Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32016R0223

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/223 van de Commissie van 17 februari 2016 tot vaststelling van een procedure voor de beoordeling van bepaalde verzoeken om behandeling als marktgerichte onderneming en verzoeken om individuele behandeling van producenten-exporteurs uit China en Vietnam en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14

C/2016/0591

OJ L 41, 18.2.2016, p. 3–7 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2016/223/oj

18.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 41/3


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/223 VAN DE COMMISSIE

van 17 februari 2016

tot vaststelling van een procedure voor de beoordeling van bepaalde verzoeken om behandeling als marktgerichte onderneming en verzoeken om individuele behandeling van producenten-exporteurs uit China en Vietnam en tot uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C-659/13 en C-34/14

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 266,

Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name artikel 14,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   DE PROCEDURE

(1)

Op 23 maart 2006 heeft de Commissie Verordening (EG) nr. 553/2006 (2) („de voorlopige verordening”) vastgesteld.

(2)

Bij Verordening (EG) nr. 1472/2006 van de Raad (3) heeft de Raad voor een periode van twee jaar een definitief antidumpingrecht van 9,7 % tot 16,5 % ingesteld op schoeisel met bovendeel van leder uit de Volksrepubliek China en Vietnam („Verordening (EG) nr. 1472/2006 van de Raad” of „de bestreden verordening”).

(3)

Bij Verordening (EG) nr. 388/2008 (4) heeft de Raad het definitieve antidumpingrecht op schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China uitgebreid tot de verzending van hetzelfde product uit de SAR Macau, al dan niet aangegeven als zijnde van oorsprong uit de SAR Macau.

(4)

Na een op 3 oktober 2008 geopend nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de antidumpingmaatregelen (5) heeft de Raad de antidumpingmaatregelen bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 (6) met 15 maanden verlengd tot 31 maart 2011, waarna de maatregelen zijn vervallen („Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 van de Raad”).

(5)

Brosmann Footwear (HK) Ltd, Seasonable Footwear (Zhongshan) Ltd, Lung Pao Footwear (Guangzhou) Ltd en Risen Footwear (HK) Co Ltd alsmede Zhejiang Aokang Shoes Co. Ltd („de indieners van het verzoek”) hebben bij het Gerecht van eerste aanleg (thans: het Gerecht) beroep ingesteld tegen de bestreden verordening. Bij arresten van 4 maart 2010 in zaak T-401/06, Brosmann Footwear (HK) e.a./Raad (Jurispr. 2010, blz. II-671), en van 4 maart 2010 in de gevoegde zaken T-407/06 en T-408/06, Zhejiang Aokang Shoes en Wenzhou Taima Shoes/Raad (Jurispr. 2010, blz. II-747) („de arresten van het Gerecht”) heeft het Gerecht deze beroepen verworpen.

(6)

De indieners van het verzoek hebben tegen die arresten hogere voorziening ingesteld. In zijn arresten van 2 februari 2012 in zaak C-249/10 P, Brosmann e.a., en van 15 november 2012 in zaak C-247/10 P, Zhejiang Aokang Shoes Co. Ltd heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie de arresten van het Gerecht vernietigd. Het Hof was van oordeel dat het Gerecht blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het had geoordeeld dat de Commissie niet verplicht was om de op artikel 2, lid 7, onder b) en c), van de basisverordening gebaseerde verzoeken om behandeling als marktgerichte onderneming („BMO”) van de niet in de steekproef opgenomen marktdeelnemers te onderzoeken (punt 36 van het arrest in zaak C-249/10 P en punten 29 en 32 van het arrest in zaak C-247/10 P).

(7)

Het Hof deed de zaak vervolgens zelf af. Het was van oordeel dat: „[…] de Commissie de met bewijsmateriaal gestaafde verzoeken had moeten onderzoeken die rekwirantes haar uit hoofde van artikel 2, lid 7, onder b) en c), van de basisverordening hadden doen toekomen teneinde voor een BMO in aanmerking te komen in het kader van de antidumpingprocedure waarop de litigieuze verordening betrekking heeft. Vervolgens moet worden geconstateerd dat het niet uitgesloten is dat een dergelijk onderzoek er voor hen toe zou hebben geleid dat hun een ander definitief antidumpingrecht werd opgelegd dan het recht van 16,5 % dat volgens artikel 1, lid 3, van de litigieuze verordening op hen is toegepast. Uit deze bepaling blijkt immers dat een definitief antidumpingrecht van 9,7 % is opgelegd aan de enige voor de steekproef geselecteerde Chinese marktdeelnemer die als een marktgerichte onderneming is behandeld. Zoals uit punt 38 van het onderhavige arrest volgt, hadden rekwirantes eveneens voor laatstgenoemd tarief in aanmerking moeten komen indien de Commissie had vastgesteld dat ook zij op marktvoorwaarden opereerden en indien geen individuele dumpingmarge kon worden berekend.” (punt 42 van het arrest in zaak C-249/10 P en punt 36 van het arrest in zaak C-247/10 P).

(8)

Dientengevolge heeft het Hof de bestreden verordening nietig verklaard voor zover zij de betrokken indieners van het verzoek betreft.

(9)

In oktober 2013 heeft de Commissie met een in het Publicatieblad van de Europese Unie  (7) bekendgemaakt bericht aangekondigd dat zij had besloten de antidumpingprocedure te hervatten op het precieze punt waarop de onwettigheid zich heeft voorgedaan en na te gaan of de indieners van het verzoek in de periode van 1 april 2004 tot en met 31 maart 2005 op marktvoorwaarden werkten.

(10)

In maart 2014 heeft de Raad bij Uitvoeringsbesluit 2014/149/EU (8) het voorstel van de Commissie voor een uitvoeringsverordening van de Raad betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Brosmann Footwear (HK) Ltd, Seasonable Footwear (Zhongshan) Ltd, Lung Pao Footwear (Guangzhou) Ltd, Risen Footwear (HK) Co. Ltd en Zhejiang Aokang Shoes Co. Ltd verworpen en de procedure met betrekking tot deze producenten stopgezet. Het standpunt van de Raad luidde dat bij de importeurs die schoenen van deze producenten-exporteurs hadden gekocht en aan wie de relevante douaneheffingen waren terugbetaald door de bevoegde nationale autoriteiten op basis van artikel 236 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (9) („het communautair douanewetboek”) een gewettigd vertrouwen was ontstaan op basis van artikel 1, lid 4, van de bestreden verordening dat de bepalingen van het communautair douanewetboek en met name artikel 221 daarvan van toepassing verklaart op de heffing van de rechten, wat in het gedrang zou komen door de aanneming van het voorstel van de Commissie.

(11)

Twee importeurs van het betrokken product, C&J Clark International Ltd en Puma SE beriepen zich op de in de overwegingen 5, 6 en 7 vermelde rechtspraak en hebben bezwaar aangetekend tegen de antidumpingmaatregelen betreffende de invoer van bepaald schoeisel uit China en Vietnam bij hun nationale rechtbanken. Deze hebben de zaken doorverwezen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie voor een prejudiciële beslissing.

(12)

In de gevoegde zaken C-659/13 C&J Clark International Limited en C-34/14 Puma SE, heeft het Hof de Verordening (EG) nr. 1472/2006 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 van de Raad ongeldig verklaard voor zover de Europese Commissie de verzoeken om BMO en individuele behandeling („IB”) van de niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in de VRC en Vietnam niet heeft onderzocht, wat in strijd is met de voorschriften van artikel 2, lid 7, onder b), en artikel 9, lid 5, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad (10) („de arresten”).

(13)

Artikel 266 VWEU bepaalt dat de instellingen de maatregelen moeten nemen die nodig zijn ter uitvoering van de arresten van het Hof. Indien een door de instellingen in het kader van een bestuurlijke procedure, zoals de antidumpingprocedure, vastgestelde rechtshandeling nietig wordt verklaard, wordt aan een arrest van het Hof uitvoering gegeven door de nietig verklaarde rechtshandeling te vervangen door een nieuwe waarin de door het Hof vastgestelde onwettigheid wordt opgeheven („Asteris-arrest”) (11).

(14)

Volgens de rechtspraak van het Hof mag de procedure ter vervanging van een dergelijke handeling weer worden opgenomen op het precieze punt waarop de onwettigheid is ontstaan (12). Dit houdt onder meer in dat wanneer een in het kader van een bestuurlijke procedure genomen besluit nietig wordt verklaard, de nietigverklaring niet noodzakelijkerwijs betrekking heeft op voorbereidende besluiten zoals die tot inleiding van de antidumpingprocedure. Indien een verordening tot instelling van definitieve antidumpingmaatregelen nietig wordt verklaard, betekent dit dat de antidumpingprocedure na de nietigverklaring nog hangende is, aangezien de tot besluit van de antidumpingprocedure vastgestelde rechtshandeling uit de rechtsorde van de Unie verdwijnt (13), tenzij de onwettigheid reeds in het stadium van de inleiding van de procedure is ontstaan.

(15)

Met uitzondering van het feit dat de instellingen de verzoeken om BMO en IB van de niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in de VRC en Vietnam niet hebben onderzocht, blijven alle andere bepalingen van de Verordening (EG) nr. 1472/2006 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 van de Raad van kracht.

(16)

In deze zaak heeft de onwettigheid zich na de inleiding van de procedure voorgedaan. De Commissie heeft derhalve besloten deze antidumpingprocedure te hervatten op het precieze punt waar de onwettigheid zich heeft voorgedaan en na te gaan of de betrokken producenten-exporteurs in de periode van 1 april 2004 tot en met 31 maart 2005 op marktvoorwaarden werkten.

(17)

Voor de invoer van C&J Clark International Ltd en Puma SE zal de Commissie alle verzoeken om BMO en IB beoordelen.

(18)

Het is passend de nationale douaneautoriteiten uit hoofde van artikel 14 van de basisverordening opdracht te geven in de tussentijd deze rechten niet terug te betalen. De Commissie zal deze beoordeling verrichten binnen acht maanden na de datum van het arrest.

(19)

Voor de invoer van andere importeurs die zelf geen beroep tot nietigverklaring konden instellen en die zich dus kunnen beroepen op het arrest om een aanvraag te doen tot terugbetaling van de antidumpingrechten uit hoofde van artikel 236 van het communautair douanewetboek zal de Commissie voor een efficiënt gebruik van middelen enkel de verzoeken om BMO en IB beoordelen van die producenten-exporteurs die de aanvragen tot terugbetaling tijdig en formeel correct hebben ingediend bij de nationale douaneautoriteiten. De Commissie merkt op dat volgens artikel 236, lid 2, van het communautair douanewetboek invoerrechten of uitvoerrechten moeten worden terugbetaald of kwijtgescholden indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld, een daartoe verstrekkend verzoek wordt ingediend. De Commissie merkt voorts op dat de ongeldigverklaring van een verordening die antidumpingrechten instelt geen onvoorzienbare omstandigheden vormt zoals bedoeld in die bepaling, waardoor de termijn van drie jaar tijdens welke de importeur om terugbetaling van de uit hoofde van die verordening betaalde invoerrechten kan verzoeken, kan worden verlengd.

B.   UITVOERING VAN DE ARRESTEN VAN HET HOF VAN JUSTITIE VAN DE EUROPESE UNIE IN DE GEVOEGDE ZAKEN C-659/13 EN C-34/14

(20)

Indien een handeling van de instellingen ongeldig is verklaard bij wege van prejudiciële beslissing van het Hof, heeft dat arrest erga omnes gevolgen (14), dat wil zeggen gevolgen die niet beperkt blijven tot de verzoeker voor de nationale rechter, die vervolgens de vraag opwerpt bij het Hof. In een dergelijke situatie is de Commissie dus verplicht om het arrest uit te voeren met betrekking tot alle partijen waarop de onwettigheid die leidde tot de nietigverklaring van de maatregel betrekking heeft.

(21)

De Commissie heeft de mogelijkheid om alleen de aspecten van de bestreden verordening te corrigeren die tot de nietigverklaring ervan hebben geleid en de delen van de beoordeling waarop het arrest geen betrekking heeft, ongewijzigd te laten (15).

(22)

Met het oog op een efficiënt gebruik van de middelen, heeft de Commissie niet alle door de in de steekproef opgenomen Chinese en Vietnamese producenten-exporteurs ingediende BMO- en IB-verzoeken onderzocht tijdens het onderzoek dat heeft geleid tot de vaststelling van de bestreden verordening. In plaats daarvan heeft zij het passend geacht de nationale douaneautoriteiten die moeten beslissen over een verzoek om terugbetaling van antidumpingrechten op grond van artikel 236 van het communautair douanewetboek (16) te verplichten het verzoek om terugbetaling naar de Commissie te sturen en te wachten op de beoordeling van het BMO- en IB-verzoek door de Commissie en, in voorkomend geval, op het opnieuw instellen van de antidumpingrechten tegen het passende tarief, alvorens over te gaan tot terugbetaling. De rechtsgrondslag van een dergelijke verplichting is artikel 14 van de basisverordening, waarin is bepaald dat in de verordening tot instelling van de rechten de nadere bijzonderheden van de inning door de lidstaten moet worden vermeld.

(23)

De Commissie zal vervolgens nagaan of de producent-exporteur waarvan de uitvoer onderworpen was aan het verzoek om terugbetaling effectief om een BMO- of IB-beoordeling had verzocht en zo ja, of aan deze producent-exporteur al dan niet BMO of IB moest worden toegekend.

(24)

De Commissie neemt verordeningen aan waarin de beoordeling en, in voorkomend geval, de wederinstelling van het toepasselijke tarief, worden vastgesteld. Die nieuwe tarieven worden van kracht vanaf de datum van inwerkingtreding van de nietig verklaarde verordening.

(25)

Daarom zijn de nationale douaneautoriteiten verplicht de resultaten van dit onderzoek af te wachten voordat zij een besluit nemen over een eventuele terugbetaling.

(26)

De Commissie zal proberen de termijn die in de basisverordening is vastgesteld voor de BMO- en IB-beoordeling in acht te nemen, namelijk acht maanden na ontvangst van de informatie van de nationale douaneautoriteiten, om onnodige vertragingen te voorkomen.

C.   CONCLUSIES

(27)

De analyse van de BMO en IB-verzoeken van de producenten-exporteurs die aan Puma SE en C&J Clark International Ltd hebben verkocht, moet worden verricht binnen acht maanden na het arrest.

(28)

Wat het antidumpingrecht dat is opgelegd aan andere Chinese en Vietnamese producenten-exporteurs betreft (met uitzondering van die welke vallen onder Uitvoeringsbesluit 2014/149/EU, en die bedoeld in de eerste volzin daarvan), moeten de nationale douaneautoriteiten die aanvragen tot terugbetaling of kwijtschelding van antidumpingrechten die zijn betaald in verband met de uitvoer van deze andere producenten-exporteurs hebben ontvangen, contact opnemen met de Commissie, zodat zij de BMO- en IB-verzoeken kan beoordelen en, in voorkomend geval, de antidumpingrechten opnieuw kan instellen.

D.   COMITÉ

(29)

De verordening is in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Nationale douaneautoriteiten die een verzoek hebben ontvangen om terugbetaling op grond van artikel 236 van het communautair douanewetboek, van bij Verordening (EG) nr. 1472/2006 of Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 ingestelde antidumpingrechten die zijn geïnd door de nationale douaneautoriteiten, dat is gebaseerd op het feit dat een niet in de steekproef opgenomen producent-exporteur om BMO of IB had verzocht, zenden dit verzoek en eventuele ondersteunende documenten naar de Commissie.

2.   Binnen acht maanden na ontvangst van het verzoek en van alle aanvullende documenten controleert de Commissie of de producent-exporteur inderdaad een BMO- of IB-verzoek had ingediend. Als dat het geval is, beoordeelt de Commissie dit verzoek en stelt zij opnieuw het toepasselijke recht in door middel van een uitvoeringsverordening van de Commissie, na de mededeling van feiten en overwegingen overeenkomstig artikel 20 van de basisverordening.

3.   De nationale douaneautoriteiten moeten wachten op de bekendmaking van de toepasselijke uitvoeringsverordening van de Commissie tot het opnieuw instellen van de rechten vooraleer een beslissing te nemen over het verzoek om terugbetaling en kwijtschelding van antidumpingrechten.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 februari 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)  Verordening (EG) nr. 553/2006 van de Commissie van 23 maart 2006 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op schoeisel met bovendeel van leder uit de Volksrepubliek China en Vietnam (PB L 98 van 6.4.2006, blz. 3).

(3)  Verordening (EG) nr. 1472/2006 van de Raad van 5 oktober 2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder uit de Volksrepubliek China en Vietnam (PB L 275 van 6.10.2006, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 388/2008 van de Raad van 29 april 2008 tot uitbreiding van de bij Verordening (EG) nr. 1472/2006 ingestelde definitieve antidumpingmaatregelen ten aanzien van schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot de verzending van hetzelfde product uit de SAR Macau, al dan niet aangegeven als zijnde van oorsprong uit de SAR Macau (PB L 117 van 1.5.2008, blz. 1).

(5)  PB C 251 van 3.10.2008, blz. 21.

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1294/2009 van de Raad van 22 december 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaald schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit Vietnam en van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot bepaald schoeisel met bovendeel van leder verzonden vanuit de SAR Macau, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de SAR Macau, naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad (PB L 352 van 30.12.2009, blz. 1).

(7)  PB C 295 van 11.10.2013, blz. 6.

(8)  Uitvoeringsbesluit 2014/149/EU van de Raad van 18 maart 2014 tot verwerping van het voorstel voor een uitvoeringsverordening betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Brosmann Footwear (HK) Ltd, Seasonable Footwear (Zhongshan) Ltd, Lung Pao Footwear (Guangzhou) Ltd, Risen Footwear (HK) Co. Ltd en Zhejiang Aokang Shoes Co. Ltd (PB L 82 van 20.3.2014, blz. 27).

(9)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1.

(10)  Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1).

(11)  Gevoegde zaken 97, 193, 99 en 215/86, Asteris AE e.a. en Helleense Republiek/Commissie (Jurispr. 1988, blz. 2181, punten 27 en 28).

(12)  Zaak C-415/96, Spanje/Commissie (Jurispr. 1998, blz. I-6993, punt 31); Zaak C-458/98 P, Industrie des Poudres Sphériques/Raad (Jurispr. 2000, blz. I-8147, punten 80-85); Zaak T-301/01, Alitalia/Commissie (Jurispr. 2008, blz. II-1753, punten 99 en 142); Gevoegde zaken T-267/08 en T-279/08, Région Nord-Pas de Calais/Commissie (Jurispr. 2011, blz. II-0000, punt 83).

(13)  Zaak C-415/96, Spanje/Commissie (Jurispr. 1998, blz. I-6993, punt 31); Zaak C-458/98 P, Industrie des Poudres Sphériques/Raad (Jurispr. 2000, blz. I-8147, punten 80-85).

(14)  Zaak 66/80 International Chemical Corporation (Jurispr. 1981, blz. 1191, punt 18).

(15)  Zaak C-458/98 P, Industrie des Poudres Sphériques/Raad (Jurispr. 2000, blz. I-8147, punten 80-85).

(16)  Of, met ingang van 1 mei 2016, op basis van de relevante bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).


Top