Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32015R0755

Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen

OJ L 123, 19.5.2015, p. 33–49 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2015/755/oj

19.5.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 123/33


VERORDENING (EU) 2015/755 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 29 april 2015

betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen

(herschikking)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 625/2009 van de Raad (3) is ingrijpend gewijzigd (4). Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van die verordening te worden overgegaan.

(2)

Het gemeenschappelijk handelsbeleid dient op eenvormige beginselen te berusten.

(3)

Een eenvormige regeling voor de invoer dient te worden verzekerd door het vaststellen van bepalingen die zoveel mogelijk overeenstemmen met die van de gemeenschappelijke regeling die op andere derde landen van toepassing is, met inachtneming evenwel van de bijzondere kenmerken van de economische systemen van de betrokken derde landen.

(4)

De gemeenschappelijke regeling voor de invoer is ook van toepassing op steenkool- en staalproducten, onverminderd eventuele maatregelen ter uitvoering van een overeenkomst die specifiek op deze producten betrekking heeft.

(5)

De liberalisering van de invoer, dat wil zeggen de afwezigheid van kwantitatieve beperkingen, moet derhalve het uitgangspunt zijn van de Unieregels ter zake.

(6)

Voor een aantal producten moet de Commissie de voorwaarden bij de invoer, de ontwikkeling van de invoer, de diverse aspecten van de economische en commerciële situatie en de eventueel te nemen maatregelen onderzoeken.

(7)

Het kan voor die producten nodig blijken dat Unietoezicht wordt uitgeoefend op de invoer van sommige ervan.

(8)

Het is de taak van de Commissie om de nodige vrijwaringsmaatregelen aan te nemen ter bescherming van de belangen van de Unie, waarbij rekening dient te worden gehouden met de bestaande internationale verplichtingen.

(9)

Toezicht- of vrijwaringsmaatregelen die zijn beperkt tot een of meer regio's van de Unie kunnen soms de voorkeur genieten boven maatregelen die in de gehele Unie van toepassing zijn. Dergelijke maatregelen mogen echter slechts bij wijze van uitzondering worden toegestaan indien er geen alternatieven zijn. Er moet op worden toegezien dat deze maatregelen van tijdelijke aard zijn en de werking van de interne markt zo min mogelijk verstoren.

(10)

Het in het vrije verkeer brengen van onder Unietoezicht geplaatste producten moet afhankelijk worden gesteld van de overlegging van een toezichtsdocument dat aan uniforme criteria voldoet. Dit document moet, op verzoek van de importeur, binnen een bepaalde termijn door de autoriteiten van de lidstaten worden afgegeven, zonder dat de importeur hierdoor een recht van invoer verkrijgt. Het toezichtsdocument mag derhalve slechts gebruikt worden zolang de invoerregeling niet wordt gewijzigd.

(11)

Om redenen van een goed administratief beheer en teneinde het bedrijfsleven in de Unie bij te staan, moeten vorm en inhoud van het toezichtsdocument zoveel mogelijk afgestemd worden op de formulieren voor invoervergunningen die zijn opgenomen in Verordening (EG) nr. 738/94 van de Commissie (5), Verordening (EG) nr. 3168/94 van de Commissie (6) en Verordening (EG) nr. 3169/94 van de Commissie (7); daarbij dient rekening te worden gehouden met de technische kenmerken van het toezichtsdocument.

(12)

De lidstaten en de Commissie dienen elkaar, in het belang van de Unie, zo volledig mogelijk op de hoogte te houden van de resultaten van het Unietoezicht.

(13)

Het is noodzakelijk precieze criteria voor de beoordeling van eventuele schade vast te stellen en een onderzoeksprocedure in te stellen, zonder de mogelijkheid uit te sluiten dat de Commissie in spoedeisende gevallen de vereiste maatregelen neemt.

(14)

Er is daartoe behoefte aan gedetailleerde bepalingen inzake de opening van een dergelijk onderzoek, de vereiste controles en verificaties, het horen van belanghebbenden, de behandeling van de ontvangen inlichtingen en de criteria ter beoordeling van de schade.

(15)

De bepalingen inzake onderzoek in deze verordening doen geen afbreuk aan de Unievoorschriften en de nationale voorschriften inzake het beroepsgeheim.

(16)

Tevens moeten termijnen worden gesteld, zowel voor het openen van onderzoeken als voor het bepalen of al dan niet maatregelen dienen te worden getroffen, met de bedoeling ter zake een snelle besluitvorming te waarborgen en zodoende de rechtszekerheid van de betrokken marktdeelnemers te vergroten.

(17)

Met het oog op de eenvormigheid van de regeling voor de invoer, moeten de door de importeurs te vervullen formaliteiten eenvoudig en identiek zijn, ongeacht waar de goederen worden ingeklaard. Het is derhalve dienstig te bepalen dat alle formaliteiten worden vervuld met behulp van formulieren volgens het model dat bij deze verordening is gevoegd.

(18)

De toezichtsdocumenten die in het kader van toezichtmaatregelen van de Unie worden afgegeven, dienen in de gehele Unie geldig te zijn, ongeacht lidstaat van afgifte.

(19)

Voor de textielproducten die onder Verordening (EG) nr. 517/94 van de Raad (8) vallen, geldt zowel op Unieniveau als op internationaal niveau een speciale behandeling. Derhalve moeten deze producten in hun geheel van het toepassingsgebied van deze verordening worden uitgesloten.

(20)

De bevoegdheid tot wijziging van de lijst van derde landen in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 625/2009 was opgenomen in Verordening (EG) nr. 427/2003 van de Raad (9). Aangezien de bepalingen van titel I van Verordening (EG) nr. 427/2003 inzake een productspecifiek vrijwaringsmechanisme in de overgangsperiode per 11 december 2013 zijn komen te vervallen en de bepalingen van titel II van die verordening inmiddels achterhaald zijn, is het ter wille van de samenhang, de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst nuttig de artikelen 14 bis en 14 ter van die verordening in de onderhavige verordening op te nemen. Verordening (EG) nr. 427/2003 moet daarom worden ingetrokken.

(21)

Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden toegekend gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) met betrekking tot de wijziging van bijlage I bij deze verordening, teneinde landen te schrappen in de lijst van de in die bijlage genoemde derde landen wanneer die landen lid worden van de Wereldhandelsorganisatie (WTO).

(22)

De uitvoering van deze verordening vereist eenvormige voorwaarden voor de vaststelling van voorlopige en definitieve vrijwaringsmaatregelen, en voor het opleggen van maatregelen inzake voorafgaand toezicht. Deze maatregelen moeten door de Commissie worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (10).

(23)

De raadplegingsprocedure moet worden toegepast voor de vaststelling van toezicht- en voorlopige maatregelen, gelet op de effecten van dergelijke maatregelen en de sequentiële logica ervan met betrekking tot de vaststelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen. Als vertraging bij de oplegging van maatregelen schade zou veroorzaken die moeilijk te herstellen zou zijn, moet de Commissie onmiddellijk toepasselijke voorlopige maatregelen kunnen vaststellen.

(24)

Bij de wijziging van Verordening (EG) nr. 625/2009 werd de tweede alinea van artikel 18, lid 2, abusievelijk geschrapt. Die bepaling dient opnieuw te worden ingevoegd.

(25)

Nu Armenië, Rusland, Tadzjikistan en Vietnam lid van de WTO zijn geworden, dienen die derde landen bij gedelegeerde handeling van de Commissie in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 625/2009 te worden geschrapt. Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst, zijn zij nu niet opgenomen in de lijst van derde landen in bijlage I bij de onderhavige verordening,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEGINSELEN

Artikel 1

1.   Deze verordening is van toepassing op de invoer van producten van oorsprong uit de in bijlage I genoemde derde landen, met uitzondering van textielproducten die onder Verordening (EG) nr. 517/94 vallen.

2.   De invoer in de Unie van de in lid 1 bedoelde producten is vrij en is dientengevolge aan geen enkele kwantitatieve beperking onderworpen, onverminderd de vrijwaringsmaatregelen die op grond van hoofdstuk V kunnen worden opgenomen.

HOOFDSTUK II

INFORMATIE- EN OVERLEGPROCEDURE VAN DE UNIE

Artikel 2

Wanneer de ontwikkeling van de invoer toezicht- of vrijwaringsmaatregelen noodzakelijk kan maken, wordt de Commissie hiervan door de lidstaten in kennis gesteld. Deze kennisgeving bevat het bewijsmateriaal dat beschikbaar is ten aanzien van de in artikel 6 vermelde criteria. De Commissie geeft deze inlichtingen onverwijld aan alle lidstaten door.

HOOFDSTUK III

ONDERZOEKSPROCEDURE VAN DE UNIE

Artikel 3

1.   Wanneer de Commissie van oordeel is dat er voldoende bewijsmateriaal is om een onderzoek in te stellen, opent zij binnen één maand na de datum van ontvangst van inlichtingen van een lidstaat een onderzoek en doet zij een bekendmaking verschijnen in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze bekendmaking:

a)

bevat een samenvatting van de ontvangen inlichtingen en het verzoek de Commissie alle nuttige inlichtingen toe te zenden;

b)

geeft aan over welke termijn de belanghebbenden beschikken om hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en inlichtingen te verstrekken, willen die standpunten en inlichtingen in aanmerking kunnen worden genomen tijdens het onderzoek;

c)

vermeldt over welke termijn de belanghebbenden beschikken voor de indiening van een verzoek om mondeling door de Commissie te worden gehoord overeenkomstig lid 4.

De Commissie maakt in samenwerking met de lidstaten een aanvang met het onderzoek.

De Commissie verstrekt de lidstaten informatie betreffende haar onderzoek van de informatie normaliter binnen 21 dagen nadat de informatie aan de Commissie is verstrekt.

2.   De Commissie wint alle inlichtingen in die zij nodig acht en tracht deze, indien zij dit dienstig acht, te verifiëren bij importeurs, handelaars, vertegenwoordigers, producenten en handelsverenigingen en -organisaties.

De Commissie wordt in deze taak bijgestaan door functionarissen uit de lidstaat op het grondgebied waarvan de verificaties plaatsvinden, voor zover deze lidstaat daartoe de wens te kennen heeft gegeven.

Zowel de vertegenwoordigers van het exporterende land als de belanghebbenden die zich overeenkomstig lid 1, eerste alinea, kenbaar hebben gemaakt, mogen van alle inlichtingen die in het kader van het onderzoek aan de Commissie zijn verstrekt kennis nemen, zij het niet van interne documenten die door de autoriteiten van de Unie of haar lidstaten zijn opgesteld, mits deze inlichtingen relevant zijn voor de verdediging van hun belangen, niet vertrouwelijk zijn in de zin van artikel 5 en door de Commissie bij het onderzoek worden gebruikt. Zij dienen daartoe een schriftelijk verzoek in bij de Commissie, waarin zij vermelden welke inlichtingen zij nodig hebben.

3.   De lidstaten verstrekken de Commissie op haar verzoek en op de door haar vastgestelde wijze de inlichtingen waarover zij beschikken met betrekking tot de ontwikkelingen op de markt van het product waarop het onderzoek betrekking heeft.

4.   De Commissie kan de belanghebbenden horen. Deze moeten worden gehoord indien zij hierom schriftelijk hebben verzocht binnen de termijn vastgesteld in de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en daarbij hebben aangetoond dat zij daadwerkelijk belang kunnen hebben bij het resultaat van het onderzoek en dat zij bijzondere redenen hebben om gehoord te willen worden.

5.   Wanneer er binnen de bij deze verordening vastgestelde termijnen of binnen de door de Commissie op grond van deze verordening vastgestelde termijnen geen inlichtingen worden verstrekt of wanneer het onderzoek in belangrijke mate hinder ondervindt, kunnen er conclusies worden getrokken op basis van het beschikbare feitenmateriaal. Wanneer de Commissie constateert dat een belanghebbende of een derde haar onjuiste of misleidende inlichtingen heeft verstrekt, laat zij die inlichtingen buiten beschouwing en kan zij gebruikmaken van het beschikbare feitenmateriaal.

6.   Wanneer de Commissie van oordeel is dat er onvoldoende bewijsmateriaal is om een onderzoek in de stellen, stelt zij de lidstaten binnen één maand na de datum van ontvangst van de inlichtingen van de lidstaten in kennis van haar besluit.

Artikel 4

1.   Aan het einde van het onderzoek legt de Commissie het comité bedoeld in artikel 22, lid 1, een verslag voor over de resultaten ervan.

2.   Indien de Commissie binnen negen maanden na opening van het onderzoek tot de conclusie komt dat het niet nodig is dat de Unie toezicht- of vrijwaringsmaatregelen neemt, wordt het onderzoek binnen een maand afgesloten. De Commissie beëindigt het onderzoek volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure. Een besluit tot afsluiting van het onderzoek, dat de voornaamste conclusies van het onderzoek en een samenvatting van de redenen daarvoor dient te bevatten, wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

3.   Indien de Commissie tot de slotsom komt dat toezicht- of vrijwaringsmaatregelen van de Unie noodzakelijk zijn, neemt zij uiterlijk negen maanden na de opening van het onderzoek de nodige besluiten daartoe overeenkomstig de hoofdstukken IV en V. In uitzonderlijke omstandigheden kan die termijn met ten hoogste twee maanden worden verlengd. In dat geval doet de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie een bekendmaking verschijnen waarin de duur van de verlenging en een samenvatting van de redenen daarvoor worden meegedeeld.

4.   Het bepaalde in dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan de mogelijkheid om op gelijk welk ogenblik toezichtmaatregelen te nemen overeenkomstig de artikelen 7 tot en met 12, of, indien een kritieke situatie, waarin uitstel moeilijk te herstellen schade zou veroorzaken, een onmiddellijk ingrijpen vereist, vrijwaringsmaatregelen te nemen overeenkomstig de artikelen 13, 14 en 15.

De Commissie neemt onmiddellijk de onderzoekmaatregelen die zij nog noodzakelijk acht. De resultaten van het onderzoek worden gebruikt voor een hernieuwd onderzoek van de genomen maatregelen.

Artikel 5

1.   De op grond van deze verordening ontvangen inlichtingen mogen slechts worden gebruikt voor het doel waarvoor zij werden gevraagd.

2.   De Commissie noch de lidstaten, inclusief de functionarissen van beide, mogen inlichtingen met een vertrouwelijk karakter die zij op grond van deze verordening hebben ontvangen, of inlichtingen die op vertrouwelijke basis zijn verstrekt, bekendmaken zonder de uitdrukkelijke toestemming van degene die ze heeft verstrekt.

3.   Bij elk verzoek om vertrouwelijke behandeling van inlichtingen wordt aangegeven waarom deze vertrouwelijk zijn.

Wanneer blijkt dat een verzoek om vertrouwelijke behandeling niet gegrond is en degene die de inlichtingen heeft verstrekt, deze noch openbaar wil maken noch toestemming wil geven tot bekendmaking ervan in algemene termen of in samengevatte vorm, kunnen deze inlichtingen buiten beschouwing worden gelaten.

4.   Inlichtingen worden in elk geval als vertrouwelijk beschouwd indien uit de bekendmaking ervan aanzienlijk nadeel kan voortvloeien voor degene die ze heeft verstrekt of die de bron ervan is.

5.   De leden 1 tot en met 4 vormen geen beletsel voor het vermelden van algemene inlichtingen door de autoriteiten van de Unie en in het bijzonder van de motieven waarop de op grond van deze verordening genomen besluiten berusten. De autoriteiten van de Unie houden echter rekening met het rechtmatig belang dat de betrokken natuurlijke en rechtspersonen hebben bij het niet bekendmaken van hun zakengeheimen.

Artikel 6

1.   De bestudering van de ontwikkeling van de invoer, de omstandigheden waaronder deze plaatsvindt en de ernstige schade die de producenten in de Unie door die invoer lijden of dreigen te lijden, heeft met name betrekking op de volgende factoren:

a)

de ingevoerde hoeveelheden, met name wanneer deze aanzienlijk zijn toegenomen, hetzij absoluut, hetzij ten opzichte van de productie of het verbruik in de Unie;

b)

de prijzen van de ingevoerde producten, met name wanneer er een aanzienlijke onderbieding is geweest in vergelijking met de prijs van een soortgelijk product in de Unie;

c)

de invloed hiervan op de producenten in de Unie van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten, zoals dit blijkt uit de ontwikkeling van bepaalde economische factoren, zoals:

productie,

bezettingsgraad,

voorraden,

verkoop,

marktaandeel,

prijzen (dat wil zeggen, prijsdalingen of het niet plaatsvinden van prijsverhogingen die normaal wel zouden hebben plaatsgevonden),

winsten,

rentabiliteit,

cashflow,

werkgelegenheid.

2.   Bij haar onderzoek houdt de Commissie rekening met het bijzondere economische stelsel van de in bijlage I bedoelde landen.

3.   Wanneer beweerd wordt dat de producenten in de Unie ernstige schade dreigen te lijden, gaat de Commissie tevens na of een bepaalde situatie naar alle waarschijnlijkheid tot werkelijke schade zal leiden. In dit verband kan onder meer met de volgende factoren rekening worden gehouden:

a)

het percentage waarmee de uitvoer naar de Unie is gestegen;

b)

de uitvoercapaciteit die in het land van oorsprong of uitvoer reeds bestaat of daar in de voorzienbare toekomst zal bestaan, en de waarschijnlijkheid dat de daaruit voortkomende uitvoer voor de Unie bestemd zal zijn.

HOOFDSTUK IV

TOEZICHTMAATREGELEN

Artikel 7

1.   Wanneer de belangen van de Unie dit vereisen, kan de Commissie op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief:

a)

besluiten tot Unietoezicht achteraf op bepaalde ingevoerde producten, overeenkomstig de door haar vast te stellen procedure;

b)

besluiten de invoer van bepaalde producten afhankelijk te stellen van Unietoezicht vooraf, overeenkomstig artikel 8, teneinde de ontwikkeling van die invoer te volgen.

2.   De besluiten uit hoofde van lid 1 worden genomen door de Commissie volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

3.   De toezichtmaatregelen hebben een beperkte geldigheidsduur. Behoudens andersluidende bepalingen vervallen zij aan het einde van het tweede halfjaar volgende op het halfjaar waarin zij werden ingesteld.

Artikel 8

1.   Onder voorafgaand Unietoezicht geplaatste producten kunnen eerst na overlegging van een toezichtsdocument in het vrije verkeer worden gebracht. Dit document wordt door de door de lidstaten aangewezen bevoegde autoriteit kosteloos voor elke gevraagde hoeveelheid afgegeven binnen maximaal vijf werkdagen nadat zij de aangifte van de importeur in de Unie heeft ontvangen, ongeacht diens plaats van vestiging in de Unie. Deze aangifte wordt geacht uiterlijk drie werkdagen na indiening door de bevoegde nationale autoriteiten te zijn ontvangen, tenzij het tegendeel wordt bewezen.

2.   Het toezichtsdocument wordt op een formulier gesteld waarvan het model in bijlage II is opgenomen.

Tenzij in het besluit om goederen onder toezicht te plaatsen anders bepaald, dient de aanvraag van een toezichtsdocument van de importeur slechts de volgende gegevens te bevatten:

a)

naam en volledig adres van de aanvrager (met inbegrip van zijn telefoon- en fax en eventueel zijn identificatienummer bij de bevoegde nationale autoriteiten) alsmede zijn btw-nummer indien hij btw-plichtig is;

b)

eventueel, naam en volledig adres van de aangever of de eventuele vertegenwoordiger van de aanvrager (met inbegrip van zijn telefoon- en fax);

c)

de omschrijving van de goederen met opgave van:

de handelsbenaming,

de code van de gecombineerde nomenclatuur waar zij onder vallen,

oorsprong en herkomst;

d)

de aangegeven hoeveelheden, in kilogram, en eventueel in iedere andere ter zake doende extra eenheid (paar, stuks enz.);

e)

de waarde van de goederen cif-grens Unie in euro;

f)

de volgende verklaring, gedateerd en ondertekend door de aanvrager, die daarin ook zijn naam in hoofdletters vermeldt:

„Ondergetekende verklaart dat de inlichtingen in deze aanvraag naar beste weten en te goeder trouw werden verstrekt en dat hij in de Unie is gevestigd.”

.

3.   Het toezichtsdocument is geldig in de gehele Unie, ongeacht welke lidstaat het heeft afgegeven.

4.   De constatering dat de prijs per eenheid waartegen de transactie plaatsvindt de in het toezichtsdocument vermelde prijs met minder dan 5 % overschrijdt, of dat de waarde of de hoeveelheid van de ten invoer aangebrachte producten in totaal minder dan 5 % hoger is dan die welke in dit document is vermeld, vormt geen beletsel voor het in het vrije verkeer brengen van het betrokken product. De Commissie kan, na het comité te hebben gehoord en met inachtneming van de aard van de producten en de andere bijzondere kenmerken van de transactie, een ander percentage vaststellen, dat normaliter evenwel niet meer dan 10 % mag bedragen.

5.   Het toezichtsdocument mag slechts worden gebruikt zolang voor de betrokken transacties de regeling inzake de liberalisering van de invoer van toepassing is, doch niet langer dan gedurende een termijn die terzelfder tijd en volgens dezelfde procedure als de ondertoezichtplaatsing wordt vastgesteld, waarbij de aard van de producten en de andere bijzondere kenmerken van de transacties in aanmerking worden genomen.

6.   Wanneer dit vereist is volgens een op grond van artikel 7 genomen besluit, moet de oorsprong van de onder Unietoezicht geplaatste producten door middel van een certificaat van oorsprong worden aangetoond. Dit lid laat andere bepalingen inzake de overlegging van een dergelijk certificaat onverlet.

7.   Wanneer in een lidstaat regionale vrijwaringsmaatregelen van toepassing zijn op een onder voorafgaand Unietoezicht geplaatst product, mag de door deze lidstaat afgegeven invoervergunning in plaats van het toezichtsdocument worden gebruikt.

8.   De formulieren met betrekking tot de toezichtsdocumenten en de uittreksels daarvan worden opgesteld in twee exemplaren, waarvan het eerste „origineel voor de geadresseerde” wordt genoemd en het nummer 1 draagt, en het tweede, dat „exemplaar voor de bevoegde autoriteit” wordt genoemd en het nummer 2 draagt, wordt bewaard door de autoriteit die het document heeft afgegeven. Voor administratieve doeleinden kan de bevoegde autoriteit aan formulier nr. 2 een aantal extra kopieën toevoegen.

9.   De formulieren worden gedrukt op wit houtvrij papier, zodanig gelijmd dat het goed te beschrijven is, met een gewicht van 55 tot 65 g per m2. Het formaat van de formulieren is 210 × 297 mm. De regelafstand is 4,24 mm (een zesde duim). De indeling van de formulieren moet strikt in acht worden genomen. Beide zijden van het exemplaar nr. 1, dat het eigenlijke toezichtsdocument vormt, zijn bovendien voorzien van een gele geguillocheerde onderdruk die elke vervalsing met mechanische of chemische middelen zichtbaar maakt.

10.   De lidstaten dragen zorg voor het drukken van de formulieren. Deze kunnen eveneens worden gedrukt door drukkerijen die daartoe zijn erkend door de lidstaat waar zij gevestigd zijn. In dit geval dient op elk formulier een verwijzing naar deze erkenning voor te komen. Voorts worden op elk formulier de naam en het adres van de drukker vermeld of een teken aan de hand waarvan deze kan worden geïdentificeerd.

Artikel 9

Wanneer de belangen van de Unie dit vereisen, kan de Commissie, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, wanneer de in artikel 13, lid 1, bedoelde situatie zich dreigt voor te doen:

de termijn inkorten gedurende welke het eventueel vereiste toezichtsdocument kan worden gebruikt;

de afgifte van dat document afhankelijk stellen van bepaalde voorwaarden en, bij wijze van uitzondering, van de opneming van een herroepingsclausule.

Artikel 10

Wanneer de invoer van een product niet onder voorafgaand toezicht van de Unie is geplaatst, kan de Commissie, door middel van uitvoeringshandelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig de in artikel 22, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure en overeenkomstig artikel 15, een toezicht instellen dat beperkt is tot één of meer regio's van de Unie.

Artikel 11

1.   Onder regionaal toezicht geplaatste producten kunnen in de betrokken regio eerst na overlegging van een toezichtsdocument in het vrije verkeer worden gebracht. Dit document wordt door de door de betrokken lidstaat (lidstaten) aangewezen bevoegde autoriteit kosteloos voor elke gevraagde hoeveelheid afgegeven binnen maximaal vijf werkdagen nadat zij de aangifte van de importeur in de Unie heeft ontvangen, ongeacht diens plaats van vestiging in de Unie. Deze aangifte wordt geacht uiterlijk drie werkdagen na indiening door de bevoegde nationale autoriteit te zijn ontvangen, tenzij het tegendeel wordt bewezen. Het toezichtsdocument mag slechts worden gebruikt zolang voor de betrokken transacties de regeling inzake de liberalisering van de invoer van toepassing is.

2.   Artikel 8, lid 2, is van toepassing.

Artikel 12

1.   Ingeval Unietoezicht of regionaal toezicht is ingesteld, delen de lidstaten binnen de eerste tien dagen van elke maand de Commissie mede:

a)

in geval van voorafgaand toezicht: de hoeveelheden en de aan de hand van de cif-prijzen berekende bedragen waarvoor tijdens de voorafgaande periode toezichtsdocumenten zijn afgegeven;

b)

in alle gevallen: de invoer in de periode die aan de onder a) bedoelde periode is voorafgegaan.

In de mededelingen van de lidstaten wordt een onderverdeling naar product en land gegeven.

Andere bepalingen kunnen terzelfder tijd en volgens dezelfde procedure als de ondertoezichtplaatsing worden vastgesteld.

2.   Wanneer dit op grond van de aard van de producten of bijzondere omstandigheden vereist is, kan de Commissie op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, het tijdschema voor de mededelingen wijzigen.

3.   De Commissie houdt de lidstaten op de hoogte.

HOOFDSTUK V

VRIJWARINGSMAATREGELEN

Artikel 13

1.   Wanneer een product in dermate gestegen hoeveelheden of tegen zodanige voorwaarden in de Unie wordt ingevoerd dat de producenten in de Unie van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten hierdoor ernstige schade lijden of dreigen te lijden, kan de Commissie, ter bescherming van de belangen van de Unie, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, de regeling voor de invoer van dat product zodanig wijzigen dat het alleen in het vrije verkeer mag worden gebracht als een invoervergunning wordt overgelegd, die op de door haar vastgestelde voorwaarden en binnen de door haar gestelde grenzen wordt verleend.

2.   De aangenomen maatregelen worden onverwijld aan de lidstaten meegedeeld en zijn met onmiddellijke ingang van toepassing.

3.   De in dit artikel bedoelde maatregelen zijn van toepassing op elk product dat na de inwerkingtreding van deze maatregelen in het vrije verkeer wordt gebracht. Overeenkomstig artikel 15 kunnen deze maatregelen tot één of meer regio's van de Unie worden beperkt.

Deze maatregelen vormen evenwel geen beletsel voor het in het vrije verkeer brengen van producten die reeds onderweg zijn naar de Unie, mits hun bestemming niet kan worden gewijzigd en de producten die op grond van de artikelen 8 en 11 alleen in het vrije verkeer mogen worden gebracht als een toezichtsdocument wordt overgelegd, daadwerkelijk van dat document vergezeld gaan.

4.   Wanneer een lidstaat de Commissie verzoekt in te grijpen, neemt de Commissie binnen een termijn van vijf werkdagen na de datum van ontvangst van het verzoek een besluit volgens de in artikel 22, lid 3, of in spoedeisende gevallen, artikel 22, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 14

1.   De Commissie kan met name in de situatie bedoeld in artikel 13, lid 1, passende vrijwaringsmaatregelen nemen volgens de in artikel 22, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.

2.   Artikel 13, lid 3, is van toepassing.

Artikel 15

Wanneer, met name op grond van de in artikel 6 genoemde factoren, blijkt dat in één of meer regio's van de Unie wordt voldaan aan de voorwaarden voor het nemen van de in hoofdstuk IV en artikel 13 bedoelde maatregelen, kan de Commissie, na onderzoek van alternatieve oplossingen, bij wijze van uitzondering de toepassing van toezicht- of vrijwaringsmaatregelen die alleen voor de betrokken regio('s) gelden, toestaan indien zij van oordeel is dat toepassing van zulke maatregelen op dat niveau de voorkeur verdient boven de toepassing van zulke maatregelen in de gehele Unie.

Deze maatregelen zijn van tijdelijke aard en dienen de werking van de interne markt zo min mogelijk te verstoren.

Deze maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 7, respectievelijk artikel 13 neergelegde procedure.

Artikel 16

1.   Gedurende de tijd dat een op grond van de hoofdstukken IV en V toegepaste toezicht- of vrijwaringsmaatregel van kracht is, kan de Commissie hetzij op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief:

a)

het effect van deze maatregelen onderzoeken;

b)

nagaan of handhaving van de maatregelen nog noodzakelijk is.

Indien de Commissie van oordeel is dat de maatregel nog moet worden toegepast, stelt zij de lidstaten daarvan in kennis.

2.   Wanneer de Commissie van oordeel is dat de in de hoofdstukken IV en V bedoelde toezicht- of vrijwaringsmaatregelen moeten worden ingetrokken of gewijzigd, trekt zij de betrokken maatregel in of wijzigt zij deze in, volgens de in artikel 22, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.

Wanneer dat besluit betrekking heeft op regionale toezichtmaatregelen, is het van toepassing met ingang van de zesde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 17

1.   Deze verordening doet geen afbreuk aan verplichtingen op grond van speciale bepalingen in overeenkomsten die tussen de Unie en derde landen zijn gesloten.

2.   Onverminderd andere Uniebepalingen vormt deze verordening geen beletsel voor de vaststelling of toepassing door de lidstaten van:

a)

verboden, kwantitatieve beperkingen of toezichtmaatregelen die zijn ingesteld uit hoofde van de bescherming van de openbare zeden, de openbare orde of de openbare veiligheid, de gezondheid of het leven van mensen, dieren of planten, het nationale artistieke, historische of archeologische erfgoed of de industriële of commerciële eigendom;

b)

speciale formaliteiten voor het deviezenverkeer;

c)

formaliteiten die, in overeenstemming met het VWEU, op grond van internationale overeenkomsten zijn ingevoerd.

De lidstaten delen de Commissie mee welke maatregelen of formaliteiten zij op grond van de eerste alinea voornemens zijn in te voeren of te wijzigen.

In bijzonder spoedeisende gevallen worden deze nationale maatregelen of formaliteiten aan de Commissie meegedeeld zodra zij zijn vastgesteld.

Artikel 18

De Commissie neemt in haar jaarlijks verslag aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing en uitvoering van handelsbeschermende maatregelen, bedoeld in artikel 22 bis, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (11), informatie op over de uitvoering van deze verordening.

Artikel 19

1.   Deze verordening doet geen afbreuk aan de toepassing van de regelingen houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, hieruit voortvloeiende bestuursrechtelijke bepalingen van de Unie of nationale bestuursrechtelijke bepalingen of de specifieke regelingen op grond van artikel 352 VWEU voor goederen die door de verwerking van landbouwproducten zijn verkregen, doch vormt een aanvulling daarop.

2.   De artikelen 7 tot en met 12 en artikel 16 zijn niet van toepassing op onder de in lid 1 van dit artikel bedoelde regelingen vallende producten waarvoor, volgens de Unievoorschriften voor het handelsverkeer met derde landen, een invoercertificaat of ander invoerdocument moet worden overgelegd.

De artikelen 13, 15 en 16 zijn niet van toepassing op producten waarvoor, volgens de Unievoorschriften voor het handelsverkeer met derde landen, kwantitatieve invoerbeperkingen kunnen worden ingesteld.

Artikel 20

De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 21 ten aanzien van wijzigingen van bijlage I, om landen te schrappen in de lijst van de in die bijlage genoemde derde landen wanneer die landen lid worden van de WTO.

Artikel 21

1.   De bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.

2.   De in artikel 20 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar vanaf 20 februari 2014. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het verstrijken van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend verlengd met termijnen van dezelfde duur, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van elke termijn tegen dergelijke verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 20 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 20 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 22

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij Verordening (EU) 2015/478 van het Europees Parlement en de Raad (12) ingestelde Comité vrijwaringsmaatregelen. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011 in samenhang met artikel 5 van toepassing.

Artikel 23

De Verordeningen (EG) nr. 427/2003 en (EG) nr. 625/2009 worden ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IV.

Artikel 24

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 29 april 2015.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

Z. KALNIŅA-LUKAŠEVICA


(1)  Advies van 10 december 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 11 maart 2015 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 20 april 2015.

(3)  Verordening (EG) nr. 625/2009 van de Raad van 7 juli 2009 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (PB L 185 van 17.7.2009, blz. 1).

(4)  Zie bijlage III.

(5)  Verordening (EG) nr. 738/94 van de Commissie van 30 maart 1994 tot vaststelling van een aantal bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 520/94 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke procedure voor het beheer van kwantitatieve contingenten (PB L 87 van 31.3.1994, blz. 47).

(6)  Verordening (EG) nr. 3168/94 van de Commissie van 21 december 1994 houdende vaststelling van een communautaire invoervergunning voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 517/94 van de Raad betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van textielproducten uit bepaalde derde landen, die niet vallen onder bilaterale overeenkomsten, protocollen of andere regelingen, noch onder een andere, bijzondere, communautaire regeling, en tot wijziging van een aantal bepalingen van die Verordening (PB L 335 van 23.12.1994, blz. 23).

(7)  Verordening (EG) nr. 3169/94 van de Commissie van 21 december 1994 tot wijziging van bijlage III bij Verordening (EEG) nr. 3030/93 van de Raad betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van bepaalde textielproducten uit derde landen en tot vaststelling van een communautaire invoervergunning voor de toepassing van genoemde Verordening (PB L 335 van 23.12.1994, blz. 33).

(8)  Verordening (EG) nr. 517/94 van de Raad van 7 maart 1994 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van textielproducten uit bepaalde derde landen, die niet vallen onder bilaterale overeenkomsten, protocollen of andere regelingen, noch onder een andere, bijzondere, communautaire regeling (PB L 67 van 10.3.1994, blz. 1).

(9)  Verordening (EG) nr. 427/2003 van de Raad van 3 maart 2003 over een productspecifiek vrijwaringsmechanisme in de overgangsperiode voor producten uit de Volksrepubliek China en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 519/94 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (PB L 65 van 8.3.2003, blz. 1).

(10)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de voorschriften en algemene beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(11)  Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51).

(12)  Verordening (EU) 2015/478 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer (PB L 83 van 27.3.2015, blz. 16).


BIJLAGE I

Lijst van derde landen

 

Azerbeidzjan

 

Belarus

 

Kazachstan

 

Noord-Korea

 

Oezbekistan

 

Turkmenistan


BIJLAGE II

Image

Tekst van het beeld

EUROPESE UNIE

TOEZICHTSDOCUMENT

1

1. Geadresseerde

(naam, volledig adres, land, btw-nummer)

2. Nummer van afgifte

Origineel voor de geadresseerde

3. Voorziene plaats en datum van de invoer

4. Voor de afgifte bevoegde autoriteit

(naam, adres en telefoonnummer)

5. Aangever/vertegenwoordiger (indien van toepassing)

(naam, volledig adres)

6. Land van oorsprong

(en nummer van geonomenclatuur)

7. Land van herkomst

(en nummer van geonomenclatuur)

8. Laatste dag van geldigheid

1

9. Omschrijving van de goederen

10. Goederencode (GN) en -cate-gorie

11. Hoeveelheid in kg (netto-massa) of in extra eenheden

12. Waarde cif-grens Unie in euro

13. Aanvullende gegevens

14. Visum van de bevoegde autoriteit

Datum:

Handtekening:

(Stempel)

Image

Tekst van het beeld

15. AFSCHRIJVINGEN

In het eerste deel van kolom 17 de beschikbare hoeveelheid en in het tweede deel de afgeschreven hoeveelheid aanduiden

16. Nettohoeveelheid (nettomassa of an-dere meeteenheid met aanduiding van de eenheid)

19. Douanedocument (soort en nummer) of uittreksel (nummer) en datum van afschrijving

20. Naam, lidstaat, hand-tekening en stempel van de afschrijvende autoriteit

17. In cijfers

18. In letters voor de afgeschreven hoeveelheid

1.

2.

1.

2.

1.

2.

1.

2.

1.

2.

1.

2.

1.

2.

Hier de eventuele verlengstrook bevestigen.

Image

Tekst van het beeld

EUROPESE UNIE

TOEZICHTSDOCUMENT

2

1. Geadresseerde

(naam, volledig adres, land, btw-nummer)

2. Nummer van afgifte

Exemplaar voor de bevoegde autoriteit

3. Voorziene plaats en datum van de invoer

4. Voor de afgifte bevoegde autoriteit

(naam, adres en telefoonnummer)

5. Aangever/vertegenwoordiger (indien van toepassing)

(naam, volledig adres)

6. Land van oorsprong

(en nummer van geonomenclatuur)

7. Land van herkomst

(en nummer van geonomenclatuur)

8. Laatste dag van geldigheid

2

9. Omschrijving van de goederen

10. Goederencode (GN) en -cate-gorie

11. Hoeveelheid in kg (nettomassa) of in extra eenheden

12. Waarde cif-grens Unie in euro

13. Aanvullende gegevens

14. Visum van de bevoegde autoriteit

Datum:

Handtekening:

(Stempel)

Image

Tekst van het beeld

15. AFSCHRIJVINGEN

In het eerste deel van kolom 17 de beschikbare hoeveelheid en in het tweede deel de afgeschreven hoeveelheid aanduiden

16. Nettohoeveelheid (nettomassa of an-dere meeteenheid met aanduiding van de eenheid)

19. Douanedocument (soort en nummer) of uittreksel (nummer) en datum van afschrijving

20. Naam, lidstaat, hand-tekening en stempel van de afschrijvende autoriteit

17. In cijfers

18. In letters voor de afgeschreven hoeveelheid

1.

2.

1.

2.

1.

2.

1.

2.

1.

2.

1.

2.

1.

2.

Hier de eventuele verlengstrook bevestigen.


BIJLAGE III

Ingetrokken verordening met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

Verordening (EG) nr. 625/2009 van de Raad

(PB L 185 van 17.7.2009, blz. 1)

 

Verordening (EU) nr. 37/2014 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 18 van 21.1.2014, blz. 1)

Uitsluitend punt 20 van de bijlage

Verordening (EG) nr. 427/2003 van de Raad

(PB L 65 van 8.3.2003, blz. 1)

 

Verordening (EG) nr. 1985/2003 van de Raad

(PB L 295 van 13.11.2003, blz. 43)

 

Verordening (EU) nr. 37/2014 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 18 van 21.1.2014, blz. 1)

Uitsluitend punt 9 van de bijlage


BIJLAGE IV

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 625/2009

Verordening (EG) nr. 427/2003

Deze verordening

Artikel 1

 

Artikel 1

Artikel 2

 

Artikel 2

Artikel 4

 

Artikel 22

Artikel 5

 

Artikel 3

Artikel 6

 

Artikel 4

Artikel 7

 

Artikel 5

Artikel 8

 

Artikel 6

Artikel 9, lid 1

 

Artikel 7, lid 1

Artikel 9, lid 1 bis

 

Artikel 7, lid 2

Artikel 9, lid 2

 

Artikel 7, lid 3

Artikel 10

 

Artikel 8

Artikel 11

 

Artikel 9

Artikel 12

 

Artikel 10

Artikel 13

 

Artikel 11

Artikel 14

 

Artikel 12

Artikel 15

 

Artikel 13

Artikel 16

 

Artikel 14

Artikel 17

 

Artikel 15

Artikel 18

 

Artikel 16

Artikel 19

 

Artikel 17

Artikel 19 bis

 

Artikel 18

Artikel 20

 

Artikel 19

 

Artikelen 1 t/m 14

 

Artikel 14 bis

Artikel 20

 

Artikel 14 ter

Artikel 21

 

Artikelen 15 t/m 24

Artikel 21

 

Artikel 23

Artikel 22

 

Artikel 24

Bijlage I

 

Bijlage I

Bijlage II

 

Bijlage II

Bijlage III

 

Bijlage III

Bijlage IV

 

Bijlage IV

 

Bijlage I

 

Bijlage II


Top