Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32014R0625

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 625/2014 van de Commissie van 13 maart 2014 houdende aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot vaststelling van de vereisten inzake blootstellingen aan overgedragen kredietrisico voor als belegger, sponsor, initiator of oorspronkelijke kredietverstrekker optredende instellingen Voor de EER relevante tekst

OJ L 174, 13.6.2014, p. 16–25 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2014/625/oj

13.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 174/16


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 625/2014 VAN DE COMMISSIE

van 13 maart 2014

houdende aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot vaststelling van de vereisten inzake blootstellingen aan overgedragen kredietrisico voor als belegger, sponsor, initiator of oorspronkelijke kredietverstrekker optredende instellingen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (1), en met name artikel 410, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Door een economisch belang aan te houden, kunnen de belangen van de partijen die het kredietrisico van de gesecuritiseerde blootstellingen respectievelijk overdragen en aanvaarden, op elkaar worden afgestemd. Wanneer een entiteit eigen verplichtingen securitiseert, worden de verschillende belangen automatisch op elkaar afgestemd, ongeacht of de uiteindelijke debiteur zijn schuld met zekerheden dekt. Ingeval het duidelijk is dat het kredietrisico bij de initiator blijft, is het aanhouden van een belang door de initiator onnodig en zou het de vooraf bestaande positie niet verbeteren.

(2)

Het is raadzaam te verduidelijken wanneer een blootstelling aan overgedragen kredietrisico wordt geacht te ontstaan in bepaalde specifieke gevallen waarin instellingen, wanneer zij niet als initiator, sponsor of oorspronkelijke kredietverstrekker optreden, kunnen worden blootgesteld aan het kredietrisico van een securitisatiepositie, zoals onder meer wanneer de instellingen optreden als tegenpartij bij een derivaat bij de securitisatietransactie, als tegenpartij bij een afdekking bij de securitisatietransactie, als verschaffer van een liquiditeitsfaciliteit bij de transactie en wanneer instellingen securitisatieposities in de handelsportefeuille aanhouden in het kader van activiteiten als marketmaker.

(3)

Bij hersecuritisatietransacties vindt kredietrisico-overdracht plaats op het niveau van de eerste securitisatie van activa en op het tweede „herverpakte” niveau van de transacties. De beide niveaus van de transacties en de beide overeenkomstige gevallen van kredietrisico-overdracht staan los van elkaar wat de vereisten van deze verordening betreft. Het aanhouden van een netto economisch belang en de due diligence moeten op elk niveau van de transactie worden verzekerd door de instellingen die aan het overgedragen kredietrisico op dat welbepaalde niveau worden blootgesteld. Indien een instelling bijgevolg alleen op het tweede „herverpakte” niveau van de transactie wordt blootgesteld, zijn de vereisten met betrekking tot het aanhouden van een netto economisch belang en de due diligence alleen op die instelling van toepassing met betrekking tot het tweede niveau van de transactie. In het kader van dezelfde hersecuritisatietransactie moeten de instellingen die op het eerste niveau van de securitisatie van activa blootgesteld werden, voldoen aan het aanhoudvereiste en de duediligencevereisten met betrekking tot het eerste securitisatieniveau van de transactie.

(4)

Het is raadzaam om het volgende nader te specificeren: de toepassing van de verbintenis tot het aanhouden van een belang, met inbegrip van de naleving in geval van meerdere initiators, sponsors of oorspronkelijke kredietverstrekkers, bijzonderheden in verband met de verschillende aanhoudingsopties, de wijze waarop het aanhoudvereiste bij de initiatie en vervolgens op continue basis moet worden bepaald, en de manier waarop de vrijstellingen moeten worden toegepast.

(5)

In artikel 405, lid 1, onder a) tot en met e), van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden verschillende opties geboden om aan het vereiste voor het aanhouden van een belang te voldoen. Deze verordening verduidelijkt in detail op welke manieren aan elk van deze opties moet worden voldaan.

(6)

Een belang kan op synthetische of voorwaardelijke basis worden aangehouden, op voorwaarde dat deze methoden volledig in overeenstemming zijn met een van de in artikel 405, lid 1, onder a) tot en met e), van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde opties waaraan de synthetische of voorwaardelijke aanhoudingsvorm kan worden gelijkgesteld, en op voorwaarde dat er aan de openbaarmakingsvereisten wordt voldaan.

(7)

Het is verboden het aangehouden belang af te dekken of te verkopen wanneer dergelijke technieken het doel van het aanhoudvereiste ondergraven, hetgeen inhoudt dat afdekken of verkopen toegestaan kan zijn wanneer het de aanhoudende partij niet afdekt tegen het kredietrisico van de aangehouden securitisatieposities of van de aangehouden blootstellingen.

(8)

Opdat het netto economisch belang doorlopend in stand wordt gehouden, moeten instellingen ervoor zorgen dat er in de securitisatiestructuur geen mechanisme is ingebed dat ervoor zorgt dat het minimale aanhoudvereiste bij de initiatie noodzakelijkerwijs sneller afneemt dan het overgedragen belang. Evenzo mag het aangehouden belang in termen van kasstromen geen zodanige prioriteit krijgen bij het terugbetalen of aflossen dat het onder de 5 % van de actuele nominale waarde van de verkochte tranches of gesecuritiseerde blootstellingen daalt. Bovendien mag de kredietondersteuning aan de instelling die blootstelling aan een securitisatiepositie aanvaardt, niet onevenredig aan het terugbetalingstempo voor de onderliggende blootstellingen afnemen.

(9)

Instellingen moeten kunnen gebruikmaken van financiële modellen die door andere derde partijen dan EKBI's zijn ontwikkeld om de administratieve lasten en nalevingskosten voor het voldoen aan de duediligenceverplichtingen te reduceren. instellingen mogen financiële modellen van derde partijen slechts gebruiken indien ze vóór de belegging de nodige zorgvuldigheid in acht hebben genomen om de relevante aannames en structuren van de modellen te valideren en inzicht te krijgen in de methoden, de aannames en de resultaten van dergelijke modellen.

(10)

Het is van essentieel belang om verder te specificeren hoe vaak instellingen hun naleving van de duediligencevereisten moeten toetsen, hoe ze moeten beoordelen of het gebruik van verschillende beleidslijnen en procedures voor de handelsportefeuille en de niet-handelsportefeuille passend is, en hoe ze de naleving moeten beoordelen wanneer de posities betrekking hebben op de correlatiehandelsportefeuille. Daarnaast is het van belang om bepaalde termen, zoals „risicokenmerken” en „structurele kenmerken”, in artikel 406 van Verordening (EU) nr. 575/2013 te verduidelijken.

(11)

Overeenkomstig artikel 14, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zouden in derde landen gevestigde entiteiten die overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in de consolidatie betrokken zijn, maar die niet rechtstreeks binnen de werkingssfeer van de extra risicogewichten vallen, in beperkte omstandigheden, zoals in het geval van blootstellingen die voor activiteiten als marketmaker in de handelsportefeuille worden aangehouden, niet mogen worden geacht inbreuk te maken op artikel 405 van Verordening (EU) nr. 575/2013. instellingen mogen niet worden geacht inbreuk te maken op dat artikel wanneer dergelijke blootstellingen of posities in de handelsportefeuille niet materieel zijn en geen onevenredig deel van de handelsactiviteiten uitmaken, op voorwaarde dat er sprake is van een gedegen inzicht in de blootstellingen of posities en dat er passende formele beleidslijnen en procedures zijn ingevoerd die in verhouding staan tot het algemene risicoprofiel van de entiteit en de groep.

(12)

De oorspronkelijke en doorlopende openbaarmaking aan beleggers van het belang dat uit hoofde van de verbintenis wordt aangehouden en van alle wezenlijk relevante gegevens, onder meer betreffende de kredietkwaliteit en de prestaties van de onderliggende blootstelling, is noodzakelijk voor een effectieve due diligence met betrekking tot de securitisatieposities. Openbaar gemaakte gegevens moeten bijzonderheden bevatten over de identiteit van de aanhoudende partij, de gekozen aanhoudingsoptie, en de oorspronkelijke en permanente verbintenis tot het aanhouden van een economisch belang. Ingeval de uitzonderingen van artikel 405, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing zijn, moeten gesecuritiseerde blootstellingen uitdrukkelijk openbaar worden gemaakt indien het aanhoudvereiste niet van toepassing is. In dat geval moet ook de reden voor niet-toepassing openbaar worden gemaakt.

(13)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) aan de Commissie heeft voorgelegd.

(14)

De Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) heeft openbare raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, de potentiële desbetreffende kosten en baten geanalyseerd en het advies van de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (2) opgerichte Stakeholdergroep Bankwezen ingewonnen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

DEFINITIES EN BLOOTSTELLING AAN HET RISICO VAN EEN SECURITISATIE

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

„aanhoudende partij”: de als initiator, sponsor of oorspronkelijke kredietverstrekker optredende entiteit die in overeenstemming met artikel 405, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 een netto economisch belang in de securitisatie aanhoudt;

b)

„synthetische aanhoudingsvorm”: aanhouden van een economisch belang via het gebruik van derivaten;

c)

„voorwaardelijke aanhoudingsvorm”: aanhouden van een economisch belang via het gebruik van garanties, kredietbrieven en andere soortgelijke vormen van kredietondersteuning die een onmiddellijke handhaving van de aanhouding verzekeren;

d)

„verticale tranche”: een tranche die de houder van de tranche proportioneel aan het kredietrisico van elke uitgegeven tranche van de securitisatietransactie blootstelt.

HOOFDSTUK II

BLOOTSTELLING AAN HET KREDIETRISICO VAN EEN SECURITISATIEPOSITIE

Artikel 2

Bijzondere gevallen van blootstelling aan het kredietrisico van een securitisatiepositie

1.   Wanneer een instelling met betrekking tot een securitisatietransactie als tegenpartij bij een kredietderivaat, als tegenpartij die de afdekking verschaft, dan wel als verstrekker van een liquiditeitsfaciliteit optreedt, wordt ze geacht bloot te staan aan het kredietrisico van een securitisatiepositie indien het derivaat, de afdekking of de liquiditeitsfaciliteit het kredietrisico van de gesecuritiseerde blootstellingen of de securitisatieposities draagt.

2.   Voor de toepassing van de artikelen 405 en 406 van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt de liquiditeitsverschaffer niet geacht bloot te staan aan het kredietrisico van een securitisatiepositie indien een liquiditeitsfaciliteit aan de voorwaarden van artikel 255, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoet.

3.   In het kader van een hersecuritisatie met meer dan één niveau of een securitisatie met meerdere afzonderlijke onderliggende transacties, wordt een instelling enkel geacht bloot te staan aan het kredietrisico van de individuele securitisatiepositie of transactie waarvoor ze blootstelling aanvaardt.

4.   Overeenkomstig artikel 14, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden instellingen op geconsolideerde basis niet geacht inbreuk te maken op artikel 405 van Verordening (EU) nr. 575/2013, mits de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

de entiteit die de securitisatieposities houdt, is in een derde land gevestigd en behoort tot de geconsolideerde groep overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b)

de securitisatieposities worden met het oog op activiteiten als marketmakers in de handelsportefeuille van de onder a) bedoelde entiteit aangehouden;

c)

de securitisatieposities zijn niet van wezenlijk belang voor het algemene risicoprofiel van de handelsportefeuille van de onder a) bedoelde groep en vormen geen onevenredig deel van de handelsactiviteiten van de groep.

HOOFDSTUK III

AANHOUDEN VAN EEN NETTO ECONOMISCH BELANG

Artikel 3

Partijen die een wezenlijk netto economisch belang aanhouden

1.   Het aangehouden wezenlijk netto economisch belang wordt niet onder de verschillende soorten aanhoudende partijen verdeeld. Het vereiste om een wezenlijk netto economisch belang aan te houden, wordt geacht volledig te zijn vervuld door de volgende partijen:

a)

de initiator of meerdere initiators;

b)

de sponsor of meerdere sponsors;

c)

de oorspronkelijke kredietverstrekker of meerdere oorspronkelijke kredietverstrekkers.

2.   Wanneer de gesecuritiseerde blootstellingen door meerdere initiators zijn gecreëerd, wordt door elke initiator aan het aanhoudingsvereiste voldaan met betrekking tot het deel van de totale gesecuritiseerde blootstellingen waarvoor hij de initiator is.

3.   Wanneer de gesecuritiseerde blootstellingen door meerdere oorspronkelijke kredietverstrekkers zijn gecreëerd, wordt door elke oorspronkelijke kredietverstrekker aan het aanhoudingsvereiste voldaan met betrekking tot het deel van de totale gesecuritiseerde blootstellingen waarvoor hij de oorspronkelijke kredietverstrekker is.

4.   Wanneer de gesecuritiseerde blootstellingen door meerdere initiators of meerdere oorspronkelijke kredietverstrekkers zijn gecreëerd, kan, in afwijking van de leden 2 en 3, door één enkele initiator of oorspronkelijke kredietverstrekker volledig aan het aanhoudingsvereiste worden voldaan, mits een van de volgende beide voorwaarden is vervuld:

a)

het programma of de securitisatieregeling is ingesteld en wordt beheerd door de initiator of oorspronkelijke kredietverstrekker;

b)

de initiator of oorspronkelijke kredietverstrekker heeft het programma of de securitisatieregeling ingesteld en heeft meer dan 50 % van de totale gesecuritiseerde blootstellingen bijgedragen.

5.   Wanneer gesecuritiseerde blootstellingen door meerdere sponsors worden ondersteund, wordt aan het aanhoudvereiste voldaan:

a)

ofwel door de sponsor met het economisch belang dat het best op de beleggers is afgestemd, zoals door de diverse sponsors is overeengekomen op basis van objectieve criteria, zoals onder meer de vergoedingsstructuren, de betrokkenheid bij de instelling en het beheer van het programma of de securitisatieregeling, en de blootstelling aan het kredietrisico van de securitisaties;

b)

ofwel door elke sponsor naar rato van het aantal sponsors.

Artikel 4

Vervulling van het aanhoudvereiste via een synthetische of voorwaardelijke aanhoudingsvorm

1.   Aan het aanhoudvereiste kan via een synthetische of voorwaardelijke aanhoudingsvorm worden voldaan op een manier die gelijkwaardig is aan een van de in artikel 405, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde opties, mits de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

het aangehouden bedrag is ten minste gelijk aan het vereiste volgens de optie waaraan de synthetische of voorwaardelijke aanhoudingsvorm kan worden gelijkgesteld;

b)

de aanhoudende partij heeft uitdrukkelijk bekendgemaakt een wezenlijk netto economisch belang doorlopend op deze manier aan te zullen houden en heeft daarbij bijzonderheden verschaft over de aanhoudingsvorm, de gebruikte methode om deze te bepalen en de gelijkwaardigheid ervan met een van de bovenbedoelde opties.

2.   Wanneer een andere entiteit dan een kredietinstelling als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 1), van Verordening (EU) nr. 575/2013 via een synthetische of voorwaardelijke aanhoudingsvorm als aanhoudende partij optreedt, wordt het op synthetische of voorwaardelijke basis aangehouden belang volledig gedekt met een zekerheid in de vorm van contanten en wordt dit belang op gescheiden basis aangehouden als „aan de cliënt toebehorende” gelden zoals bedoeld in artikel 13, lid 8, van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad (3).

Artikel 5

Aanhoudingsoptie a): het aanhouden van een proportioneel aandeel in elk van de aan beleggers verkochte of overgedragen tranches

1.   Het aanhouden van niet minder dan 5 % van de nominale waarde van elk van de tranches die zijn verkocht of overgedragen zoals bedoeld in artikel 405, lid 1, tweede alinea onder a), van de Verordening (EU) nr. 575/2013 kan ook als volgt worden verwezenlijkt:

a)

door het aanhouden van ten minste 5 % van de nominale waarde van elk van de gesecuritiseerde blootstellingen, op voorwaarde dat het kredietrisico van dergelijke blootstellingen neven- of ondergeschikt is aan het gesecuritiseerde kredietrisico voor diezelfde blootstellingen. In het geval van een revolverende securitisatie, zoals bedoeld in artikel 242, punt 13), van Verordening (EU) nr. 575/2013, is hiervan sprake wanneer het belang van de initiator wordt aangehouden, op voorwaarde dat het belang van de initiator ten minste 5 % van de nominale waarde van elk van de gesecuritiseerde blootstellingen bedraagt en dat het neven- of ondergeschikt is aan het kredietrisico dat ten aanzien van diezelfde blootstellingen is gesecuritiseerd;

b)

door het in het kader van een ABCP-programma verstrekken van een liquiditeitsfaciliteit met een eventuele hogere rang in de contractuele waterval, waarbij de volgende voorwaarden zijn vervuld:

i)

de liquiditeitsfaciliteit dekt 100 % van het kredietrisico van de gesecuritiseerde blootstellingen;

ii)

de liquiditeitsfaciliteit dekt het kredietrisico zolang de aanhoudende partij het economisch belang voor de desbetreffende securitisatiepositie in de vorm van een dergelijke liquiditeitsfaciliteit moet aanhouden;

iii)

de liquiditeitsfaciliteit wordt door de initiator, sponsor of oorspronkelijke kredietverstrekker bij de securitisatietransactie verstrekt;

iv)

de instelling die aan een dergelijke securitisatie wordt blootgesteld, is toegang verleend tot dienstige informatie die haar in staat stelt te verifiëren of aan de punten i), ii) en iii) is voldaan;

c)

door het aanhouden van een verticale tranche met een nominale waarde van niet minder van 5 % van de totale nominale waarde van alle uitgegeven tranches van notes.

Artikel 6

Aanhoudingsoptie b): het aanhouden van het initiatorbelang voor revolverende blootstellingen

Het aanhouden van een belang als bedoeld in artikel 405, lid 1, tweede alinea, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 kan worden verwezenlijkt door ten minste 5 % van de nominale waarde van elk van de gesecuritiseerde blootstellingen aan te houden, op voorwaarde dat het behouden kredietrisico van dergelijke blootstellingen neven- of ondergeschikt is aan het gesecuritiseerde kredietrisico voor diezelfde blootstellingen.

Artikel 7

Aanhoudingsoptie c): het aanhouden van willekeurig gekozen blootstellingen

1.   De in artikel 405, lid 1, tweede alinea, onder c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde pool van ten minste honderd potentieel gesecuritiseerde blootstellingen waaruit de aangehouden en gesecuritiseerde blootstellingen willekeurig worden gekozen, is divers genoeg om een te grote concentratie van het aangehouden belang te vermijden. Bij de voorbereiding van dit selectieproces houdt de aanhoudende partij met passende kwantitatieve en kwalitatieve factoren rekening, zodat het onderscheid tussen aangehouden en gesecuritiseerde blootstellingen echt willekeurig is. Bij de keuze van blootstellingen houdt de aanhoudende partij van willekeurig gekozen blootstellingen waar mogelijk rekening met factoren zoals emissiedatum, product, geografie, datum van initiatie, looptijd, loan-to-value-ratio, type eigendom, industriesector en uitstaande leningsaldo.

2.   De aanhoudende partij weerhoudt zich ervan om op verschillende tijdstippen verschillende afzonderlijke blootstellingen als aangehouden blootstellingen aan te duiden, tenzij dit noodzakelijk is om aan het aanhoudvereiste te voldoen met betrekking tot een securitisatie waarbij de gesecuritiseerde blootstellingen in de loop van de tijd schommelen, ofwel omdat er nieuwe blootstellingen aan de securitisatie worden toegevoegd, ofwel omdat het niveau van de afzonderlijke gesecuritiseerde blootstellingen verandert.

Artikel 8

Aanhoudingsoptie d): het aanhouden van de eersteverliestranche

1.   Het aanhouden van de eersteverliestranche overeenkomstig artikel 405, lid 1, tweede alinea, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt verwezenlijkt door middel van posities binnen of buiten de balanstelling, en kan ook als volgt worden verwezenlijkt:

a)

voorzien in een voorwaardelijke aanhoudingsvorm als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder c), dan wel verstrekken van een liquiditeitsfaciliteit in het kader van een ABCP-programma, welke aan de volgende criteria voldoet:

i)

de aanhouding dekt ten minste 5 % van de nominale waarde van de gesecuritiseerde blootstellingen;

ii)

ze neemt in de securitisatie een eersteverliespositie in;

iii)

ze dekt het kredietrisico voor de volledige duur van de verbintenis tot het aanhouden van een belang;

iv)

ze wordt verstrekt door de initiator, sponsor of oorspronkelijke kredietverstrekker in het kader van de securitisatie;

v)

de instelling die aan een dergelijke securitisatie wordt blootgesteld, is toegang verleend tot dienstige informatie die haar in staat stelt te verifiëren of aan de punten i), ii), iii) en iv) is voldaan;

b)

overpanding, als een vorm van kredietverbetering, indien die overpanding fungeert als de aanhouding van een eersteverliestranche van niet minder dan 5 % van de nominale waarde van de in het kader van de securitisatie uitgegeven tranches.

2.   Wanneer de eersteverliestranche meer dan 5 % van de nominale waarde van de gesecuritiseerde blootstellingen bedraagt, beschikt de aanhoudende partij over de mogelijkheid enkel een deel van die eersteverliestranche aan te houden, mits dit deel gelijk is aan ten minste 5 % van de nominale waarde van de gesecuritiseerde blootstellingen.

3.   Bij het voldoen aan het risicobehoudvereiste bij een securitisatieregeling houden instellingen geen rekening met het bestaan van onderliggende transacties waarbij de initiators of oorspronkelijke kredietverstrekkers op het transactiespecifieke niveau een eersteverliesblootstelling aanhouden.

Artikel 9

Aanhoudingsoptie e): het aanhouden van een eerste verlies in elke gesecuritiseerde blootstelling

1.   Het aanhouden van een eersteverliesblootstelling op het niveau van elke gesecuritiseerde blootstelling overeenkomstig artikel 405, lid 1, tweede alinea, onder e), wordt zodanig toegepast dat het aangehouden kredietrisico altijd ondergeschikt is aan het kredietrisico dat ten aanzien van diezelfde blootstellingen is gesecuritiseerd.

2.   De in lid 1 bedoelde aanhouding kan worden verwezenlijkt door de verkoop met korting van de onderliggende blootstellingen door de initiator of oorspronkelijke kredietverstrekker, waarbij het bedrag van de korting niet minder dan 5 % van de nominale waarde van elke blootstelling bedraagt en waarbij het verkoopbedrag met korting enkel restitueerbaar is aan de initiator of de oorspronkelijke kredietverstrekker wanneer het niet wordt geabsorbeerd door op de gesecuritiseerde blootstellingen geleden verliezen die met het kredietrisico verband houden.

Artikel 10

Meting van de hoogte van de aangehouden waarde

1.   Bij de meting van de hoogte van de aangehouden waarde van het netto economisch belang worden de volgende criteria toegepast:

a)

de initiatie wordt geacht het tijdstip te zijn waarop de blootstellingen voor het eerst zijn gesecuritiseerd;

b)

de berekening van de hoogte van de aangehouden waarde is gebaseerd op nominale waarden en er wordt geen rekening gehouden met de aankoopprijs van activa;

c)

de „overgebleven rentemarge” als omschreven in artikel 242, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt niet in aanmerking genomen bij de bepaling van het netto economisch belang van de aanhoudende partij;

d)

tijdens de looptijd van een securitisatietransactie worden dezelfde aanhoudingsoptie en -methode gehanteerd voor de berekening van het netto economisch belang, tenzij een wijziging vanwege uitzonderlijke omstandigheden vereist is en niet wordt gebruikt als middel om het bedrag van het aangehouden belang te verminderen.

2.   Op voorwaarde dat er geen mechanisme is ingebed dat ervoor zorgt dat het bij de initiatie aangehouden belang sneller afneemt dan het overgedragen belang, wordt de inachtneming van het aanhoudvereiste, afgezien van de criteria van lid 1, niet geacht te zijn beïnvloed door de aflossing van de aanhouding via de allocatie van kasstromen of door de allocatie van verliezen, hetgeen de hoogte van de aangehouden waarde feitelijk doet afnemen in de tijd. Een aanhoudende partij moet haar aangehouden belang van ten minste 5 % niet voortdurend aanvullen of bijstellen naarmate er verliezen worden gerealiseerd op haar blootstellingen of worden toegerekend aan haar aangehouden positie.

Artikel 11

Meting van de aanhouding voor de niet-opgenomen bedragen bij blootstellingen in de vorm van kredietfaciliteiten

De berekening van het aan te houden netto economisch belang voor kredietfaciliteiten, inclusief kredietkaarten, is uitsluitend gebaseerd op bedragen die al zijn opgenomen, gerealiseerd of ontvangen, en wordt bijgesteld naarmate deze bedragen veranderen.

Artikel 12

Verbod op het afdekken of verkopen van het aangehouden belang

1.   De in artikel 405, lid 1, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde verplichting om het aangehouden netto economisch belang niet te onderwerpen aan kredietrisicolimitering, korte posities of andere afdekkings- of verkooptransacties wordt toegepast voor de doeleinden van het aanhoudvereiste en met inachtneming van de economische kenmerken van de transactie. Afdekkingen van het netto economisch belang worden voor de toepassing van artikel 405, lid 1, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 niet als een afdekking beschouwd en kunnen dientengevolge alleen toegestaan zijn wanneer zij de aanhoudende partij niet afdekken tegen het kredietrisico van ofwel de aangehouden securitisatieposities, ofwel de aangehouden blootstellingen.

2.   De aanhoudende partij mag aangehouden blootstellingen of securitisatieposities als zekerheid voor gedekte financieringsdoeleinden gebruiken, voor zover dat gebruik het kredietrisico van die aangehouden blootstellingen of gesecuritiseerde posities niet aan een derde partij overdraagt.

Artikel 13

Vrijstellingen van artikel 405, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

De in artikel 405, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde transacties omvatten securitisatieposities in de correlatiehandelsportefeuille die uitsluitend referentie-instrumenten zijn die voldoen aan het criterium van artikel 338, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 of die in aanmerking komen voor opneming in de correlatiehandelsportefeuille.

Artikel 14

Aanhouding op geconsolideerde basis

Ingeval de aanhoudende partij niet langer onder het toezicht op geconsolideerde basis valt, zorgt een instelling die overeenkomstig artikel 405, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 aan de hand van de geconsolideerde situatie van de gelieerde EU-moederkredietinstelling, de financiële EU-moederholding of de gemengde financiële EU-moederholding aan het aanhoudvereiste voldoet, ervoor dat een of meer overblijvende entiteiten die onder het toezicht op geconsolideerde basis vallen, de blootstelling aan de securitisatie aanvaarden, zodat nog steeds aan het vereiste wordt voldaan.

HOOFDSTUK IV

DUEDILIGENCEVEREISTEN VOOR INSTELLINGEN DIE AAN EEN SECURITISATIEPOSITIE WORDEN BLOOTGESTELD

Artikel 15

Uitbesteding en andere algemene overwegingen

1.   Ingeval er geen informatie over de specifieke te securitiseren blootstellingen beschikbaar is, zoals onder meer wanneer blootstellingen vóór de securitisatie ervan cumuleren of aan een bestaande revolverende securitisatie worden toegevoegd, wordt een instelling geacht voor elk van haar individuele securitisatieposities aan haar in artikel 406 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde duediligencevereisten te voldoen door middel van een passende inachtneming van de relevante toelatingscriteria voor dergelijke blootstellingen.

2.   Bij de uitbesteding van bepaalde taken van het proces om aan de in artikel 406 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgelegde verplichtingen (zoals onder meer het bijhouden van bescheiden) te voldoen, behouden aan de risico's van een securitisatie blootstaande instellingen de volledige controle over dat proces.

Artikel 16

Specificatie van risicokenmerken en structurele kenmerken

1.   De risicokenmerken van de individuele securitisatiepositie als bedoeld in artikel 406, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 omvatten de volgende meest toepasselijke en wezenlijke kenmerken:

a)

rangorde van de tranche;

b)

kasstroomprofiel;

c)

bestaande ratings;

d)

historische prestaties van vergelijkbare tranches;

e)

met de tranches verband houdende verplichtingen die in de documentatie betreffende de securitisatie zijn opgenomen;

f)

kredietverbetering.

2.   De risicokenmerken van de onderliggende blootstellingen van de securitisatiepositie als bedoeld in artikel 406, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 omvatten de meest toepasselijke en wezenlijke kenmerken, zoals onder meer de prestatie-informatie als bedoeld in artikel 406, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 met betrekking tot blootstellingen aan hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed. instellingen bepalen toepasselijke en vergelijkbare maatstaven voor het analyseren van de risicokenmerken van andere activaklassen.

3.   Andere structurele kenmerken als bedoeld in artikel 406, lid 1, onder g), van Verordening (EU) nr. 575/2013 omvatten derivaten, garanties, kredietbrieven en andere soortgelijke vormen van kredietondersteuning.

Artikel 17

Frequentie van de toetsingen

Ten minste eenmaal per jaar toetsen de instellingen of zij aan artikel 406 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen nadat zij aan securitisatieposities worden blootgesteld. Zij doen dit vaker wanneer zij zich bewust worden van een inbreuk op de verplichtingen die zijn opgenomen in de documentatie met betrekking tot de securitisatie of wanneer er zich een wezenlijke wijziging voordoet van het volgende:

a)

de structurele kenmerken die wezenlijke gevolgen kunnen hebben voor de prestaties van de securitisatiepositie;

b)

de risicokenmerken van de securitisatieposities en van de onderliggende blootstellingen.

Artikel 18

Stresstests

1.   De in artikel 406, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde stresstests hebben betrekking op alle relevante securitisatieposities en zijn geïntegreerd in de stressteststrategieën en -processen die de instellingen uitvoeren in het kader van het in artikel 73 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (4) omschreven interne beoordelingsproces van de kapitaaltoereikendheid.

2.   Teneinde aan de stresstestvereisten van artikel 406, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 te voldoen, kunnen instellingen boven op de financiële modellen die door een EKBI zijn ontwikkeld, gebruikmaken van vergelijkbare financiële modellen die door derde partijen zijn ontwikkeld, op voorwaarde dat zij op verzoek kunnen aantonen vóór de belegging de nodige zorgvuldigheid in acht hebben genomen om de relevante aannames en structuren van de modellen te valideren en inzicht te krijgen in de methoden, de aannames en de resultaten.

3.   Bij de uitvoering van de in artikel 406, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde stresstests in het kader van een ABCP-programma als bedoeld in artikel 242, lid 9, van Verordening (EU) nr. 575/2013, dat wordt ondersteund door een liquiditeitfaciliteit die het kredietrisico van de gesecuritiseerde blootstellingen volledig dekt, kunnen instellingen een stresstest met betrekking tot de kredietwaardigheid van de liquiditeitfaciliteit uitvoeren in plaats van met betrekking tot de gesecuritiseerde blootstellingen.

Artikel 19

Blootstellingen in de handelsportefeuille en de niet-handelsportefeuille

1.   Het aanhouden van een securitisatiepositie in respectievelijk de handelsportefeuille of de niet-handelsportefeuille is op zichzelf geen voldoende reden om verschillende beleidslijnen en procedures of een verschillende toetsingsintensiteit toe te passen om aan de duediligenceverplichtingen van artikel 406 van Verordening (EU) nr. 575/2013 te voldoen. Om te bepalen of er verschillende beleidslijnen en procedures, dan wel een verschillende toetsingsintensiteit moeten worden toegepast, worden alle relevante factoren met een wezenlijke impact op het risicoprofiel van elk van de portefeuilles en op de desbetreffende securitisatieposities in aanmerking genomen, zoals onder meer de omvang van de posities, de impact op de kapitaalbasis van de instelling in tijden van stress, en de concentratie van risico in één specifieke transactie-, emittenten- of activaklasse.

2.   Instellingen zorgen ervoor dat elke wezenlijke verandering die tot een verhoging van het risicoprofiel van de securitisatieposities in hun handelsportefeuille en hun niet-handelsportefeuille leidt, wordt weerspiegeld door een vergelijkbare verandering in hun duediligenceprocedures met betrekking tot die securitisatieposities. In dit opzicht stellen instellingen in hun formele beleidslijnen en procedures voor handelsportefeuilles en niet-handelsportefeuilles de omstandigheden vast die tot een toetsing van de duediligenceverplichtingen aanleiding zouden geven.

Artikel 20

Posities in de correlatiehandelsportefeuille

Er wordt geacht aan artikel 406 van Verordening (EU) nr. 575/2013 te zijn voldaan wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

securitisatieposities worden in de correlatiehandelsportefeuille aangehouden en zijn referentie-instrumenten als bedoeld in artikel 338, lid 1, onder b), van genoemde verordening, of komen in aanmerking voor opname in de correlatiehandelsportefeuille;

b)

de instelling voldoet aan artikel 377 van genoemde verordening wat betreft de berekening van de eigenvermogensvereisten voor haar correlatiehandelsportefeuille;

c)

de door de instelling gevolgde benadering voor de berekening van het eigen vermogen met betrekking tot haar handelsportefeuille resulteert in een breed en gedegen inzicht in het risicoprofiel van haar belegging in de securitisatieposities;

d)

met het oog op de analyse en registratie van de in artikel 406, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde relevante informatie heeft de instelling formele beleidslijnen en procedures ingevoerd die afgestemd zijn op haar correlatiehandelsportefeuille en in verhouding staan tot het risicoprofiel van haar beleggingen in de overeenkomstige securitisatieposities.

HOOFDSTUK V

VEREISTEN VOOR INITIATORS, SPONSORS EN OORSPRONKELIJKE KREDIETVERSTREKKERS

Artikel 21

Beleidslijnen voor kredietverlening

1.   De inachtneming door de als initiator of sponsor optredende instellingen van de in artikel 408 van Verordening (EU) nr. 575/2013 neergelegde verplichting houdt niet in dat de soorten leningnemers en leningproducten dezelfde moeten zijn voor gesecuritiseerde en niet-gesecuritiseerde blootstellingen.

2.   Wanneer als sponsor en initiator optredende instellingen niet bij de oorspronkelijke kredietverlening in verband met de te securitiseren blootstellingen zijn betrokken of wanneer zij niet actief zijn op het gebied van de kredietverlening die verband houdt met de specifieke soorten blootstellingen die worden gesecuritiseerd, verwerven deze instellingen alle noodzakelijke informatie om te beoordelen of de criteria die bij de met deze blootstellingen verband houdende kredietverlening worden toegepast, even gedegen en welomschreven zijn als de criteria die op niet-gesecuritiseerde blootstellingen worden toegepast.

Artikel 22

Openbaarmaking van het niveau van de verbintenis tot het aanhouden van een netto economisch belang

1.   De aanhoudende partij maakt krachtens artikel 409 van Verordening (EU) nr. 575/2013 aan beleggers ten minste de volgende informatie bekend over het niveau van zijn verbintenis om een netto economisch belang in de securitisatie aan te houden:

a)

bevestiging van de identiteit van de aanhoudende partij en of het om een als initiator, sponsor of oorspronkelijke kredietverstrekker optredende instelling gaat;

b)

of de in artikel 405, lid 1, tweede alinea, onder a), b), c), d) of e), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde regelingen zijn getroffen om een netto economisch belang aan te houden;

c)

elke wijziging in de onder b) bedoelde regeling om een netto economisch belang aan te houden overeenkomstig artikel 10, lid 1, onder d);

d)

bevestiging van het niveau van het bij de initiatie aangehouden belang en van de verbintenis om dit op doorlopende basis aan te houden; deze bevestiging heeft enkel betrekking op een voortzetting van de inachtneming van de oorspronkelijke verplichting en vereist geen verstrekking van gegevens over de huidige nominale of marktwaarde, dan wel over enige bijzondere waardevermindering of afschrijving van het aangehouden belang.

2.   Ingeval de in artikel 405, leden 3 of 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde vrijstellingen op een securitisatietransactie van toepassing zijn, verschaffen de als initiator, sponsor of oorspronkelijke kredietverstrekker optredende instellingen informatie over de toepasselijke vrijstelling aan beleggers.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde openbaarmakingen worden naar behoren gedocumenteerd en publiekelijk beschikbaar gesteld, behalve bij bilaterale of particuliere transacties waarbij een private melding door de partijen als voldoende wordt beschouwd. De opneming van een vermelding over de verbintenis tot het aanhouden van een belang in het prospectus voor de in het kader van het securitisatieprogramma uitgegeven effecten wordt beschouwd als een passende manier om aan het vereiste te voldoen.

4.   De verschafte informatie wordt ook na de initiatie bevestigd telkens wanneer er over de transactie wordt gerapporteerd, namelijk ten minste jaarlijks en onder elk van de volgende omstandigheden:

a)

wanneer er sprake is van een inbreuk op de in artikel 405, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde verbintenis tot het aanhouden van een belang;

b)

wanneer de prestaties van de securitisatiepositie of de risicokenmerken van de securitisatie of van de onderliggende blootstellingen een wezenlijke verandering ondergaan;

c)

na een inbreuk op de verplichtingen die in de documentatie betreffende de securitisatie zijn opgenomen.

Artikel 23

Openbaarmaking van wezenlijk relevante gegevens

1.   Initiators, sponsors en oorspronkelijke kredietverstrekkers zorgen ervoor dat beleggers gemakkelijk toegang krijgen tot alle wezenlijk relevante gegevens in de zin van artikel 409 van Verordening (EU) nr. 575/2013, zonder dat zulks te zware administratieve lasten met zich meebrengt.

2.   De in artikel 409 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde passende openbaarmaking geschiedt ten minste jaarlijks en onder de volgende omstandigheden:

a)

wanneer de prestaties van de securitisatiepositie of de risicokenmerken van de securitisatie of van de onderliggende blootstellingen een wezenlijke verandering ondergaan;

b)

na een inbreuk op de verplichtingen die in de documentatie betreffende de securitisatie zijn opgenomen;

c)

Opdat gegevens over de individuele onderliggende blootstellingen als wezenlijk relevant worden aangemerkt, worden deze gewoonlijk per lening verstrekt, maar zijn er gevallen waarin de gegevens in geaggregeerde vorm mogen worden verstrekt. Om te beoordelen of geaggregeerde informatie volstaat, moet onder meer met de volgende factoren rekening worden gehouden: de granulariteit van de onderliggende pool en het feit of het beheer van de blootstellingen in die pool op de pool zelf of op elke lening afzonderlijk is gebaseerd.

3.   Het openbaarmakingsvereiste is onderworpen aan alle andere wettelijke en regelgevende vereisten die op de aanhoudende partij van toepassing zijn.

HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 24

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 maart 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331van 15.12.2010, blz. 12).

(3)  Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1).

(4)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).


Top