in het register een kortere termijn heeft aangegeven, verstrijken alle vrijstellingen ingevolge het eerste lid vijf jaar na de betreffende datum van uitfasering vermeld in bijlage A of B.

6.   De Conferentie van de partijen kan, op verzoek van een partij, beslissen een vrijstelling met vijf jaar te verlengen, tenzij de partij om een kortere termijn verzoekt. Bij haar beslissing houdt de Conferentie van de partijen terdege rekening met het volgende:

a)

een verslag van de partij waarin de noodzaak van verlenging van de vrijstelling wordt onderbouwd en een overzicht wordt gegeven van de ondernomen en geplande activiteiten om de noodzaak voor de vrijstelling zo snel mogelijk weg te nemen;

b)

beschikbare informatie, onder meer ten aanzien van de beschikbaarheid van alternatieve producten en processen die kwikvrij zijn of waarbij minder kwik wordt verbruikt dan bij het vrijgestelde gebruik, alsmede

c)

geplande of reeds in gang gezette activiteiten voor milieuverantwoorde opslag van kwik en verwijdering van kwikafval.

Een vrijstelling kan slechts eenmaal per product met ingang van de datum van uitfasering worden verlengd.

7.   Een partij kan een vrijstelling te allen tijde intrekken door middel van een schriftelijke kennisgeving aan het Secretariaat. De intrekking van een vrijstelling wordt van kracht op de datum vermeld in de kennisgeving.

8.   Niettegenstaande het eerste lid mag geen enkele staat of regionale organisatie voor economische integratie na vijf jaar na de datum van uitfasering van het betreffende in bijlage A of B vermeld product of proces een vrijstelling laten registreren, tenzij voor een of meer partijen een vrijstelling voor dat product of proces geregistreerd blijft, na ingevolge het zesde lid een verlenging te hebben gekregen. In dat geval kan een staat of regionale organisatie voor economische integratie, op de tijdstippen vervat in het eerste lid, in de onderdelen a en b, een vrijstelling voor dat product of proces laten registreren, die tien jaar na de betreffende datum van uitfasering verstrijkt.

9.   Voor geen van de partijen mag op enig moment na het verstrijken van tien jaar na de datum van uitfasering een vrijstelling van kracht zijn voor een product of proces vermeld in bijlage A of B.

Artikel 7

Ambachtelijke en kleinschalige goudwinning

1.   De maatregelen in dit artikel en in bijlage C zijn van toepassing op ambachtelijke en kleinschalige goudwinning en -verwerking waarbij goud uit erts onttrokken wordt door het met kwik te amalgameren.

2.   Elke partij op het grondgebied waarvan ambachtelijke en kleinschalige goudwinning en -verwerking plaatsvinden waarop dit artikel van toepassing is, neemt maatregelen om het gebruik van kwik en kwikverbindingen en emissies en lozingen in het milieu als gevolg van deze winning en verwerking te verminderen, en waar mogelijk, te beëindigen.

3.   Indien een partij op enig moment vaststelt dat de ambachtelijke en kleinschalige goudwinning en -verwerking op haar grondgebied niet onbetekenend zijn, stelt zij het Secretariaat hiervan in kennis. In dat geval:

a)

ontwikkelt en voert de partij een nationaal actieplan uit in overeenstemming met bijlage C;

b)

dient de partij haar nationale actieplan in bij het Secretariaat uiterlijk drie jaar nadat het Verdrag voor haar in werking is getreden of drie jaar na de kennisgeving aan het Secretariaat, naargelang van welke datum de laatste is, alsmede

c)

toetst de partij daarna elke drie jaar de voortgang die is geboekt bij het nakomen van haar verplichtingen ingevolge dit artikel en neemt deze toetsingen op in de verslagen die zij ingevolge artikel 21 indient.

4.   De partijen kunnen met elkaar en met relevante intergouvernementele organisaties en overige instanties samenwerken, in voorkomend geval, om de doelstellingen van dit artikel te verwezenlijken. Deze samenwerking kan bestaan uit:

a)

het ontwikkelen van strategieën om de verspreiding van kwik of kwikverbindingen voor gebruik bij de ambachtelijke en kleinschalige goudwinning en -verwerking te voorkomen;

b)

initiatieven voor voorlichting, bewustmaking en capaciteitsopbouw;

c)

het bevorderen van onderzoek naar duurzame kwikvrije alternatieven;

d)

het bieden van technische en financiële ondersteuning;

e)

partnerschappen ter ondersteuning van de nakoming van hun verplichtingen ingevolge dit artikel, alsmede

f)

het gebruik van bestaande mechanismen voor informatie-uitwisseling ter bevordering van kennis, beste milieupraktijken en alternatieve technologieën die milieutechnisch, technisch, maatschappelijk en economisch haalbaar zijn.

Artikel 8

Emissies

1.   Dit artikel heeft betrekking op het beheersen en, waar mogelijk, verminderen van de emissies van kwik en kwikverbindingen, vaak uitgedrukt als „totaal kwik”, in de atmosfeer door maatregelen om de emissies van puntbronnen die vallen onder de in bijlage D vermelde broncategorieën te beheersen.

2.   Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a)   „emissies”: emissies van kwik of kwikverbindingen in de atmosfeer;

b)   „relevante bron”: een bron die valt onder een van de in bijlage D vermelde broncategorieën. Een partij kan desgewenst criteria vaststellen om de bronnen die behoren tot een in bijlage D vermelde broncategorie te identificeren, mits de criteria voor een categorie ten minste 75 procent van de emissies uit die categorie omvatten;

c)   „nieuwe bron”: elke relevante bron in een categorie die in bijlage D is vermeld waarvan de bouw of ingrijpende wijziging is aangevangen ten minste een jaar na de datum van:

i)

inwerkingtreding van dit Verdrag voor de betrokken partij, of

ii)

inwerkingtreding voor de betrokken partij van een wijziging van bijlage D wanneer de bron uitsluitend uit hoofde van die wijziging onderworpen wordt aan de bepalingen van dit Verdrag;

d)   „ingrijpende wijziging”: een wijziging van een relevante bron die leidt tot een wezenlijke toename van emissies, uitgezonderd veranderingen van emissies die het gevolg zijn van de terugwinning van bijproducten. Het is aan de partij te beslissen of een wijziging al dan niet ingrijpend is;

e)   „bestaande bron”: elke relevante bron die geen nieuwe bron is;

f)   „emissiegrenswaarde”: de maximale door een puntbron uitgestoten concentratie, massa of het maximale emissieniveau van kwik of kwikverbindingen, vaak uitgedrukt als „totaal kwik”.

3.   Een partij met relevante bronnen neemt maatregelen om emissies te beheersen en kan een nationaal plan opstellen waarin de maatregelen worden beschreven die worden genomen om emissies te beheersen en de verwachte streefcijfers, doelstellingen en uitkomsten. De plannen worden ingediend bij de Conferentie van de partijen binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag voor die partij. Indien een partij een uitvoeringsplan ontwikkelt in overeenstemming met artikel 20, kan de partij daarin het plan dat ingevolge dit lid is opgesteld opnemen.

4.   Voor haar nieuwe bronnen eist elke partij het gebruik van de beste beschikbare technieken en de beste milieupraktijken om emissies te beheersen en, wanneer mogelijk, te verminderen, zo snel als praktisch uitvoerbaar is maar uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het Verdrag voor die partij in werking is getreden. Een partij kan emissiegrenswaarden hanteren die in overeenstemming zijn met de toepassing van de beste beschikbare technieken.

5.   Voor haar bestaande bronnen neemt elke partij een of meer van de volgende maatregelen op in haar nationale plannen, en voert deze uit, rekening houdend met haar nationale omstandigheden en de economische en technische haalbaarheid en betaalbaarheid van de volgende maatregelen, zo snel als praktisch uitvoerbaar is maar uiterlijk tien jaar na de datum waarop het Verdrag voor haar in werking is getreden:

a)

een gekwantificeerde doelstelling om emissies uit relevante bronnen te beheersen en, waar mogelijk, te verminderen;

b)

emissiegrenswaarden om emissies uit relevante bronnen te beheersen en, waar mogelijk, te verminderen;

c)

het gebruik van de beste beschikbare technieken en de beste milieupraktijken om emissies uit relevante bronnen te beheersen;

d)

een beheersingsstrategie voor meerdere vervuilende stoffen die bijkomende voordelen oplevert bij de beheersing van kwikemissies;

e)

alternatieve maatregelen om emissies uit relevante bronnen te verminderen.

6.   De partijen kunnen dezelfde maatregelen toepassen op alle bestaande relevante bronnen of andere maatregelen aannemen ten aanzien van elke broncategorie. Het doel van door een partij toegepaste maatregelen is redelijke vooruitgang te boeken met het in de loop der tijd verminderen van emissies.

7.   Elke partij stelt, zo snel als praktisch mogelijk is en uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het Verdrag voor haar in werking treedt, een inventaris op van de emissies uit relevante bronnen en houdt deze daarna bij.

8.   De Conferentie van de partijen neemt tijdens haar eerste vergadering richtlijnen aan voor:

a)

de beste beschikbare technieken en de beste milieupraktijken, rekening houdend met verschillen tussen nieuwe en bestaande bronnen en de noodzaak effecten op alle milieucompartimenten te minimaliseren, alsmede

b)

steun voor partijen bij het uitvoeren van de in het vijfde lid vervatte maatregelen, met name het bepalen van doelstellingen en vaststellen van emissiegrenswaarden.

9.   De Conferentie van de partijen neemt, zo snel als praktisch mogelijk is, richtlijnen aan voor:

a)

criteria die partijen ingevolge het tweede lid, onderdeel b, kunnen ontwikkelen;

b)

de methode voor het inventariseren van emissies.

10.   De Conferentie van de partijen toetst regelmatig de ingevolge het achtste en negende lid ontwikkelde richtlijnen en actualiseert deze indien nodig. De partijen nemen deze richtlijnen in acht bij het uitvoeren van de relevante bepalingen van dit artikel.

11.   Elke partij neemt informatie over de tenuitvoerlegging van dit artikel op in de verslagen die zij ingevolge artikel 21 indient, met name informatie over de maatregelen die zij genomen heeft in overeenstemming met het vierde tot en met het zevende lid en de effectiviteit van de maatregelen.

Artikel 9

Lozingen

1.   Dit artikel heeft betrekking op het beheersen en, waar mogelijk, verminderen van lozingen van kwik en kwikverbindingen, vaak uitgedrukt als „totaal kwik”, in de bodem en het water door relevante puntbronnen die niet in andere bepalingen van dit Verdrag aan de orde komen.

2.   Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a)   „lozingen”: lozingen van kwik of kwikverbindingen in de bodem of het water;

b)   „relevante bron”: elke wezenlijke antropogene bron van puntlozingen die door een partij wordt geïdentificeerd en die niet in andere bepalingen van dit Verdrag aan de orde komt;

c)   „nieuwe bron”: elke relevante bron met de bouw of ingrijpende wijziging waarvan een aanvang is gemaakt na het verstrijken van ten minste een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag voor de betrokken partij;

d)   „ingrijpende wijziging”: een wijziging van een relevante bron die leidt tot een wezenlijke toename van lozingen, uitgezonderd veranderingen van lozingen die het gevolg zijn van de terugwinning van bijproducten. Het is aan de partij te beslissen of een wijziging al dan niet ingrijpend is;

e)   „bestaande bron”: elke relevante bron die geen nieuwe bron is;

f)   „grenswaarde voor lozingen”: de maximale concentratie of massa kwik of kwikverbindingen, vaak uitgedrukt als „totaal kwik”, die door een puntbron wordt geloosd.

3.   Elke partij identificeert uiterlijk drie jaar na de datum waarop het Verdrag voor haar in werking treedt en daarna op regelmatige basis, de relevante categorieën puntbronnen.

4.   Een partij met relevante bronnen neemt maatregelen om lozingen te beheersen en kan een nationaal plan opstellen waarin de maatregelen worden beschreven die worden genomen om lozingen te beheersen en de verwachte streefcijfers, doelstellingen en uitkomsten. De plannen worden ingediend bij de Conferentie van de partijen binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag voor die partij. Indien een partij een uitvoeringsplan ontwikkelt in overeenstemming met artikel 20, kan de partij daarin het plan dat ingevolge dit lid is opgesteld opnemen.

5.   De maatregelen omvatten, in voorkomend geval, een of meer van de volgende:

a)

grenswaarden voor lozingen om lozingen uit relevante bronnen te beheersen en, waar mogelijk, te verminderen;

b)

het gebruik van de beste beschikbare technieken en de beste milieupraktijken om lozingen uit relevante bronnen te beheersen;

c)

een beheersingsstrategie voor meerdere vervuilende stoffen die bijkomende voordelen oplevert bij de beheersing van kwiklozingen;

d)

alternatieve maatregelen om lozingen uit relevante bronnen te verminderen.

6.   Elke partij stelt, zo snel als praktisch mogelijk is en uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het Verdrag voor haar in werking treedt, een inventaris op van de lozingen uit relevante bronnen en houdt deze daarna bij.

7.   De Conferentie van de partijen neemt, zo snel als praktisch mogelijk is, richtlijnen aan voor:

a)

de beste beschikbare technieken en de beste milieupraktijken, rekening houdend met verschillen tussen nieuwe en bestaande bronnen en de noodzaak effecten op alle milieucompartimenten te minimaliseren;

b)

de methode voor het inventariseren van lozingen.

8.   Elke partij neemt informatie over de toepassing van dit artikel op in de verslagen die zij ingevolge artikel 21 indient, met name informatie over de maatregelen die zij genomen heeft in overeenstemming met het derde tot en met het zesde lid en de effectiviteit van de maatregelen.

Artikel 10

Milieuverantwoorde tijdelijke opslag van kwik, anders dan kwikafval

1.   Dit artikel heeft betrekking op de tijdelijke opslag van kwik en kwikverbindingen zoals omschreven in artikel 3 die niet vallen onder de begripsomschrijving van kwikafval zoals vervat in artikel 11.

2.   Elke partij neemt maatregelen om te waarborgen dat de tijdelijke opslag van kwik en kwikverbindingen, bestemd voor een gebruik dat de partij ingevolge dit Verdrag is toegestaan, op milieuverantwoorde wijze wordt uitgevoerd, met inachtneming van de richtlijnen en in overeenstemming met vereisten die ingevolge het derde lid worden aangenomen.

3.   De Conferentie van de partijen neemt richtlijnen aan voor de milieuverantwoorde tijdelijke opslag van kwik en kwikverbindingen, met inachtneming van de relevante richtlijnen die zijn opgesteld ingevolge het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan en andere relevante richtlijnen. De Conferentie van de partijen kan vereisten voor tijdelijke opslag aannemen in een aanvullende bijlage bij dit Verdrag in overeenstemming met artikel 27.

4.   De partijen werken in voorkomend geval met elkaar en met relevante intergouvernementele organisaties en andere instellingen samen om de capaciteit te versterken voor de milieuverantwoorde tijdelijke opslag van kwik en kwikverbindingen.

Artikel 11

Kwikafval

1.   Voor de partijen bij het Verdrag van Bazel zijn de relevante begripsomschrijvingen van het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan van toepassing op het afval waarop dit Verdrag van toepassing is. De partijen bij dit Verdrag die geen partij zijn bij het Verdrag van Bazel gebruiken deze begripsomschrijvingen als richtlijn voor het afval waarop dit Verdrag van toepassing is.

2.   Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder kwikafval verstaan, stoffen of voorwerpen die:

a)

uit kwik of kwikverbindingen bestaan;

b)

kwik of kwikverbindingen bevatten, of

c)

verontreinigd zijn met kwik of kwikverbindingen,

in een hoeveelheid die boven de relevante grenswaarden ligt die door de Conferentie van de partijen, in goede samenwerking met de ter zake bevoegde lichamen van het Verdrag van Bazel, zijn bepaald, die worden verwijderd, bestemd zijn voor verwijdering of ingevolge de bepalingen van de nationale wetgeving of dit Verdrag dienen te worden verwijderd. Deze begripsomschrijving is niet van toepassing op deklagen, afvalgesteente en residuen uit de mijnbouw, uitgezonderd de primaire kwikmijnbouw, tenzij hierin kwik of kwikverbindingen aanwezig zijn in een hoeveelheid die boven de door de Conferentie van de partijen bepaalde grenswaarden ligt.

3.   Elke partij neemt passende maatregelen opdat het kwikafval:

a)

op milieuverantwoorde wijze wordt beheerd, rekening houdend met de richtlijnen opgesteld ingevolge het Verdrag van Bazel en in overeenstemming met vereisten die de Conferentie van de partijen aanneemt in een aanvullende bijlage in overeenstemming met artikel 27. Bij het opstellen van vereisten houdt de Conferentie van de partijen rekening met de regelgeving en programma's inzake afvalbeheer van de partijen;

b)

uitsluitend wordt teruggewonnen, gerecycled, gerecupereerd of direct wordt hergebruikt voor een toepassing die een partij ingevolge dit Verdrag is toegestaan of voor milieuverantwoorde verwijdering ingevolge het derde lid, onderdeel a;

c)

in het geval van partijen bij het Verdrag van Bazel niet grensoverschrijdend wordt vervoerd, behalve wanneer het bestemd is voor milieuverantwoorde verwijdering in overeenstemming met dit artikel en met het Verdrag van Bazel. In omstandigheden waarin het Verdrag van Bazel niet van toepassing is op grensoverschrijdend vervoer, staat een partij dit vervoer uitsluitend toe met inachtneming van de relevante internationale regels, normen en richtlijnen.

4.   De Conferentie van de partijen streeft naar nauwe samenwerking met de ter zake bevoegde lichamen van het Verdrag van Bazel bij het toetsen en actualiseren, in voorkomend geval, van de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde richtlijnen.

5.   De partijen worden aangemoedigd met elkaar en met relevante intergouvernementele organisaties en andere entiteiten, in voorkomend geval, samen te werken bij het ontwikkelen en in stand houden van mondiale, regionale en nationale capaciteit voor milieuverantwoord beheer van kwikafval.

Artikel 12

Verontreinigde locaties

1.   Elke partij streeft ernaar passende strategieën te ontwikkelen voor het identificeren en beoordelen van locaties die verontreinigd zijn met kwik of kwikverbindingen.

2.   Maatregelen om de risico's die dergelijke locaties opleveren te beperken worden op milieuverantwoorde wijze uitgevoerd en omvatten, waar nodig, een beoordeling van de risico's voor de menselijke gezondheid en het milieu van het kwik of de kwikverbindingen die erin aanwezig zijn.

3.   De Conferentie van de partijen neemt richtlijnen aan voor het beheren van verontreinigde locaties waarin de volgende methoden en handelwijzen kunnen zijn opgenomen:

a)

identificatie en karakterisering van de locatie;

b)

betrekken van publiek;

c)

beoordeling van de risico's voor de menselijke gezondheid en het milieu;

d)

opties voor het beheren van de risico's van verontreinigde locaties;

e)

evaluatie van de voordelen en kosten, alsmede

f)

validatie van de resultaten.

4.   De partijen worden aangemoedigd samen te werken bij het ontwikkelen van strategieën en het implementeren van activiteiten voor het identificeren, beoordelen, prioriteren, beheren en, in voorkomend geval, saneren van verontreinigde locaties.

Artikel 13

Financiële middelen en financieringsmechanisme

1.   Elke partij verplicht zich waar dat tot haar mogelijkheden behoort te voorzien in middelen ten behoeve van die nationale activiteiten die bedoeld zijn om dit Verdrag uit te voeren, in overeenstemming met haar nationale beleid, prioriteiten, plannen en programma's. Dergelijke middelen kunnen nationale financiering door relevant beleid, ontwikkelingsstrategieën en nationale budgetten omvatten en bilaterale en multilaterale financiering, alsmede betrokkenheid van de particuliere sector.

2.   De algehele effectiviteit van de uitvoering van dit Verdrag door partijen die ontwikkelingslanden zijn hangt samen met de effectieve uitvoering van dit artikel.

3.   Multilaterale, regionale en bilaterale bronnen die voorzien in financiële en technische bijstand, alsmede capaciteitsopbouw en technologieoverdracht, worden met klem aangemoedigd hun activiteiten inzake kwik te verbeteren en uit te breiden ter ondersteuning van partijen die ontwikkelingslanden zijn bij de uitvoering van dit Verdrag wat betreft financiële bronnen, technische bijstand en technologieoverdracht.

4.   De partijen houden bij hun activiteiten omtrent de financiering ten volle rekening met de specifieke behoeften en speciale omstandigheden van partijen die kleine eilandstaten in ontwikkeling of minst ontwikkelde landen zijn.

5.   Hierbij wordt een mechanisme ingesteld dat tijdig voorziet in toereikende en voorspelbare financiële middelen. Het mechanisme dient partijen die ontwikkelingslanden zijn en partijen met een overgangseconomie te ondersteunen bij de uitvoering van hun verplichtingen ingevolge dit Verdrag.

6.   Het mechanisme omvat:

a)

het Global Environment Facility Trust Fund, alsmede

b)

een specifiek internationaal programma ter ondersteuning van capaciteitsopbouw en technische bijstand.

7.   Het Global Environment Facility Trust Fund verstrekt tijdig nieuwe, voorspelbare en toereikende financiële middelen ter dekking van kosten voor de invoering van dit Verdrag zoals overeengekomen door de Conferentie van de partijen. Voor de toepassing van dit Verdrag functioneert het Global Environment Facility Trust Fund onder leiding van de Conferentie van de partijen, waaraan zij verantwoording aflegt. De Conferentie van de partijen verstrekt richtlijnen voor de algemene strategieën, beleidsvoornemens, programmaprioriteiten en voorwaarden voor de toegang tot en gebruik van financiële middelen. Daarnaast verstrekt de Conferentie van de partijen richtlijnen voor een indicatieve lijst van categorieën van activiteiten waarvoor steun uit het Global Environment Facility Trust Fund zou kunnen worden verleend. Het Global Environment Facility Trust Fund verstrekt middelen om de overeengekomen meerkosten van de mondiale milieuvoordelen en de overeengekomen volledige kosten van sommige faciliterende activiteiten te dekken.

8.   Bij het verstrekken van middelen voor een activiteit dient het Global Environment Facility Trust Fund rekening te houden met de potentiële kwikreducties van een voorgestelde activiteit ten opzichte van de kosten ervan.

9.   Voor de toepassing van dit Verdrag functioneert het in het zesde lid, onderdeel b, bedoelde programma onder de leiding van de Conferentie van de partijen, waaraan zij verantwoording aflegt. De Conferentie van de partijen beslist tijdens haar eerste vergadering welk instituut, hetgeen een bestaande entiteit dient te zijn, gastheer van het programma is en verstrekt dit instituut hieromtrent richtlijnen, waaronder over de duur van het programma. Alle partijen en andere relevante belanghebbenden worden uitgenodigd op vrijwillige basis financiële middelen ter beschikking te stellen van het programma.

10.   De Conferentie van de partijen en de entiteiten die het mechanisme vormen, komen tijdens de eerste vergadering van de Conferentie van de partijen regelingen overeen voor de uitvoering van de bovenstaande leden.

11.   De Conferentie van de partijen toetst, uiterlijk tijdens haar derde vergadering en daarna op regelmatige basis, het financieringsniveau, de richtlijnen van de Conferentie van de partijen voor de entiteiten die verantwoordelijk zijn voor het functioneren van het ingevolge dit artikel ingestelde mechanisme en de effectiviteit daarvan, en hun vermogen in te spelen op de veranderende behoeften van partijen die ontwikkelingslanden zijn en partijen met een overgangseconomie. De Conferentie van de partijen neemt op basis van deze toetsing passende maatregelen om de effectiviteit van het mechanisme te verbeteren.

12.   Alle partijen worden uitgenodigd, binnen hun mogelijkheden, bij te dragen aan het mechanisme. Met het mechanisme wordt het verstrekken van middelen uit andere bronnen, waaronder de particuliere sector, aangemoedigd en beoogd wordt hiermee nieuwe middelen aan te trekken voor de ondersteunde activiteiten.

Artikel 14

Capaciteitsopbouw, technische bijstand en technologieoverdracht

1.   De partijen werken samen om, binnen hun respectieve mogelijkheden, te voorzien in tijdige en passende capaciteitsopbouw en technische bijstand voor partijen die ontwikkelingslanden zijn, met name de minst ontwikkelde landen en kleine eilandstaten in ontwikkeling, en partijen met een overgangseconomie, om hen bij te staan bij het uitvoeren van hun verplichtingen ingevolge dit Verdrag.

2.   Capaciteitsopbouw en technische bijstand ingevolge het eerste lid en artikel 13 kan plaatsvinden via regionale, subregionale en nationale regelingen, met inbegrip van bestaande regionale en subregionale centra, via andere multilaterale en bilaterale middelen en via partnerschappen, met inbegrip van partnerschappen waarbij de particuliere sector betrokken is. Samenwerking en coördinatie in het kader van andere multilaterale milieuverdragen op het gebied van chemicaliën en afval dienen te worden nagestreefd om de effectiviteit en de verlening van technische bijstand te verbeteren.

3.   De partijen die ontwikkelde landen zijn en andere partijen bevorderen en vergemakkelijken binnen hun mogelijkheden, in voorkomend geval met steun van de particuliere sector en andere relevante belanghebbenden, de ontwikkeling, overdracht en verspreiding van, en toegang tot, actuele milieuverantwoorde alternatieve technologieën ten behoeve van partijen die ontwikkelingslanden zijn, met name de minst ontwikkelde landen en kleine eilandstaten in ontwikkeling, en partijen met een overgangseconomie, om hun capaciteit voor de effectieve uitvoering van dit Verdrag te versterken.

4.   De Conferentie van de partijen zal voor haar tweede vergadering en daarna op regelmatige basis, en rekening houdend met inzendingen en verslagen van partijen, met inbegrip van de in artikel 21 voorziene verslagen en informatie verstrekt door andere belanghebbenden:

a)

informatie over bestaande initiatieven en de geboekte vooruitgang ten aanzien van alternatieve technologieën bestuderen;

b)

de behoefte van partijen, met name partijen die ontwikkelingslanden zijn, aan alternatieve technologieën bestuderen, alsmede

c)

problemen identificeren die partijen, met name partijen die ontwikkelingslanden zijn, ervaren bij de overdracht van technologie.

5.   De Conferentie van de partijen doet aanbevelingen over hoe de capaciteitsopbouw, technische bijstand en technologieoverdracht verder kunnen worden verbeterd ingevolge dit artikel.

Artikel 15

Comité Uitvoering en Naleving

1.   Hierbij wordt een mechanisme, met inbegrip van een comité als hulporgaan van de Conferentie van de partijen, ingesteld ter bevordering van de uitvoering van alle bepalingen van dit Verdrag en de toetsing van de naleving ervan. Het mechanisme, met inbegrip van het comité, is faciliterend van aard en heeft bijzondere aandacht voor de respectieve nationale capaciteiten en de omstandigheden van de partijen.

2.   Het comité bevordert de uitvoering van alle bepalingen van dit Verdrag en toetst de naleving ervan. Het comité onderzoekt zowel individuele als systemische kwesties omtrent uitvoering en naleving en doet, in voorkomend geval, aanbevelingen aan de Conferentie van de partijen.

3.   Het comité bestaat uit 15 leden, voorgedragen door de partijen en gekozen door de Conferentie van de partijen, waarbij een billijke geografische spreiding op basis van de vijf regio's van de Verenigde Naties naar behoren in acht wordt genomen; de eerste leden worden gekozen tijdens de eerste vergadering van de Conferentie van de partijen en daarna in overeenstemming met het reglement van orde dat ingevolge het vijfde lid door de Conferentie van de partijen wordt goedgekeurd; de leden van het comité beschikken over competenties op voor dit Verdrag relevante gebieden met een goede balans tussen de verschillende terreinen van deskundigheid.

4.   Het comité kan zich buigen over kwesties op basis van:

a)

schriftelijke inzendingen van een partij inzake haar eigen naleving;

b)

nationale verslagen in overeenstemming met artikel 21, alsmede

c)

verzoeken van de Conferentie van de partijen.

5.   Het comité stelt zijn reglement van orde op, dat dient te worden goedgekeurd door de tweede vergadering van de Conferentie van de partijen; de Conferentie van de partijen kan het mandaat van het comité verder uitbreiden.

6.   Het comité stelt alles in het werk om aanbevelingen aan te nemen op basis van consensus. Indien alle middelen om consensus te bereiken uitgeput zijn zonder dat deze bereikt is, kunnen deze aanbevelingen in laatste instantie worden aangenomen met een meerderheid van drie vierden van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen op basis van een quorum van twee derden van de leden.

Artikel 16

Gezondheidsaspecten

1.   De partijen worden aangemoedigd:

a)

de ontwikkeling en uitvoering te bevorderen van strategieën en programma's om bevolkingsgroepen die risico's lopen, met name kwetsbare bevolkingsgroepen, te identificeren en te beschermen, onder meer door het aannemen van wetenschappelijk gefundeerde gezondheidsrichtlijnen voor de blootstelling aan kwik en kwikverbindingen, het vaststellen van streefcijfers voor het terugdringen van de blootstelling aan kwik, in voorkomend geval, en publieksvoorlichting met medewerking van de gezondheidssector en overige betrokken sectoren;

b)

de ontwikkeling en invoering te bevorderen van wetenschappelijk gefundeerde voorlichtings- en preventieprogramma's over de blootstelling aan kwik en kwikverbindingen in de werkomgeving;

c)

passende gezondheidsdiensten te bevorderen voor preventie, behandeling en zorg voor bevolkingsgroepen die zijn blootgesteld aan kwik of kwikverbindingen, alsmede

d)

de institutionele capaciteiten binnen de gezondheidszorg te creëren en uit te breiden, in voorkomend geval, voor de preventie, diagnose, behandeling en monitoring van gezondheidsrisico's die samenhangen met de blootstelling aan kwik en kwikverbindingen.

2.   De Conferentie van de partijen dient bij het bestuderen van gezondheidsgerelateerde kwesties of activiteiten:

a)

de Wereldgezondheidsorganisatie, de Internationale Arbeidsorganisatie en andere relevante intergouvernementele organisaties te consulteren en ermee samen te werken, in voorkomend geval, alsmede

b)

samenwerking en uitwisseling van informatie met de Wereldgezondheidsorganisatie, Internationale Arbeidsorganisatie en andere relevante intergouvernementele organisaties te bevorderen, in voorkomend geval.

Artikel 17

Uitwisseling van informatie

1.   Elke partij vergemakkelijkt de uitwisseling van:

a)

wetenschappelijke, technische, economische en juridische informatie over kwik en kwikverbindingen, met inbegrip van toxicologische, ecotoxicologische en veiligheidsinformatie;

b)

informatie over de vermindering of beëindiging van de productie, het gebruik, emissies en lozingen van kwik en kwikverbindingen en de handel daarin;

c)

informatie over technisch en economisch haalbare alternatieven voor:

i)

kwikhoudende producten;

ii)

productieprocessen waarbij kwik of kwikverbindingen worden gebruikt, alsmede

iii)

activiteiten en processen waarbij kwik of kwikverbindingen worden uitgestoten of geloosd;

met inbegrip van informatie over de gezondheids- en milieurisico's en economische en maatschappelijke kosten en voordelen van deze alternatieven, alsmede

d)

epidemiologische informatie over gevolgen voor de gezondheid die in verband worden gebracht met blootstelling aan kwik en kwikverbindingen, in nauwe samenwerking met de Wereldgezondheidsorganisatie en andere relevante organisaties, waar nodig.

2.   De partijen kunnen de in het eerste lid bedoelde informatie rechtstreeks, via het Secretariaat, of in samenwerking met andere relevante organisaties uitwisselen, met inbegrip van de secretariaten van verdragen op het gebied van chemicaliën en afval, in voorkomend geval.

3.   Het Secretariaat vergemakkelijkt samenwerking bij de uitwisseling van de in dit artikel bedoelde informatie, alsmede met andere relevante organisaties, met inbegrip van de secretariaten van multilaterale milieuverdragen en andere internationale initiatieven. Naast informatie van de partijen, omvat deze informatie ook informatie van intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties met deskundigheid op het gebied van kwik, en van nationale en internationale instellingen met deze deskundigheid.

4.   Elke partij wijst een nationaal contactpunt aan voor de uitwisseling van informatie uit hoofde van dit Verdrag, waaronder met betrekking tot de toestemming van importerende partijen genoemd in artikel 3.

5.   Voor de toepassing van dit Verdrag wordt informatie inzake de gezondheid en veiligheid van de mens en inzake milieu niet als vertrouwelijk aangemerkt. De partijen die andere informatie uitwisselen ingevolge dit Verdrag, beschermen de vertrouwelijke informatie op een door hen onderling overeengekomen wijze.

Artikel 18

Publieke informatie, bewustmaking en voorlichting

1.   Elke partij bevordert en vergemakkelijkt binnen haar mogelijkheden:

a)

de verstrekking aan het publiek van beschikbare informatie over:

i)

de gevolgen van kwik en kwikverbindingen voor gezondheid en milieu;

ii)

alternatieven voor kwik en kwikverbindingen;

iii)

de in artikel 17, eerste lid, genoemde onderwerpen;

iv)

de resultaten van de onderzoeks-, ontwikkelings- en monitoringsactiviteiten ingevolge artikel 19, alsmede

v)

activiteiten om aan haar verplichtingen ingevolge dit Verdrag te voldoen;

b)

voorlichting, training en bewustmaking van het publiek met betrekking tot de gevolgen van blootstelling aan kwik en kwikverbindingen voor de menselijke gezondheid en het milieu in samenwerking met relevante intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties en kwetsbare bevolkingsgroepen, in voorkomend geval.

2.   Elke partij maakt gebruik van bestaande mechanismen of overweegt de ontwikkeling van mechanismen, zoals registers voor de lozing en overbrenging van vervuilende stoffen, waar van toepassing, voor het verzamelen en verspreiden van informatie over de geraamde jaarlijkse hoeveelheden kwik en kwikverbindingen die worden uitgestoten, geloosd of verwijderd door menselijke activiteiten op haar grondgebied.

Artikel 19

Onderzoek, ontwikkeling en monitoring

1.   Rekening houdend met hun onderscheidenlijke omstandigheden en mogelijkheden, streven de partijen ernaar samen te werken ten behoeve van het ontwikkelen en verbeteren van:

a)

inventarissen van het gebruik, verbruik en antropogene emissies in de lucht en lozingen in het water en de bodem van kwik en kwikverbindingen;

b)

het vervaardigen van modellen en het, op een wijze die recht doet aan de geografische verhoudingen, monitoren van de concentraties kwik en kwikverbindingen in kwetsbare bevolkingsgroepen en milieucompartimenten, met inbegrip van biota als vissen, zeezoogdieren, zeeschildpadden en vogels, alsmede samenwerking bij het verzamelen en uitwisselen van relevante en passende monsters;

c)

beoordelingen van de gevolgen van kwik en kwikverbindingen voor de menselijke gezondheid en het milieu, naast de maatschappelijke, economische en culturele gevolgen, met name voor kwetsbare bevolkingsgroepen;

d)

geharmoniseerde methodologieën voor de activiteiten ondernomen ingevolge de onderdelen a, b en c;

e)

informatie over de milieucyclus, verspreiding (met inbegrip van verspreiding over lange afstand en depositie), transformatie en de uiteindelijke bestemming van kwik en kwikverbindingen in een scala van ecosystemen, daarbij voldoende rekening houdend met het onderscheid tussen enerzijds antropogene emissies en lozingen en anderzijds natuurlijke emissies en lozingen van kwik en met het opnieuw vrijkomen van kwik uit historische depositie;

f)

informatie over de handel in en afzet van kwik en kwikverbindingen en kwikhoudende producten, alsmede

g)

informatie over en onderzoek naar de technische en economische beschikbaarheid van kwikvrije producten en processen en de beste beschikbare technieken en de beste milieupraktijken om emissies en lozingen van kwik en kwikverbindingen te verminderen en te monitoren.

2.   De partijen dienen, waar nodig, voort te bouwen op bestaande monitoringsnetwerken en onderzoeksprogramma's bij het uitvoeren van de in het eerste lid genoemde activiteiten.

Artikel 20

Uitvoeringsplannen

1.   Elke partij kan, na een eerste beoordeling, een uitvoeringsplan ontwikkelen en uitvoeren, rekening houdend met haar nationale omstandigheden, om aan de verplichtingen ingevolge dit Verdrag te voldoen. Zodra een dergelijk plan is ontwikkeld, dient het naar het Secretariaat te worden gezonden.

2.   Elke partij kan haar uitvoeringsplan herzien en actualiseren, rekening houdend met haar nationale omstandigheden en gebruikmakend van richtlijnen van de Conferentie van de partijen en andere relevante richtlijnen.

3.   De partijen dienen, bij de werkzaamheden genoemd in het eerste en tweede lid, nationale belanghebbenden te raadplegen om de ontwikkeling, uitvoering, toetsing en actualisering van hun uitvoeringsplannen te vergemakkelijken.

4.   De partijen kunnen ook regionale plannen op elkaar afstemmen om de uitvoering van dit Verdrag te vergemakkelijken.

Artikel 21

Verslaglegging

1.   Elke partij brengt via het Secretariaat aan de Conferentie van de partijen verslag uit van de door haar genomen maatregelen ter uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag, de doeltreffendheid van dergelijke maatregelen en de mogelijke uitdagingen bij het bereiken van de doelstellingen van het Verdrag.

2.   Elke partij neemt in haar verslaglegging de informatie op die gevraagd wordt in de artikelen 3, 5, 7, 8 en 9 van dit Verdrag.

3.   Tijdens haar eerste vergadering beslist de Conferentie van de partijen over de tijdstippen waarop en het format waarin de partijen hun verslagen moeten indienen, rekening houdend met de wenselijkheid de verslaglegging te coördineren met andere relevante verdragen op het gebied van chemicaliën en afval.

Artikel 22

Evaluatie van de doeltreffendheid

1.   De Conferentie van de partijen evalueert de doeltreffendheid van dit Verdrag uiterlijk zes jaar na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag en daarna periodiek met een door de Conferentie van de partijen te bepalen regelmaat.

2.   Teneinde de evaluatie te vergemakkelijken initieert de Conferentie van de partijen tijdens haar eerste vergadering het treffen van regelingen teneinde er voor te zorgen dat zij kan beschikken over vergelijkbare monitoringgegevens met betrekking tot de aanwezigheid en de verplaatsing van kwik en kwikverbindingen in het milieu alsmede trends in de concentraties aan kwik en kwikverbindingen die worden aangetroffen in biota en kwetsbare bevolkingsgroepen.

3.   De evaluatie wordt uitgevoerd op basis van beschikbare wetenschappelijke, technische, financiële, economische en milieu-informatie, met inbegrip van:

a)

verslagen en andere monitoringgegevens die ingevolge het tweede lid aan de Conferentie van de partijen worden verstrekt;

b)

verslagen ingediend ingevolge artikel 21;

c)

informatie en aanbevelingen verstrekt ingevolge artikel 15, alsmede

d)

verslagen en andere relevante informatie over het functioneren van de regelingen voor financiële ondersteuning, technologieoverdracht en capaciteitsopbouw die ingevolge dit Verdrag zijn ingesteld.

Artikel 23

Conferentie van de partijen

1.   Hierbij wordt een Conferentie van de partijen ingesteld.

2.   Uiterlijk één jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag wordt de eerste Conferentie van de partijen bijeengeroepen door de uitvoerend directeur van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties. Daarna worden gewone vergaderingen van de Conferentie van de partijen gehouden met een door de Conferentie te bepalen regelmaat.

3.   Buitengewone vergaderingen van de Conferentie van de partijen kunnen op ieder ander tijdstip worden gehouden, indien de Conferentie zulks noodzakelijk acht of op schriftelijk verzoek van een partij, op voorwaarde dat dit verzoek binnen zes maanden nadat het door het Secretariaat aan de partijen is medegedeeld, door ten minste een derde van de partijen wordt gesteund.

4.   Tijdens haar eerste vergadering gaat de Conferentie van de partijen bij consensus over tot goedkeuring en aanneming van een reglement van orde en een financieel reglement voor haarzelf en voor elk door haar in te stellen hulporgaan, alsmede van de financiële bepalingen betreffende het functioneren van het Secretariaat.

5.   De Conferentie van de partijen toetst en evalueert voortdurend de uitvoering van dit Verdrag. Zij vervult de haar op grond van dit Verdrag toegewezen taken en daartoe:

a)

stelt zij de hulporganen in die zij noodzakelijk acht voor de uitvoering van dit Verdrag;

b)

werkt zij, waar nodig, samen met bevoegde internationale organisaties en met intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties;

c)

toetst zij periodiek alle aan haar en het Secretariaat ingevolge artikel 21 beschikbaar gestelde informatie;

d)

onderzoekt zij door het Comité Uitvoering en Naleving bij haar ingediende aanbevelingen;

e)

onderzoekt en neemt zij alle aanvullende maatregelen die noodzakelijk kunnen zijn om de doelstellingen van dit Verdrag te verwezenlijken, alsmede

f)

toetst zij de bijlagen A en B ingevolge artikel 4 en artikel 5.

6.   De Verenigde Naties, hun gespecialiseerde organisaties en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, alsmede elke staat die geen partij bij dit Verdrag is, kunnen als waarnemer worden toegelaten tot de vergaderingen van de Conferentie van de partijen. Elke andere instelling of organisatie, nationaal of internationaal, gouvernementeel of niet-gouvernementeel, die bevoegd is op gebieden die onder dit Verdrag vallen, en die aan het Secretariaat de wens te kennen heeft gegeven tijdens een vergadering van de Conferentie van de partijen als waarnemer aanwezig te zijn, kan als zodanig worden toegelaten, tenzij ten minste een derde van de aanwezige partijen hiertegen bezwaar maakt. De toelating en de deelneming van waarnemers worden geregeld in het door de Conferentie van de partijen aangenomen reglement van orde.

Artikel 24

Secretariaat

1.   Hierbij wordt een secretariaat ingesteld.

2.   Het Secretariaat heeft tot taak:

a)

vergaderingen van de Conferentie van de partijen en haar hulporganen te organiseren en de daarvoor vereiste diensten te verlenen;

b)

voor de uitvoering van dit Verdrag bijstand te verlenen aan de partijen die daarom verzoeken, met name aan partijen die ontwikkelingslanden zijn en aan partijen met een overgangseconomie;

c)

zorg te dragen voor de benodigde coördinatie, indien nodig, met de secretariaten van relevante internationale instellingen, met name die van andere verdragen inzake chemicaliën en afval;

d)

partijen bij te staan bij de uitwisseling van informatie die betrekking heeft op de uitvoering van dit Verdrag;

e)

periodieke verslagen op te stellen en aan de partijen beschikbaar te stellen op basis van ingevolge de artikelen 15 en 21 ontvangen informatie en andere beschikbare informatie;

f)

onder de algemene leiding van de Conferentie van de partijen, de administratieve en contractuele regelingen aan te gaan die noodzakelijk kunnen zijn voor het doelmatig verrichten van zijn taken, alsmede

g)

de andere in dit Verdrag omschreven of nog door de Conferentie van de partijen vast te stellen secretariaatstaken en andere taken te verrichten.

3.   De secretariaatstaken voor dit Verdrag worden uitgevoerd door de uitvoerend directeur van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties, tenzij de Conferentie van de partijen met een meerderheid van drie vierden van de aanwezige partijen die hun stem uitbrengen beslist de secretariaatstaken toe te vertrouwen aan één of meer andere internationale organisaties.

4.   De Conferentie van de partijen kan in overleg met relevante internationale instellingen voorzien in intensievere samenwerking en coördinatie tussen het Secretariaat en de secretariaten van andere verdragen inzake chemicaliën en afval. De Conferentie van de partijen kan hierover in overleg met relevante internationale instellingen nadere richtlijnen verstrekken.

Artikel 25

Beslechting van geschillen

1.   Indien tussen partijen een geschil ontstaat betreffende de uitleg of de toepassing van dit Verdrag, trachten de betrokken partijen dit geschil door middel van onderhandelingen of op een andere door henzelf te kiezen vreedzame wijze te regelen.

2.   Bij de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dan wel de toetreding tot dit Verdrag of op enig tijdstip daarna kan een partij die geen regionale organisatie voor economische integratie is, door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris, verklaren dat zij met betrekking tot een geschil betreffende de uitleg of de toepassing van dit Verdrag één van of beide van de volgende wijzen van geschillenbeslechting als bindend aanvaardt ten aanzien van elke partij die dezelfde verplichting op zich neemt:

a)

arbitrage in overeenstemming met de procedure omschreven in deel I van bijlage E;

b)

voorlegging van het geschil aan het Internationaal Gerechtshof.

3.   Een partij die een regionale organisatie voor economische integratie is, kan in overeenstemming met het tweede lid een verklaring van gelijke strekking afleggen met betrekking tot arbitrage.

4.   Een uit hoofde van het tweede of derde lid afgelegde verklaring blijft van kracht totdat zij overeenkomstig de daarin vermelde voorwaarden haar geldigheid verliest, of tot drie maanden na nederlegging van de schriftelijke kennisgeving van herroeping bij de depositaris.

5.   Het vervallen van de geldigheid van een verklaring, een kennisgeving van herroeping of een nieuwe verklaring heeft generlei gevolgen voor geschillen die reeds bij een scheidsgerecht of bij het Internationaal Gerechtshof aanhangig zijn gemaakt, tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen.

6.   Indien de partijen bij een geschil niet hetzelfde middel van geschillenbeslechting als bedoeld in het tweede of derde lid hebben aanvaard, en indien zij er binnen twaalf maanden na de kennisgeving van de ene partij aan de andere dat tussen hen een geschil bestaat, niet in geslaagd zijn hun geschil te regelen door middel van het in het eerste lid genoemde middel, wordt het geschil op verzoek van één van de bij het geschil betrokken partijen aan een conciliatiecommissie voorgelegd. De in deel II van bijlage E beschreven procedure heeft betrekking op conciliatie ingevolge dit artikel.

Artikel 26

Wijzigingen van het Verdrag

1.   Wijzigingen van dit Verdrag kunnen door elke partij worden voorgesteld.

2.   Wijzigingen van dit Verdrag worden aangenomen tijdens een vergadering van de Conferentie van de partijen. De tekst van voorgestelde wijzigingen wordt uiterlijk zes maanden vóór de vergadering waarop zij ter aanneming worden voorgelegd, door het Secretariaat aan de partijen toegezonden. Voorgestelde wijzigingen worden door het Secretariaat tevens toegezonden aan de ondertekenaars van dit Verdrag en ter informatie aan de depositaris.

3.   De partijen stellen alles in het werk om over elke voorgestelde wijziging van dit Verdrag consensus te bereiken. Indien alle pogingen om consensus te bereiken zijn uitgeput en er geen overeenstemming is bereikt, wordt de wijziging in laatste instantie aangenomen met een meerderheid van drie vierden van de stemmen van de op de vergadering aanwezige partijen die hun stem uitbrengen.

4.   Een aangenomen wijziging wordt door de depositaris ter bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring aan alle partijen toegezonden.

5.   De bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van wijzigingen wordt schriftelijk medegedeeld aan de depositaris. Overeenkomstig het derde lid aangenomen wijzigingen worden voor de partijen die ermee hebben ingestemd hierdoor te worden gebonden, van kracht op de negentigste dag na de datum van nederlegging van de akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring door ten minste drie vierden van de partijen die partij waren op het tijdstip van aanneming van de wijzigingen. Daarna worden de wijzigingen voor elke andere partij van kracht op de negentigste dag na de datum waarop die partij haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van die wijzigingen heeft nedergelegd.

Artikel 27

Aanneming en wijziging van bijlagen

1.   De bijlagen bij dit Verdrag maken een integrerend deel uit van het Verdrag en een verwijzing naar het Verdrag vormt tegelijkertijd een verwijzing naar de bijlagen daarbij, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

2.   Eventuele aanvullende bijlagen die na de inwerkingtreding van dit Verdrag worden aangenomen mogen uitsluitend betrekking hebben op aangelegenheden van procedurele, wetenschappelijke, technische of administratieve aard.

3.   De volgende procedure is van toepassing op het voorstellen, de aanneming en de inwerkingtreding van aanvullende bijlagen bij dit Verdrag:

a)

Aanvullende bijlagen worden voorgesteld en aangenomen in overeenstemming met de in artikel 26, eerste tot en met derde lid, vervatte procedure;

b)

Een partij die niet in staat is een aanvullende bijlage te aanvaarden, stelt de depositaris daarvan schriftelijk in kennis binnen een jaar vanaf de datum van mededeling door de depositaris van de aanneming van de aanvullende bijlage. De depositaris stelt alle partijen onverwijld in kennis van elke ontvangen kennisgeving. Een partij kan te allen tijde de depositaris er schriftelijk van in kennis stellen dat zij een eerdere kennisgeving van niet-aanvaarding ten aanzien van een aanvullende bijlage intrekt, waarna de bijlage voor die partij in werking treedt, onder voorbehoud van het bepaalde in onderdeel c, alsmede

c)

Na het verstrijken van één jaar vanaf de datum van de mededeling door de depositaris van de aanneming van een aanvullende bijlage, treedt de bijlage in werking voor alle partijen die geen kennisgeving van niet-aanvaarding hebben ingediend in overeenstemming met onderdeel b.

4.   Voor het voorstellen, de aanneming en de inwerkingtreding van wijzigingen van de bijlagen bij dit Verdrag gelden dezelfde procedures als voor het voorstellen, de aanneming en de inwerkingtreding van aanvullende bijlagen bij het Verdrag, met dien verstande dat een wijziging van een bijlage niet in werking treedt voor een partij die een verklaring omtrent de wijzigingen van bijlagen heeft ingediend in overeenstemming met artikel 30, vijfde lid, in welk geval een dergelijke wijziging voor die partij in werking treedt op de negentigste dag na de datum van de nederlegging bij de depositaris van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of datum van de goedkeuring van, of toetreding tot een dergelijke wijziging.

5.   Indien een aanvullende bijlage of een wijziging van een bijlage verband houdt met een wijziging van dit Verdrag, treedt die aanvullende bijlage of die wijziging eerst in werking wanneer de wijziging van het Verdrag in werking treedt.

Artikel 28

Stemrecht

1.   Behoudens het bepaalde in het tweede lid, heeft elke partij bij dit Verdrag één stem.

2.   Regionale organisaties voor economische integratie beschikken, ten aanzien van binnen hun bevoegdheid vallende aangelegenheden, over het aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal stemmen van hun lidstaten die partij zijn bij dit Verdrag. Dergelijke organisaties oefenen hun stemrecht niet uit indien een van hun lidstaten zijn stemrecht uitoefent, en omgekeerd.

Artikel 29

Ondertekening

Dit Verdrag is voor ondertekening opengesteld te Kumamoto, Japan, voor alle staten en regionale organisaties voor economische integratie op 10 en 11 oktober 2013 en daarna op de zetel van de Verenigde Naties te New York tot en met 9 oktober 2014.

Artikel 30

Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding

1.   Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door staten en regionale organisaties voor economische integratie. Het staat open voor toetreding door staten en regionale organisaties voor economische integratie vanaf de dag na de datum waarop het Verdrag voor ondertekening gesloten is. De akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding worden nedergelegd bij de depositaris.

2.   Een regionale organisatie voor economische integratie die partij wordt bij dit Verdrag zonder dat één van haar lidstaten partij is, is gebonden aan alle verplichtingen krachtens het Verdrag. Wanneer één of meer lidstaten van een dergelijke organisatie partij zijn bij dit Verdrag, beslissen de organisatie en haar lidstaten over hun respectieve verantwoordelijkheden met betrekking tot de nakoming van hun verplichtingen ingevolge het Verdrag. In dergelijke gevallen zijn de organisatie en de lidstaten niet gerechtigd de uit het Verdrag voortvloeiende rechten tegelijkertijd uit te oefenen.

3.   In hun akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding vermelden regionale organisaties voor economische integratie de omvang van hun bevoegdheid ter zake van door het Verdrag geregelde aangelegenheden. Deze organisaties stellen de depositaris ook in kennis van elke relevante wijziging betreffende de omvang van hun bevoegdheid, en de depositaris stelt op zijn beurt de partijen daarvan in kennis.

4.   Elke staat of regionale organisatie voor economische integratie wordt aangemoedigd op het tijdstip van zijn of haar bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot het Verdrag het Secretariaat informatie te doen toekomen over zijn of haar maatregelen voor de uitvoering van het Verdrag.

5.   In haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding kan een partij verklaren dat een wijziging van een bijlage voor haar eerst in werking treedt na nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot een dergelijke wijziging.

Artikel 31

Inwerkingtreding

1.   Dit Verdrag treedt in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging van de vijftigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

2.   Voor elke staat of regionale organisatie voor economische integratie die dit Verdrag na de nederlegging van de vijftigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt, dan wel hiertoe toetreedt, treedt het Verdrag in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding door die staat of regionale organisatie voor economische integratie.

3.   Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt de nederlegging van een akte door een regionale organisatie voor economische integratie niet meegeteld bij de door de lidstaten van deze organisatie nedergelegde akten.

Artikel 32

Voorbehouden

Ten aanzien van dit Verdrag kan geen enkel voorbehoud worden gemaakt.

Artikel 33

Opzegging

1.   Drie jaar na de datum waarop dit Verdrag voor een partij in werking is getreden, kan die partij het Verdrag te allen tijde opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris.

2.   De opzegging wordt van kracht na het verstrijken van één jaar vanaf de datum waarop de depositaris de kennisgeving van opzegging heeft ontvangen of op een latere in de kennisgeving vermelde datum.

Artikel 34

Depositaris

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties is depositaris van dit Verdrag.

Artikel 35

Authentieke teksten

Het origineel van dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

Gedaan te Kumamoto, Japan, tien oktober tweeduizenddertien.

BIJLAGE A

KWIKHOUDENDE PRODUCTEN

De volgende producten vallen buiten de toepassing van deze bijlage:

a)

producten die essentieel zijn voor civiele bescherming en militaire toepassingen;

b)

producten voor onderzoek, ijken van instrumenten, voor gebruik als referentiestandaard;

c)

indien er geen haalbaar kwikvrij alternatief ter vervanging beschikbaar is, schakelaars en relais, fluorescentielampen met koude kathode (CCFL) en fluorescentielampen met externe elektrode (EEFL) voor elektronische beeldschermen, en meetinstrumenten;

d)

producten die worden gebruikt bij traditionele of religieuze gebruiken, alsmede

e)

vaccins die thiomersal als conserveringsmiddel bevatten.

Deel I: Producten waarop artikel 4, eerste lid, van toepassing is

Kwikhoudende producten

Datum waarna de productie, import of export van het product verboden is (datum van uitfasering)

Batterijen, met uitzondering van zink-zilveroxide-knoopcellen met een kwikgehalte van < 2 % en zink-lucht-knoopcellen met een kwikgehalte van < 2 %

2020

Schakelaars en relais, uitgezonderd meetbruggen met zeer hoge precisiecapaciteit en verliesfactor-meetbruggen en hoogfrequentie-RF-schakelaars en -relais in meet- en regelapparatuur met een kwikgehalte van ten hoogste 20 mg per brug, schakelaar of relais

2020

Compacte fluorescentielampen (CFL-lampen) voor algemene verlichtingsdoeleinden van ≤ 30 W met een kwikgehalte van meer dan 5 mg per buis

2020

Lineaire fluorescentielampen (LFL-lampen) voor algemene verlichtingsdoeleinden:

a)

Triband-fosfor < 60 W met een kwikgehalte van meer dan 5 mg per lamp;

b)

Halofosfaat-fosfor ≤ 40 W met een kwikgehalte van meer dan 10 mg per lamp

2020

Hogedruk-kwikdamplampen (HPMV-lampen) voor algemene verlichtingsdoeleinden

2020

Kwik in fluorescentielampen met koude kathode (CCFL) en fluorescentielampen met externe elektrode (EEFL) voor elektronische beeldschermen:

a)

kort (lengte ≤ 500 mm) met een kwikgehalte van meer dan 3,5 mg per lamp

b)

gemiddeld (lengte > 500 mm en ≤ 1 500 mm) met een kwikgehalte van meer dan 5 mg per lamp

c)

lang (lengte > 1 500 mm) met een kwikgehalte van meer dan 13 mg per lamp

2020

Cosmetica (met een kwikgehalte van meer dan 1 ppm), waaronder zeep en crème voor het bleken van de huid, maar exclusief cosmetica voor de oogcontouren waarin kwik als conserveringsmiddel wordt gebruikt waarvoor geen effectieve en veilige vervangende conserveringsmiddelen beschikbaar zijn (1)

2020

Pesticiden, biociden en topische antiseptica

2020

De volgende niet-elektronische meetinstrumenten, uitgezonderd niet-elektronische meetinstrumenten die geïnstalleerd zijn in omvangrijke apparatuur of instrumenten die worden gebruikt voor zeer nauwkeurige metingen wanneer er geen geschikte kwikvrije alternatieven beschikbaar zijn:

a)

barometers;

b)

hygrometers;

c)

manometers;

d)

thermometers;

e)

bloeddrukmeters.

2020

Deel II: Producten waarop artikel 4, derde lid, van toepassing is

Kwikhoudende producten

Bepalingen

Tandheelkundig amalgaam

Bij maatregelen die door een partij moeten worden genomen om het gebruik van tandheelkundig amalgaam geleidelijk uit te faseren worden de nationale omstandigheden in de partij en relevante internationale richtlijnen in aanmerking genomen; zij omvatten twee of meer maatregelen uit onderstaande lijst:

i)

formuleren van nationale doelstellingen om tandcariës te voorkomen en de gezondheid te bevorderen, waardoor de noodzaak van tandheelkundige restauraties afneemt;

ii)

formuleren van nationale doelstellingen om het gebruik van tandheelkundig amalgaam tot een minimum te beperken;

iii)

bevorderen van het gebruik van kwikvrije alternatieven voor tandheelkundige restauraties die kosteneffectief en klinisch doeltreffend zijn;

iv)

bevorderen van onderzoek naar en ontwikkeling van hoogwaardige kwikvrije materialen voor tandheelkundige restauraties;

v)

aanmoedigen van representatieve beroepsorganisaties en tandartsenopleidingen om tandheelkundigen en studenten op te leiden en te trainen in het gebruik van kwikvrije alternatieven voor tandheelkundige restauraties en in het bevorderen van de beste beheerpraktijken;

vi)

ontmoedigen van verzekeringspolissen en -programma's waarin de voorkeur wordt gegeven aan het gebruik van tandheelkundig amalgaam boven kwikvrije tandheelkundige restauratie;

vii)

aanmoedigen van verzekeringspolissen en -programma's waarin de voorkeur wordt gegeven aan hoogwaardige alternatieven voor tandheelkundig amalgaam voor tandheelkundige restauraties;

viii)

beperken van het gebruik van tandheelkundig amalgaam tot de ingekapselde vorm ervan;

ix)

bevorderen van het gebruik van beste milieupraktijken in tandheelkundige faciliteiten om de lozing van kwik en kwikverbindingen in het water en de bodem terug te dringen.


(1)  Beoogd wordt cosmetica, zeep of crème met sporenverontreiniging van kwik hiervan uit te sluiten.

BIJLAGE B

PRODUCTIEPROCESSEN WAARBIJ KWIK OF KWIKVERBINDINGEN WORDEN GEBRUIKT

Deel I: Processen waarop artikel 5, tweede lid, van toepassing is

Productieprocessen waarbij kwik of kwikverbindingen worden gebruikt

Datum van uitfasering

Productie van chloor-alkali

2025

Productie van acetaldehyde waarbij kwik of kwikverbindingen als katalysator worden gebruikt

2018

Deel II: Processen waarop artikel 5, derde lid, van toepassing is

Processen waarbij kwik wordt gebruikt

Bepalingen

Productie van vinylchloridemonomeer

Maatregelen die de partijen dienen te nemen omvatten, maar zijn niet beperkt tot:

i)

verminderen van het gebruik van kwik in termen van „per eenheid productie” met 50 procent in het jaar 2020 ten opzichte van het gebruik in 2010;

ii)

bevorderen van maatregelen om de afhankelijkheid van kwik uit de primaire mijnbouw te verminderen;

iii)

maatregelen om kwikemissies en -lozingen in het milieu te verminderen;

iv)

ondersteunen van onderzoek en ontwikkeling op het gebied van kwikvrije katalysatoren en -processen;

v)

niet langer het gebruik van kwik toestaan vijf jaar nadat de Conferentie van de partijen heeft vastgesteld dat kwikvrije katalysatoren gebaseerd op bestaande processen in technisch en economisch opzicht haalbaar zijn geworden;

vi)

verslag uitbrengen aan de Conferentie van de partijen van de inspanningen om alternatieven te ontwikkelen en/of te identificeren en het gebruik van kwik uit te faseren in overeenstemming met artikel 21.

Natrium- of kaliummethylaat of -ethylaat

Maatregelen die de partijen dienen te nemen omvatten, maar zijn niet beperkt tot:

i)

maatregelen om het gebruik van kwik te verminderen teneinde het zo snel mogelijk uit te faseren, uiterlijk binnen tien jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag;

ii)

verminderen van emissies en lozingen in termen van „per eenheid productie” met 50 procent in 2020 ten opzichte van 2010;

iii)

verbieden van het gebruik van nieuw kwik uit de primaire mijnbouw;

iv)

ondersteunen van onderzoek en ontwikkeling op het gebied van kwikvrije processen;

v)

niet langer het gebruik van kwik toestaan vijf jaar nadat de Conferentie van de partijen heeft vastgesteld dat kwikvrije processen in technisch en economisch opzicht haalbaar zijn geworden;

vi)

verslag uitbrengen aan de Conferentie van de partijen van de inspanningen om alternatieven te ontwikkelen en/of te identificeren en het gebruik van kwik uit te faseren in overeenstemming met artikel 21.

Productie van polyurethaan met kwikhoudende katalysatoren

Maatregelen die de partijen dienen te nemen omvatten, maar zijn niet beperkt tot:

i)

maatregelen om het gebruik van kwik te verminderen teneinde het zo snel mogelijk uit te faseren, binnen tien jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag;

ii)

maatregelen om de afhankelijkheid van kwik uit de primaire kwikmijnbouw te verminderen;

iii)

maatregelen om kwikemissies en -lozingen in het milieu te verminderen;

iv)

aanmoedigen van onderzoek en ontwikkeling op het gebied van kwikvrije katalysatoren en -processen;

v)

verslag uitbrengen aan de Conferentie van de partijen van de inspanningen om alternatieven te ontwikkelen en/of te identificeren en het gebruik van kwik uit te faseren in overeenstemming met artikel 21.

Het zesde lid van artikel 5 is niet van toepassing op dit productieproces.

BIJLAGE C

AMBACHTELIJKE EN KLEINSCHALIGE GOUDWINNING

Nationale actieplannen

1)

Elke partij waarop de bepalingen van artikel 7, derde lid, van toepassing zijn, neemt in haar nationale actieplan het volgende op:

a)

nationale doelstellingen en reductiedoelstellingen;

b)

maatregelen om het volgende te beëindigen:

i)

amalgamatie van ruw erts;

ii)

verbranding in de openlucht van amalgaam of verwerkt amalgaam;

iii)

verbranden van amalgaam in woongebieden, alsmede

iv)

uitlogen met cyanide van sedimenten, ertsen en residuen waaraan kwik is toegevoegd zonder het kwik eerst te verwijderen;

c)

stappen om het formaliseren of reguleren van de ambachtelijke en kleinschalige goudwinning te vergemakkelijken;

d)

referentiemetingen van de hoeveelheden kwik die gebruikt worden en de toegepaste praktijken in de ambachtelijke en kleinschalige goudwinning en -verwerking op haar grondgebied;

e)

strategieën ter bevordering van het verminderen van emissies en lozingen van, en blootstelling aan, kwik in de ambachtelijke en kleinschalige goudwinning en -verwerking, met inbegrip van methoden waarbij geen kwik wordt gebruikt;

f)

strategieën voor het beheren van de handel en het voorkomen van de verspreiding van kwik en kwikverbindingen afkomstig uit zowel buitenlandse als binnenlandse bronnen voor gebruik in de ambachtelijke en kleinschalige goudwinning en -verwerking;

g)

strategieën voor het betrekken van belanghebbenden bij de uitvoering en voortdurende ontwikkeling van het nationale actieplan;

h)

een volksgezondheidsstrategie met betrekking tot de blootstelling aan kwik van mijnwerkers en hun gemeenschap in de ambachtelijke of kleinschalige goudwinning. Deze strategie dient onder andere het verzamelen van gezondheidsgegevens, training voor gezondheidswerkers en voorlichting via de gezondheidszorg te omvatten;

i)

strategieën om te voorkomen dat kwetsbare bevolkingsgroepen, met name kinderen en vrouwen in de vruchtbare leeftijd, in het bijzonder zwangere vrouwen, worden blootgesteld aan kwik dat wordt gebruikt bij de ambachtelijke en kleinschalige goudwinning;

j)

strategieën om mijnwerkers in de ambachtelijke of kleinschalige goudwinning en getroffen gemeenschappen van informatie te voorzien, alsmede

k)

een tijdschema voor de uitvoering van het nationale actieplan.

2)

Elke partij kan in haar nationale actieplan aanvullende strategieën opnemen om haar doelstellingen te bereiken, met inbegrip van de toepassing of invoering van normen voor ambachtelijke en kleinschalige mijnbouw waarbij geen kwik wordt gebruikt en op marktconforme instrumenten of marketingtools.

BIJLAGE D

LIJST VAN PUNTBRONNEN VAN EMISSIES VAN KWIK EN KWIKVERBINDINGEN IN DE ATMOSFEER

Categorie puntbron:

 

Steenkoolcentrales;

 

Kolengestookte industriële boilers;

 

Smelt- en roostprocessen gebruikt bij de productie van non-ferrometalen; (1)

 

Afvalverbrandingsinstallaties;

 

Cementklinkerproductiefaciliteiten.


(1)  Voor de toepassing van deze bijlage verwijst „non-ferrometalen” naar lood, zink, koper en industrieel goud.

BIJLAGE E

ARBITRAGE- EN CONCILIATIEPROCEDURES

Deel I: Arbitrageprocedure

Voor de toepassing van artikel 25, tweede lid, onderdeel a, van dit Verdrag luidt de arbitrageprocedure als volgt:

Artikel 1

1.   Een partij kan in overeenstemming met artikel 25 van dit Verdrag een arbitrageprocedure instellen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de andere partij of partijen bij het geschil. De kennisgeving dient vergezeld te gaan van een verklaring omtrent de vordering tezamen met stukken ter ondersteuning. Deze kennisgeving dient het onderwerp van arbitrage te omschrijven, in het bijzonder onder vermelding van de artikelen van het Verdrag waarvan de uitleg of de toepassing ter discussie staat.

2.   De eisende partij stelt het Secretariaat ervan in kennis dat zij een geschil ingevolge artikel 25 van dit Verdrag voorlegt voor arbitrage. De kennisgeving dient vergezeld te gaan van de schriftelijke kennisgeving van de eisende partij, de verklaring omtrent de vordering en de stukken ter ondersteuning bedoeld in het eerste lid van dit artikel. Het Secretariaat zendt de aldus ontvangen informatie naar alle partijen.

Artikel 2

1.   Indien een geschil in overeenstemming met artikel 1 van deze procedure wordt voorgelegd voor arbitrage, wordt een scheidsgerecht ingesteld. Het scheidsgerecht bestaat uit drie leden.

2.   Elke partij bij het geschil benoemt een arbiter en de twee aldus benoemde arbiters wijzen in gezamenlijk overleg een derde arbiter aan als voorzitter van het scheidsgerecht. Bij geschillen tussen meer dan twee partijen benoemen partijen met hetzelfde belang in gezamenlijk overleg een arbiter. De voorzitter van het scheidsgerecht mag geen onderdaan van een van de partijen bij het geschil zijn, noch mag hij of zij zijn of haar gewone verblijfplaats op het grondgebied van een van die partijen hebben, in dienst zijn bij een van hen, of in een andere hoedanigheid reeds bij de aangelegenheid betrokken zijn geweest.

3.   Vacatures worden vervuld op de wijze voorgeschreven voor de oorspronkelijke benoeming.

Artikel 3

1.   Indien een van de partijen bij het geschil nalaat binnen twee maanden na de datum waarop de gedaagde partij de kennisgeving inzake de arbitrage heeft ontvangen, een arbiter te benoemen, kan de andere partij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties daarvan in kennis stellen, die binnen een termijn van nogmaals twee maanden de benoeming verricht.

2.   Indien de voorzitter van het scheidsgerecht niet binnen twee maanden na de datum van de benoeming van de tweede arbiter is aangewezen, wijst de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, op verzoek van een partij, binnen een termijn van nogmaals twee maanden de voorzitter aan.

Artikel 4

Het scheidsgerecht neemt zijn beslissingen in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en met het internationale recht.

Artikel 5

Tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen, stelt het scheidsgerecht zijn eigen reglement van orde vast.

Artikel 6

Het scheidsgerecht kan, op verzoek van een van de partijen bij het geschil, noodzakelijke voorlopige maatregelen ter bescherming aanbevelen.

Artikel 7

De partijen bij het geschil doen alles wat in hun vermogen ligt om het werk van het scheidsgerecht te vergemakkelijken, met name door:

a)

het scheidsgerecht alle relevante documenten, informatie en voorzieningen te verstrekken, alsmede

b)

het scheidsgerecht indien nodig in staat te stellen getuigen of deskundigen op te roepen en te horen.

Artikel 8

De partijen bij het geschil en de arbiters zijn verplicht de vertrouwelijkheid te beschermen van de informatie of documenten die zij gedurende de procedure van het scheidsgerecht in vertrouwelijkheid ontvangen.

Artikel 9

Tenzij het scheidsgerecht anders bepaalt vanwege de bijzondere omstandigheden van de zaak, worden de kosten van het scheidsgerecht in gelijke delen gedragen door de partijen bij het geschil. Het scheidsgerecht houdt een overzicht van al zijn kosten bij en verstrekt de partijen daarvan een eindopgave.

Artikel 10

Elke partij die een belang van juridische aard heeft bij de aangelegenheid die het onderwerp van het geschil is, en waarvoor de beslissing gevolgen kan hebben, kan zich met de instemming van het scheidsgerecht voegen in de procedure.

Artikel 11

Het scheidsgerecht kan tegenvorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit het onderwerp van het geschil horen en erover beslissen.

Artikel 12

Het scheidsgerecht neemt beslissingen over de procedures en de inhoud bij meerderheid van de stemmen van zijn leden.

Artikel 13

1.   Indien een van de partijen bij het geschil niet voor het scheidsgerecht verschijnt of haar zaak niet verdedigt, kan de andere partij het scheidsgerecht verzoeken de procedure voort te zetten en een beslissing te nemen. Het feit dat een partij niet voor het scheidsgerecht verschijnt of haar zaak niet verdedigt, vormt geen belemmering voor de voortzetting van de procedure.

2.   Alvorens zijn definitieve uitspraak te doen, dient het scheidsgerecht zich ervan te vergewissen dat de eis feitelijk en rechtens gegrond is.

Artikel 14

Het scheidsgerecht doet zijn definitieve uitspraak binnen vijf maanden na de datum waarop het volledig was ingesteld, tenzij het het noodzakelijk acht deze termijn te verlengen met een termijn van ten hoogste vijf maanden.

Artikel 15

De definitieve uitspraak van het scheidsgerecht dient beperkt te zijn tot het onderwerp van het geschil en met redenen te worden omkleed. De uitspraak dient de namen te bevatten van de leden die hebben deelgenomen en de datum van de definitieve uitspraak. Elk lid van het scheidsgerecht kan een afzonderlijke of afwijkende mening toevoegen aan de definitieve uitspraak.

Artikel 16

De definitieve uitspraak van het scheidsgerecht is bindend voor de partijen bij het geschil. De uitleg van dit Verdrag in de definitieve uitspraak is tevens bindend voor een partij die zich ingevolge artikel 10 van deze regeling heeft gevoegd, voor zover deze betrekking heeft op aangelegenheden ter zake waarvan de partij zich heeft gevoegd. Tegen de definitieve uitspraak staat geen beroep open, tenzij de partijen bij het geschil vooraf overeenstemming hebben bereikt over een beroepsprocedure.

Artikel 17

Geschillen die mogelijk ontstaan tussen de partijen die gebonden zijn door de definitieve uitspraak in overeenstemming met artikel 16 van deze procedure met betrekking tot de uitleg of wijze van tenuitvoerlegging van die definitieve uitspraak kunnen door elk van de partijen worden voorgelegd aan het scheidsgerecht dat de uitspraak heeft gedaan.

Deel II: Conciliatieprocedure

Voor de toepassing van artikel 25, zesde lid, van dit Verdrag luidt de conciliatieprocedure als volgt:

Artikel 1

Een verzoek van een partij bij een geschil om instelling van een conciliatiecommissie ingevolge artikel 25, zesde lid van dit Verdrag, wordt schriftelijk ingediend bij het Secretariaat, met een afschrift voor de andere partij of partijen bij het geschil. Het Secretariaat stelt alle partijen onverwijld in kennis van het verzoek.

Artikel 2

1.   Tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen, bestaat de conciliatiecommissie uit drie leden, van wie er door elke betrokken partij een wordt benoemd en een gezamenlijk door deze leden tot voorzitter wordt gekozen.

2.   Bij geschillen tussen meer dan twee partijen, benoemen partijen met hetzelfde belang hun lid van de commissie in gezamenlijk overleg.

Artikel 3

Indien de partijen bij het geschil nalaten binnen twee maanden na de datum van ontvangst door het secretariaat van het schriftelijk verzoek bedoeld in het artikel 1 van deze procedure, benoemingen te verrichten, verricht de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties op verzoek van een partij deze benoemingen binnen een termijn van nogmaals twee maanden.

Artikel 4

Indien de voorzitter van de conciliatiecommissie niet binnen twee maanden na de benoeming van het tweede lid van de commissie is gekozen, wijst de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, op verzoek van een partij bij het geschil, binnen een termijn van nogmaals twee maanden de voorzitter aan.

Artikel 5

De conciliatiecommissie verleent de partijen bij het geschil op onafhankelijke en onpartijdige wijze bijstand bij hun poging tot een minnelijke schikking te komen.

Artikel 6

1.   De conciliatiecommissie kan de conciliatieprocedure uitvoeren op de wijze die zij passend acht, daarbij volledig rekening houdend met de omstandigheden van de zaak en de opvattingen die de partijen bij het geschil kenbaar kunnen maken, met inbegrip van verzoeken om een snelle oplossing. De conciliatiecommissie kan indien gewenst haar eigen reglement van orde aannemen, tenzij de partijen anders overeenkomen.

2.   De conciliatiecommissie kan op elk moment tijdens de procedure voorstellen of aanbevelingen doen om het geschil te regelen.

Artikel 7

De partijen bij het geschil verlenen de conciliatiecommissie medewerking. Zij spannen zich met name in om te voldoen aan verzoeken van de commissie om schriftelijk materiaal in te dienen, bewijzen te overleggen en bijeenkomsten bij te wonen. De partijen en de leden van de conciliatiecommissie zijn verplicht de vertrouwelijkheid te beschermen van alle informatie of documenten die zij gedurende de procedure van de commissie in vertrouwelijkheid ontvangen.

Artikel 8

De conciliatiecommissie neemt haar beslissingen bij meerderheid van stemmen van haar leden.

Artikel 9

Tenzij het geschil reeds is beslecht, brengt de conciliatiecommissie uiterlijk twaalf maanden na de instelling ervan een verslag uit met aanbevelingen ter beslechting van het geschil, die de partijen te goeder trouw in overweging nemen.

Artikel 10

Bij geschillen omtrent de bevoegdheid van de conciliatiecommissie inzake een aan haar voorgelegde aangelegenheid beslist de commissie.

Artikel 11

De kosten van de conciliatiecommissie worden in gelijke delen gedragen door de partijen bij het geschil, tenzij zij anders overeenkomen. De commissie houdt een overzicht van al haar kosten bij en verstrekt de partijen daarvan een eindopgave.


BIJLAGE

VERKLARING VAN BEVOEGDHEID VAN DE EUROPESE UNIE OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 30, LID 3, VAN HET VERDRAG VAN MINAMATA INZAKE KWIK

De volgende staten zijn momenteel lid van de Europese Unie: het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Kroatië, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Artikel 30, lid 3, van het Verdrag van Minamata luidt als volgt: „3. In hun akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding vermelden regionale organisaties voor economische integratie de omvang van hun bevoegdheid ter zake van door het Verdrag geregelde aangelegenheden. Deze organisaties stellen de depositaris ook in kennis van elke relevante wijziging betreffende de omvang van hun bevoegdheid, en de depositaris stelt op zijn beurt de partijen daarvan in kennis.”.

De Europese Unie verklaart dat zij, overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, bevoegd is om toe te treden tot internationale overeenkomsten, en om de daaruit voortvloeiende verplichtingen na te komen, die bijdragen tot de verwezenlijking van de volgende doelstellingen:

behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu;

bescherming van de gezondheid van de mens;

behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen;

bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen, en in het bijzonder de bestrijding van klimaatverandering.

Onderstaand overzicht van rechtsinstrumenten van de Unie toont aan in welke mate de Unie haar interne bevoegdheid overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft uitgeoefend met betrekking tot onder het Verdrag van Minamata vallende aangelegenheden. De Unie is bevoegd voor het nakomen van die verplichtingen uit het Verdrag van Minamata inzake kwik waarvoor in rechtsinstrumenten van de Unie, en met name de hieronder genoemde, gemeenschappelijke regels zijn vastgesteld, en voor zover die gemeenschappelijke regels worden beïnvloed of gewijzigd door de bepalingen van het Verdrag van Minamata of een handeling ter uitvoering daarvan.

Verordening (EU) 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende kwik en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1102/2008 (1),

Richtlijn 2011/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 88),

Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 inzake batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's en tot intrekking van Richtlijn 91/157/EEG (PB L 266 van 26.9.2006, blz. 1),

Richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PB L 269 van 21.10.2000, blz. 34),

Verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten (PB L 342 van 22.12.2009, blz. 59),

Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1),

Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1),

Verordening (EG) nr. 1107/2009 van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1),

Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen (PB L 169 van 12.7.1993, blz. 1),

Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17),

Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad (PB L 197 van 24.7.2012, blz. 1),

Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad (PB L 33 van 4.2.2006, blz. 1),

Richtlijn 2004/107/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht (PB L 23 van 26.1.2005, blz. 3),

Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1),

Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3),

Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1),

Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB L 190 van 12.7.2006, blz. 1).

De uitoefening van de bevoegdheden die de lidstaten van de Europese Unie ingevolge de Verdragen aan de Europese Unie hebben overgedragen, is uiteraard voortdurend in ontwikkeling. De Unie behoudt zich daarom het recht voor de verklaring aan te passen.


(1)  PB L 137 van 24.5.2017, blz. 1.


Top