Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32013R0100

Verordening (EU) nr. 100/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1406/2002 tot oprichting van een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid Voor de EER relevante tekst

OJ L 39, 9.2.2013, p. 30–40 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 07 Volume 026 P. 102 - 112

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/100/oj

9.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 39/30


VERORDENING (EU) Nr. 100/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 15 januari 2013

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1406/2002 tot oprichting van een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1406/2002 van het Europees Parlement en de Raad (3), die als reactie op het incident met de olietanker „Erika” is aangenomen, is een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (het „Agentschap”) opgericht teneinde een hoog, uniform en efficiënt niveau van veiligheid op zee en van voorkoming van verontreiniging door schepen te waarborgen.

(2)

Na het incident met de olietanker „Prestige” in 2002 is Verordening (EG) nr. 1406/2002 gewijzigd om het Agentschap meer taken tot bestrijding van verontreiniging toe te kennen.

(3)

Het is nodig om te verduidelijken, welke categorieën van verontreiniging van de zeeën binnen de doelstellingen van Verordening (EG) nr. 1406/2002 moeten vallen. Verontreiniging van de zee die veroorzaakt wordt door olie- en gasinstallaties dient derhalve te worden opgevat als verontreiniging door olie of elke stof andere dan olie waarbij, indien deze in zee terechtkomt, het risico bestaat dat deze gevaren voor de menselijke gezondheid oplevert, levende hulpbronnen en zeeorganismen aantast, faciliteiten beschadigt of een belemmering vormt voor andere vormen van legitiem gebruik van de zee, zoals bedoeld in het Protocol inzake de voorbereiding op, de bestrijding van en de samenwerking bij verontreiniging door gevaarlijke en schadelijke stoffen (2000).

(4)

Handelend overeenkomstig artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1406/2002 heeft de raad van bestuur van het Agentschap (de „raad van bestuur”) in 2007 opdracht gegeven tot een onafhankelijke externe evaluatie van de uitvoering van die verordening. Op grond van die evaluatie heeft de raad van bestuur in juni 2008 aanbevelingen geformuleerd voor wijzigingen van de werkwijze van het Agentschap, van zijn bevoegdheidsgebieden en van zijn werkmethoden.

(5)

Op basis van de resultaten van de externe evaluatie, en van de aanbevelingen en van de in maart 2010 door de raad van bestuur goedgekeurde meerjarenstrategie moeten sommige bepalingen van Verordening (EG) nr. 1406/2002 worden verduidelijkt en bijgewerkt. Hoewel het Agentschap de nadruk moet leggen op zijn prioritaire taken op het gebied van maritieme veiligheid, moet het ook een aantal nieuwe kerntaken en aanvullende taken krijgen die de ontwikkeling van het maritieme veiligheidsbeleid op Unie- en internationaal niveau weerspiegelen. Gezien de begrotingsbeperkingen waarmee de Unie kampt, zijn een diepgaande screening en omschakeling noodzakelijk om de kosten- en begrotingsefficiëntie te waarborgen en om dubbel werk te voorkomen. In de personeelsbehoeften voor de nieuwe kern- en neventaken moet in beginsel door middel van interne herschikking binnen het Agentschap worden voorzien. Tegelijkertijd moet het Agentschap, in voorkomend geval, financiering uit andere onderdelen van de begroting van de Unie ontvangen, met name uit het instrument voor het Europese nabuurschapsbeleid. Het vervullen van nieuwe kern- en neventaken door het Agentschap zal plaatsvinden binnen de grenzen van de huidige financiële vooruitzichten en de begroting van het Agentschap zonder afbreuk te doen aan de onderhandelingen en besluiten over het toekomstige meerjarige financiële kader. Aangezien deze verordening geen financieringsbesluit is, dient de begrotingsautoriteit in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure te besluiten over middelen voor het Agentschap.

(6)

De taken van het Agentschap moeten duidelijk en nauwkeurig worden beschreven en taakoverlapping moet worden vermeden.

(7)

Het Agentschap heeft aangetoond dat bepaalde taken efficiënter kunnen worden vervuld op Europees niveau, wat voor de lidstaten in bepaalde gevallen besparingen kan opleveren op hun nationale begrotingen en, waar aangetoond, een werkelijke Europese toegevoegde waarde kan betekenen.

(8)

Sommige bepalingen betreffende specifieke governanceaspecten van het Agentschap moeten worden verduidelijkt. Rekening houdend met de uit hoofde van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie toegekende specifieke verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het EU-beleid, moet de Commissie het Agentschap bij de uitvoering van zijn taken beleidsondersteuning bieden, met volle eerbiediging van de rechtspersoonlijkheid van het Agentschap en de onafhankelijkheid van zijn uitvoerend directeur als bepaald bij Verordening (EG) nr. 1406/2002.

(9)

Bij het benoemen van de leden van de raad van bestuur, het verkiezen van de voorzitter en de vice-voorzitter van de raad van bestuur en het benoemen van de afdelingshoofden, moet ten volle het belang van een evenwichtige gendervertegenwoordiging in acht worden genomen.

(10)

Verwijzingen naar de toepasselijke rechtshandelingen van de Unie moeten worden begrepen als verwijzingen naar handelingen op het gebied van maritieme veiligheid, maritieme beveiliging, de preventie en de bestrijding van verontreiniging door schepen en de bestrijding van mariene olieverontreiniging door olie- en gasinstallaties.

(11)

In de zin van deze verordening wordt onder „maritieme beveiliging” — in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (4) — het volgende verstaan: de combinatie van preventieve maatregelen die erop gericht zijn het zeevervoer en de havenfaciliteiten te beschermen tegen dreigingen van opzettelijke onwettelijke acties. De beveiligingsdoelstelling moet worden verwezenlijkt door het nemen van passende maatregelen op het gebied van maritiem vervoersbeleid, onverminderd de voorschriften van de lidstaten betreffende nationale veiligheid, defensie en openbare veiligheid en ter bestrijding van financiële misdrijven tegen de staat.

(12)

Het Agentschap moet in het belang van de Unie handelen. Dit omvat onder meer de situatie, waarin het Agentschap de taak heeft om in het kader van zijn bevoegdheid buiten het grondgebied van de Unie op te treden en om technische bijstand aan de betrokken derde landen te verlenen, ten einde het beleid van de Unie inzake maritieme veiligheid te bevorderen.

(13)

Het Agentschap moet aan de lidstaten technische bijstand verlenen ter bevordering van het tot stand brengen van de nodige nationale capaciteit om het acquis van de Unie uit te voeren.

(14)

Het Agentschap moet aan de lidstaten en aan de Commissie operationele bijstand verlenen. Daaronder vallen diensten als het systeem voor de uitwisseling van maritieme informatie van de Unie (SafeSeaNet), de Europese dienst voor satelliettoezicht op olielekkages (CleanSeaNet), het datacentrum van de Europese Unie voor de identificatie en het volgen van schepen op lange afstand (EU LRIT Data Centrum) en de inspectiegegevensbank voor de havenstaatcontrole van de EU (Thetis).

(15)

De expertise van het Agentschap op het vlak van elektronische gegevensoverdracht en uitwisseling van maritieme gegevens dient te worden benut om de meldingsformaliteiten voor schepen te vereenvoudigen, teneinde belemmeringen voor het zeevervoer op te heffen en een Europese zeevervoersruimte zonder grenzen te creëren. Het Agentschap dient met name lidstaten te steunen bij de uitvoering van Richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten (5).

(16)

Het Agentschap moet de Commissie ten volle bijstaan bij onderzoeksactiviteiten met betrekking tot zijn bevoegdheidsgebieden. Overlappingen met de werkzaamheden van het bestaande onderzoekskader van de EU moeten echter worden vermeden. Het Agentschap dient derhalve niet verantwoordelijk te zijn voor het beheren van onderzoeksprojecten.

(17)

Daar er nieuwe toepassingen en innovatieve diensten worden ontwikkeld en reeds bestaande diensten worden verbeterd met als doel een Europese zeevervoersruimte zonder grenzen tot stand te brengen, moet het Agentschap ten volle gebruik maken van de mogelijkheden die worden geboden door de Europese satellietnavigatie programma's (Egnos en Galileo) en door het Global Monitoring for Environment and Security programma (GMES).

(18)

Na het verstrijken van het kader van de Unie voor samenwerking op het gebied van door ongevallen veroorzaakte of opzettelijke verontreiniging van de zee, dat is opgezet bij Beschikking nr. 2850/2000/EG van het Europees Parlement en de Raad (6), moet het Agentschap enkele activiteiten voortzetten die eerder onder dat kader werden uitgevoerd, door met name een beroep te doen op de deskundigheid van de raadgevende technische groep voor paraatheid ten aanzien van en bestrijding van verontreiniging van de zee. De activiteiten van het Agentschap op dit gebied ontslaan de kuststaten niet van hun verantwoordelijkheid om te beschikken over geëigende mechanismen ter bestrijding van verontreiniging en dienen bestaande samenwerkingsafspraken tussen lidstaten of groepen lidstaten te respecteren.

(19)

Het Agentschap stelt, op verzoek, via CleanSeaNet gedetailleerde gegevens over mogelijke verontreiniging door schepen ter beschikking van lidstaten, zodat deze hun verantwoordelijkheden uit hoofde van Richtlijn 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken (7) kunnen nakomen. De doelmatigheid van de handhaving varieert evenwel in aanzienlijke mate, ondanks het feit dat dergelijke verontreiniging mogelijkerwijs in de nationale wateren van andere landen terecht kan komen. In haar volgende verslag uit hoofde van artikel 12 van bovengenoemde richtlijn, dient de Commissie derhalve informatie te verstrekken aan het Europees Parlement en de Raad over de doeltreffendheid en samenhang van de handhaving van deze richtlijn, alsmede andere relevante informatie over de toepassing ervan.

(20)

Verzoeken van getroffen lidstaten aan het Agentschap om maatregelen voor verontreinigingsbestrijding te mobiliseren, dienen te worden ingediend via het mechanisme voor civiele bescherming van de Unie, dat bij Beschikking 2007/779/EG, Euratom van de Raad (8) is opgericht. Uitgezonderd voor omstandigheden waarbij ter bestrijding van verontreiniging om de mobilisatie van schepen en uitrusting die stand-by zijn wordt verzocht, kan de Commissie alternatieve communicatiemiddelen die gebruik maken van geavanceerde informatietechnologie als gepaster beschouwen, en kan zij aldus de verzoekende lidstaat daarvan op de hoogte stellen.

(21)

Recente gebeurtenissen hebben de risico's aangetoond van offshorewinning-, gasexploratie- en productie-installaties voor het zeevervoer en het mariene milieu. Het reactievermogen van het Agentschap bij verontreiniging door olie en zijn expertise op het vlak van verontreiniging door gevaarlijke en schadelijke stoffen dienen te worden benut teneinde te reageren op verontreiniging ten gevolge van dergelijke activiteiten, op verzoek van een getroffen staat.

(22)

Met name moet CleanSeaNet, dat momenteel wordt ingezet om bewijsmateriaal te leveren van die verontreiniging door schepen, ook door het Agentschap worden gebruikt om olieverontreiniging door offshore-exploratie en -productie van olie en gas op te sporen en te melden, zonder dat dit ten koste gaat van de dienstverlening voor zeevervoer.

(23)

Het Agentschap heeft waardevolle deskundigheid en instrumenten op de gebieden maritieme veiligheid, maritieme beveiliging, de preventie en de bestrijding van verontreiniging door schepen opgebouwd en erkend. Deze deskundigheid en deze instrumenten kunnen van belang zijn voor andere activiteiten van de Unie die verband houden met het zeevervoersbeleid van de Unie. Het Agentschap dient derhalve de Commissie en de lidstaten op verzoek bij te staan bij het ontwikkelen en uitvoeren van dergelijke activiteiten van de Unie, mits de raad van bestuur zulks heeft goedgekeurd in het kader van het jaarlijkse werkprogramma van het Agentschap. Dergelijke bijstand moet worden onderworpen aan een gedetailleerde kosten/batenanalyse en mag de kerntaken van het Agentschap niet schaden.

(24)

Met de technische bijstand die het Agentschap levert, draagt het ook bij aan de ontwikkeling van een milieuvriendelijker zeevervoer.

(25)

De meeste classificatiebureaus houden zich bezig met zeegaande vaartuigen én binnenschepen. Op basis van de ervaring van het Agentschap met classificatiebureaus voor zeegaande vaartuigen, zou het Agentschap aan de Commissie relevante informatie kunnen verstrekken met betrekking tot classificatiebureaus voor binnenschepen en aldus verbetering van de efficiency mogelijk kunnen maken.

(26)

Wat betreft de koppeling van vervoersinformatiesystemen moet het Agentschap de Commissie en de lidstaten bijstaan door, samen met de autoriteiten die bevoegd zijn voor het River Information Services System, de mogelijkheid van het delen van informatie tussen deze systemen te verkennen.

(27)

Onverminderd de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteiten, moet het Agentschap de Commissie en de lidstaten bijstaan bij het ontwikkelen en uitvoeren van het toekomstige e-Maritime-initiatief van de Unie, dat ertoe strekt de efficiëntie van de Europese zeevervoerssector te verbeteren door het gebruik van geavanceerde informatietechnologieën te bevorderen.

(28)

Teneinde de eengemaakte markt en een Europese zeevervoersruimte zonder grenzen te verwezenlijken, dienen de administratieve lasten op scheepvaart te worden verminderd, waarbij onder meer scheepvaartverkeer over korte afstand wordt bevorderd. In dit verband kunnen het concept van de „blauwe gordel” en e-Maritime mogelijkerwijs worden gebruikt als middel ter vermindering van de meldingsformaliteiten die commerciële vaartuigen bij het binnenvaren of verlaten van havens in de lidstaten moeten vervullen.

(29)

Gememoreerd wordt dat volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, en op grond van het beginsel van institutioneel evenwicht, aan een agentschap van de Unie geen bevoegdheid kan worden verleend om besluiten met algemene strekking vast te stellen.

(30)

Onverminderd de in Verordening (EG) nr. 1406/2002 vastgelegde doelstellingen en taken dient de Commissie, binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze verordening, in nauwe samenwerking met de relevante belanghebbenden een haalbaarheidsstudie op te stellen en in te dienen, teneinde de mogelijkheden tot verbetering van de coördinatie en samenwerking van de verschillende kustwachtfuncties te beoordelen en vast te stellen. In die studie moet rekening worden gehouden met het bestaande juridische kader en de relevante aanbevelingen van de toepasselijke fora van de Unie, alsmede met de huidige ontwikkeling van de gemeenschappelijke gegevensuitwisselingsstructuur (CISE) en moeten de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid volledig in acht genomen worden, waarbij de kosten en baten voor het Europees Parlement en de Raad moeten worden verduidelijkt.

(31)

Voor het concurrentievermogen van de maritieme clusters in de Unie, is het belangrijk dat goed opgeleide Europese zeevarenden worden aangetrokken. Derhalve dient het Agentschap, in het licht van de huidige en toekomstige vraag in de Unie naar hoogopgeleide zeevarenden, in voorkomend geval de lidstaten en de Commissie te steunen bij het promoten van maritieme opleidingen door de vrijwillige uitwisseling van goede praktijken te bevorderen en informatie te verstrekken over de uitwisselingsprogramma's voor maritieme opleidingen van de Unie. Dit kan onder meer plaatsvinden door bekwame Europese belanghebbenden te assisteren om te streven naar uitmuntendheid in het onderwijs en de opleidingen op maritiem gebied, op vrijwillige basis en met volledige inachtneming van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud en organisatie van de maritieme opleiding.

(32)

Om het toenemende risico op piraterij te bestrijden, dient het Agentschap in voorkomend geval gedetailleerde informatie te blijven verstrekken aan de bevoegde nationale instanties en andere relevante organen, met inbegrip van operaties als marineoperatie Atalanta van de EU zeemacht, over de positie van onder de vlag van een lidstaat varende schepen die door gebieden varen die als zeer risicovol zijn aangemerkt. Voorts beschikt het Agentschap over middelen die nuttig kunnen zijn, met name in de context van de ontwikkeling van CISE. Derhalve dient het Agentschap op verzoek relevante positioneringsgegevens van vaartuigen en aardeobservatiegegevens te verstrekken aan de bevoegde nationale instanties en aan organen van de Unie, zoals Frontex en Europol, teneinde preventieve maatregelen mogelijk te maken tegen opzettelijke ongeoorloofde handelingen, in de zin van het desbetreffende uniaal recht, onverminderd de rechten en plichten van de lidstaten en in overeenstemming met het toepasselijke nationale en uniaal recht, in het bijzonder met betrekking tot de organen die gegevens opvragen. Voor het verstrekken van gegevens inzake het op lange afstand identificeren en het volgen van schepen (LRIT) is de toestemming van de betrokken vlaggenstaat vereist, overeenkomstig de procedures die door de raad van bestuur moeten worden opgesteld.

(33)

Bij de bekendmaking van informatie overeenkomstig Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (9) moeten de Commissie en het Agentschap voortbouwen op de deskundigheid en de ervaringen die is opgedaan onder het Memorandum van overeenstemming van Parijs inzake toezicht op schepen door de havenstaat („Memorandum van Parijs”).

(34)

De bijstand van het Agentschap aan de lidstaten en aan de Commissie met betrekking tot de relevante besprekingen van internationale en regionale organisaties dient de relatie tussen deze organisaties en de lidstaten die voortvloeit uit het feit dat de lidstaten lid zijn van deze organisaties, onverlet te laten.

(35)

De Unie is toegetreden tot de volgende verdragen en internationale overeenkomsten, waarbij regionale organisaties worden opgericht, waarvan de activiteiten ook onder de doelstellingen van het Agentschap vallen: het Verdrag ter bescherming van het mariene milieu in het Oostzeegebied (Verdrag van Helsinki als herzien in 1992) (10); het Verdrag inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging (Verdrag van Barcelona) (11) en de herziening daarvan uit 1995 (12) en een aantal protocollen daarbij; de Overeenkomst inzake samenwerking bij het bestrijden van verontreiniging van de Noordzee door olie en andere schadelijke stoffen (Overeenkomst van Bonn) (13); het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (Ospar-Verdrag) (14); de Overeenkomst inzake samenwerking bij de bescherming van de kusten en het aquatische milieu van het Noordoost-Atlantische gebied tegen verontreiniging, ondertekend op 17 oktober 1990 (Overeenkomst van Lissabon) (15), met het aanvullend protocol daarbij, ondertekend op 20 mei 2008, die nog niet in werking zijn getreden (16). De Unie onderhandelt momenteel tevens over de toetreding tot het in april 1992 ondertekende Verdrag inzake de bescherming van de Zwarte Zee tegen verontreiniging (Verdrag van Boekarest). Het Agentschap dient derhalve technische bijstand te verstrekken aan de lidstaten en de Commissie met het oog op deelname aan de relevante besprekingen van deze regionale organisaties.

(36)

Naast deze regionale organisaties bestaat er een aantal andere regionale, subregionale en bilaterale coördinatie- en samenwerkingsregelingen met betrekking tot de bestrijding van verontreiniging. Bij het verlenen van bijstand bij de bestrijding van verontreiniging aan derde landen die een regionale zee met de Unie delen, dient het Agentschap in zijn optreden met deze regelingen rekening te houden.

(37)

De Unie deelt de volgende regionale zeebekken met buurlanden: de Middellandse Zee, de Zwarte Zee en de Oostzee. Het Agentschap moet op verzoek van de Commissie bijstand aan deze landen verlenen bij de bestrijding van verontreiniging.

(38)

Voor een maximale efficiëntie dient het Agentschap zo nauw mogelijk samen te werken binnen het kader van het Memorandum van Parijs. De Commissie en de lidstaten moeten de mogelijkheden blijven onderzoeken om de efficiëntie nog verder te verbeteren, en voorstellen daartoe zouden binnen het kader van dat Memorandum van Parijs ter overweging kunnen worden voorgelegd.

(39)

Om ervoor te zorgen dat de bindende rechtshandelingen van de Unie op de gebieden maritieme veiligheid en preventie van verontreiniging door schepen in de praktijk correct worden uitgevoerd, dient het Agentschap de Commissie bij te staan bij het afleggen van bezoeken aan de lidstaten. Deze bezoeken aan nationale overheden moeten het Agentschap in staat stellen alle nodige informatie te verzamelen om een uitvoerig verslag aan de Commissie voor te leggen met het oog op haar beoordeling. De bezoeken dienen te worden afgelegd in de geest van de beginselen genoemd in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en moeten op zodanige wijze plaatsvinden dat de administratieve last voor de nationale maritieme overheden tot een minimum wordt beperkt. Voorts moeten de bezoeken worden afgelegd overeenkomstig een vaste procedure, die een door de raad van bestuur aangenomen standaardmethodiek omvat.

(40)

Het Agentschap dient de Commissie bij te staan door inspecties van erkende organisaties uit te voeren overeenkomstig Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties (17). Deze inspecties kunnen ook in derde landen plaatsvinden. De Commissie en het Agentschap dienen ervoor te zorgen dat de betrokken lidstaten naar behoren worden geïnformeerd. Daarnaast moet het Agentschap de aan hem door de Commissie gedelegeerde inspectietaken met betrekking tot de opleiding en certificering van zeevarenden in derde landen uitvoeren uit hoofde van Richtlijn 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (18). Details van de door het Agentschap verleende bijstand aan de door de Commissie verrichte maritieme beveiligingsinspecties overeenkomstig Verordening (EG) nr. 324/2008 van 9 april 2008 tot vaststelling van herziene procedures voor de uitvoering van inspecties van de Commissie op het gebied van de maritieme beveiliging (19) dienen niet onder Verordening (EG) nr. 1406/2002 te vallen.

(41)

Teneinde de samenhang te waarborgen met de beleidsdoelstellingen en de institutionele structuur van de Unie, alsmede met de toepasselijke administratieve en financiële procedures, moet de Commissie een formeel standpunt verstrekken in de vorm van een schriftelijk advies over de ontwerpmeerjarenstrategie van het Agentschap en de ontwerpen van de jaarlijkse werkprogramma's. De raad van bestuur dient daarmee rekening te houden alvorens deze documenten goed te keuren.

(42)

Met het oog op een eerlijke en transparante procedure voor de benoeming van de uitvoerend directeur moet de te volgen selectieprocedure in overeenstemming zijn met de richtsnoeren van de Commissie voor de selectie en benoeming van directeuren voor agentschappen van de Unie. In deze richtsnoeren wordt bepaald dat onderdanen van een lidstaat een kandidatuur kunnen indienen. Om dezelfde redenen moet de raad van bestuur in het preselectiecomité worden vertegenwoordigd door een waarnemer. De waarnemer moet gedurende de volgende fasen van de selectieprocedure op de hoogte worden gehouden. Op het moment dat de raad van bestuur zijn besluit inzake benoeming neemt, dienen de leden de mogelijkheid hebben aan de Commissie vragen over de selectieprocedure stellen. Voorts moet de raad van bestuur, overeenkomstig de gevestigde praktijk, de gelegenheid krijgen om de kandidaten die op de beperkte lijst zijn geplaatst, te horen. In alle fasen van de selectieprocedure en de benoeming voor de functie van uitvoerend directeur van het Agentschap moeten alle betrokken partijen ervoor zorgen dat de persoonsgegevens van de kandidaten worden verwerkt in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (20).

(43)

Hoewel het Agentschap voornamelijk wordt gefinancierd door middel van een bijdrage van de Unie, beschikt het ook over inkomsten afkomstig uit tarieven en vergoedingen voor zijn diensten. Deze tarieven en vergoedingen hebben met name betrekking op de exploitatie van het EU LRIT datacentrum en worden toegepast overeenkomstig de op 1 en 2 oktober 2007 en 9 december 2008 vastgesteld resolutie van de Raad met betrekking tot de oprichting van het EU LRIT datacentrum en met name de passages over de financiering van de LRIT-verslagen.

(44)

In het kader van het in Verordening (EG) nr. 1406/2002 voorziene voortgangsverslag dient de Commissie ook te onderzoeken hoe het Agentschap kan bijdragen aan de uitvoering van een toekomstige wetgevingshandeling over de veiligheid van offshore olie- en gasprospectie, -exploratie en -productieactiviteiten, die momenteel door het Europees Parlement en de Raad wordt bestudeerd met betrekking tot de preventie van verontreiniging door offshore-olie- en -gasinstallaties, rekening houdend met de beproefde en erkende deskundigheid en instrumenten waarover het Agentschap beschikt.

(45)

De activiteiten van het Agentschap dienen in voorkomend geval ook bij te dragen aan het tot stand brengen van een daadwerkelijke Europese zeevervoersruimte zonder grenzen.

(46)

Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (21), en met name artikel 208, moet in acht worden genomen.

(47)

Verordening (EG) nr. 1406/2002 moet derhalve dienovereenkomstig gewijzigd worden,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1406/2002

Verordening (EG) nr. 1406/2002 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikelen 1 tot en met 3 worden vervangen door:

„Artikel 1

Doelstellingen

1.   Bij deze verordening wordt een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid ( het „Agentschap”) opgericht, dat voorziet in een hoog, uniform en efficiënt niveau van veiligheid op zee, van maritieme beveiliging en van voorkoming en bestrijding van verontreiniging door schepen, alsook van bestrijding van verontreiniging van de zee door olie- en gasinstallaties.

2.   Hiertoe werkt het Agentschap met de lidstaten en de Commissie samen en verschaft het hun op de in lid 1 van dit artikel genoemde terreinen technische, operationele en wetenschappelijke bijstand binnen de grenzen van zijn in artikel 2 genoemde kerntaken alsook, indien van toepassing, van de neventaken zoals neergelegd in artikel 2 bis, in het bijzonder om de lidstaten en de Commissie te helpen de toepasselijke rechtshandelingen van de Unie correct toe te passen. Wat het bestrijden van verontreiniging betreft, verstrekt het Agentschap alleen op verzoek van de getroffen lidstaat (-staten) operationele bijstand.

3.   Door de in lid 2 bedoelde bijstand te verlenen, draagt het Agentschap in voorkomend geval bij aan de algemene efficiëntie van het zeeverkeer en zeevervoer, overeenkomstig deze verordening, teneinde de totstandbrenging van een Europese zeevervoersruimte zonder grenzen te bevorderen.

Artikel 2

Kerntaken van het Agentschap

1.   Teneinde de doelstellingen van artikel 1 op passende wijze te verwezenlijken, wordt het Agentschap met de in dit artikel genoemde kerntaken belast.

2.   Het Agentschap ondersteunt de Commissie:

a)

bij de voorbereidende werkzaamheden voor het actualiseren en ontwikkelen van de toepasselijke rechtshandelingen van de EU, met name in samenhang met de ontwikkeling van de internationale wetgeving ter zake;

b)

bij de effectieve uitvoering van de toepasselijke bindende rechtshandelingen van de Unie, met name bij het uitvoeren van de bezoeken en inspecties als bedoeld in artikel 3 van deze verordening, en door de Commissie technische ondersteuning te bieden bij de uitvoering van de inspectietaken die haar zijn toegewezen overeenkomstig artikel 9, lid 4, van Verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (22). In dit verband kan het Agentschap de Commissie voorstellen doen voor eventuele verbeteringen van deze bindende rechtshandelingen;

c)

bij de analyse van lopende en voltooide onderzoeksprojecten die onder de doelstellingen van het Agentschap vallen; dit kan het bepalen van mogelijke follow-upmaatregelen omvatten die voortvloeien uit specifieke onderzoeksprojecten;

d)

bij de uitvoering van eventuele andere in wetgevingshandelingen van de Unie aan de Commissie toegewezen taken die binnen de doelstellingen van het Agentschap liggen.

3.   Het Agentschap werkt samen met de lidstaten om:

a)

in voorkomend geval relevante opleidingsactiviteiten te organiseren op gebieden die onder de bevoegdheden van de lidstaten vallen;

b)

technische oplossingen te ontwikkelen, met inbegrip van het verstrekken van de desbetreffende operationele diensten, en technische bijstand te verlenen bij de opbouw van de nationale capaciteit die nodig is om de desbetreffende rechtshandelingen van de Unie te kunnen implementeren;

c)

op verzoek van een lidstaat toepasselijke informatie afkomstig uit de in artikel 3 genoemde inspecties te verstrekken, teneinde het toezicht te ondersteunen van de erkende organisaties die namens de lidstaten certificatietaken uitvoeren overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2009/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties (23) onverminderd de rechten en plichten van de vlaggenstaat;

d)

met extra middelen en op een kostenefficiënte manier steun te bieden bij de bestrijding van verontreiniging in geval van door schepen veroorzaakte verontreiniging en van verontreiniging van de zee door olie- en gasinstallaties, indien daarom verzocht is door de getroffen lidstaat onder wiens gezag de schoonmaakoperaties worden uitgevoerd, zulks onverminderd de verantwoordelijkheid van de kuststaten om te beschikken over passende operationele mechanismen voor de bestrijding van verontreiniging en met inachtneming van de bestaande samenwerking tussen lidstaten op dit terrein. In voorkomend geval worden verzoeken om maatregelen voor verontreinigingsbestrijding te mobiliseren, doorgegeven via het mechanisme voor civiele bescherming van de Unie, dat bij Besluit 2007/779/EG, Euratom van de Raad (24), is opgericht.

4.   Het Agentschap bevordert de samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie:

a)

op het gebied van de monitoring van de scheepvaart uit hoofde van Richtlijn 2002/59/EG bevordert het Agentschap in het bijzonder de samenwerking tussen oeverstaten in de betrokken vaargebieden en ontwikkelt en beheert het datacentrum van de Europese Unie voor het op lange afstand identificeren en volgen van schepen en het systeem voor de uitwisseling van maritieme informatie van de Unie (SafeSeaNet), als bedoeld in artikel 6 ter en artikel 22 bis van die richtlijn, en het internationale systeem van data-uitwisseling voor het op lange afstand identificeren en volgen van schepen, zulks overeenkomstig de afspraken in de Internationale Maritieme Organisatie („IMO”);

b)

door, op verzoek en onverminderd het nationale en uniaal recht, toepasselijke gegevens over de positionering van vaartuigen en aardeobservatiegegevens te verstrekken aan de bevoegde nationale instanties en de betrokken organen van de Unie, binnen de grenzen van hun mandaat, teneinde maatregelen tegen dreigingen van piraterij en van opzettelijke onwettige handelingen te bevorderen, overeenkomstig de bepalingen in het toepasselijke uniaal recht of uit hoofde van op internationaal niveau overeengekomen rechtsinstrumenten op het gebied van zeeverkeer. Daarbij dienen de toepasselijke regels inzake gegevensbescherming te worden nageleefd en moeten de administratieve procedures worden gevolgd die zijn vastgesteld door de raad van bestuur of de overeenkomstig Richtlijn 2002/59/EG opgerichte stuurgroep op hoog niveau, naargelang het geval. Voor het verstrekken van gegevens inzake het op lange afstand identificeren en het volgen van schepen is de toestemming van de betrokken vlaggenstaat vereist;

c)

bij het onderzoeken van ongevallen en incidenten op zee overeenkomstig Richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen in de zeescheepvaartsector (25); hierbij verleent het Agentschap, indien de betrokken lidstaten hierom verzoeken en mits zich geen belangenconflict voordoet, de lidstaten operationele ondersteuning bij de uitvoering van onderzoeken met betrekking tot ernstige en zeer ernstige ongevallen op zee en analyseert het de verslagen van het onderzoek naar veiligheid op zee om na te gaan welke relevante lering met een toegevoegde waarde op het niveau van de Unie hieruit kan worden getrokken. Op basis van de door de lidstaten verstrekte gegevens, overeenkomstig artikel 17 van deze richtlijn, stelt het Agentschap een jaarlijks overzicht op van ongevallen en incidenten op zee;

d)

bij het verstrekken van objectieve, betrouwbare en vergelijkbare statistieken, informatie en gegevens om zo de Commissie en de lidstaten in staat te stellen de noodzakelijke maatregelen te treffen om hun acties te verbeteren en de doeltreffendheid en kostenefficiëntie van bestaande maatregelen te beoordelen. Dit omvat het verzamelen, registreren en beoordelen van technische gegevens, de systematische exploitatie van bestaande databanken, met inbegrip van hun kruisbestuiving en, waar van toepassing, de ontwikkeling van aanvullende databanken. Op basis van de verzamelde gegevens verleent het Agentschap de Commissie bijstand bij het bekendmaken van informatie met betrekking tot schepen uit hoofde van Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (26);

e)

bij het verzamelen en analyseren van gegevens over zeevarenden die worden verstrekt en gebruikt overeenkomstig Richtlijn 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake het minimum opleidingsniveau van zeevarenden (27);

f)

bij het verbeteren van opsporing en vervolging van schepen die illegale lozingen hebben verricht in de zin van Richtlijn 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken (28);

g)

bij gevallen van olieverontreiniging van de zee die is veroorzaakt door olie- en gasinstallaties, door de Europese dienst voor satelliettoezicht op olielekkages (CleanSeaNet) in te zetten om de omvang en de milieugevolgen van dergelijke verontreiniging te monitoren;

h)

bij het verstrekken van technische bijstand aan de lidstaten en de Commissie die deze nodig hebben om bij te dragen aan de desbetreffende werkzaamheden van de technische instanties van de IMO, van de Internationale Arbeidsorganisatie voor zover het om scheepvaartaangelegenheden gaat, en van het Memorandum van overeenstemming van Parijs inzake toezicht op schepen door de havenstaat („Memorandum van Parijs”) en, ten aanzien van zaken waarvoor de Unie bevoegd is, van relevante regionale organisaties waartoe de Unie is toegetreden;

i)

met betrekking tot de uitvoering van Richtlijn 2010/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende meldingsformaliteiten voor schepen die aankomen in en/of vertrekken uit havens van de lidstaten (29), met name door de elektronische gegevensoverdracht via het SafeSeaNet te bevorderen en de ontwikkeling van één elektronisch platform te ondersteunen.

5.   Op verzoek van de Commissie kan het Agentschap technische bijstand, zoals het organiseren van opleidingsactiviteiten met betrekking tot de toepasselijke rechtshandelingen van de Unie, verstrekken ten behoeve van kandidaat-lidstaten, en, waar van toepassing, van Europese nabuurschapspartnerlanden en van landen die partij zijn bij het Memorandum van Parijs.

Het Agentschap kan eveneens bijstand verlenen wanneer derde landen die aan eenzelfde zeebekken grenzen als de Europese Unie, getroffen worden door verontreiniging van schepen dan wel van olie- en gasinstallaties afkomstige mariene verontreiniging, zulks overeenkomstig het bij Beschikking 2007/779/EG, Euratom opgerichte mechanisme voor civiele bescherming van de EU en naar analogie van de voorwaarden die uit hoofde van lid 3, onder d), van dit artikel voor de lidstaten gelden. Deze taken worden gecoördineerd met de bestaande regionale regelingen voor samenwerking bij verontreiniging van de zee.

Artikel 2 bis

Neventaken van het Agentschap

1.   Onverminderd de in artikel 2 omschreven kerntaken staat het Agentschap de Commissie respectievelijk de lidstaten bij in het ontwikkelen en uitvoeren van de in de leden 2 en 3 van dit artikel met betrekking tot de doelen van het Agentschap omschreven activiteiten van de Unie, zulks in de mate waarin het Agentschap beschikt over beproefde en erkende deskundigheid ter zake. De in dit artikel omschreven bijkomende taken van het Agentschap:

a)

leveren een aangetoonde toegevoegde waarde op;

b)

worden uitgevoerd zonder dat dit tot dubbel werk leidt;

c)

zijn in het belang van het zeevervoerbeleid van de Unie;

d)

gaan niet ten koste van de kerntaken van het Agentschap, en

e)

maken geen inbreuk op de rechten en plichten van de lidstaten, in het bijzonder als vlaggenstaten, havenstaten en kuststaten.

2.   Het Agentschap ondersteunt de Commissie:

a)

bij de uitvoering van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad (Kaderrichtlijn mariene strategie) (30), door bij te dragen tot de doelstelling van een goede milieutoestand van de zeewateren voor elementen die verband houden met de scheepvaart en gebruikmakend van de resultaten van bestaande instrumenten zoals SafeSeaNet en CleanSeaNet;

b)

door technische bijstand te verstrekken met betrekking tot broeikasgasemissies vanaf schepen, in het bijzonder door de actuele internationale ontwikkelingen te volgen;

c)

bij het, wat het programma voor de wereldwijde monitoring voor milieu en veiligheid (GMES) betreft, binnen het beheerskader van GMES bevorderen dat de data en diensten van GMES voor maritieme doeleinden worden gebruikt;

d)

bij het ontwikkelen van een gemeenschappelijke gegevensuitwisselingsstructuur voor het maritieme gebied van de EU;

e)

met betrekking tot mobiele offshore-olie- en gasinstallaties, het onderzoeken van de eisen van de IMO en het verzamelen van basisinformatie over mogelijke bedreigingen voor het zeevervoer en het mariene milieu;

f)

door informatie te verstrekken met betrekking tot classificatiebureaus voor binnenvaartschepen, overeenkomstig Richtlijn 2006/87/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 12 december 2006 tot vaststelling van technische voorschriften voor binnenschepen (31). Die informatie moet ook worden opgenomen in de verslagen als bedoeld in artikel 3, leden 4 en 5, van deze verordening.

3.   Het Agentschap verleent bijstand aan de Commissie en de lidstaten:

a)

bij het onderzoeken van de haalbaarheid en de uitvoering van het beleid en de projecten die de totstandbrenging van een Europese zeevervoersruimte zonder grenzen ondersteunen, zoals het concept van de blauwe gordel en e-Maritime, evenals de snelwegen op zee. Dit gebeurt met name door de mogelijkheid van extra functies voor SafeSeaNet te onderzoeken, met inachtneming van de rol van de overeenkomstig Richtlijn 2002/59/EG ingestelde stuurgroep op hoog niveau;

b)

door samen met de autoriteiten die bevoegd zijn voor het River Information Services System de mogelijkheid te verkennen van het delen van informatie tussen dit systeem en de informatiesystemen voor het zeevervoer, op basis van het verslag als bedoeld in artikel 15 van Richtlijn 2010/65/EU;

c)

door de vrijwillige uitwisseling van goede praktijken op het vlak van onderwijs en opleiding op maritiem gebied in de Unie te bevorderen, en door informatie te verstrekken over uitwisselingsprogramma's van de Unie met betrekking tot maritieme opleidingen, met volledige inachtneming van artikel 166 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Artikel 3

Bezoeken aan de lidstaten en inspecties

1.   Voor het vervullen van zijn taken en om de Commissie bij te staan bij het vervullen van haar verplichtingen in het kader van het VWEU en met name de beoordeling van de efficiënte tenuitvoerlegging van de relevante wetgeving van de Unie, verricht het Agentschap bezoeken in de lidstaten overeenkomstig de door de raad van bestuur vastgestelde methodiek.

2.   Het Agentschap stelt de betrokken lidstaat tijdig in kennis van het geplande bezoek, de identiteit van de gemachtigde ambtenaren en de aanvangsdatum en de verwachte duur van het bezoek. De met de inspecties belaste ambtenaren van het Agentschap leggen eerst het besluit over van de uitvoerend directeur van het Agentschap waarin het voorwerp en het doel van hun opdracht zijn vermeld.

3.   Het Agentschap voert namens de Commissie inspecties uit zoals vereist bij bindende wetgevingshandelingen van de Unie wat betreft organisaties die door de Unie erkend zijn overeenkomstig Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties (32) en wat betreft de opleiding en certificering van zeevarenden overeenkomstig Richtlijn 2008/106/EG.

4.   Na elk bezoek en elke inspectie stelt het Agentschap een verslag op dat aan de Commissie en aan de betrokken lidstaat wordt verstrekt.

5.   Waar passend, en in elk geval wanneer een bezoek- of inspectiecyclus is afgerond, analyseert het Agentschap de verslagen van die cyclus met het oog op horizontale bevindingen en algemene conclusies over de doeltreffendheid en kostenefficiëntie van de maatregelen. Het Agentschap legt deze analyse voor aan de Commissie voor verdere bespreking met de lidstaten, teneinde er de passende lessen uit te trekken en de verspreiding van goede werkmethoden te faciliteren.

2)

In artikel 4, worden leden 3 en 4 vervangen door:

„3.   De raad van bestuur stelt de praktische regelingen vast voor de toepassing van de leden 1 en 2, onder meer, waar passend, regelingen voor overleg met lidstaten vóór de bekendmaking van informatie.

4.   Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (33) is van toepassing op de informatie die de Commissie en het Agentschap op grond van de onderhavige verordening verzamelen en verwerken, en het Agentschap neemt de nodige maatregelen om de veilige behandeling en verwerking van vertrouwelijke informatie te garanderen.

3)

In artikel 5 wordt lid 3 vervangen door:

„3.   Op verzoek van de Commissie kan de raad van bestuur met toestemming van en in samenwerking met de betrokken lidstaten en terdege rekening houdend met de gevolgen voor de begroting, waaronder eventuele bijdragen die de betrokken lidstaten kunnen leveren, besluiten regionale centra te vestigen die noodzakelijk zijn om, op de meest efficiënte en effectieve manier, een aantal van de taken van het Agentschap uit te voeren. Wanneer de raad van bestuur een dergelijk besluit neemt, stelt hij het precieze takenpakket van het regionale centrum vast, waarbij onnodige financiële kosten worden vermeden en de samenwerking met bestaande regionale en nationale netwerken wordt verbeterd.”.

4)

In artikel 10 wordt lid 2 als volgt gewijzigd:

a)

punt b) wordt vervangen door:

„b)

stelt het jaarverslag over de activiteiten van het Agentschap vast en dient dit elk jaar uiterlijk op 15 juni in bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, de Europese Rekenkamer en de lidstaten.

Het Agentschap doet de begrotingsautoriteit jaarlijks alle relevante informatie over de resultaten van de evaluatieprocedures toekomen;”;

b)

punt c) wordt vervangen door:

„c)

in het kader van de voorbereiding van het werkprogramma, onderzoekt en hecht zijn goedkeuring aan verzoeken van de Commissie om bijstand, zoals bedoeld in artikel 2, lid 2, onder d), verzoeken van de lidstaten om technische bijstand, zoals bedoeld in artikel 2, lid 3, verzoeken om technische bijstand zoals bedoeld in artikel 2, lid 5, alsmede verzoeken om bijstand zoals bedoeld in artikel 2 bis;

c bis)

onderzoekt een meerjarenstrategie voor het Agentschap en stelt deze vast voor een periode van vijf jaar, rekening houdend met het schriftelijke advies van de Commissie;

c ter)

onderzoekt het meerjarig personeelsbeleidsplan van het Agentschap en stelt het vast;

c quater)

overweegt ontwerpen van administratieve regelingen zoals bedoeld in artikel 15, lid 2, onder b bis);”;

c)

punt g) wordt vervangen door:

„g)

stelt de methodiek vast voor de uit hoofde van artikel 3 uit te voeren bezoeken. In het geval dat de Commissie binnen een periode van 15 dagen na de datum van aanneming van de methodiek te kennen geeft het niet eens te zijn met de aangenomen methodiek, bespreekt de raad van bestuur de methodiek opnieuw en stelt hij de methodiek, eventueel gewijzigd, in tweede lezing vast, ofwel met een twee derde meerderheid, met inbegrip van de vertegenwoordigers van de Commissie, ofwel met eenparigheid van stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten;”;

d)

punt h) wordt vervangen door:

„h)

verricht zijn taken in verband met de begroting van het Agentschap overeenkomstig de artikelen 18, 19 en 21, en houdt rekening met en geeft een passend gevolg aan de resultaten en aanbevelingen van de verschillende interne en externe auditverslagen en beoordelingen;”;

e)

punt i) wordt vervangen door:

„i)

treedt op als tuchtraad ten aanzien van de uitvoerend directeur en de in artikel 16 bedoelde afdelingshoofden;”;

f)

punt l) wordt vervangen door:

„l)

herziet de financiële uitvoering van het onder k) van dit lid vermelde gedetailleerde plan en de in Verordening (EG) nr. 2038/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 over meerjarenfinanciering voor de acties van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid op het gebied van de bestrijding van door schepen veroorzaakte verontreiniging (34) vastgestelde budgettaire verbintenissen;

g)

het volgende punt wordt toegevoegd:

„m)

wijst onder zijn leden een waarnemer aan, die toeziet op de selectieprocedure van de Commissie voor de benoeming van de uitvoerend directeur.”.

5)

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de tweede alinea vervangen door:

„De leden van de raad van bestuur worden benoemd op basis van hun relevante ervarings- en deskundigheidsniveau op de in artikel 1 genoemde gebieden. De lidstaten en de Commissie, streven ieder naar een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in de raad van bestuur.”;

b)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   De duur van de ambtstermijn bedraagt vier jaar. Deze ambtstermijn kan worden verlengd.”.

6)

In artikel 13 wordt lid 4 vervangen door:

„4.   De raad van bestuur kan, wanneer het gaat om een vertrouwelijke kwestie of een belangenconflict, besluiten specifieke agendapunten te bespreken zonder dat de betrokken leden daarbij aanwezig zijn. Gedetailleerde voorschriften voor de toepassing van deze bepaling worden vastgelegd in het reglement van orde.”.

7)

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 2 worden de punten a) en b) vervangen door:

„a)

hij bereidt de meerjarenstrategie van het Agentschap voor en legt die na raadpleging van de Commissie aan de raad van bestuur voor, ten minste acht weken vóór de desbetreffende vergadering van de raad van bestuur, daarbij rekening houdend met standpunten en suggesties van de leden van de raad van bestuur;

a bis)

hij bereidt het meerjarenpersoneelsbeleidplan van het Agentschap voor en legt het na raadpleging van de Commissie aan de raad van bestuur voor, ten minste vier weken vóór de desbetreffende vergadering van de raad van bestuur;

a ter)

hij bereidt het jaarlijks werkprogramma voor, met een indicatie van de personele en financiële middelen die naar verwachting aan elke activiteit zullen worden toegewezen, en het gedetailleerde plan van het Agentschap voor de paraatheid voor en bestrijding van verontreiniging en legt beide na raadpleging van de Commissie voor aan de raad van bestuur, ten minste acht weken vóór de desbetreffende vergadering van de raad van bestuur, met inachtneming van de standpunten en voorstellen van de leden van de raad van bestuur. Hij neemt de nodige maatregelen voor de uitvoering daarvan. Hij geeft gehoor aan alle verzoeken om bijstand van een lidstaat overeenkomstig artikel 10, lid 2, onder c);

b)

hij besluit tot uitvoering van inspectiebezoeken zoals bedoeld in artikel 3, na raadpleging van de Commissie en volgens de methodiek voor bezoeken die de raad van bestuur in overeenstemming met artikel 10, lid 2, onder g), heeft vastgesteld;

b bis)

hij kan administratieve regelingen aangaan met andere instellingen die actief zijn op de actieterreinen van het Agentschap, op voorwaarde dat de ontwerpregelingen ter advies zijn voorgelegd aan de raad van bestuur en deze binnen een termijn van vier weken geen bezwaar maakt.”;

b)

in lid 2 wordt punt d) vervangen door:

„d)

hij organiseert een efficiënt toetsingssysteem teneinde de prestaties van het Agentschap te kunnen vergelijken met de in deze verordening vastgestelde doelstellingen en taken. Hiertoe stelt hij in overeenstemming met de Commissie en de raad van bestuur op maat gesneden prestatie-indicatoren vast waarmee de behaalde resultaten doeltreffend kunnen worden beoordeeld. Hij zorgt ervoor dat de organisatorische structuur van het Agentschap binnen de beschikbare financiële en personele middelen regelmatig wordt aangepast aan de zich ontwikkelende behoeften. Op basis hiervan stelt de uitvoerend directeur elk jaar een ontwerp van een algemeen verslag op dat hij ter overweging aan de raad van bestuur voorlegt. Het verslag omvat een specifiek onderdeel betreffende de financiële uitvoering van het gedetailleerd plan van het Agentschap voor de paraatheid voor en bestrijding van verontreiniging en een stand van zaken van alle in het kader van dat plan gefinancierde acties. Hij voert een methode van geregelde evaluatie in die aan erkende vaknormen voldoet;”;

c)

lid 2, punt g), wordt geschrapt;

d)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   De uitvoerend directeur brengt in voorkomend geval aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de vervulling van zijn taken.

Hij presenteert de stand van zaken met betrekking tot de voorbereiding van de meerjarenstrategie en het jaarlijks werkprogramma.”.

8)

Artikel 16 wordt vervangen door:

„Artikel 16

Benoeming en ontslag van de uitvoerend directeur en de afdelingshoofden

1.   De uitvoerend directeur wordt benoemd en ontslagen door de raad van bestuur. De uitvoerend directeur wordt voor een periode van vijf jaar benoemd op grond van verdienste en van door bewijsstukken aangetoonde bestuurlijke en leidinggevende bekwaamheid, alsook door bewijsstukken aangetoonde ervaring op de in artikel 1 vermelde gebieden, nadat het advies van de in artikel 10 bedoelde waarnemer is gehoord. De uitvoerend directeur wordt benoemd uit een kandidatenlijst van ten minste drie kandidaten, die door de Commissie wordt opgesteld na een algemeen vergelijkend onderzoek volgend op de bekendmaking van de vacature in het Publicatieblad van de Europese Unie, en elders, door een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling. De door de raad van bestuur gekozen kandidaat kan worden verzocht een verklaring voor de bevoegde commissie van het Europees Parlement af te leggen en vragen van de commissieleden te beantwoorden. De raad van bestuur beraadt zich over een ontslag op verzoek van de Commissie of van een derde van zijn leden. De raad van bestuur neemt een besluit over benoeming of ontslag met een meerderheid van vier vijfde van alle stemgerechtigde leden.

2.   Op voorstel van de Commissie kan de raad van bestuur, rekening houdende met het beoordelingsverslag, het mandaat van de uitvoerend directeur eenmalig verlengen met maximaal vier jaar. De raad van bestuur neemt een besluit met een meerderheid van vier vijfde van alle stemgerechtigde leden. De raad van bestuur stelt het Europees Parlement in kennis van zijn voornemen om de ambtstermijn van de uitvoerend directeur te verlengen. Binnen een maand die voorafgaat aan de verlenging van zijn ambtstermijn kan de uitvoerend directeur worden gevraagd een verklaring voor de bevoegde commissie van het Europees Parlement af te leggen en vragen van de commissieleden te beantwoorden. Indien de ambtstermijn niet wordt verlengd, blijft de uitvoerend directeur in functie totdat er een opvolger is aangewezen.

3.   De uitvoerend directeur kan worden bijgestaan door één of meer afdelingshoofden. Indien de uitvoerend directeur afwezig of verhinderd is, neemt een van de afdelingshoofden zijn plaats in.

4.   De afdelingshoofden worden benoemd op grond van verdienste en van door bewijsstukken aangetoonde bestuurlijke en leidinggevende vaardigheden, alsook professionele bekwaamheid en ervaring op de in artikel 1 vermelde gebieden. De afdelingshoofden worden benoemd en ontslagen door de uitvoerend directeur na een positief advies van de raad van bestuur.”.

9)

Artikel 18 wordt gewijzigd als volgt:

a)

in lid 1 wordt punt c) vervangen door:

„c)

tarieven en vergoedingen voor publicaties, opleiding en/of andere door het Agentschap geleverde diensten.”;

b)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   De uitvoerend directeur stelt een ontwerpraming op van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap voor het volgende begrotingsjaar, op basis van een activiteitenbegroting, en zendt deze aan de raad van bestuur, samen met een ontwerpoverzicht van de personeelsformatie.”;

c)

leden 7 en 8 worden vervangen door:

„7.   De raming wordt samen met het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie door de Commissie ingediend bij het Europees Parlement en de Raad (de „begrotingsautoriteit”).

8.   Op basis van de raming neemt de Commissie de geraamde bedragen die zij nodig acht met betrekking tot de personeelsformatie en het bedrag van de subsidie ten laste van de algemene begroting, op in het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie, dat zij overeenkomstig artikel 314 VWEU voorlegt aan de begrotingsautoriteit, tezamen met een beschrijving en motivering van eventuele verschillen tussen de raming van het Agentschap en de subsidie ten laste van de algemene begroting.”;

d)

lid 10 wordt vervangen door:

„10.   De begroting wordt vastgesteld door de raad van bestuur. De begroting wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Europese Unie. Indien nodig wordt de begroting dienovereenkomstig aangepast, tezamen met het jaarlijkse werkprogramma.”.

10)

Artikel 22 wordt vervangen door:

„Artikel 22

Evaluatie

1.   Op gezette tijden en ten minste om de vijf jaar geeft de raad van bestuur de opdracht tot een onafhankelijke externe evaluatie van de uitvoering van deze verordening. De Commissie verstrekt het Agentschap alle gegevens welke het voor deze evaluatie relevant acht.

2.   De evaluatie beoordeelt het effect van deze verordening, alsmede het nut, de relevantie, de gerealiseerde toegevoegde waarde en de effectiviteit van het Agentschap en zijn werkmethoden. Bij de evaluatie wordt rekening gehouden met de standpunten van alle betrokkenen, zowel op Europees als op nationaal niveau. Er wordt met name nagegaan of het nodig is de taken van het agentschap te wijzigen. De raad van bestuur stelt in overleg met de Commissie een specifieke opdracht vast, na raadpleging van de betrokken partijen.

3.   De raad van bestuur ontvangt de evaluatie en legt de Commissie aanbevelingen voor met het oog op wijzigingen in deze verordening, het Agentschap en de werkmethoden. De resultaten van de evaluatie en de aanbevelingen worden door de Commissie toegezonden aan de Raad en het Europees Parlement en worden bekendgemaakt. Indien nodig wordt een actieplan met tijdschema bijgevoegd.”.

11)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 22 bis

Voortgangsverslag

Uiterlijk 2 maart 2018 en met inachtneming van het in artikel 22 bedoelde evaluatieverslag, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de wijze waarop het Agentschap de aanvullende verantwoordelijkheden die hem bij deze verordening zijn toegekend, heeft vervuld, teneinde te bepalen op welke gebieden de efficiëntie kan worden verbeterd en, indien nodig, of de doelstellingen en taken dienen te worden gewijzigd.”.

12)

Artikel 23 wordt geschrapt.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 15 januari 2013.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

L. CREIGHTON


(1)  PB C 107 van 6.4.2011, blz. 68.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 15 december 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 4 oktober 2012 (PB C 352 E van 16.11.2012, blz. 1). Standpunt van het Europees Parlement van 13 december 2012.

(3)  PB L 208 van 5.8.2002, blz. 1.

(4)  PB L 129 van 29.4.2004, blz. 6.

(5)  PB L 283 van 29.10.2010, blz. 1.

(6)  PB L 332 van 28.12.2000, blz. 1.

(7)  PB L 255 van 30.9.2005, blz. 11.

(8)  PB L 314 van 1.12.2007, blz. 9.

(9)  PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57.

(10)  Besluit 94/157/EG van de Raad (PB L 73 van 16.3.1994, blz. 19).

(11)  Besluit 77/585/EEG van de Raad (PB L 240 van 19.9.1977, blz. 1).

(12)  Besluit 1999/802/EG van de Raad (PB L 322 van 14.12.1999, blz. 32).

(13)  Besluit 84/358/EEG van de Raad (PB L 188 van 16.7.1984, blz. 7).

(14)  Besluit 98/249/EG van de Raad (PB L 104 van 3.4.1998, blz. 1).

(15)  Besluit 93/550/EEG van de Raad (PB L 267 van 28.10.1993, blz. 20).

(16)  Besluit 2010/655/EU van de Raad (PB L 285 van 30.10.2010, blz. 1).

(17)  PB L 131 van 28.5.2009, blz. 11.

(18)  PB L 323 van 3.12.2008, blz. 33.

(19)  PB L 98 van 10.4.2008, blz. 5.

(20)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.

(21)  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(22)  PB L 129 van 29.4.2004, blz. 6.

(23)  PB L 131 van 28.5.2009, blz. 47.

(24)  PB L 314 van 1.12.2007, blz. 9.

(25)  PB L 131 van 28.5.2009, blz. 114.

(26)  PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57.

(27)  PB L 323 van 3.12.2008, blz. 33.

(28)  PB L 255 van 30.9.2005, blz. 11.

(29)  PB L 283 van 29.10.2010, blz. 1.

(30)  PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19.

(31)  PB L 389 van 30.12.2006, blz. 1.

(32)  PB L 131 van 28.5.2009, blz. 11.”.

(33)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.”.

(34)  PB L 394 van 30.12.2006, blz. 1.”;


Top