Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32014D0541

Besluit nr. 541/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van een ondersteuningskader voor ruimtebewaking en monitoring

OJ L 158, 27.5.2014, p. 227–234 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2014/541(1)/oj

27.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 158/227


BESLUIT Nr. 541/2014/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 april 2014

tot oprichting van een ondersteuningskader voor ruimtebewaking en monitoring

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 189, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In haar mededeling van 4 april 2011, getiteld „Naar een ruimtevaartstrategie van de Europese Unie ten dienste van de burger”, onderstreepte de Commissie dat de gemeenschappelijke bevoegdheid op het gebied van de ruimtevaart, welke krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) aan de Unie toekomt, hand in hand gaat met een versterkt partnerschap met de lidstaten. De Commissie benadrukte ook dat alle nieuwe acties gebaseerd moeten zijn op bestaande middelen en op het gezamenlijk bepalen waar nieuwe middelen nodig zijn.

(2)

In zijn resolutie van 26 september 2008, getiteld „Vooruitgang boeken met het Europees ruimtevaartbeleid” (3), herinnerde de Raad eraan dat ruimtevaartproducten onmisbaar zijn geworden voor onze economie en dat de veiligheid daarvan moet worden gewaarborgd. Hij onderstreepte dat „Europa […] moet zorgen voor een Europees vermogen voor monitoring en bewaking van zijn ruimtevaartinfrastructuur en van ruimteschroot, dat in eerste instantie op de bestaande nationale en Europese middelen steunt en waarbij de betrekkingen worden benut die met andere partnerlanden en hun vermogens kunnen worden aangeknoopt”.

(3)

In zijn resolutie van 25 november 2010, getiteld „Mondiale uitdagingen: volledig benutten van de Europese ruimtesystemen”, onderkende de Raad de behoefte aan een toekomstig vermogen voor omgevingsbewustzijn in de ruimte (space situational awareness, SSA) als activiteit op Europees niveau, om de bestaande nationale en Europese civiele en militaire systemen te ontwikkelen en te benutten, en verzocht hij de Commissie en de Raad een governanceregeling en een gegevensbeleid op te zetten dat de lidstaten in staat zal stellen hieraan bij te dragen met in aanmerking komende nationale vermogens overeenkomstig de vigerende beveiligingseisen en -voorschriften. Verder werden „alle Europese institutionele actoren verzocht passende maatregelen te verkennen” die gebaseerd zijn op welomschreven civiele en militaire gebruikerseisen, die gebruikmaken van dergelijke systemen overeenkomstig de toepasselijke beveiligingseisen en die inspelen op het werk in het kader van het SSA-voorbereidingsprogramma van het Europees Ruimteagentschap (ESA).

(4)

In de conclusies van de Raad van 31 mei 2011 over de mededeling van de Commissie getiteld „Naar een ruimtevaartstrategie van de Europese Unie ten dienste van de Europese burger” en in de resolutie van de Raad van 6 december 2011 getiteld „Beleidslijnen over de toegevoegde waarde en de voordelen van de ruimte voor de veiligheid van Europese burgers” (4) werd herhaald „dat een doeltreffend SSA-vermogen, in de zin van een activiteit op Europees niveau, nodig is”, en werd de Unie opgeroepen „zo ruim mogelijk gebruik te maken van de systemen, competenties en vaardigheden die in de lidstaten en op Europees en, naargelang van het geval, op internationaal niveau reeds bestaan of in ontwikkeling zijn”. Indachtig het feit dat van een dergelijk systeem tweeërlei gebruik zou worden gemaakt en de bijzondere beveiligingsdimensie ervan, riep de Raad de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) op om, in nauwe samenwerking met ESA en de lidstaten die dergelijke systemen in eigendom hebben en over capaciteit beschikken, en in overleg met alle betrokken actoren, voorstellen aan te dragen om de systemen en de capaciteit ten volle te exploiteren, met het oog op de ontwikkeling van een SSA-vermogen, in de zin van een activiteit op Europees niveau, en in dat verband een passende governance en een passend gegevensbeleid te definiëren die recht doen aan het zeer gevoelige karakter van SSA-gegevens.

(5)

SSA wordt gewoonlijk onderverdeeld in drie hoofddomeinen: ruimtebewaking en -monitoring (Space Surveillance and Tracking, SST), het waarnemen en voorspellen van ruimteweersverschijnselen, en aardscheerders. De activiteiten op deze gebieden zijn erop gericht infrastructuren in en van de ruimte te beschermen. Dit besluit, dat betrekking heeft op SST, dient de synergie tussen deze domeinen te bevorderen.

(6)

Teneinde het risico op botsingen te verkleinen, zou de Unie ook trachten synergieën te bewerkstelligen met initiatieven voor actieve verwijdering of passivering van ruimteschroot, zoals het initiatief van ESA.

(7)

Ruimteschroot is inmiddels een ernstige bedreiging voor de beveiliging, de veiligheid en de haalbaarheid van ruimtevaartactiviteiten. Er dient dan ook een ondersteuningskader voor SST te worden opgezet om de instelling en exploitatie van diensten voor de monitoring en bewaking van voorwerpen in de ruimte te ondersteunen, teneinde schade aan ruimtevaartuigen ten gevolge van botsingen en de verspreiding van ruimteschroot te voorkomen, en om banen en terugkeertrajecten te voorspellen, teneinde regeringen en instanties voor civiele bescherming zo goed mogelijk te informeren in het geval intacte ruimtevaartuigen of ruimteschroot op ongecontroleerde wijze in de dampkring van de aarde terugkeren.

(8)

Het SST-ondersteuningskader dient bij te dragen tot het waarborgen van de beschikbaarheid op lange termijn van Europese en nationale ruimtevaartinfrastructuurfaciliteiten en diensten die essentieel zijn voor de veiligheid en de beveiliging van de Europese economie, maatschappij en burgers.

(9)

De verstrekking van SST-diensten is in het belang van alle openbare en particuliere exploitanten van infrastructuur in de ruimte, met inbegrip van de Unie, gelet op de verantwoordelijkheden van de Unie voor de ruimtevaartprogramma's van de Unie, in het bijzonder de Europese programma's voor satellietnavigatie Galileo en Egnos welke zijn opgericht bij Verordening (EU) nr. 1285/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5), alsmede het Copernicusprogramma dat is opgericht bij Verordening (EU) nr. 377/2014 van het Europees Parlement en de Raad. (6) Ook nationale overheden die belast zijn met civiele bescherming zullen profijt trekken uit vroegtijdige waarschuwingen voor ongecontroleerde terugkeer van objecten en uit informatie over het vermoedelijke tijdstip en inslaggebied. Die diensten kunnen ook nuttig zijn voor andere gebruikers zoals particuliere verzekeraars bij het ramen van de mogelijke aansprakelijkheid ten gevolge van botsingen tijdens de levensduur van een satelliet. Daarnaast dient voor de lange termijn te worden overwogen om te kunnen beschikken over een dienst voor gratis toegankelijke en herbruikbare openbare informatie over orbitale elementen van ruimteobjecten die zich in een baan om de aarde bevinden.

(10)

De SST-diensten dienen een aanvulling te vormen op de onderzoeksactiviteiten in verband met de bescherming van in de ruimte gestationeerde infrastructuur die plaatsvinden in het kader van Horizon 2020 als ingesteld bij Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7), de vlaggenschipprogramma's van de Unie op ruimtegebied (Copernicus en Galileo), de digitale agenda, als bedoeld in de mededeling van de Commissie van 26 augustus 2010, getiteld „Een digitale agenda voor Europa”, andere telecommunicatie-infrastructuur die bijdraagt tot de verwezenlijking van de informatiemaatschappij, veiligheidsgerelateerde initiatieven, alsmede op de activiteiten van ESA.

(11)

Het SST-ondersteuningskader dient bij te dragen tot het vreedzame gebruik en de vreedzame verkenning van de ruimte.

(12)

Het SST-ondersteuningskader dient aandacht te besteden aan de samenwerking met internationale partners, in het bijzonder de Verenigde Staten van Amerika, internationale organisaties en andere derde partijen, vooral om botsingen in de ruimte te vermijden en de verspreiding van ruimteschroot te voorkomen. Daarnaast dient het een aanvulling te vormen op bestaande mitigatiemaatregelen, zoals de richtlijnen van de Verenigde Naties omtrent mitigatie ten aanzien van ruimteschroot en andere initiatieven, om de veiligheid, de beveiliging en de duurzaamheid van activiteiten in de kosmische ruimte te waarborgen. Het dient ook in overeenstemming te zijn met het voorstel van de Unie voor een internationale gedragscode voor ruimteactiviteiten.

(13)

Het SST-ondersteuningskader dient te bestaan in het vormen van netwerken en het gebruik van nationale SST-systemen om SST-diensten te leveren. Zodra dat is bereikt, dient de ontwikkeling van nieuwe SST-sensoren of de opwaardering van bestaande, door de lidstaten geëxploiteerde sensoren te worden aangemoedigd.

(14)

De Commissie en het uit hoofde van dit besluit op te richten STT-consortium dienen in nauwe samenwerking met ESA en andere belanghebbenden het voortouw te blijven nemen in de technische SST-dialogen met strategische partners in overeenstemming met hun respectieve bevoegdheden.

(15)

Civiel-militaire SSA-gebruikerseisen zijn gedefinieerd in het goedgekeurde werkdocument van de Commissiediensten getiteld „European space situational awareness high-level civil-military user requirements”. De verstrekking van SST-diensten dient te zijn ingegeven door eisen van civiele gebruikers. Dit besluit mag geen zuiver militaire doeleinden dienen. De Commissie dient te zorgen voor een passend mechanisme voor periodieke evaluatie en actualisering van de gebruikerseisen en daarbij ook vertegenwoordigers van de gebruikersgemeenschap betrekken. Zij dient daartoe het vereiste overleg met betrokken actoren zoals het Europees Defensieagentschap en ESA te blijven voeren.

(16)

De exploitatie van SST-diensten dient gebaseerd te zijn op een partnerschap tussen de Unie en de lidstaten en gebruik te maken van bestaande en toekomstige nationale deskundigheid en systemen, waaronder die welke via ESA worden ontwikkeld. De respectieve lidstaten dienen eigenaar te blijven van hun systemen, de controle erover te behouden en verantwoordelijk te blijven voor de exploitatie, het onderhoud en de vernieuwing ervan. Het SST-ondersteuningskader mag geen financiële steun bieden voor de ontwikkeling van nieuwe SST-sensoren. Indien zich, om aan de gebruikerseisen te voldoen, behoefte aan nieuwe sensoren doet gevoelen, zou daarin kunnen worden voorzien op nationaal niveau of, in voorkomend geval, via een Europees onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma. De Commissie en de lidstaten dienen, onder voorbehoud van volledige naleving van de criteria voor deelname, de deelname te bevorderen en te vergemakkelijken van een zo groot mogelijk aantal lidstaten aan het SST-ondersteuningskader.

(17)

Het Satellietcentrum van de Europese Unie (SATCEN), een bij het Gemeenschappelijk Optreden van de Raad 2001/555/GBVB (8) ingesteld agentschap van de Unie dat geospatiale beeldinformatiediensten en -producten aan civiele en militaire gebruikers levert op diverse rubriceringsniveaus, zou aan de verstrekking van SST-diensten kunnen bijdragen. De deskundigheid van dit centrum op het gebied van de verwerking van vertrouwelijke informatie in een beveiligde omgeving alsmede zijn nauwe institutionele banden met de lidstaten, zijn voordelen die de afhandeling en verstrekking van SST-diensten ten goede komen. Wil het SATCEN in het SST-ondersteuningskader een rol spelen, dan dient dat Gemeenschappelijk Optreden, dat op dit moment niet voorziet in een optreden van het SATCEN op het gebied van SST, te worden gewijzigd. Waar nodig dient de Commissie samen te werken met de EDEO, gelet op de rol van deze laatste ter ondersteuning van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid bij het geven van de operationele leiding aan het SATCEN.

(18)

Nauwkeurige informatie over de aard, specificaties en de locatie van bepaalde voorwerpen in de ruimte kan relevant zijn voor de veiligheid van de Unie of haar lidstaten en voor derde landen. De lidstaten en in voorkomend geval via het Veiligheidscomité van de Raad (het Veiligheidscomité) dienen rekening te houden met overwegingen inzake adequate beveiliging en, bij de oprichting en exploitatie van het netwerk van relevante vermogens, waaronder SST-sensoren, met de capaciteit voor het verwerken en analyseren van SST-gegevens en de verstrekking van SST-diensten. Het is derhalve nodig om in dit besluit algemene voorwaarden vast te leggen voor het gebruik en de veilige uitwisseling van SST-informatie tussen de lidstaten, de ontvangers van SST-diensten en, voor zover van toepassing, het SATCEN. Verder dienen de Commissie, de EDEO en de lidstaten de coördinatiemechanismen te definiëren die nodig zijn voor de behandeling van beveiligingsvraagstukken in verband met het SST-ondersteuningskader.

(19)

De deelnemende lidstaten dienen de verantwoordelijkheid te dragen voor de totstandbrenging en de uitvoering van de bepalingen betreffende het gebruik van SST-gegevens en betreffende het gebruik en de uitwisseling van SST-informatie. De in dit besluit, de in de overeenkomst tussen de deelnemende lidstaten en, in voorkomend geval, de in de overeenkomst met het EUSC vervatte bepalingen betreffende het gebruik van SST-gegevens en betreffende het gebruik en de uitwisseling van SST-informatie dienen in overeenstemming te zijn met de door het Veiligheidscomité van de Raad goedgekeurde aanbevelingen voor de beveiliging van SST-gegevens.

(20)

De potentieel gevoelige aard van SST-gegevens vraagt om een efficiënte en op vertrouwen gebaseerde samenwerking, onder meer wat betreft de wijze waarop SST-gegevens worden verwerkt en geanalyseerd. Het mogelijke gebruik van opensourcesoftware, waarmee gemachtigde SST-gegevensverstrekkers veilig toegang kunnen krijgen tot de broncode voor het aanbrengen van operationele wijzigingen en verbeteringen, dient aan het bereiken van die doelstelling bij te dragen.

(21)

Het Veiligheidscomité beveelt aan een risicobeheersingsstructuur op te zetten om te waarborgen dat de aspecten van gegevensbeveiliging goed in acht worden genomen bij de uitvoering van het SST-ondersteuningskader. Daartoe dienen de deelnemende lidstaten en, voor zover van toepassing, het SATCEN geschikte structuren en procedures voor risicobeheersing in te stellen, met inachtneming van de aanbevelingen van het Veiligheidscomité.

(22)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van dit besluit, dienen aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden te worden toegekend. Die bevoegdheden dienen te worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (9).

(23)

Daar de doelstellingen van dit besluit, namelijk de ondersteuning van acties ten behoeve van de oprichting en exploitatie van het netwerk van sensoren, de instelling van de capaciteit voor de verwerking en analyse van SST-gegevens, en de oprichting en exploitatie van SST-diensten, niet voldoende door de lidstaten alleen kunnen worden verwezenlijkt, omdat het verstrekken van dergelijk diensten door een consortium van deelnemende lidstaten de Unie ten goede komen, met name in haar rol van belangrijkste eigenaar van ruimtesystemen, maar vanwege de draagwijdte van dit besluit beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat dit besluit niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(24)

De doelstellingen van dit besluit zijn vergelijkbaar met de doelstellingen van de programma's die zijn opgenomen in artikel 1, artikel 3, onder c) en d), en artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1285/2013; in artikel 2, lid 2, onder b) en c), van Besluit 2013/743/EU van de Raad (10), en in bijlage I, deel II, punt 1.6.2, onder d) en in bijlage I, deel III, punten 7.5 en 7.8 daarvan; en in artikel 8, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 377/2014 dat een bedrag van maximaal 26,5 miljoen EUR in lopende prijzen toewijst. De totale financiële inspanning die nodig is om de doelstellingen van het SST-ondersteuningskader te verwezenlijken, in het bijzonder het vormen van netwerken van bestaande middelen, wordt geraamd op 70 miljoen EUR. Gezien de gelijkaardige doelstellingen van dit besluit en die van de bovenvermelde programma's zouden de acties waarin dit besluit voorziet door deze programma's moeten kunnen worden gefinancierd, geheel overeenkomstig hun basishandeling.

(25)

Om een aanvaardbaar niveau van Europese autonomie inzake SST-activiteiten zeker te stellen, is het mogelijkerwijs vereist voor SST een specifieke basishandeling in de zin van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (11) vast te stellen. Een dergelijke optie dient in het kader van de tussentijdse evaluatie van het huidige meerjarig financieel kader te worden onderzocht.

(26)

Indachtig het gevoelige karakter van SSA, dienen de exploitatie van sensoren en de verwerking van gegevens die tot de verstrekking van SST-diensten leiden, een bevoegdheid van de deelnemende lidstaten te blijven. De nationale SST-systemen zullen blijven vallen onder het gezag van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de controle en exploitatie ervan,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Oprichting van het kader

Bij dit besluit wordt een ondersteuningskader voor ruimtebewaking en -monitoring (SST) opgericht.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

1.   „voorwerp in de ruimte”: ieder in de ruimte aanwezig, door de mens gemaakt voorwerp;

2.   „ruimtevaartuig”: ieder voorwerp in de ruimte dat een bepaald doel dient, met inbegrip van actieve kunstmanen en boventrappen van draagraketten;

3.   „ruimteschroot”: ieder voorwerp in de ruimte, waaronder ruimtevaartuigen of brokstukken en delen daarvan die zich in een baan om de aarde bevinden of terugkeren in de aardatmosfeer, die niet functioneel zijn of niet langer een bepaald doel dienen, met inbegrip van delen van raketten of kunstmanen, of inactieve kunstmanen;

4.   „SST-sensor”: een inrichting of combinatie van inrichtingen, zoals op aarde of in de ruimte gestationeerde radars en telescopen, die fysische parameters van voorwerpen in de ruimte, zoals grootte, positie en snelheid, kunnen meten;

5.   „SST-gegevens”: de fysische parameters van door SST-sensoren geregistreerde voorwerpen in de ruimte of de baanparameters van voorwerpen in de ruimte die zijn afgeleid van de waarnemingen van SST-sensoren;

6.   „SST-informatie”: verwerkte SST-gegevens die voor de ontvanger direct begrijpelijk zijn.

Artikel 3

Doelstellingen van het SST-ondersteuningskader

1.   De algemene doelstelling van het SST-ondersteuningskader is bijdragen tot het waarborgen van de beschikbaarheid op lange termijn van Europese en nationale ruimtevaartinfrastructuur, voorzieningen en diensten die essentieel zijn voor de veiligheid en de beveiliging van de Europese economie, samenleving en burgers.

2.   De specifieke doelstellingen van het SST-ondersteuningskader zijn:

a)

het beoordelen en verminderen van de risico's in verband met botsingen voor de activiteiten van Europese ruimtevaartuigen die zich in een baan rond de aarde bevinden en exploitanten van ruimtevaartuigen in staat stellen beperkingsmaatregelen efficiënter te plannen en uit te voeren;

b)

het verminderen van de risico's in verband met de lancering van Europese ruimtevaartuigen;

c)

het bewaken van de ongecontroleerde terugkeer in de atmosfeer van ruimtevaartuigen of -schroot, het geven van nauwkeurigere en efficiëntere vroegtijdige waarschuwingen teneinde de potentiële risico's voor de veiligheid van de burgers van de Unie en de potentiële schade aan vitale terrestrische infrastructuur terug te dringen;

d)

het proberen te voorkomen van de verspreiding van ruimteschroot.

Artikel 4

Door het SST-ondersteuningskader ondersteunde acties

1.   Om de in artikel 3 vermelde doelstellingen te bereiken, ondersteunt het SST-ondersteuningskader de volgende acties die gericht zijn op het tot stand brengen van een SST-vermogen op Europees niveau, met een passend niveau van Europese autonomie:

a)

de totstandbrenging en exploitatie van een sensorfunctie bestaande uit een netwerk van grondsensoren en/of in de ruimte gestationeerde sensoren van de lidstaten, met inbegrip van door ESA ontwikkelde nationale sensoren voor het bewaken en volgen van voorwerpen in de ruimte en voor het ontwikkelen van een gegevensbank daarvan;

b)

de totstandbrenging en exploitatie van een verwerkingsfunctie voor de verwerking en analyse van de SST-gegevens op nationaal niveau om SST-informatie en -diensten te genereren die kunnen worden aangewend in het kader van de SST-dienstverleningsfunctie;

c)

de totstandbrenging van een functie voor het verlenen van SST-diensten, zoals bepaald in artikel 5, lid 1, aan de in artikel 5, lid 2, bedoelde entiteiten.

2.   Het SST-ondersteuningskader heeft geen betrekking op de ontwikkeling van nieuwe SST-sensoren.

Artikel 5

STT-diensten

1.   De in artikel 4 bedoelde SST-diensten zijn voor civiel gebruik. Zij omvatten de volgende diensten:

a)

de beoordeling van het risico op een botsing tussen ruimtevaartuigen of tussen ruimtevaartuigen en ruimteschroot en de afgifte van waarschuwingen ter voorkoming van botsingen gedurende de lancering, de vroege omloopbaanfase, de operationele omloopbaanfase en de eindfase van missies van ruimtevaartuigen;

b)

de detectie en typering van het versplinteren, uiteenvallen of botsen in de omloopbaan;

c)

de beoordeling van het risico bij ongecontroleerde terugkeer van voorwerpen uit de ruimte en ruimteschroot in de dampkring van de aarde en het genereren van daarmee verband houdende informatie, met inbegrip van een schatting van het vermoedelijke tijdstip en de plaats van een mogelijke inslag.

2.   SST-diensten worden verstrekt aan:

a)

alle lidstaten;

b)

de Raad;

c)

de Commissie;

d)

de EDEO;

e)

openbare en particuliere eigenaren en exploitanten van ruimtevaartuigen;

f)

openbare civielebeschermingsinstanties.

SST-diensten worden verstrekt in overeenstemming met de in artikel 9 vermelde bepalingen betreffende het gebruik en de uitwisseling van SST-gegevens en -informatie.

3.   De deelnemende lidstaten, de Commissie en, voor zover van toepassing, het SATCEN, zijn niet aansprakelijk voor:

a)

enige schade voortvloeiend uit de afwezigheid van of onderbrekingen in de verstrekking van SST-diensten;

b)

enige vertraging in de verstrekking van SST-diensten;

c)

enige onnauwkeurigheid in de via de SST-diensten aangeleverde informatie; of

d)

enige actie die naar aanleiding van de verstrekking van SST-diensten wordt ondernomen.

Artikel 6

Rol van de Commissie

1.   De Commissie:

a)

beheert het SST-ondersteuningskader en zorgt voor de implementatie ervan;

b)

neemt de noodzakelijke maatregelen voor het identificeren, controleren, verminderen en bewaken van met het SST-ondersteuningskader verband houdende risico's;

c)

actualiseert waar nodig de SST-gebruikerseisen;

d)

stelt algemene richtsnoeren voor het beheer van het SST-ondersteuningskader op, vooral om de oprichting en het functioneren van het consortium te vergemakkelijken, als bedoeld in artikel 7, lid 3;

e)

bevordert waar nodig en in overeenstemming met artikel 7 de ruimst mogelijke deelname van de lidstaten.

2.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast die voorzien in een coördinatieplan en de bijbehorende technische maatregelen voor de acties van het SST-ondersteuningskader. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 12, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

3.   De Commissie verstrekt aan het Europees Parlement en aan de Raad tijdig alle ter zake dienende informatie over de uitvoering van het SST-ondersteuningskader, in het bijzonder om transparantie en duidelijkheid te scheppen over:

a)

de voorgenomen inspanningen en de verschillende financieringsbronnen van de Unie;

b)

de deelname aan het SST-ondersteuningskader en aan de acties die het ondersteunt;

c)

de ontwikkeling van netwerken van STT-middelen van de lidstaten en van de SST-dienstverlening;

d)

de uitwisseling en het gebruik van STT-informatie.

Artikel 7

Deelneming van lidstaten

1.   Een lidstaat die wenst deel te nemen aan de uitvoering van de in artikel 4 genoemde acties dient een aanvraag in bij de Commissie waarin wordt aangetoond dat aan de onderstaande criteria is voldaan:

a)

hij is eigenaar van of heeft toegang tot:

i)

toereikende, beschikbare of in ontwikkeling zijnde SST-sensoren en technische en personele middelen om die te exploiteren; of

ii)

toereikende capaciteiten voor operationele analyse en voor gegevensverwerking die speciaal voor SST zijn ontworpen;

b)

hij stelt een actieplan op voor de verwezenlijking van de in artikel 4 genoemde acties, met inbegrip van de bepalingen inzake samenwerking met andere lidstaten.

2.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met betrekking tot procedures voor de indiening van aanvragen en voor de naleving van de in lid 1 genoemde criteria door de lidstaten. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 12, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

3.   Alle lidstaten die aan de in lid 1 bedoelde criteria voldoen, wijzen een nationale instantie aan om hen te vertegenwoordigen. De aangewezen nationale instanties vormen een consortium en sluiten de in artikel 10 bedoelde overeenkomst.

4.   De Commissie maakt op haar website een lijst met de deelnemende lidstaten bekend en houdt die actueel.

5.   De verantwoordelijkheid voor de exploitatie van sensoren, de verwerking van gegevens en de invoering van een gegevensbeleid berust bij de deelnemende lidstaten. De systemen van de deelnemende lidstaten blijven volledig onder nationale controle.

Artikel 8

Rol van het Satellietcentrum van de Europese Unie

Het Satellietcentrum van de Europese Unie (SATCEN) kan samenwerken met het uit hoofde van artikel 7, lid 3, op te richten consortium. In dat geval stelt het Satellietcentrum met de deelnemende lidstaten de nodige uitvoeringsregelingen vast.

Artikel 9

STT-gegevens en STT-informatie

Voor het gebruik en de uitwisseling van door het consortium vrijgegeven SST-informatie en voor het gebruik van STT-gegevens in het kader van het SST-ondersteuningskader, gelden, met het oog op de uitvoering van de in artikel 4 bedoelde acties, de volgende regels:

a)

ongeoorloofde openbaarmaking van gegevens en informatie wordt voorkomen, waarbij tegelijkertijd een efficiënte exploitatie en een optimale benutting van de gegenereerde informatie mogelijk worden gemaakt;

b)

de beveiliging van SST-gegevens wordt gewaarborgd;

c)

SST-informatie en -diensten worden op grond van de noodzaak van kennisneming ter beschikking gesteld aan de in artikel 5, lid 2, omschreven ontvangers van SST-diensten, in overeenstemming met de instructies en beveiligingsregels van de producent van de informatie en de eigenaar van het betrokken voorwerp in de ruimte.

Artikel 10

Coördinatie van operationele activiteiten

De aangewezen nationale instanties die het in artikel 7, lid 3, bedoelde consortium vormen, sluiten een overeenkomst tot vaststelling van de regels en mechanismen voor hun samenwerking bij de uitvoering van de in artikel 4 genoemde acties. Die overeenkomst bevat in het bijzonder bepalingen inzake:

a)

het gebruik en de uitwisseling van SST-informatie, rekening houdend met de goedgekeurde aanbevelingen getiteld „Gegevensbeleid voor omgevingsbewustzijn in de ruimte — aanbevelingen inzake de veiligheidsaspecten”;

b)

de instelling van een structuur voor risicobeheersing om te waarborgen dat de bepalingen inzake het gebruik en de veilige uitwisseling van SST-informatie worden uitgevoerd;

c)

de samenwerking met het SATCEN ter uitvoering van de in artikel 4, lid 1, punt c), genoemde actie.

Artikel 11

Toezicht en evaluatie

1.   De Commissie houdt toezicht op de uitvoering van het SST-ondersteuningskader.

2.   Uiterlijk op 1 juli 2018 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de uitvoering van het SST-ondersteuningskader, waarin wordt ingegaan op de verwezenlijking van de doelstellingen van dit besluit, wat zowel de resultaten als het effect betreft, de doeltreffendheid van het gebruik van middelen en de Europese meerwaarde.

Dit verslag kan, indien passend, vergezeld gaan van wijzigingsvoorstellen, en van een basishandeling betreffende SST in de zin van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012.

Artikel 12

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 13

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 14

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 16 april 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  PB C 327 van 12.11.2013, blz. 38.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 2 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 14 april 2014.

(3)  PB C 268 van 23.10.2008, blz. 1.

(4)  PB C 377 van 23.12.2011, blz. 1.

(5)  Verordening (EU) nr. 1285/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende de uitvoering en exploitatie van de Europese satellietnavigatiesystemen en tot intrekking van Verorderning (EG) nr. 876/2002 van de Raad en Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) nr. 377/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 tot instelling van het Copernicusprogramma en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 911/2010 (PB L 122, 24.4.2014, blz. 44).

(7)  Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104).

(8)  Gemeenschappelijk Optreden 2001/555/GBVB van de Raad van 20 juli 2001 betreffende de oprichting van een satellietcentrum van de Europese Unie (PB L 200 van 25.7.2001, blz. 5).

(9)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(10)  Besluit 2013/743/EU van de Raad van 3 december 2013 tot vaststelling van het specifieke programma tot uitvoering van „Horizon 2020” — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van de Besluiten 2006/971/EG, 2006/972/EG, 2006/973/EG, 2006/974/EG en 2006/975/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 965).

(11)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).


Top