Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32013R1296

Verordening (EU) nr. 1296/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie ("EaSI") en tot wijziging van Besluit nr. 283/2010/EU tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting Voor de EER relevante tekst

OJ L 347, 20.12.2013, p. 238–252 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1296/oj

20.12.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 347/238


VERORDENING (EU) Nr. 1296/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 december 2013

betreffende een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie ("EaSI") en tot wijziging van Besluit nr. 283/2010/EU tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 46, onder d), artikel 149, artikel 153, lid 2, onder a), en artikel 175, derde alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van de wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig de mededeling van de Commissie van 29 juni 2011 met als titel "Een begroting voor Europa 2020", waarin wordt aanbevolen de financieringsinstrumenten van de Unie te rationaliseren en te vereenvoudigen en scherper de nadruk te leggen op de meerwaarde van de Unie en op de effecten en resultaten, wordt bij deze verordening een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie ("het programma") ingesteld om de voortzetting en ontwikkeling te garanderen van activiteiten die worden uitgevoerd uit hoofde van Besluit nr. 1672/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad (4), Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad (5), Uitvoeringsbesluit 2012/733/EU van de Commissie (6) en Besluit nr. 283/2010/EU van het Europees Parlement en de Raad waarbij een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting werd ingesteld (7) ("de Faciliteit").

(2)

De Europese Raad keurde op 17 juni 2010 het voorstel van de Commissie "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei ("Europa 2020") goed, waarin vijf kerndoelen zijn vastgelegd (inclusief de doelen die te maken hebben met respectievelijk werkgelegenheid, bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, en onderwijs) en zeven vlaggenschipinitiatieven, wat een samenhangend beleidskader voor de komende tien jaar biedt. De Europese Raad bepleit dat alle instrumenten en beleidsmaatregelen van de Unie worden ingezet om de gemeenschappelijke doelstellingen te verwezenlijken en verzoekt hij de lidstaten beter gecoördineerde maatregelen te treffen.

(3)

Overeenkomstig artikel 148, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), heeft de Raad op 21 oktober 2010 richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid goedgekeurd, die samen met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Unie die overeenkomstig artikel 121 VWEU zijn goedgekeurd, de geïntegreerde richtsnoeren van Europa 2020 vormen. Het programma moet bijdragen aan de verwezenlijking van de doelen van Europa 2020, in het bijzonder op het gebied van armoedebestrijding en werkgelegenheid, zoals omschreven in de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid. Daartoe moet het programma de uitvoering van de vlaggenschipinitiatieven ondersteunen, waarbij speciale aandacht uitgaat naar het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting, een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen, Jeugd in beweging, alsook het jeugdwerkgelegenheidspakket.

(4)

De vlaggenschipinitiatieven van Europa 2020 met de titel "Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting" en "Innovatie-Unie" identificeren sociale innovatie als krachtig hulpmiddel om de sociale uitdagingen het hoofd te bieden die het gevolg zijn van de vergrijzing, armoede, werkloosheid, nieuwe arbeidspatronen en levensstijlen, en de verwachtingen van de burgers ten aanzien van sociale rechtvaardigheid, onderwijs en gezondheidszorg. Het programma moet actie ondersteunen om sociale innovatie te vergroten in reactie op sociale behoeften waaraan niet of onvoldoende tegemoet gekomen wordt, wat betreft de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, de bevordering van een hoog niveau van hoogwaardige en duurzame werkgelegenheid, het waarborgen van een adequate sociale bescherming die armoede voorkomt, verbetering van de arbeidsvoorwaarden en verbetering van de toegang tot opleidingen voor kwetsbare groepen, waarbij naar behoren rekening moet worden gehouden met de rol van de regionale en lokale autoriteiten. Het programma moet ook als katalysator fungeren voor grensoverschrijdende samenwerking en netwerken tussen actoren uit de publieke, particuliere en derde sector en hen meer betrekken bij de uitwerking en uitvoering van nieuwe benaderingen om te beantwoorden aan dringende sociale behoeften en uitdagingen.

(5)

Het programma moet met name helpen innovatieve oplossingen te identificeren en te beoordelen en hun uitvoering in de praktijk te verbeteren door middel van sociaalbeleidsexperimenten, om de lidstaten zo nodig te helpen de doelmatigheid van hun arbeidsmarkten te verhogen en hun socialezekerheids- en inclusiebeleid verder te verbeteren. Sociaalbeleidsexperimenten zijn het projectmatig toetsen van sociale innovaties in de praktijk. Dat maakt het mogelijk bewijzen te verzamelen over de haalbaarheid van sociale innovaties. Met succesvolle ideeën moet op ruimere schaal worden doorgegaan met financiële ondersteuning van het Europees Sociaal Fonds (ESF) en andere bronnen.

(6)

De open coördinatiemethode, die haar flexibiliteit en operationele doeltreffendheid in het kader van het sociaal beleid al bewezen heeft, moet op grote schaal worden toegepast en ook in aanmerking komen voor de door het programma ondersteunde acties.

(7)

Om een sociaal en ecologisch duurzame ontwikkeling in Europa te stimuleren, is voorbereiding op en ontwikkeling van nieuwe vaardigheden en kwalificaties noodzakelijk, resulterend in verbetering van de voorwaarden voor het scheppen van banen, de kwaliteit van de werkgelegenheid en de arbeidsomstandigheden door middel van bijscholing en een arbeidsmarkt- en sociaal beleid dat aansluit op de transformatie van bedrijfstakken en de dienstensector. Het programma moet daarom een positieve bijdrage leveren aan het creëren van duurzame, hoogwaardige "groene", "witte" en ICT-banen en de voorbereiding op en ontwikkeling van nieuwe vaardigheden en kwalificaties voor nieuwe duurzame en hoogwaardige banen, door het werkgelegenheids- en sociaal beleid te koppelen aan het industrie- en structuurbeleid en door de ondersteuning van de overgang naar een hulpbronnenefficiënte, koolstofarme economie. Het programma moet met name als katalysator fungeren bij het verkennen van het werkgelegenheidspotentieel van door de overheid geïnitieerde groene en sociale investeringen en van lokale en regionale werkgelegenheidsinitiatieven.

(8)

In het programma moet, in voorkomend geval, worden ingegaan op de territoriale dimensie van werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting, en met name op de toenemende ongelijkheid tussen en binnen regio's, tussen plattelandsgebieden en steden, alsmede in steden.

(9)

De sociale aspecten van de interne markt moeten worden geconsolideerd. Omdat het vertrouwen in de interne markt, met inbegrip van het vrije verkeer van diensten moet worden vergroot door ervoor te zorgen dat de rechten van werknemers worden geëerbiedigd, moet gewaarborgd worden dat aan het recht van werknemers en het recht van ondernemers om zich vrij te bewegen dezelfde status in de gehele Unie wordt toegekend.

(10)

Overeenkomstig Europa 2020 moet het programma streven naar een samenhangende aanpak om hoogwaardige en duurzame werkgelegenheid te stimuleren, alsmede om armoede en sociale uitsluiting te bestrijden en te voorkomen, waarbij met de noodzaak om de gelijkheid van mannen en vrouwen te respecteren rekening wordt gehouden. De uitvoering moet worden gerationaliseerd en vereenvoudigd, met name door middel van een aantal gemeenschappelijke bepalingen met betrekking tot onder andere algemene doelstellingen en monitoring- en evaluatieregelingen. Het programma moet zich richten op projecten, ongeacht hun omvang, met een duidelijke meerwaarde voor de Unie. Om de administratieve last te beperken, moet het programma steun geven voor de oprichting en ontwikkeling van netwerken en partnerschappen. Daarnaast kan meer gebruik worden gemaakt van vereenvoudigde kostenopties (financiering op basis van vaste bedragen en vaste tarieven), met name bij de uitvoering van mobiliteitsregelingen, met waarborgen betreffende de transparantie van de procedures. Het programma moet op het niveau van de Unie een centraal loket worden voor verstrekkers van microfinanciering, voor het verlenen van microkredieten en financiering voor sociaal ondernemerschap, het vergemakkelijken van de toegang tot leningen en het bieden van technische ondersteuning.

(11)

Gelet op de beperkte middelen die voor het programma beschikbaar zijn, en de voorafgaande toewijzing van die middelen over de verschillende pijlers, moet bij de financiering prioriteit worden gegeven aan de ontwikkeling van structuren met een duidelijk vermenigvuldigingseffect die aan verdere projecten en initiatieven ten goede zullen komen. Er moeten ook passende maatregelen worden genomen om elke mogelijkheid van overlapping met of dubbele financiering door andere fondsen of programma's, met name het ESF, te voorkomen.

(12)

De Unie moet zichzelf uitrusten met een gedegen analyse op grond van feiten (evidence-based) om beleidsvorming op werkgelegenheids- en sociaal gebied te ondersteunen, met bijzondere aandacht voor de impact van financiële en economische crises. Dergelijke feiten bieden een meerwaarde ten opzichte van nationale actie doordat deze een Europees karakter hebben en vergelijkbaarheid van de verzamelde gegevens mogelijk maken, zodat een volledig beeld van de situatie op het gebied van werkgelegenheid, sociaal beleid en arbeidsvoorwaarden in de gehele Unie ontstaat en een goede evaluatie kan plaatsvinden van de doelmatigheid en doeltreffendheid van programma's en beleid, met het oog op, onder meer, de verwezenlijking van de doelen van Europa 2020.

(13)

De Unie bevindt zich in een unieke positie om een platform voor beleidsuitwisseling en wederzijdse leerprocessen tussen de landen die deelnemen aan het programma op de gebieden werkgelegenheid, sociale bescherming, sociale inclusie alsmede sociaal ondernemerschap te bieden. Kennis van beleid uit andere landen en de resultaten daarvan, waaronder die welke op lokaal, regionaal en nationaal niveau door middel van sociaalbeleidsexperimenten zijn bereikt, verbreedt de opties die beleidsmakers ter beschikking staan, en nieuwe beleidsontwikkelingen teweegbrengt.

(14)

Een van de centrale kenmerken van het sociaal beleid van de Unie is ervoor te zorgen dat minimumnormen worden vastgesteld en dat de arbeidsvoorwaarden in de Unie voortdurend worden verbeterd. De Unie speelt een belangrijke rol doordat zij ervoor zorgt dat het wettelijk kader aan de nieuwe arbeidspatronen en de nieuwe gezondheids- en veiligheidsrisico's wordt aangepast, rekening houdend met de beginselen van fatsoenlijk werk en slimme regelgeving. De Unie heeft ook een belangrijke rol te spelen in het financieren van maatregelen om de naleving te verbeteren van arbeidsnormen op grond van geratificeerde verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en de regelgeving van de Unie voor de bescherming van de rechten van werknemers. Dit geldt vooral voor maatregelen om de bewustwording te vergroten (bijvoorbeeld met behulp van een sociaal keurmerk), om informatie te verspreiden en om de discussie over de belangrijkste uitdagingen en beleidskwesties in verband met de arbeidsomstandigheden te bevorderen, onder meer bij de sociale partners en andere belanghebbenden, alsook voor het bevorderen van maatregelen voor een beter evenwicht tussen werk en privéleven, voor het nemen van preventieve maatregelen en het bevorderen van een preventiecultuur op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk.

(15)

Sociale partners en maatschappelijke organisaties spelen een sleutelrol bij het bevorderen van hoogwaardige werkgelegenheid en het bestrijden van sociale uitsluiting, armoede en werkloosheid. Daarom moeten de sociale partners en maatschappelijke organisaties in voorkomend geval worden betrokken bij wederzijds leren en het ontwikkelen, uitvoeren en verspreiden van nieuw beleid. De Commissie moet de sociale partners en maatschappelijke organisaties in de Unie over de resultaten van de uitvoering van het programma informeren en daarover met hen van gedachten wisselen.

(16)

De Unie is vastbesloten de sociale dimensie van de globalisering te versterken en sociale dumping te bestrijden, door fatsoenlijk werk en arbeidsnormen te bevorderen, niet alleen in landen die aan het programma deelnemen maar ook internationaal, hetzij direct ten aanzien van derde landen hetzij indirect door middel van samenwerking met internationale organisaties. Daarom is het zaak goede betrekkingen te ontwikkelen met derde landen die niet aan het programma deelnemen, zodat de doelstellingen van het programma kunnen worden bereikt, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele relevante overeenkomsten tussen die landen en de Unie. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat vertegenwoordigers van die derde landen evenementen van wederzijds belang bijwonen (zoals conferenties, workshops en seminars) in de landen die aan het programma deelnemen. Daarnaast moet de samenwerking met internationale organisaties worden versterkt, met name de IAO en andere relevante organen van de Verenigde Naties, de Raad van Europa en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), met als doel bij de uitvoering van het programma rekening te houden met de rol van deze organisaties.

(17)

Overeenkomstig de artikelen 45 en 46 VWEU zijn in Verordening (EU) nr. 492/2011 bepalingen vastgelegd om het vrije verkeer van werknemers op niet-discriminerende wijze te verwezenlijken door een nauwe samenwerking tussen de centrale diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaten onderling en met de Commissie tot stand te brengen. EURES, dit is het Europees netwerk van diensten voor de arbeidsvoorziening, moet een betere werking van de arbeidsmarkten bevorderen door vrijwillige grensoverschrijdende geografische mobiliteit van werknemers gemakkelijker te maken, de transparantie van de arbeidsmarkt te vergroten, te zorgen voor het tot elkaar brengen en de compensatie van aanbiedingen van en aanvragen om werk, en activiteiten op het gebied van arbeidsbemiddeling, werving, advisering en begeleiding op nationaal en grensoverschrijdend niveau te ondersteunen, hetgeen bijdraagt tot de doelstellingen van Europa 2020. De lidstaten moeten worden aangemoedigd om EURES-diensten te integreren, waardoor ze beschikbaar zijn via een "centraal loket", waar van toepassing.

(18)

De reikwijdte van EURES moet worden uitgebreid tot de ontwikkeling en ondersteuning van gerichte mobiliteitsregelingen, na oproepen tot het indienen van voorstellen, op het niveau van de Unie, zodat vacatures kunnen worden vervuld waar tekortkomingen op de arbeidsmarkt zijn geïdentificeerd. Overeenkomstig artikel 47 VWEU moet de regeling de facilitering van vrijwillige mobiliteit onder jeugdige werknemers in de Unie steunen. Gerichte mobiliteitsregelingen zoals regelingen op grond van de voorbereidende actie "Je eerste EURES-baan", moeten voor jongeren de toegang tot vacatures en het accepteren van een baan in een andere lidstaat vergemakkelijken, en moeten werkgevers aanmoedigen om mobiele jeugdige werknemers een baan aan te bieden. De mobiliteitsregelingen moeten de Unie en de lidstaten er evenwel niet van weerhouden jongeren te helpen bij het vinden van een baan in hun land van herkomst.

(19)

In veel grensgebieden spelen grensoverschrijdende EURES-partnerschappen een belangrijke rol bij het ontwikkelen van een echte Europese arbeidsmarkt. Bij grensoverschrijdende EURES-partnerschappen zijn minstens twee lidstaten of een lidstaat en een ander deelnemend land betrokken. Bijgevolg zijn zij duidelijk horizontaal van aard en zijn zij een bron van meerwaarde voor de Unie. Grensoverschrijdende EURES-partnerschappen moeten daarom ondersteund blijven worden via horizontale activiteiten van de Unie, mogelijk aangevuld met nationale middelen of door het ESF.

(20)

Bij de evaluatie van EURES-activiteiten moet rekening worden gehouden met kwalitatieve en kwantitatieve criteria. Aangezien vacatures die van een bepaalde lidstaat uitgaan, in een andere lidstaat binnenkomen en afhankelijk van de voortdurend veranderende arbeidsmarktomstandigheden en de daarmee samenhangende mobiliteitspatronen, mag bij de evaluatie de nadruk niet alleen liggen op de binnenkomende en uitgaande plaatsingen in afzonderlijke lidstaten maar ook op de geaggregeerde cijfers op het niveau van de Unie. Bovendien moet ermee rekening gehouden worden dat advisering niet noodzakelijk resulteert in meetbare mobiliteit of plaatsing in een baan.

(21)

In Europa 2020, en met name in richtsnoer 7 in Besluit 2010/707/EU van de Raad (8), worden zelfstandige arbeid en ondernemerschap als cruciaal voor slimme, duurzame en inclusieve groei geïdentificeerd.

(22)

Een van de grootste belemmeringen om een bedrijf te starten is gebrek aan toegang tot krediet, aandelenkapitaal of quasi-aandelenkapitaal, met name voor degenen die het verst van de arbeidsmarkt af staan. De Unie en de lidstaten moeten op dit punt meer doen om het aanbod aan en de toegang tot microfinanciering te vergroten om tegemoet te komen aan de vraag van degenen die hieraan het meest behoefte hebben, met name de werklozen, vrouwen en kwetsbare mensen die een micro-onderneming willen starten of uitbouwen, eventueel als zelfstandige, maar die geen toegang tot krediet hebben. Daarnaast vormen micro-ondernemingen de meerderheid van de nieuw opgerichte bedrijven in de Unie. Microkredieten kunnen dan ook een manier zijn om snel waarde toe te voegen en concrete resultaten te bereiken. Als eerste stap hebben het Europees Parlement en de Raad in 2010 de Faciliteit opgezet. De voorlichting op het niveau van de Unie en de lidstaten over mogelijkheden op het gebied van microfinanciering moet worden verbeterd om zo degenen die er behoefte aan hebben beter te bereiken.

(23)

Microfinanciering en steun voor sociaal ondernemerschap moeten bij de potentiële begunstigden terechtkomen en moeten een langdurige impact hebben. Microfinanciering en steun moeten bijdragen aan een hoog niveau van kwalitatief hoogwaardige en duurzame werkgelegenheid, en dienen als katalysator voor zowel het economische, als lokale ontwikkelingsbeleid. Om de mogelijkheden voor het creëren van levensvatbare ondernemingen te optimaliseren, moeten acties op het gebied van microfinanciering en sociaal ondernemerschap vergezeld gaan van mentor- en opleidingsprogramma's en alle relevante inlichtingen, die door de betrokken kapitaalverstrekker regelmatig geactualiseerd en voor het publiek beschikbaar gemaakt worden. Daartoe is het cruciaal dat een toereikende financiering wordt verleend, in het bijzonder via het ESF.

(24)

Om microfinanciering toegankelijker te maken op de jonge microfinancieringsmarkt van de Unie is het noodzakelijk dat de institutionele capaciteit van de verstrekkers, met name van niet-bancaire microfinancieringsinstellingen, wordt uitgebreid, zoals is vastgelegd in de mededeling van de Commissie van 13 november 2007 getiteld "Een Europees initiatief voor de ontwikkeling van microkrediet ter ondersteuning van groei en werkgelegenheid" en het Commissieverslag van 25 juli 2008 getiteld "Bevordering van innovatie door en ondernemerschap van vrouwen".

(25)

De sociale economie en sociale ondernemingen maken integrerend deel uit van de pluralistische sociale markteconomie van Europa en spelen een belangrijke rol bij het zorg dragen voor een grotere sociale convergentie in Europa. Zij steunen op de beginselen van solidariteit en verantwoordelijkheid, van het prevaleren van individu en sociaal doel boven kapitaal, en op het bevorderen van sociale verantwoordelijkheid, sociale cohesie en sociale insluiting. Sociale ondernemingen kunnen de motor achter sociale verandering zijn door innovatieve oplossingen aan te dragen en het bevorderen van inclusieve arbeidsmarkten en voor iedereen beschikbare sociale diensten. Zij leveren daarom een waardevolle bijdrage aan de verwezenlijking van de doelstellingen van Europa 2020. Het programma moet de toegang van sociale ondernemingen tot diverse financieringsvormen verbeteren door middel van passende instrumenten om tegemoet te komen aan hun specifieke financiële behoeften gedurende hun levenscyclus.

(26)

Om voort te bouwen op de ervaring van entiteiten zoals de Europese Investeringsbank Groep, moeten maatregelen met betrekking tot microfinanciering en sociaal ondernemerschap indirect door de Commissie worden uitgevoerd door taken in verband met de uitvoering van de begroting overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (9) ("het Financieel Reglement") aan dergelijke entiteiten toe te vertrouwen. Het gebruik van de middelen van de Unie bundelt de hefboomwerking van internationale financiële instellingen en andere investeerders, creëert synergie-effecten tussen de acties van de lidstaten en de Unie en verenigt benaderingen. Zo wordt de toegang tot financiering voor specifieke risicogroepen en jongeren, alsook de beschikbaarheid van microfinanciering voor hen verbeterd. De toegang tot financiering voor micro-ondernemingen, waaronder zelfstandigen en sociale ondernemingen, wordt ook verbeterd. Zo helpt de bijdrage van de Unie de opkomende sector van de sociale ondernemingen en de microfinancieringsmarkt in de Unie zich te ontwikkelen en stimuleert zij grensoverschrijdende activiteiten. De maatregelen van de Unie moeten een aanvulling zijn op het gebruik van financiële instrumenten door de lidstaten ten behoeve van microfinanciering en sociaal ondernemerschap. De entiteiten die zijn belast met de uitvoering van de maatregelen moeten zorgen voor meerwaarde voor de Unie en dubbele financiering met andere middelen van de Unie voorkomen.

(27)

In overeenstemming met Europa 2020 moet het programma bijdragen aan de aanpak van het nijpende probleem van de jeugdwerkloosheid. Aan jongeren moet daarom een toekomstperspectief worden geboden waarin zij een centrale rol spelen bij de ontwikkeling van de samenleving en de economie in Europa, iets dat in crisistijden van bijzonder belang is.

(28)

Het programma moet ook wijzen op de speciale rol en betekenis van kleine ondernemingen met betrekking tot opleiding, deskundigheid en traditionele kennis, alsmede ervoor zorgen dat jongeren toegang hebben tot microfinanciering. Het programma moet de uitwisseling van optimale praktijken tussen de lidstaten en andere aan het programma deelnemende landen op al die gebieden vergemakkelijken.

(29)

De acties uit hoofde van het programma moeten de uitvoering ondersteunen door de lidstaten en de actoren op de arbeidsmarkt van de aanbeveling van de Raad van 22 april 2013 (10) met betrekking tot de invoering van een jeugdgarantie. Die aanbeveling geeft aan dat alle jongeren jonger dan 25 jaar binnen vier maanden nadat zij werkloos zijn geworden of het formele onderwijs hebben verlaten, een deugdelijk aanbod moeten krijgen voor een baan, voortgezet onderwijs, een plaats in het leerlingstelsel of een stage. Het programma moet de uitwisseling van de beste praktijken tussen de lidstaten en andere aan het programma deelnemende landen op dit gebied vergemakkelijken.

(30)

Uit hoofde van artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 8 VWEU moet ervoor worden gezorgd dat het programma in al zijn pijlers en activiteiten bijdraagt tot bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen, onder meer via gendermainstreaming en, in voorkomend geval, via specifieke acties om de arbeidsparticipatie en sociale inclusie van vrouwen te bevorderen. Uit hoofde van artikel 10 VWEU moet het programma ervoor zorgen dat uitvoering van de in het programma vermelde prioriteiten bijdraagt tot de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid. Toezicht en evaluatie moeten plaatsvinden om na te gaan hoe bij de programma-activiteiten rekening is gehouden met kwesties inzake non-discriminatie.

(31)

Het Progress-programma voor de periode 2007-2013 omvat de onderdelen getiteld "Discriminatiebestrijding en verscheidenheid" en "Gelijkheid van mannen en vrouwen", die voortgezet en verder ontwikkeld moeten worden in het kader van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" voor de periode 2014-2020. Het is echter van het allergrootste belang gelijkheid van mannen en vrouwen en non-discriminatie scherp in beeld te houden bij alle ter zake doende initiatieven en acties in het kader van dit programma, in het bijzonder bij het verbeteren van de arbeidsparticipatie van vrouwen, bij arbeidsvoorwaarden, en bij het bevorderen van een beter evenwicht tussen werk en privéleven.

(32)

Uit hoofde van artikel 9 VWEU en de doelstellingen van Europa 2020 moet het programma bijdragen aan het verzekeren van een hoog niveau van hoogwaardige en duurzame werkgelegenheid, het waarborgen van toereikende sociale bescherming, het bestrijden van armoede en sociale uitsluiting en moet het rekening houden met de vereisten in verband met een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid.

(33)

Het programma moet een aanvulling zijn op andere programma's van de Unie en tegelijk erkennen dat elk instrument volgens zijn eigen specifieke procedures moet werken. Dezelfde subsidiabele kosten mogen derhalve niet twee keer gefinancierd worden. Ten einde waarde toe te voegen en een aanzienlijke impact van de financiering door de Unie te bereiken, moeten nauwe synergieën tussen het programma, andere programma's van de Unie en de structuurfondsen, met name het ESF en het Jeugdwerkgelegenheidsinitiatief, worden ontwikkeld. Het programma moet een aanvulling zijn op andere programma's en initiatieven van de Unie die op bestrijding van jeugdwerkloosheid zijn gericht.

(34)

Het programma moet zodanig worden uitgevoerd dat het voor de bevoegde autoriteit of autoriteiten van elke lidstaat gemakkelijker wordt om te kunnen meewerken aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma.

(35)

Om de communicatie met het grote publiek efficiënter te maken en te zorgen voor een sterkere synergie tussen de communicatieactiviteiten op initiatief van de Commissie, moeten de middelen die uit hoofde van dit programma worden toegewezen aan informatie- en communicatieactiviteiten ook bijdragen aan de institutionele communicatie en informatievoorziening betreffende de politieke prioriteiten van de Unie die verband houden met de algemene doelstellingen van dit programma.

(36)

Deze verordening legt de financiële middelen vast voor de gehele looptijd van het programma die voor het Europees Parlement en de Raad het voornaamste referentiebedrag vormen in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord [van 2 december 2013] tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (11), in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure.

(37)

De financiële belangen van de Unie moeten gedurende de gehele uitgavencyclus worden beschermd door middel van evenredige maatregelen, waaronder de preventie, de opsporing en het onderzoek van onregelmatigheden, de terugvordering van verloren gegane, ten onrechte betaalde of slecht bestede middelen en, indien nodig, sancties overeenkomstig het Financieel Reglement.

(38)

Om ervoor te zorgen dat het programma tijdens de hele looptijd flexibel genoeg is om te kunnen inspelen op de veranderende behoeften en de overeenkomstige beleidsprioriteiten, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen voor de herverdeling van middelen aan de pijlers en de afzonderlijke onderdelen binnen de pijlers van het programma. Bij het voorbereiden en opstellen van gedelegeerde handelingen moet de Commissie ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tegelijkertijd, tijdig en op gepaste wijze worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

(39)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (12).

(40)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege hun omvang en effecten beter door de Unie kunnen worden bereikt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

1.   Bij deze verordening wordt een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie ("het programma") vastgesteld, met als doel bij te dragen tot de uitvoering van Europa 2020, met inbegrip van de kerndoelen, de geïntegreerde richtsnoeren en de vlaggenschipinitiatieven ervan, door financiële ondersteuning te verlenen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie met betrekking tot de bevordering van een hoog niveau van hoogwaardige en duurzame werkgelegenheid, het waarborgen van toereikende en behoorlijke sociale bescherming, de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting en de verbetering van de arbeidsvoorwaarden.

2.   Het programma loopt van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.

Artikel 2

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1)   "sociale onderneming": een onderneming, die ongeacht haar juridische vorm:

a)

overeenkomstig haar oprichtingsakte, statuten of enig ander juridisch document waarbij zij wordt opgericht, als hoofddoel heeft het realiseren van meetbare positieve sociale effecten en niet het genereren van winst voor de eigenaren, leden en aandeelhouders, en die:

i)

innovatieve goederen of diensten met een maatschappelijke opbrengst levert en/of

ii)

een productiemethode voor haar goederen of diensten gebruikt die haar sociale doelstelling belichaamt;

b)

haar winst op de eerste plaats gebruikt om haar hoofddoel te realiseren en voor uitkering van winst aan aandeelhouders en eigenaren, vooraf bepaalde procedures en regels heeft ingesteld, die ervoor zorgen dat dergelijke uitkering van winst de primaire doelstelling niet ondermijnt; en

c)

op zakelijke, controleerbare en transparante wijze wordt beheerd, in het bijzonder door participatie van de werknemers, afnemers en belanghebbenden bij de bedrijfsactiviteiten;

2)   "microkrediet": een lening van ten hoogste 25 000 EUR;

3)   "micro-onderneming": een onderneming, inclusief een zelfstandige, waar minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen EUR niet overschrijdt, overeenkomstig Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (13);

4)   "microfinanciering": garanties, microkredieten, aandelenkapitaal en quasi-aandelenkapitaal die aan personen en micro-ondernemingen worden verstrekt die problemen ondervinden om toegang krijgen tot krediet;

5)   "sociale innovatie": innovatie waarvan zowel de doelstellingen als de middelen sociaal zijn en met name die innovatie die verband houdt met de ontwikkeling en uitvoering van nieuwe ideeën (met betrekking tot producten, diensten en modellen), die in sociale behoeften voorziet en tegelijk nieuwe sociale betrekkingen of samenwerkingsverbanden creëert, waardoor de samenleving gediend wordt en haar handelingscapaciteit vergroot;

6)   "sociaalbeleidsexperimenten": beleidsinterventies die innovatieve oplossingen aandragen voor sociale behoeften, die worden uitgevoerd op kleine schaal en onder omstandigheden die het mogelijk maken de gevolgen ervan te meten, alvorens, in geval van overtuigende resultaten, op een grotere schaal te worden herhaald.

Artikel 3

Structuur van het programma

1.   Het programma bestaat uit de volgende drie complementaire pijlers:

a)

de Progress-pijler, die de ontwikkeling, uitvoering, monitoring en evaluatie van de instrumenten en het beleid van de Unie zoals bedoeld in artikel 1, en het relevante recht van de Unie ondersteunt, en die op feiten gefundeerde beleidsvorming, sociale innovatie en sociale vooruitgang bevordert, in samenwerking met de sociale partners, maatschappelijke organisaties en openbare en particuliere organisaties;

b)

de EURES-pijler, die activiteiten van EURES ondersteunt, namelijk. de door de EER-staten en de Zwitserse Bondsstaat aangewezen gespecialiseerde diensten, samen met sociale partners, andere dienstverleners op het gebied van werk, en andere belanghebbende partijen, om informatie-uitwisseling en -verspreiding en andere samenwerkingsvormen, zoals grensoverschrijdende partnerschappen, te ontwikkelen om de vrijwillige geografische mobiliteit van werknemers op eerlijke basis te stimuleren en bij te dragen aan een hoog niveau van hoogwaardige en duurzame werkgelegenheid;

c)

de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap, die de toegang tot financiering stimuleert en de beschikbaarheid daarvan verbetert voor natuurlijke en rechtspersonen krachtens artikel 26.

2.   De in deze titel vastgelegde gemeenschappelijke bepalingen zijn van toepassing op alle in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde pijlers, naast specifieke artikelen van titel II.

Artikel 4

Algemene doelstellingen van het programma

1.   Het programma heeft de volgende algemene doelstellingen:

a)

het versterken van betrokkenheid van de beleidsmakers op alle niveaus, en het voortbrengen van concrete, gecoördineerde en innovatieve acties op zowel het niveau van de Unie als op nationaal niveau, met inachtneming van de doelstellingen van de Unie, op in artikel 1 bedoelde gebieden, in nauwe samenwerking met de sociale partners, alsmede maatschappelijke organisaties en private en openbare organen;

b)

de ontwikkeling van passende, toegankelijke en doelmatige stelsels van sociale bescherming en arbeidsmarkten ondersteunen en beleidshervormingen aanmoedigen op de in artikel 1 bedoelde gebieden, met name door fatsoenlijk werk en fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden, een preventiecultuur voor gezondheid en veiligheid op het werk, een gezonder evenwicht tussen werk en privéleven, goed bestuur met sociale doelstellingen, waaronder convergentie, alsmede wederzijdse leerprocessen en sociale innovatie, te stimuleren;

c)

ervoor zorgen dat het recht van de Unie ten aanzien van de in artikel 1 bedoelde gebieden doeltreffend wordt toegepast en, waar nodig, bijdragen tot het moderniseren van het recht van de Unie, volgens de beginselen van fatsoenlijk werk en rekening houdend met de beginselen van slimme regelgeving;

d)

de vrijwillige geografische mobiliteit op een eerlijke basis verbeteren en de arbeidskansen vergroten door hoogwaardige en inclusieve arbeidsmarkten in de Unie te creëren die open en voor iedereen toegankelijk zijn en waarbij de rechten van werknemers in de hele Unie worden gerespecteerd, waaronder het vrij verkeer;

e)

de werkgelegenheid en sociale inclusie stimuleren door de beschikbaarheid en toegankelijkheid van microfinanciering voor kwetsbare mensen die een micro-onderneming willen starten, alsook voor bestaande micro-ondernemingen te verbeteren en de toegang tot financiering voor sociale ondernemingen te vergroten.

2.   Bij de verwezenlijking van deze doelstellingen streeft het programma er in al zijn pijlers en acties naar:

a)

bijzondere aandacht te besteden aan kwetsbare groepen, zoals jongeren;

b)

de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen, onder meer via gendermainstreaming en, in voorkomend geval, genderbewust begroten;

c)

discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden;

d)

bij de vaststelling en uitvoering van het beleid en de activiteiten van de Unie een hoog niveau van kwalitatief hoogwaardige en duurzame werkgelegenheid te bevorderen, toereikende en behoorlijke sociale bescherming te garanderen, en langdurige werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting te bestrijden.

Artikel 5

Begroting

1.   De financiële middelen voor de uitvoering van het programma in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 worden vastgesteld op 919 469 000 EUR in lopende prijzen.

2.   De volgende indicatieve percentages worden als volgt toegewezen aan de in artikel 3, lid 1, bedoelde pijlers:

a)

61 % aan de Progress-pijler;

b)

18 % aan de EURES-pijler;

c)

21 % aan de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap.

3.   De Commissie kan ten hoogste 2 % van de in lid 1 bedoelde financiële middelen gebruiken om operationele uitgaven voor de ondersteuning van de programma-uitvoering te financieren.

4.   De Commissie kan gebruikmaken van de in lid 1 bedoelde financiële middelen om technische en/of administratieve bijstand te financieren, met name met betrekking tot audits, uitbesteding van vertalingen, vergaderingen van deskundigen en informatie- en communicatieactiviteiten ten behoeve van de Commissie en de begunstigden.

5.   De jaarlijkse kredieten worden door het Europees Parlement en de Raad toegestaan binnen de limieten die in het meerjarig financieel kader zijn vastgelegd.

Artikel 6

Gezamenlijke actie

Acties die in aanmerking komen voor steun in het kader van het programma, kunnen samen met andere instrumenten van de Unie worden uitgevoerd, mits die acties beantwoorden aan de doelstellingen van zowel het programma als de andere betrokken instrumenten.

Artikel 7

Samenhang en complementariteit

1.   De Commissie zorgt er, in samenwerking met de lidstaten, voor dat de activiteiten in het kader van het programma consistent zijn met en een aanvulling vormen op andere acties van de Unie, zoals de Europese structuur en investeringsfondsen (ESIF), zoals bepaald in het gemeenschappelijk strategisch kader in Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en van de Raad (14), met name in het kader van het ESF.

2.   Het programma vormt een aanvulling op andere programma's van de Unie, onverminderd de specifieke procedures van die programma's. Subsidiabele kosten worden niet dubbel gefinancierd, en er worden nauwe synergieën ontwikkeld tussen het programma, andere programma's van de Unie en de ESIF, met name het ESF.

3.   De door het programma ondersteunde activiteiten voldoen aan het recht van de Unie en het nationale recht, waaronder staatssteunregels, en aan de fundamentele IAO-verdragen.

4.   De samenhang en de complementariteit worden voorts gewaarborgd door de nauwe betrokkenheid van lokale en regionale overheden.

Artikel 8

Samenwerking met relevante organisaties

De Commissie brengt de nodige relaties tot stand met het Comité voor de werkgelegenheid, het Comité voor sociale bescherming, het Raadgevend comité voor veiligheid en gezondheid op de werkplek, de groep van directeuren-generaal voor arbeidsverhoudingen en het Raadgevend comité voor het vrij verkeer van werknemers om ervoor te zorgen dat deze regelmatig en op passende wijze op de hoogte worden gehouden over de voortgang van de uitvoering van het programma. De Commissie informeert ook andere comités die zich bezighouden met beleid, instrumenten en acties die relevant zijn voor het programma.

Artikel 9

Verspreiding van resultaten en communicatie

1.   De Commissie informeert belanghebbenden uit de Unie, waaronder sociale partners en maatschappelijke organisaties, over de resultaten van de uitvoering van het programma en nodigt hen uit daarover van gedachten te wisselen.

2.   De resultaten van de in het kader van het programma uitgevoerde acties worden regelmatig en op passende wijze gecommuniceerd en verspreid aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economische en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, alsook de sociale partners en het grote publiek om te zorgen voor een maximale impact, duurzaamheid en meerwaarde voor de Unie.

3.   De communicatieactiviteiten dragen ook bij aan de zakelijke communicatie van de politieke prioriteiten van de Unie voor zover deze verband houden met de algemene doelstellingen van deze verordening, en verstrekken tevens informatie over die prioriteiten aan het grote publiek.

Artikel 10

Financiële bepalingen

1.   De Commissie beheert het programma in overeenstemming met het Financieel Reglement.

2.   In de subsidieovereenkomst wordt gespecificeerd welk deel van de financiële bijdrage van de Unie wordt gebaseerd op terugbetaling van feitelijk subsidiabele kosten en welk deel op vaste tarieven, eenheidskosten of vaste bedragen.

Artikel 11

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

1.   De Commissie neemt passende preventieve maatregelen om ervoor te zorgen dat de financiële belangen van de Unie bij de uitvoering van uit hoofde van dit programma gefinancierde acties met behulp van doeltreffende controles worden beschermd tegen fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten, en dat, indien onregelmatigheden worden opgespoord, middelen worden teruggevorderd, hoofdzakelijk via verrekening van ten onrechte betaalde bedragen en zo nodig doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, overeenkomstig artikel 325 VWEU, Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad (15) en het Financieel Reglement.

2.   De Commissie, of haar vertegenwoordigers, en de Rekenkamer hebben het recht om, op basis van documenten of controles ter plaatse, auditcontroles uit te voeren ten aanzien van alle begunstigden, contractanten en subcontractanten die uit hoofde van het programma middelen van de Unie hebben ontvangen.

3.   Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) kan overeenkomstig de bepalingen en procedures van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (16) en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (17) controles en verificaties ter plaatse uitvoeren om vast te stellen of er sprake is geweest van fraude, corruptie of enig andere onwettige activiteit in verband met een subsidieovereenkomst of subsidiebesluit of een contract dat uit hoofde van het programma wordt gefinancierd, waardoor de financiële belangen van de Unie zijn geschaad.

4.   Onverminderd de leden 1, 2, en 3, bevatten contracten, subsidieovereenkomsten en subsidiebesluiten die voortvloeien uit de uitvoering van dit programma, bepalingen die de Commissie, de Rekenkamer en OLAF uitdrukkelijk machtigen om binnen hun respectieve bevoegdheden de in die leden bedoelde audits en onderzoeken te verrichten.

Artikel 12

Monitoring

Met het oog op een regelmatige monitoring van het programma en eventuele aanpassingen van het beleid en de financieringsprioriteiten, stelt de Commissie een eerste kwalitatief en kwantitatief monitoringverslag op die het eerste jaar beslaat, en vervolgens drie verslagen die opeenvolgende tweejaarlijkse periodes beslaan en zendt zij die verslagen aan het Europees Parlement en de Raad. De verslagen worden tevens ter informatie aan het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's toegezonden. Die verslagen beschrijven de resultaten van het programma en de mate waarin de beginselen van gelijkheid van mannen en vrouwen en gendermainstreaming zijn toegepast en op welke wijze overwegingen inzake non-discriminatie, waaronder toegankelijkheidskwesties, in de activiteiten aan de orde zijn gesteld. De verslagen worden het publiek ter beschikking gesteld om de transparantie van het programma te vergroten.

Artikel 13

Evaluatie

1.   Uiterlijk 1 juli 2017 wordt een tussentijdse evaluatie van het programma uitgevoerd om op kwalitatieve en kwantitatieve basis de vooruitgang ten opzichte van de doelstellingen te meten, en de maatschappelijke ontwikkeling binnen de Unie en alle grote wijzigingen die door Unie-wetgeving zijn ingevoerd, vast te stellen, met als doel te bepalen of de middelen doelmatig zijn gebruikt en de meerwaarde van het programma voor de Unie te beoordelen. De resultaten van die tussentijdse evaluatie worden voorgelegd aan het Europees Parlement en de Raad.

2.   Als uit de in lid 1 van dit artikel bedoelde evaluatie of uit een krachtens artikel 19 van Besluit nr. 1672/2006/EG of artikel 9 van Besluit nr. 283/2010/EU uitgevoerde evaluatie, blijkt dat het programma grote tekortkomingen vertoont, dient de Commissie, in voorkomend geval, bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in met passende wijzigingen op het programma om rekening houden met de resultaten van de evaluatie.

3.   Alvorens een voorstel in te dienen voor verlenging van het programma na 2020, legt de Commissie het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's een evaluatie voor van de sterke en zwakke punten in de opzet van het programma voor de jaren 2014-2020.

4.   Uiterlijk 31 december 2022 voert de Commissie een evaluatie achteraf uit waarin de effecten en de meerwaarde voor de Unie van het programma worden gemeten en zendt zij een verslag met die evaluatie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. Het verslag wordt het publiek ter beschikking gesteld.

TITEL II

SPECIFIEKE BEPALINGEN VOOR DE PIJLERS VAN HET PROGRAMMA

HOOFDSTUK I

Progress-pijler

Artikel 14

Thematische onderdelen en financiering

1.   De Progress-pijler steunt activiteiten binnen een of meer van de onder a), b) en c) vermelde thematische onderdelen. Voor de gehele looptijd van het programma worden bij de indicatieve verdeling van de in artikel 5, lid 2, onder a), vermelde toewijzing over de verschillende onderdelen de volgende minimumpercentages in acht genomen:

a)

werkgelegenheid, in het bijzonder in het kader van de bestrijding van de jeugdwerkloosheid: 20 %;

b)

sociale bescherming, sociale inclusie en de bestrijding en preventie van armoede: 50 %;

c)

arbeidsvoorwaarden: 10 %.

Resterende bedragen worden toegewezen aan een of meer van de onder a), b), of c) bedoelde thematische onderdelen, dan wel een combinatie daarvan.

2.   Van de totale toewijzing voor Progress en binnen de diverse thematische onderdelen ervan wordt 15 tot 20 % toegewezen voor de bevordering van sociale experimenten als methode voor het toetsen en evalueren van innovatieve oplossingen om deze op grotere schaal toe te passen.

Artikel 15

Specifieke doelstellingen

Naast de in artikel 4 beschreven algemene doelstellingen heeft de Progress-pijler de volgende specifieke doelstellingen:

a)

hoogwaardige vergelijkbare analytische kennis ontwikkelen en verspreiden om ervoor te zorgen dat het beleid van de Unie op de in artikel 1 bedoelde gebieden, zijn gebaseerd op gedegen feiten en zijn afgestemd op de behoeften, uitdagingen en omstandigheden in de afzonderlijke lidstaten en andere aan het programma deelnemende landen;

b)

doeltreffende en inclusieve informatie-uitwisseling, wederzijds leren en dialoog bevorderen over het beleid van de Unie op de in artikel 1 bedoelde gebieden, op Europees, nationaal en internationaal niveau om de lidstaten en andere aan het programma deelnemende landen te helpen bij de ontwikkeling van beleid en om de lidstaten te helpen bij de tenuitvoerlegging van het recht van de Unie;

c)

verlenen van financiële ondersteuning om innovatie van het sociaal en arbeidsmarktbeleid te toetsen, en in voorkomend geval, de capaciteit van de belangrijkste actoren voor de ontwikkeling en uitvoering van sociaalbeleidsexperimenten te vergroten, en de relevante kennis en deskundigheid toegankelijk te maken;

d)

Europese en nationale organisaties voorzien van financiële ondersteuning om deze beter in staat te stellen om de uitvoering van de instrumenten en het beleid van de Unie als bedoeld in artikel 1, en het relevante recht van de Unie te ontwikkelen, stimuleren en ondersteunen.

Artikel 16

Soorten acties

Uit hoofde van de Progress-pijler kunnen de volgende soorten acties worden gefinancierd:

1.

Analytische activiteiten:

a)

het verzamelen van gegevens en statistieken, rekening houdend met zowel kwalitatieve als kwantitatieve criteria, en het ontwikkelen van gemeenschappelijke methoden, indelingen, microsimulaties, indicatoren en benchmarks, in voorkomend geval uitgesplitst naar geslacht en leeftijdsgroep;

b)

enquêtes, studies, analysen en verslagen, onder andere via de financiering van netwerken en de ontwikkeling van deskundigheid inzake thematische onderdelen;

c)

kwalitatieve en kwantitatieve evaluaties en effectbeoordelingen door openbare en particuliere organisaties;

d)

monitoring en beoordeling van de omzetting en de toepassing van het recht van de Unie;

e)

voorbereiding en uitvoering van sociaalbeleidsexperimenten als methode voor het toetsen en evalueren van innovatieve oplossingen om deze op grotere schaal toe te passen;

f)

verspreiding van de resultaten van die analytische activiteiten.

2.

Activiteiten in verband met wederzijdse leerprocessen, bewustmaking en verspreiding:

a)

uitwisseling en verspreiding van goede praktijken, innovatieve benaderingen en ervaringen, intercollegiale toetsingen, benchmarking en wederzijds leren op Europees niveau;

b)

organisatie van evenementen, conferenties en seminars van het voorzitterschap van de Raad;

c)

opleiding van juristen en beleidsmedewerkers;

d)

opstelling en publicatie van handleidingen, verslagen en educatief materiaal, en maatregelen inzake voorlichting, communicatie en het onder de aandacht brengen in de media van de door het programma ondersteunde initiatieven;

e)

voorlichtings- en communicatieactiviteiten;

f)

ontwikkeling en onderhoud van informatiesystemen voor de uitwisseling en verspreiding van informatie over het beleid en de wetgeving van de Unie alsmede informatie over de arbeidsmarkt.

3.

Steun met betrekking tot:

a)

de exploitatiekosten van belangrijke netwerken op het niveau van de Unie waarvan de activiteiten verband houden met en bijdragen tot de doelstellingen van de Progress-pijler;

b)

capaciteitsopbouw van nationale overheden en door de lidstaten en microkredietverstrekkers aangewezen gespecialiseerde diensten die verantwoordelijk zijn voor het bevorderen van de geografische mobiliteit;

c)

organisatie van werkgroepen van nationale ambtenaren om de tenuitvoerlegging van het recht van de Unie te controleren;

d)

totstandbrenging van netwerken en samenwerking tussen gespecialiseerde organisaties en andere relevante belanghebbenden, nationale, regionale en lokale autoriteiten, alsmede diensten voor arbeidsvoorziening op Europees niveau;

e)

financiering van waarnemingsposten op Europees niveau, inclusief inzake centrale thematische onderdelen;

f)

uitwisseling van personeel tussen nationale overheden.

Artikel 17

Medefinanciering van de Unie

Activiteiten die in het kader van de Progress-pijler gefinancierd worden na een oproep tot het indienen van voorstellen, kunnen medefinanciering van de Unie ontvangen die in de regel niet meer bedraagt dan 80 % van de totale subsidiabele uitgaven. Iedere financiële steun boven dit plafond wordt alleen verleend in naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke omstandigheden.

Artikel 18

Deelname

1.   De Progress-pijler staat open voor deelname van de volgende landen:

a)

lidstaten;

b)

de EER-landen, overeenkomstig de EER-Overeenkomst, en de lidstaten van de EVA;

c)

de kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten, in overeenstemming met de algemene beginselen en de algemene voorwaarden die in de met deze landen gesloten kaderovereenkomsten voor hun deelname aan programma's van de Unie zijn vastgesteld.

2.   Deelname aan de Progress-pijler staat open voor alle openbare en/of particuliere organisaties, actoren en instellingen, en met name:

a)

nationale, regionale en lokale autoriteiten;

b)

diensten voor arbeidsvoorziening;

c)

in het recht van de Unie bedoelde gespecialiseerde organisaties,

d)

de sociale partners;

e)

niet-gouvernementele organisaties;

f)

instellingen voor hoger onderwijs en onderzoeksinstellingen;

g)

deskundigen op het gebied van evaluatie en effectbeoordeling;

h)

de nationale bureaus voor de statistiek;

i)

de media.

3.   De Commissie kan samenwerken met internationale organisaties, met name de Raad van Europa, de OESO, de IAO en andere organen van de Verenigde Naties, alsmede de Wereldbank.

4.   De Commissie kan samenwerken met derde landen die niet deelnemen aan het programma. Vertegenwoordigers van die derde landen kunnen evenementen van wederzijds belang bijwonen (zoals conferenties, workshops en seminars) in de landen die aan het programma deelnemen, en de kosten van hun aanwezigheid kunnen door het programma gedekt worden.

HOOFDSTUK II

EURES-pijler

Artikel 19

Thematische onderdelen en financiering

De EURES-pijler steunt activiteiten binnen een of meer van de onder a), b) en c) vermelde thematische onderdelen. Voor de gehele looptijd van het programma worden bij de indicatieve verdeling van de in artikel 5, lid 2, onder b), vermelde toewijzing over de verschillende onderdelen de volgende minimumpercentages in acht genomen:

a)

transparantie van aanvragen om en aanbiedingen van werk en alle gerelateerde informatie voor werkzoekenden en werkgevers: 32 %;

b)

ontwikkeling van diensten voor de werving en plaatsing van werknemers door het tot elkaar brengen en de compensatie van aanbiedingen van en aanvragen om werk op Europees niveau, in het bijzonder gerichte mobiliteitsregelingen: 30 %;

c)

grensoverschrijdende partnerschappen: 18 %.

Resterende bedragen worden toegewezen aan een of meer van de onder a), b), of c) bedoelde thematische onderdelen, dan wel een combinatie daarvan.

Artikel 20

Specifieke doelstellingen

Naast de in artikel 4 beschreven algemene doelstellingen heeft de EURES-pijler de volgende specifieke doelstellingen:

a)

ervoor zorgen dat aanbiedingen van en aanvragen om werk en bijbehorende informatie en advies, alsmede alle gerelateerde informatie zoals met betrekking tot levens- en arbeidsomstandigheden, transparant worden gemaakt voor respectievelijk werkzoekenden en werkgevers. Dit wordt bereikt door uitwisselingen en verspreiding op transnationaal, interregionaal en grensoverschrijdend niveau door middel van standaard interoperabiliteitsformulieren voor aanvragen om en aanbiedingen van werk, en via andere middelen zoals individuele advisering en begeleiding, in het bijzonder voor lageropgeleiden;

b)

steun bieden aan het verlenen van EURES-diensten voor de werving en plaatsing van werknemers in hoogwaardige en duurzame banen door het tot elkaar brengen en de compensatie van aanbiedingen van en aanvragen om werk; de steun voor EURES-diensten heeft betrekking op verschillende fasen van de bemiddeling, van de voorbereiding voor de werving tot steun na plaatsing, met als doel werkzoekenden te helpen zich succesvol te integreren op de arbeidsmarkt; deze ondersteunende diensten kunnen gerichte mobiliteitsregelingen omvatten om vacatures te vervullen in een bepaalde sector, een bepaald beroep, een bepaald land of een bepaalde groep landen of voor bepaalde groepen werknemers, zoals jongeren die mobiel neigen te zijn, en wanneer er een duidelijke economische behoefte is vastgesteld.

Artikel 21

Soorten acties

De EURES-pijler kan gebruikt worden voor de financiering van acties om de vrijwillige individuele mobiliteit van personen in de Unie op een eerlijke basis, en gericht op het weghalen van obstakels voor mobiliteit, te vergroten, in het bijzonder:

a)

de ontwikkeling en de activiteiten van grensoverschrijdende EURES-partnerschappen, wanneer hierom wordt gevraagd door diensten die territoriaal gezien verantwoordelijk zijn voor grensregio's;

b)

informatie en adviesverlening, plaatsings- en aanwervingsdiensten voor grensarbeiders;

c)

de ontwikkeling van een meertalig digitaal platform voor het tot elkaar brengen en de compensatie van aanbiedingen van en aanvragen om werk;

d)

de ontwikkeling van gerichte mobiliteitsregelingen, na oproepen tot het indienen van voorstellen, om vacatures te vervullen waar de arbeidsmarkt tekortkomingen vertoont, en/of werknemers te helpen die gemakkelijk mobiel zijn, en wanneer er een duidelijke economische behoefte is vastgesteld;

e)

wederzijdse leerprocessen tussen EURES-actoren en opleiding van EURES-adviseurs, waaronder adviseurs in het kader van de grensoverschrijdende EURES-partnerschappen;

f)

informatie- en communicatieactiviteiten om het besef te vergroten van de voordelen van geografische en beroepsmobiliteit in het algemeen en van de activiteiten en dienstverlening van EURES.

Artikel 22

Medefinanciering van de Unie

Activiteiten die in het kader van de EURES-pijler gefinancierd worden na een oproep tot het indienen van voorstellen, kunnen medefinanciering van de Unie ontvangen die in de regel niet meer bedraagt dan 95 % van de totale subsidiabele uitgaven. Iedere financiële steun boven dit plafond wordt alleen verleend in naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke omstandigheden.

Artikel 23

Monitoring van de mobiliteitspatronen

Teneinde negatieve effecten van de geografische mobiliteit binnen de Unie te onderkennen en te voorkomen, houdt de Commissie, samen met de lidstaten, overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EU) nr. 492/2011 regelmatig toezicht op de mobiliteitsstromen en mobiliteitspatronen.

Artikel 24

Deelname

1.   De EURES-pijler staat open voor deelname van:

a)

lidstaten;

b)

de EER-landen overeenkomstig de EER-Overeenkomst, en de Zwitserse Bondsstaat in overeenstemming met de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (18).

2.   Deelname aan de EURES-pijler staat open voor alle door een lidstaat of de Commissie aangewezen organisaties, actoren en instellingen die voldoen aan de voorwaarden voor deelname aan EURES, zoals vastgelegd in Uitvoeringsbesluit 2012/733/EU van de Commissie. Het betreft hierbij onder andere de volgende organisaties, actoren en instellingen:

a)

nationale, regionale en lokale autoriteiten;

b)

diensten voor arbeidsvoorziening;

c)

organisaties van sociale partners en andere belanghebbende partijen.

HOOFDSTUK III

Pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap

Artikel 25

Thematische onderdelen en financiering

De pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap steunt activiteiten binnen een of meer van de onder a) en b) vermelde thematische onderdelen. Voor de gehele looptijd van het programma worden bij de indicatieve verdeling van de in artikel 5, lid 2, onder c), vermelde toewijzing over de verschillende onderdelen de volgende minimumpercentages in acht genomen:

a)

microfinanciering voor kwetsbare groepen en micro-ondernemingen: 45 %;

b)

sociaal ondernemerschap: 45 %.

Resterende bedragen worden toegewezen aan de onder a) of b) bedoelde thematische onderdelen.

Artikel 26

Specifieke doelstellingen

Naast de in artikel 4 beschreven algemene doelstellingen heeft de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap de volgende specifieke doelstellingen:

a)

de toegang tot en beschikbaarheid van microfinanciering verbeteren voor:

i)

kwetsbare personen die hun baan verloren hebben of dreigen te verliezen of die moeilijk toegang krijgen tot of kunnen terugkeren op de arbeidsmarkt, of personen die met sociale uitsluiting worden bedreigd of sociaal uitgesloten zijn en die qua toegang tot de traditionele kredietmarkt in een nadelige positie verkeren en die hun eigen micro-onderneming wensen op te richten of uit te breiden;

ii)

micro-ondernemingen, in zowel de aanloop-, als ontwikkelingsfase, met name micro-ondernemingen waar de in punt i) bedoelde personen in dienst zijn;

b)

de institutionele capaciteit van microkredietverstrekkers opbouwen;

c)

de ontwikkeling van de markt voor sociale investeringen ondersteunen en de toegang voor sociale ondernemingen tot financiering verbeteren door aandelenkapitaal, quasi-aandelenkapitaal, leningsinstrumenten en subsidies tot 500 000 EUR beschikbaar te stellen voor sociale ondernemingen met een jaaromzet van maximaal 30 miljoen EUR dan wel een jaarbalans van maximaal 30 miljoen EUR en die geen instelling voor collectieve belegging zijn.

Om complementariteit te verzekeren, zorgen de Commissie en de lidstaten op hun respectieve bevoegdheidsterrein voor een nauwe coördinatie van deze acties met de acties die in het kader van het cohesiebeleid en nationaal beleid worden ondernomen.

Artikel 27

Soorten acties

Steun voor microfinanciering en sociale ondernemingen; inclusief institutionele capaciteitsopbouw, in het bijzonder door middel van de financiële instrumenten die zijn vastgelegd in Titel VIII van Deel I van het Financieel Reglement, en subsidies kunnen uit hoofde van de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap verleend worden.

Artikel 28

Deelname

1.   Deelname aan de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap staat open voor alle openbare en particuliere organisaties die op nationaal, regionaal of lokaal niveau gevestigd zijn in de in artikel 18, lid 1, bedoelde landen en in die landen:

a)

microfinanciering voor personen en micro-ondernemingen verstrekken; en/of

b)

financiering voor sociale ondernemingen verstrekken.

2.   De Commissie zorgt ervoor dat de pijler zonder enige discriminatie toegankelijk is voor alle openbare en particuliere organisaties in de lidstaten.

3.   Om te zorgen dat de uiteindelijke begunstigden worden bereikt en dat er concurrerende en levensvatbare micro-ondernemingen worden opgezet, werken openbare en particuliere organisaties die de in lid 1, onder a), bedoelde activiteiten uitvoeren, nauw samen met organisaties, waaronder maatschappelijke organisaties, die de belangen behartigen van de uiteindelijke begunstigden van het microkrediet en met organisaties, met name die door het ESF worden ondersteund, en zij verzorgen begeleidings- en trainingsprogramma's voor die uiteindelijke begunstigden. In dit verband worden de uiteindelijke begunstigden zowel voor als na de oprichting van de micro-onderneming op afdoende wijze gevolgd.

4.   De openbare en particuliere organisaties die de in lid 1, onder a), bedoelde activiteiten uitvoeren, houden zich aan hoge normen met betrekking tot bestuur, beheer en consumentenbescherming volgens de principes van de Europese gedragscode voor microkredietverstrekkers en streven ernaar te voorkomen dat personen en ondernemingen zich, bijvoorbeeld als gevolg van de toekenning van kredieten aan hen tegen een hoge rente en onder voorwaarden die insolvabiliteit in de hand werken, te diep in de schulden steken.

Artikel 29

Financiële bijdrage

Behalve in het geval van gemeenschappelijke acties dekken de aan de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap toegewezen financiële middelen de volledige kosten van de acties die met behulp van financiële instrumenten zijn uitgevoerd, met inbegrip van de betalingsverplichtingen jegens financiële intermediairs, zoals verliezen op garanties, de beheerskosten van de entiteiten die de middelen van de Unie beheren, alsook alle andere in aanmerking komende kosten.

Artikel 30

Beheer

1.   Voor de uitvoering van de in artikel 27, bedoelde instrumenten en subsidies kan de Commissie overeenkomsten sluiten met de entiteiten die worden genoemd in artikel 139, lid 4, van het Financieel Reglement en met name met de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds. Deze overeenkomsten bevatten gedetailleerde bepalingen voor de uitvoering van de aan die entiteiten toevertrouwde taken, met inbegrip van bepalingen die de noodzaak specificeren om te zorgen voor additionaliteit en coördinatie met bestaande financiële instrumenten van de Unie en de lidstaten en de middelen op evenwichtige wijze te verdelen tussen de lidstaten en de andere deelnemende landen. Financiële instrumenten die zijn vastgelegd in Titel VIII van Deel I van het Financieel Reglement, kunnen worden verschaft middels een speciaal investeringsvehikel, dat kan worden gefinancierd door middelen van het programma, door andere investeerders of door beide.

2.   Het in lid 1 bedoelde speciale investeringsvehikel kan onder andere leningen, aandelenkapitaal en risicodelingsinstrumenten verstrekken voor intermediairs of rechtstreekse financiering voor sociale ondernemingen, of beide. Aandelenkapitaal kan onder andere worden verstrekt in de vorm van open aandelenparticipaties, slapende holdings, aandeelhouderleningen alsmede combinaties van verschillende soorten aandelenparticipaties die aan de beleggers worden uitgegeven.

3.   De voorwaarden, zoals rentepercentages, voor microkredieten die in het kader van deze pijler direct of indirect worden gesteund, staan in verhouding tot de steunvoordelen en zijn verantwoord ten opzichte van de onderliggende risico's en de werkelijke kosten van een krediet.

4.   Overeenkomstig artikel 140, lid 6, van het Financieel Reglement worden de jaarlijkse terugbetalingen die worden gegenereerd door één financieel instrument, aan dat instrument toegewezen voor een periode van tien jaar vanaf de begindatum van het programma, en worden opbrengsten, na aftrek van beheerskosten en -vergoedingen, opgenomen in de begroting. Voor financiële instrumenten die al in het meerjarig financieel kader voor de periode 2007-2013 zijn opgezet, worden de jaarlijkse terugbetalingen en de inkomsten die worden gegenereerd door activiteiten die in de vorige periode zijn gestart, toegewezen aan het financiële instrument in de lopende periode.

5.   Bij het verstrijken van de overeenkomsten met de in lid 1 bedoelde entiteiten, of na afloop van de investeringsperiode van het gespecialiseerde investeringsvehikel, komt het aan de Unie verschuldigde saldo ten goede aan de algemene begroting van de Unie.

6.   De in lid 1 van dit artikel bedoelde entiteiten en, indien van toepassing, de fondsbeheerders sluiten schriftelijke overeenkomsten met de in artikel 28 bedoelde openbare en particuliere organisaties. In deze overeenkomsten worden de verplichtingen van de openbare en particuliere verstrekkers vastgelegd om de middelen te gebruiken die uit hoofde van de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap overeenkomstig de in artikel 26 beschreven doelstellingen beschikbaar worden gesteld en om informatie te verstrekken die nodig is voor het opstellen van de in artikel 31 bedoelde jaarlijkse uitvoeringsverslagen.

Artikel 31

Uitvoeringsverslagen

1.   De in artikel 30, lid 1, bedoelde entiteiten en, indien van toepassing, de fondsbeheerders bezorgen de Commissie jaarlijkse uitvoeringsverslagen met een beschrijving van de ondersteunde activiteiten die zijn uitgevoerd uit het oogpunt van financiële uitvoering, de verdeling van de middelen over en toegankelijkheid ervan voor sectoren, geografische gebieden en begunstigden. Die verslagen bevatten tevens de goedgekeurde of afgewezen aanvragen met betrekking tot elke specifieke doelstelling en de door de betrokken openbare en particuliere organisaties gesloten overeenkomsten, de gefinancierde maatregelen en de resultaten, waaronder de sociale effecten, werkgelegenheidscreatie en -duurzaamheid van de verleende steun is verleend. De Commissie zendt deze verslagen ter informatie toe aan het Europees Parlement.

2.   De informatie die in die jaarlijkse uitvoeringsverslagen wordt verstrekt, wordt opgenomen in de in artikel 12 bedoelde tweejaarlijkse monitoringverslagen. In deze monitoringverslagen worden de in artikel 8, lid 2, van Besluit nr. 283/2010/EU bedoelde jaarverslagen, gedetailleerde informatie over communicatieactiviteiten en informatie over de complementariteit met andere instrumenten van de Unie, met name het ESF, opgenomen.

TITEL III

WERKPROGAMMA'S EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 32

Werkprogramma's

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin werkprogramma's met betrekking tot de drie pijlers worden vastgelegd. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 36, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

De werkprogramma's gelden, indien van toepassing, voor een periode van drie jaren bevatten een omschrijving van de te financieren acties, de selectieprocedures van de door de Unie te steunen acties, het geografische bereik, de doelgroep en een indicatie van het tijdsbestek voor de uitvoering. De werkprogramma's bevatten tevens het indicatieve bedrag dat voor iedere specifieke doelstelling is toegewezen en weerspiegelen de herverdeling van financiële middelen overeenkomstig artikel 33. De werkprogramma's versterken de samenhang van het programma door het verband tussen drie pijlers te vermelden.

Artikel 33

Herverdeling van financiële middelen tussen de pijlers en aan de afzonderlijke thematische onderdelen binnen de pijlers

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 34 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de herverdeling van financiële middelen tussen pijlers en afzonderlijke thematische onderdelen binnen elke pijler die het indicatieve bedrag dat voor elk geval is vastgesteld met meer dan 5 % en ten hoogste 10 % overtreft, indien ontwikkelingen in de sociaaleconomische omstandigheden of de bevindingen van de in artikel 13, lid 1, bedoelde tussentijdse evaluatie, dit vereisen. De herverdeling van financiële middelen aan thematische onderdelen binnen iedere pijler wordt vermeld in de werkprogramma's als bedoeld in artikel 32.

Artikel 34

Uitoefening van de delegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 33 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van zeven jaar, met ingang van 1 januari 2014.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 33 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 33 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 35

Aanvullende uitvoeringsmaatregelen

Voor de uitvoering van het programma vereiste maatregelen, zoals criteria voor de evaluatie van het programma, waaronder de kosteneffectiviteit en de regelingen voor de verspreiding en overdracht van resultaten, worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 36, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

Artikel 36

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 37

Overgangsmaatregelen

Voor de in artikel 4, 5 en 6 van Besluit nr. 1672/2006/EG bedoelde acties die vóór 1 januari 2014 zijn aangevangen blijft dat besluit van toepassing. Met betrekking tot die acties wordt de Commissie bijgestaan door het in artikel 36 van deze verordening bedoelde comité.

Artikel 38

Evaluatie

1.   De in artikel 13, lid 4, van deze verordening bedoelde eindevaluatie omvat de eindevaluatie als bedoeld in artikel 9 van Besluit nr. 283/2010/EU.

2.   De Commissie voert uiterlijk één jaar na het verstrijken van de overeenkomsten met de entiteiten een specifieke eindevaluatie uit van de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap.

Artikel 39

Wijzigingen van Besluit nr. 283/2010/EU

Besluit nr. 283/2010/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 5 wordt lid 4 vervangen door:

"4.   Bij de afloop van de faciliteit wordt het aan de Unie verschuldigde saldo beschikbaar gemaakt voor microfinanciering en steun voor sociale ondernemingen overeenkomstig Verordening nr. 1296/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie ("EaSI") (19).

(19)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 238"."

2)

In artikel 8 worden de leden 3 en 4 geschrapt.

Artikel 40

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 11 december 2013.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

V. LEŠKEVIČIUS


(1)  PB C 143 van 22.5.2012, blz. 88.

(2)  PB C 225 van 27.7.2012, blz. 167.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 21 november 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad)

(4)  Besluit nr. 1672/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 tot vaststelling van een communautair programma voor werkgelegenheid en maatschappelijke solidariteit - PROGRESS (PB L 315 van 15.11.2006, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (PB L 141 van 27.5.2011, blz. 1).

(6)  Uitvoeringsbesluit 2012/733/EU van de Commissie van 26 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad voor wat betreft het tot elkaar brengen en de compensatie van aanbiedingen van en aanvragen om werk, en een nieuwe opzet van EURES (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 21).

(7)  Besluit nr. 283/2010/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 maart 2010 tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting (PB L 87 van 7.4.2010, blz. 1).

(8)  Besluit 2010/707/EU van de Raad van 21 oktober 2010 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (PB L 308 van 24.11.2010, blz. 46).

(9)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).

(10)  Aanbeveling van de Raad van 22 april 2013 tot invoering van een jongerengarantie (PB C 120 van 26.4.2013, blz. 1).

(11)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1

(12)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(13)  Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).

(14)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, die onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallen, en houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds (Zie bladzijde 320 van dit Publicatieblad).

(15)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.)

(16)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(17)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

(18)  PB L 114 van 30.4.2002, blz. 6.


Top