Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32012L0019

Richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) Voor de EER relevante tekst

OJ L 197, 24.7.2012, p. 38–71 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 15 Volume 034 P. 194 - 227

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2012/19/oj

24.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 197/38


RICHTLIJN 2012/19/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 4 juli 2012

betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA)

(herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2002/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) (4) moet op verscheidene punten ingrijpend worden gewijzigd. Ter wille van de duidelijkheid dient tot herschikking van deze richtlijn te worden overgegaan.

(2)

De doelstellingen van het milieubeleid van de Unie omvatten in het bijzonder behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, bescherming van de gezondheid van de mens en behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Dit beleid berust op het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt.

(3)

In het beleidsplan en actieprogramma van de Europese Gemeenschap op het gebied van het milieu en duurzame ontwikkeling (Vijfde Milieuactieprogramma) (5) werd gesteld dat de verwezenlijking van duurzame ontwikkeling ingrijpende veranderingen in de huidige ontwikkelings-, productie-, consumptie- en gedragspatronen vereist en pleit onder meer voor de beperking van de verspilling van natuurlijke hulpbronnen en voor de voorkoming van verontreiniging. Dit programma noemde afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) als een van de doelgebieden voor regelgeving waar het gaat om de toepassing van de uitgangspunten preventie, nuttige toepassing en veilige verwijdering van afval.

(4)

Deze richtlijn vormt een aanvulling op de algemene Uniewetgeving inzake afvalbeheer, waaronder Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen (6). Zij verwijst naar de in die richtlijn gebruikte definities, met inbegrip van de definities van afvalstoffen en algemene afvalbeheershandelingen. De definitie van inzameling in Richtlijn 2008/98/EG omvat de voorlopige sortering en de voorlopige opslag van afvalstoffen om deze daarna te vervoeren naar een afvalverwerkingsinstallatie. Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad (7) voorziet in een kader voor het vaststellen van voorschriften inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten en maakt de vaststelling mogelijk van specifieke ecologische ontwerpvoorschriften voor energiegerelateerde producten die ook onder deze richtlijn kunnen vallen. Richtlijn 2009/125/EG en de krachtens die richtlijn aangenomen uitvoeringsmaatregelen laten de Uniewetgeving inzake afvalbeheer onverlet. Richtlijn 2002/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 betreffende de beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (8) vereist de vervanging van verboden stoffen met betrekking tot alle onder die richtlijn vallende elektrische en elektronische apparatuur (EEA).

(5)

Omdat de markt blijft groeien en de innovatiecycli alsmaar korter worden, worden apparaten sneller vervangen en is EEA een snelgroeiende bron van afval. Hoewel Richtlijn 2002/95/EG doeltreffend heeft bijgedragen tot het verminderen van de hoeveelheid gevaarlijke stoffen die zich in nieuwe EEA bevinden, zullen gevaarlijke stoffen zoals kwik, cadmium, lood, zeswaardig chroom, polychloorbifenylen (pcb's) en ozonafbrekende stoffen nog vele jaren lang in AEEA worden aangetroffen. De aanwezigheid van gevaarlijke onderdelen in EEA levert in de afvalfase ernstige moeilijkheden op, en recycling van AEEA vindt niet in voldoende mate plaats. Te weinig recycling resulteert in het verlies van kostbare grondstoffen.

(6)

Deze richtlijn heeft ten doel bij te dragen tot duurzame productie en consumptie, in de eerste plaats door preventie van AEEA, en daarnaast door hergebruik, recycling en andere vormen van nuttige toepassing van dergelijke afvalstoffen, teneinde de hoeveelheid te verwijderen afval te verminderen en bij te dragen tot efficiënt hulpbronnengebruik en de terugwinning van waardevolle secundaire grondstoffen. Voorts beoogt deze richtlijn een verbetering van de milieuprestaties van alle marktdeelnemers die bij de levenscyclus van EEA betrokken zijn, zoals producenten, distributeurs en consumenten en in het bijzonder de marktdeelnemers die rechtstreeks betrokken zijn bij de inzameling en verwerking van AEEA. In het bijzonder kunnen verschillen tussen de nationale toepassingen van het beginsel van producentenverantwoordelijkheid leiden tot substantiële verschillen in de financiële lasten voor ondernemers. Het bestaan van verschillen in nationaal beleid ten aanzien van het beheer van AEEA belemmert de doeltreffendheid van het recyclingbeleid. Daarom moeten de belangrijkste criteria op Unieniveau worden vastgesteld en moeten minimumnormen voor de verwerking van AEEA worden ontwikkeld.

(7)

De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op alle betrokken producten en producenten, ongeacht de verkoopstechniek, dus met inbegrip van afstandsverkoop en elektronische handel. In dit verband moeten producenten en distributeurs die kanalen voor afstandsverkoop en elektronische handel gebruiken, voor zover uitvoerbaar, dezelfde verplichtingen hebben, die op dezelfde wijze gehandhaafd moeten worden als voor andere distributiekanalen, om te voorkomen dat die andere distributiekanalen de kosten moeten dragen ingevolge deze richtlijn als een gevolg van AEEA waarvan de apparatuur op afstand of elektronisch is verkocht.

(8)

Om te kunnen voldoen aan de verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn in een bepaalde lidstaat, moet een producent in die lidstaat zijn gevestigd. Bij wijze van uitzondering moeten lidstaten, ter vermindering van de bestaande belemmeringen voor de goede werking van de interne markt en van de administratieve lasten, producenten die niet op hun grondgebied maar in een andere lidstaat zijn gevestigd, toestaan om een gevolmachtigde aan te wijzen die verantwoordelijk is voor het voldoen aan de verplichtingen van die producent uit hoofde van deze richtlijn. Daarnaast moeten de administratieve lasten worden verlicht door de procedures voor registratie en rapportering te vereenvoudigen en het betalen van meerdere vergoedingen voor registraties in de afzonderlijke lidstaten te voorkomen.

(9)

Deze richtlijn moet van toepassing zijn op alle door consumenten gebruikte EEA alsook op voor bedrijfsmatig gebruik bedoelde EEA. Deze richtlijn dient te gelden zonder afbreuk te doen aan de Uniewetgeving betreffende veiligheids- en gezondheidsvoorschriften ter bescherming van eenieder die in contact komt met AEEA, aan de specifieke Uniewetgeving betreffende afvalbeheer, in het bijzonder Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 inzake batterijen en accu's alsook afgedankte batterijen en accu's (9), en aan de Uniewetgeving betreffende productontwerp, in het bijzonder Richtlijn 2009/125/EG. Voorbereiding voor hergebruik, nuttige toepassing en recycling van afgedankte koelapparatuur en stoffen, mengsels en onderdelen daarvan, moet plaatsvinden in overeenstemming met de desbetreffende Uniewetgeving, en in het bijzonder met Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (10), en met Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen (11). De doelstellingen van deze richtlijn kunnen worden verwezenlijkt zonder dat grote vaste installaties, zoals olieplatforms, bagagetransportsystemen op luchthavens of liften, in het toepassingsgebied ervan hoeven te worden opgenomen. Apparatuur die niet specifiek is ontworpen en geïnstalleerd als onderdeel van die installaties en die haar functie kan vervullen ook al maakt zij geen onderdeel uit van die installaties, moet echter ook in het toepassingsgebied van deze richtlijn worden opgenomen. Dit heeft bijvoorbeeld betrekking op apparatuur zoals verlichtingsapparatuur en fotovoltaïsche panelen.

(10)

In deze richtlijn moeten enkele definities worden opgenomen om het toepassingsgebied ervan te omschrijven. In het kader van een herziening van het toepassingsgebied, moet de definitie van EEA echter verder worden verduidelijkt om de desbetreffende nationale maatregelen en huidige, toegepaste en gevestigde praktijken van de lidstaten nauwer bij elkaar te doen aansluiten.

(11)

Voorschriften inzake ecologisch ontwerp ten behoeve van gemakkelijker hergebruik, ontmanteling en nuttige toepassing van AEEA moeten in het kader van de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2009/125/EG worden vastgelegd. Voor een optimaal hergebruik en een optimale nuttige toepassing door middel van productontwerp moet de hele levenscyclus van het product in aanmerking worden genomen.

(12)

Onder andere doordat zij de producentenverantwoordelijkheid vastlegt, bevordert deze richtlijn dat bij het ontwerp en de productie van EEA ten volle rekening wordt gehouden met reparatie, de mogelijkheid tot verbetering, hergebruik, demontage en recycling daarvan en dat deze aspecten worden vergemakkelijkt.

(13)

Teneinde de gezondheid en veiligheid van het personeel van de distributeur dat betrokken is bij het terugnemen en manipuleren van AEEA te waarborgen, dienen de lidstaten overeenkomstig de nationale veiligheids- en gezondheidsvoorschriften alsmede deze van de Unie te bepalen onder welke voorwaarden het terugnemen door de distributeurs kan worden geweigerd.

(14)

Gescheiden inzameling is een eerste vereiste om de specifieke behandeling en recycling van AEEA te waarborgen, en is noodzakelijk om het vastgestelde niveau van bescherming van de gezondheid van mens en milieu in de Unie te halen. De consument moet actief bijdragen tot het succes van deze inzameling en moet worden aangemoedigd AEEA in te leveren. Met het oog daarop moeten geschikte voorzieningen voor het inleveren van AEEA, met inbegrip van openbare inzamelpunten waar particuliere huishoudens hun afval ten minste kosteloos moeten kunnen inleveren, worden opgezet. Voor de distributeurs is een belangrijke rol weggelegd om bij te dragen tot het succes van de inzameling van AEEA. Daarom zouden inzamelpunten in detailhandelszaken voor heel kleine AEEA niet mogen vallen onder de registratie- of vergunningsvereisten van Richtlijn 2008/98/EG.

(15)

Om in de Unie het vastgestelde beschermingsniveau en de geharmoniseerde milieudoelstellingen te bereiken, dienen de lidstaten passende maatregelen te treffen om de samen met het ongesorteerd stedelijk afval te verwijderen AEEA tot een minimum te beperken en een hoog niveau van gescheiden inzameling van AEEA te bereiken. Om te waarborgen dat de lidstaten doelmatige inzamelingssystemen opzetten, dient te worden verlangd dat zij een hoog inzamelingsniveau van AEEA bereiken, met name voor koel- en vriesapparatuur die ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen bevat, gezien de grote milieueffecten van die stoffen en gezien de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 842/2006 en Verordening (EG) nr. 1005/2009. Uit gegevens in de door de Commissie in 2008 uitgevoerde effectbeoordeling blijkt dat toen reeds 65 % van de in de handel gebrachte EEA gescheiden werd ingezameld, maar dat meer dan de helft daarvan wellicht op onjuiste wijze werd verwerkt of illegaal wordt geëxporteerd en zelfs wanneer het op de juiste wijze werd verwerkt, werd dit niet gerapporteerd. Dat resulteert in milieuschade, het verloren gaan van kostbare secundaire grondstoffen en het leveren van inconsistente gegevens. Om dit te vermijden, moet een ambitieus inzamelingspercentage worden vastgesteld en moet ervoor worden gezorgd dat ingezamelde AEEA op milieuvriendelijke wijze wordt behandeld en op de juiste wijze wordt gerapporteerd. Het is aangewezen om minimumvoorschriften vast te stellen voor de overbrenging van gebruikte EEA waarvan vermoed wordt dat het AEEA is, bij de toepassing waarvan de lidstaten zich kunnen beroepen op de relevante richtsnoeren van de correspondenten die zijn opgesteld ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (12). Deze minimumvoorschriften moeten in ieder geval dienen om te voorkomen dat ongewenste overbrenging van niet-functionerende EEA naar ontwikkelingslanden plaatsvindt.

(16)

Het vaststellen van ambitieuze inzamelingspercentages moet plaatsvinden op basis van de hoeveelheid AEEA die geproduceerd wordt, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de verschillende levenscycli van producten in de lidstaten, met niet-verzadigde markten en met EEA met een lange levenscyclus. Daarom moet op korte termijn een methodologie worden ontwikkeld voor het berekenen van inzamelingspercentages op basis van geproduceerde AEEA. Volgens de huidige ramingen komt een inzamelingspercentage van 85 % van de geproduceerde AEEA ongeveer overeen met een inzamelingspercentage van 65 % van de gemiddelde gewichtshoeveelheid EEA die de voorgaande drie jaren in de handel is gebracht.

(17)

Een specifieke behandeling van AEEA is onontbeerlijk om de verspreiding van verontreinigende stoffen in het gerecycleerde materiaal of in de afvalstroom tegen te gaan. Een dergelijke behandeling vormt de meest doeltreffende manier om te garanderen dat het door de Unie vastgestelde milieubeschermingsniveau wordt bereikt. Installaties of bedrijven die inzamelings-, recycling- en verwerkingsactiviteiten uitvoeren, moeten aan minimale normen voldoen om negatieve milieueffecten in verband met de verwerking van AEEA te voorkomen. De beste beschikbare technieken voor verwerking, nuttige toepassing en recycling dienen te worden gebruikt, mits zij de gezondheid van de mens en een hoog niveau van milieubescherming garanderen. De beste beschikbare technieken voor verwerking, nuttige toepassing en recycling kunnen nader worden bepaald overeenkomstig de procedures van Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (13).

(18)

Het Wetenschappelijk Comité voor nieuwe gezondheidsrisico's heeft in zijn advies van 19 januari 2009 inzake risicobeoordeling van nanotechnologieproducten opgemerkt dat nanomaterialen die stevig verankerd zijn in grote structuren, bijvoorbeeld in elektronische circuits, tijdens de afval- en recyclingfase kunnen vrijkomen. Ter bewaking van mogelijke risico's voor de menselijke gezondheid en het milieu als gevolg van de verwerking van AEEA die nanomaterialen bevat, moet de Commissie beoordelen of specifieke verwerking noodzakelijk is.

(19)

De aanpak van de inzameling, de opslag, het vervoer, de verwerking en de recycling van AEEA, alsmede de voorbereiding ervan voor hergebruik dient erop gericht te zijn het milieu en de menselijke gezondheid te beschermen en grondstoffen te bewaren, alsook waardevolle hulpbronnen die zich in EEA bevinden te recyclen met het oog op een betere grondstoffenvoorziening in de Unie.

(20)

Waar van toepassing dient voorrang te worden gegeven aan voorbereiding voor hergebruik van AEEA en van onderdelen, subeenheden en verbruiksmaterialen daarvan. Indien dat niet de voorkeur verdient, dient alle gescheiden ingezamelde AEEA voor nuttige toepassing te worden aangeboden en daarbij moet een hoog niveau van recycling en nuttige toepassing worden bereikt. Bovendien dienen producenten te worden gestimuleerd om gerecycleerd materiaal in nieuwe apparatuur te verwerken.

(21)

De nuttige toepassing, voorbereiding voor hergebruik en recycling van AEEA moet alleen meetellen voor het behalen van de in deze richtlijn vastgelegde streefcijfers als die nuttige toepassing, voorbereiding voor hergebruik of recycling niet strijdig is met andere op de apparatuur toepasselijke Unie- of nationale wetgeving. Het zorgen voor de juiste voorbereiding voor hergebruik, recycling en terugwinning van AEEA is van groot belang voor een verstandig beheer van hulpbronnen en een optimalisering van de toevoer van hulpbronnen.

(22)

De voornaamste uitgangspunten ten aanzien van de financiering met betrekking tot het beheer van AEEA moeten op Unieniveau worden vastgesteld en de financieringsstelsels moeten tot hoge inzamelingspercentages bijdragen alsook tot de toepassing van het beginsel van producentenverantwoordelijkheid.

(23)

Gebruikers van EEA in particuliere huishoudens dienen de mogelijkheid te hebben hun AEEA ten minste kosteloos in te leveren. De producenten dienen ten minste de inzameling door inzamelingsfaciliteiten, en de verwerking, nuttige toepassing en verwijdering van AEEA te financieren. De lidstaten dienen de producenten aan te sporen om de volledige verantwoordelijkheid voor de inzameling van AEEA op te nemen, met name door de financiering van de inzameling van AEEA in de hele afvalketen met inbegrip van de particuliere huishoudens, teneinde ervoor te zorgen dat gescheiden ingezamelde AEEA niet op onjuiste wijze wordt verwerkt of illegaal wordt geëxporteerd, dat uniforme concurrentievoorwaarden tot stand worden gebracht via een harmonisatie van de producentenfinanciering in de hele Unie, en dat de kosten voor de inzameling van deze afvalstoffen — overeenkomstig het beginsel dat de vervuiler betaalt — worden verlegd van de belastingbetaler in het algemeen naar de consument van EEA. Een optimale toepassing van het beginsel producentenverantwoordelijkheid vereist dat elke producent verantwoordelijk is voor de financiering van het beheer van het afval van zijn eigen producten. De producent dient te kunnen kiezen om hetzij individueel hetzij via een collectieve regeling aan die verplichtingen te voldoen. Elke producent die een product in de handel brengt, dient een financiële waarborg te stellen, zodat de kosten voor het beheer van AEEA van weesproducten niet ten laste van de samenleving of van andere producenten kunnen komen. De verantwoordelijkheid voor de financiering van het beheer van de historische voorraad dient te berusten bij de gezamenlijke producenten door middel van collectieve financieringssystemen, en alle producenten die op de markt opereren op het tijdstip waarop de kosten ontstaan, dienen proportioneel in deze systemen bij te dragen. De collectieve systemen mogen niet zodanig zijn dat zij fabrikanten van gespecialiseerde producten, kleine producenten, importeurs of nieuwkomers uitsluiten. Collectieve regelingen kunnen voorzien in verschillende tarieven die gegrond zijn op het gemak waarmee producten en de waardevolle secundaire grondstoffen die zij bevatten, kunnen worden gerecycleerd. Voor producten met een lange levenscyclus die nu onder deze richtlijn vallen, zoals fotovoltaïsche panelen, moet zo goed mogelijk gebruik worden gemaakt van bestaande regelingen voor inzameling en nuttige toepassing, mits zij voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn.

(24)

Producenten moet kunnen worden toegestaan om bij de verkoop van nieuwe producten, op vrijwillige basis, de kopers de kosten van milieuvriendelijke inzameling, verwerking en verwijdering van AEEA te tonen. Dit is in overeenstemming met de mededeling van de Commissie over het actieplan inzake duurzame consumptie en productie en een duurzaam industriebeleid, met name met betrekking tot verstandiger consumeren en groene overheidsopdrachten.

(25)

Voorlichting van de gebruikers over het voorschrift dat AEEA niet samen met ongesorteerd stedelijk afval mag worden verwijderd en gescheiden moet worden ingezameld, alsmede over de inzamelingssystemen en over hun eigen rol bij het beheer van AEEA, is onontbeerlijk om de inzameling van AEEA te doen slagen. Dit maakt het nodig dat EEA die in vuilnisbakken of vergelijkbare vormen van stedelijk afvalinzameling zou kunnen terechtkomen, van een duidelijk merkteken wordt voorzien.

(26)

De door producenten te verstrekken informatie ter identificatie van onderdelen en materialen is van belang om het beheer, en in het bijzonder de verwerking en de nuttige toepassing of recycling, van AEEA te vergemakkelijken.

(27)

De lidstaten dienen er zorg voor te dragen dat met de infrastructuur voor inspectie en controle kan worden nagegaan of deze richtlijn correct ten uitvoer wordt gelegd, onder meer gelet op Aanbeveling 2001/331/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten (14).

(28)

De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat doeltreffende, proportionele en afschrikkende sancties worden opgelegd aan natuurlijke en rechtspersonen die verantwoordelijk zijn voor afvalbeheer indien zij de bepalingen van deze richtlijn overtreden. Onverminderd Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade moeten de lidstaten ook maatregelen kunnen nemen om de kosten ingevolge de niet-naleving en de herstelmaatregelen terug te vorderen (15).

(29)

Gegevens over het gewicht van EEA die in de Unie in de handel worden gebracht en over het niveau van inzameling, voorbereiding voor hergebruik, met inbegrip van, voor zover mogelijk, voorbereiding voor hergebruik van complete apparaten, nuttige toepassing of recycling en uitvoer van overeenkomstig deze richtlijn ingezamelde AEEA zijn noodzakelijk om de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn te kunnen meten. Voor het berekenen van de inzamelingspercentages dient er een gemeenschappelijke methode voor het berekenen van het gewicht van EEA te worden ontwikkeld, waarbij onder meer moet worden onderzocht of dat begrip het werkelijke gewicht van de hele apparatuur omvat in de vorm waarin zij verhandeld wordt, inclusief alle onderdelen, subeenheden, hulpstukken en verbruiksmaterialen, doch exclusief verpakking, batterijen, gebruiksaanwijzingen en handleidingen.

(30)

Het is aangewezen de lidstaten de mogelijkheid te bieden om ervoor te opteren sommige bepalingen van deze richtlijn uit te voeren door middel van overeenkomsten tussen de bevoegde instanties en de betrokken bedrijfssectoren, mits aan bepaalde voorschriften is voldaan.

(31)

Teneinde problemen aan te pakken waar lidstaten mee te maken krijgen bij het behalen van de inzamelingspercentages, rekening te houden met de vooruitgang van de wetenschap en techniek en de bepalingen betreffende het bereiken van de streefcijfers inzake nuttige toepassing aan te vullen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen met betrekking tot overgangsaanpassingen voor bepaalde lidstaten, aanpassingen aan de vooruitgang van wetenschap en techniek en het aannemen van nadere regels inzake AEEA die buiten de Unie wordt uitgevoerd en die wordt meegeteld bij het narekenen of de streefcijfers inzake nuttige toepassing zijn bereikt. Het is van groot belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(32)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze richtlijn te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (16).

(33)

De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot die bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijnen materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de vorige richtlijnen.

(34)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken (17) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd.

(35)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage XI, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten.

(36)

Daar de doelstelling van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, wegens de omvang van het probleem, beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze richtlijn worden maatregelen vastgesteld ter bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid door preventie of beperking van de negatieve gevolgen van de productie en het beheer van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA), ter beperking van de gevolgen in het algemeen van het gebruik van hulpbronnen en ter verbetering van de efficiëntie van het gebruik ervan, overeenkomstig de artikelen 1 en 4 van Richtlijn 2008/98/EG, waarmee wordt bijgedragen aan een duurzame ontwikkeling.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn is als volgt van toepassing op elektrische en elektronische apparatuur (EEA):

a)

vanaf 13 augustus 2012 tot 14 augustus 2018 (overgangsperiode), behoudens lid 3, op EEA die onder de in bijlage I genoemde categorieën valt. Bijlage II bevat een indicatieve lijst van EEA die onder de in bijlage I genoemde categorieën valt;

b)

vanaf 15 augustus 2018, behoudens lid 3 en 4, op alle EEA. Alle EEA wordt ingedeeld in de in bijlage III genoemde categorieën. Bijlage IV bevat een niet-beperkende lijst van EEA die onder de in bijlage III genoemde categorieën valt (open toepassingsgebied).

2.   Deze richtlijn geldt onverminderd de voorschriften van de Gemeenschapswetgeving inzake veiligheid en gezondheid en inzake chemische stoffen, met name Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen (18), alsook die van de specifieke Uniewetgeving inzake afvalstoffenbeheer en productontwerp.

3.   Deze richtlijn is niet van toepassing op de hierna genoemde EEA:

a)

apparatuur die noodzakelijk is voor de bescherming van de wezenlijke belangen van de veiligheid van lidstaten, met inbegrip van wapens, munitie en oorlogsmateriaal voor specifiek militaire doeleinden;

b)

apparatuur die specifiek is ontworpen en geïnstalleerd om deel uit te maken van andere apparatuur welke is uitgesloten van of niet onder het toepassingsgebied van deze richtlijn valt, die haar functie alleen kan vervullen als zij deel uitmaakt van laatstbedoelde apparatuur;

c)

gloeilampen.

4.   Behalve op de in lid 3 vermelde apparatuur is deze richtlijn vanaf 15 augustus 2018 niet van toepassing op de hierna genoemde EEA:

a)

apparatuur die is ontworpen om de ruimte ingestuurd te worden;

b)

grote, niet-verplaatsbare industriële werktuigen;

c)

grote, vaste installaties, met uitzondering van apparatuur die niet specifiek is ontworpen en geïnstalleerd als onderdeel van zulke installaties;

d)

vervoermiddelen voor personen of goederen, met uitzondering van elektrische tweewielers zonder typegoedkeuring;

e)

niet voor de weg bestemde mobiele machines die uitsluitend voor beroepsmatig gebruik ter beschikking zijn gesteld;

f)

apparatuur die speciaal is ontworpen uitsluitend voor doeleinden van onderzoek en ontwikkeling en die alleen door een bedrijf aan een ander bedrijf ter beschikking wordt gesteld;

g)

medische hulpmiddelen en medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek, wanneer deze hulpmiddelen naar verwachting vóór het einde van hun levensduur infectieus zijn, en actieve implanteerbare medische hulpmiddelen.

5.   Uiterlijk 14 augustus 2015 beziet de Commissie het toepassingsgebied van deze richtlijn, dat is vastgelegd in punt b) van lid 1, met inbegrip van de parameters voor het maken van het onderscheid tussen grote en kleine apparatuur in bijlage III, opnieuw, en brengt zij dienaangaande verslag uit aan het Europees Parlement en aan de Raad. Dit verslag is, indien nodig, vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

Artikel 3

Definities

1.   In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)   „elektrische en elektronische apparatuur” of „EEA”: apparaten die afhankelijk zijn van elektrische stromen of elektromagnetische velden om naar behoren te werken en apparaten voor het opwekken, overbrengen en meten van die stromen en velden en die bedoeld zijn voor gebruik met een spanning van maximaal 1 000 volt bij wisselstroom en 1 500 volt bij gelijkstroom;

b)   „grote, niet-verplaatsbare industriële installaties”: groot geheel van machines, apparatuur en/of onderdelen die samen werken voor een bepaalde toepassing, op een vaste plaats door vakmensen worden geïnstalleerd of afgebroken en door vakmensen worden gebruikt en onderhouden in een industriële productieomgeving of een centrum voor onderzoek en ontwikkeling;

c)   „grote, vaste installatie”: een grootschalig samenstel van diverse typen apparaten en eventueel andere hulpmiddelen die:

d)   „niet voor de weg bestemde mobiele machine”: een machine met een interne krachtbron, waarvan de werking ofwel mobiliteit vereist, ofwel permanente of semipermanente beweging tussen een reeks vaste werklocaties tijdens het werk;

e)   „afgedankte elektrische en elektronische apparatuur” of „AEEA”: elektrische of elektronische apparaten die afvalstoffen zijn in de zin van artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2008/98/EG, daaronder begrepen alle onderdelen, subeenheden en verbruiksmaterialen die deel uitmaken van het product op het moment dat het wordt afgedankt;

f)   „producent”: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die ongeacht de verkooptechniek, met inbegrip van communicatie op afstand in de zin van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten (19):

Diegene die uitsluitend voorziet in financiering op grond van of in het kader van een financieringsovereenkomst wordt niet als „producent” aangemerkt, tenzij hij tevens optreedt als producent in de zin van het bepaalde onder de punten i) tot en met iv);

g)   „distributeur”: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die deel uitmaakt van de toeleveringsketen en EEA aanbiedt op de markt. Deze definitie neemt niet weg dat een distributeur ook tezelfdertijd een producent in de zin van punt f) kan zijn;

h)   „AEEA van particuliere huishoudens”: AEEA die afkomstig is van particuliere huishoudens en AEEA die afkomstig is van commerciële, industriële, institutionele en andere bronnen en die naar aard en hoeveelheid met die van particuliere huishoudens vergelijkbaar is. Afval van EEA die waarschijnlijk zowel door particuliere huishoudens als door andere gebruikers dan particuliere huishoudens wordt gebruikt, wordt in elk geval als AEEA van particuliere huishoudens aangemerkt;

i)   „financieringsovereenkomst”: een lening-, lease-, huur- of afbetalingsovereenkomst of een regeling met betrekking tot enige apparatuur, ongeacht of volgens die overeenkomst of regeling, dan wel volgens een bijkomende overeenkomst of regeling, eigendomsoverdracht van het apparaat zal of kan plaatsvinden;

j)   „op de markt aanbieden”: het in het kader van een commerciële activiteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een product met het oog op distributie, consumptie of gebruik op de markt van een lidstaat;

k)   „in de handel brengen”: het voor het eerst beroepsmatig op de markt aanbieden van een product op het grondgebied van een lidstaat;

l)   „afzondering”: manuele, mechanische, chemische of metallurgische behandeling die ervoor zorgt dat gevaarlijke stoffen, mengsels en onderdelen tijdens het verwerkingsproces in een identificeerbare stroom of als identificeerbaar deel van een stroom zijn afgescheiden. Stoffen, mengsels of onderdelen zijn identificeerbaar als zij kunnen worden gemonitord om te verifiëren of zij worden verwerkt op een wijze die veilig is voor het milieu;

m)   „medisch hulpmiddel”: een medisch hulpmiddel of hulpstuk in de zin van artikel 1, lid 2, onder a) of b), van Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen (20), dat EEA is;

n)   „medisch hulpmiddel voor in-vitrodiagnostiek”: een hulpmiddel of hulpstuk voor in-vitrodiagnostiek in de zin van artikel 1, lid 2, onder b) of c), van Richtlijn 98/79/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 1998 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek (21), dat EEA is;

o)   „actief implanteerbaar medisch hulpmiddel”: actief implanteerbaar medisch hulpmiddel in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van Richtlijn 90/385/EEG van de Raad van 20 juni 1990 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake actieve implanteerbare medische hulpmiddelen (22), dat EEA is.

2.   Voorts zijn de bij artikel 3 van Richtlijn 2008/98/EG vastgestelde definities van „gevaarlijke afvalstof”, „inzameling”, „gescheiden inzameling”, „preventie”, „hergebruik”, „verwerking”, „nuttige toepassing”, „voorbereiding voor hergebruik”, „recycling” en „verwijdering” van toepassing.

Artikel 4

Productontwerp

De lidstaten stimuleren, onverminderd de voorschriften van de Uniewetgeving inzake het goed functioneren van de interne markt en inzake productontwerp, met inbegrip van Richtlijn 2009/125/EG, samenwerking tussen producenten en recycleerders, en maatregelen ter bevordering van ontwerp en productie van EEA, met name met oog voor het vergemakkelijken van het hergebruik, de ontmanteling en de nuttige toepassing van AEEA en de onderdelen en materialen daarvan. In deze context nemen de lidstaten passende maatregelen opdat de eisen inzake ecologisch ontwerp die gericht zijn op het vergemakkelijken van het hergebruik en de verwerking van AEEA, vastgesteld in het kader van Richtlijn 2009/125/EG, worden toegepast en zodat specifieke ontwerpelementen of productieprocessen van de producenten het hergebruik van AEEA niet in de weg staan, tenzij de voordelen van deze elementen of processen zwaarder wegen, bij voorbeeld in verband met milieubescherming en/of veiligheidseisen.

Artikel 5

Gescheiden inzameling

1.   De lidstaten nemen passende maatregelen om de verwijdering van AEEA in de vorm van ongesorteerd stedelijk afval tot een minimum te beperken, een correcte verwerking van alle ingezamelde AEEA te waarborgen en een hoog niveau van gescheiden inzameling van AEEA te bereiken, met name, en bij voorrang, voor warmte- of koude-uitwisselende apparatuur die ozonafbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen bevatten, kwikhoudende fluorescentielampen, fotovoltaïsche panelen en kleine apparatuur als omschreven in categorie 5 en 6 van bijlage III.

2.   Wat AEEA van particuliere huishoudens betreft, dragen de lidstaten er zorg voor dat:

a)

systemen worden ingevoerd waardoor de laatste houders en de distributeurs dergelijke afvalstoffen ten minste zonder kosten kunnen inleveren. De lidstaten dragen zorg voor de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de noodzakelijke inzamelingsinrichtingen, met name rekening houdend met de bevolkingsdichtheid;

b)

de distributeurs er de verantwoordelijkheid voor dragen dat bij de levering van een nieuw product een gelijke hoeveelheid van zulk afval, ten minste zonder kosten, bij de distributeur kan worden ingeleverd, met dien verstande dat de apparatuur van een gelijkwaardig type is en dezelfde functies had als de geleverde apparatuur. De lidstaten kunnen van deze bepaling afwijken, mits zij ervoor zorgen dat zulks de inlevering van AEEA niet bemoeilijkt voor de laatste houder en dat het kosteloos blijft voor de laatste houder. De lidstaten die van deze afwijking gebruikmaken, stellen de Commissie daarvan in kennis;

c)

in detailhandelszaken met een verkoopoppervlak voor EEA van ten minste 400 m2, of in de onmiddellijke nabijheid daarvan, de distributeurs zorgen voor de inzameling, die gratis is voor eindgebruikers, van heel kleine AEEA (zonder buitenafmetingen van meer dan 25 cm), zonder de verplichting EEA van een vergelijkbaar type te kopen, tenzij een onderzoek uitwijst dat alternatieve bestaande inzamelingsregelingen waarschijnlijk minstens even doeltreffend zijn. Dergelijke onderzoeken zijn voor het publiek beschikbaar. Ingezamelde AEEA wordt op gepast verwerkt in overeenstemming met artikel 8;

d)

het de producenten toegestaan is, onverminderd a), b) en c), individuele en/of collectieve terugnamesystemen voor AEEA uit particuliere huishoudens in te voeren en te exploiteren, mits de systemen overeenkomen met de doelstellingen van deze richtlijn;

e)

gelet op de nationale veiligheids- en gezondheidsvoorschriften en deze van de Unie kan AEEA die is verontreinigd en daardoor een risico oplevert voor de gezondheid en de veiligheid van het personeel, bij inlevering als bedoeld onder a), b) en c) worden geweigerd. De lidstaten stellen voor deze AEEA specifieke regelingen vast.

De lidstaten kunnen specifieke regelingen vaststellen voor de inlevering uit hoofde van a), b) en c) van AEEA, in gevallen waarin essentiële onderdelen ontbreken of indien de apparatuur afvalstoffen bevat, die niet als AEEA kunnen worden aangemerkt.

3.   De lidstaten kunnen de marktdeelnemers aanwijzen aan wie het toegestaan is AEEA van particuliere huishoudens in te zamelen als bedoeld in lid 2.

4.   De lidstaten kunnen vereisen dat de AEEA die wordt ingeleverd bij de in de leden 2 en 3 bedoelde inzamelingsinrichtingen, wordt afgegeven bij de producenten of derden die in hun naam handelen dan wel, met het oog op de voorbereiding voor hergebruik, bij aangewezen inrichtingen of bedrijven.

5.   Wat AEEA van andere dan particuliere huishoudens betreft en onverminderd artikel 13 dragen de lidstaten er zorg voor dat de producenten of derden die in hun naam handelen dergelijk afval inzamelen.

Artikel 6

Verwijdering en vervoer van ingezamelde AEEA

1.   De lidstaten verbieden de verwijdering van gescheiden ingezamelde AEEA die de in artikel 8 bedoelde verwerking nog niet heeft ondergaan.

2.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de inzameling en het vervoer van gescheiden ingezamelde AEEA op zodanige wijze plaatsvinden dat de voorbereiding voor hergebruik, de recycling en de inperking van gevaarlijke stoffen optimaal kunnen verlopen.

Met het oog op een maximale voorbereiding voor hergebruik bevorderen de lidstaten dat, voorafgaand aan elke verdere overbrenging, de inzamelingssystemen of -faciliteiten, waar dit passend is, in de inzamelpunten voorzien in de scheiding van AEEA die moet worden voorbereid voor hergebruik van ander gescheiden ingezamelde AEEA, met name door personeel van hergebruikcentra toegang te verlenen.

Artikel 7

Inzamelingspercentage

1.   Onverminderd artikel 5, lid 1, ziet elke lidstaat toe op de tenuitvoerlegging van het beginsel van producentenverantwoordelijkheid en, op basis daarvan, dat een jaarlijks een minimum-inzamelingspercentage wordt bereikt. Vanaf 2016 bedraagt het minimum-inzamelingspercentage 45 %, berekend op basis van het totale gewicht van de AEEA die in de loop van een gegeven jaar overeenkomstig de artikelen 5 en 6 in de betreffende lidstaat is ingezameld, uitgedrukt als percentage van de gemiddelde gewichtshoeveelheid EEA die de voorgaande drie jaren in die lidstaat in de handel is gebracht. De lidstaten zien erop toe dat het volume van de ingezamelde AEEA tijdens de periode vanaf 2016 tot 2019 geleidelijk toeneemt, tenzij het inzamelingspercentage dat is vastgelegd in de tweede alinea, reeds is bereikt.

Vanaf 2019 bedraagt het jaarlijks te halen minimum-inzamelingspercentage 65 % van de gemiddelde gewichtshoeveelheid EEA die de voorgaande drie jaren in de betreffende lidstaat in de handel is gebracht, of als alternatief 85 % van de hoeveelheid in die lidstaat geproduceerde AEEA die op het grondgebied van die lidstaat is geproduceerd.

Tot 31 december 2015 blijft er een inzamelingsniveau voor gescheiden inzameling gelden van gemiddeld ten minste vier kilogram AEEA van particuliere huishoudens per inwoner per jaar of dezelfde hoeveelheid in gewicht aan AEEA als in die lidstaat gemiddeld in de voorgaande drie jaar is ingezameld, indien het laatstgenoemde gewicht groter is.

De lidstaten mogen ambitieuzere percentages voor de gescheiden inzameling van AEEA vastleggen en melden dat in voorkomend geval aan de Commissie.

2.   Teneinde vast te stellen of het minimum-inzamelingspercentage is bereikt, zorgen de lidstaten ervoor dat informatie over de AEEA die gescheiden is ingezameld overeenkomstig artikel 5, kosteloos aan de lidstaten wordt toegezonden, waarbij op zijn minst informatie wordt verstrekt over AEEA die:

a)

is ontvangen door inzamelings- en verwerkingsinrichtingen,

b)

is ontvangen door distributeurs,

c)

door producenten of derden die in hun naam handelen, gescheiden is ingezameld.

3.   Bij wijze van afwijking van lid 1 kunnen Bulgarije, Tsjechië, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije wegens hun tekort aan noodzakelijke infrastructuur en hun lage niveau van EEA-verbruik, ertoe besluiten:

a)

vanaf 14 augustus 2016 een inzamelingspercentage te halen van AEEA te bereiken van minder dan 45 %, maar hoger dan 40 %, van de gemiddelde gewichtshoeveelheid EEA die de voorgaande drie jaren in de handel is gebracht, en

b)

tegelijkertijd het bereiken van het in de tweede alinea van lid 1 vermelde inzamelingspercentage uit te stellen tot een zelf te bepalen datum die niet later valt dan 14 augustus 2021.

4.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter instelling van de nodige overgangsaanpassingen om problemen aan te pakken waar lidstaten mee te maken krijgen bij de naleving van de in lid 1 vastgestelde vereisten.

5.   Ter waarborging van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van dit artikel stelt de Commissie uiterlijk 14 augustus 2015 uitvoeringshandelingen vast waarin een gemeenschappelijke methodiek wordt vastgelegd voor de berekening van het gewicht van de in een lidstaat in de nationale handel gebrachte EEA, alsmede een gemeenschappelijke methodiek voor de berekening van de hoeveelheid geproduceerde AEEA in gewicht in elke lidstaat. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure van artikel 21, lid 2.

6.   Uiterlijk 14 augustus 2015 presenteert de Commissie een verslag aan het Europees Parlement en de Raad over de herbeoordeling van de termijnen met betrekking tot de in lid 1 vermelde inzamelingspercentages en over de eventuele vaststelling van afzonderlijke inzamelingspercentages voor één of meer van de in bijlage III vermelde categorieën van soorten van EEA, met name voor warmte- of koude-uitwisselende apparatuur, fotovoltaïsche panelen, kleine apparatuur, kleine IT- en telecommunicatieapparatuur en kwikhoudende lampen. Indien nodig gaat het verslag vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

7.   Indien de Commissie op basis van een effectenstudie van mening is dat het inzamelingspercentage op basis van geproduceerde AEEA herzien moet worden, dient zij bij het Europees Parlement en de Raad een wetgevingsvoorstel in.

Artikel 8

Passende verwerking

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat alle gescheiden ingezamelde AEEA passend wordt verwerkt.

2.   Passende verwerking, anders dan de voorbereiding voor hergebruik, en handelingen in verband met nuttige toepassing en recycling, omvat ten minste de afzondering van alle vloeistoffen en een selectieve behandeling overeenkomstig bijlage VII.

3.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de producenten of in hun naam handelende derden systemen invoeren voor de nuttige toepassing van AEEA met gebruikmaking van de beste beschikbare technieken. De producenten kunnen deze systemen individueel of collectief invoeren. De lidstaten dragen er zorg voor dat inrichtingen of bedrijven waar inzamelings- of verwerkingshandelingen worden verricht, de AEEA opslaan en verwerken volgens de technische voorschriften van bijlage VIII.

4.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarbij bijlage VII gewijzigd wordt om andere verwerkingstechnieken die ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor de menselijke gezondheid en het milieu bieden, in te voeren.

De Commissie beoordeelt met voorrang of de formuleringen van de punten betreffende printplaten van mobiele telefoons en lcd-schermen moeten worden gewijzigd. De Commissie wordt verzocht te beoordelen of bijlage VII moet worden gewijzigd ten aanzien van nanomaterialen die zich in EEA bevinden.

5.   Voor milieubeschermingsdoeleinden kunnen de lidstaten minimum-kwaliteitsnormen voor de verwerking van ingezamelde AEEA invoeren.

De lidstaten die voor deze kwaliteitsnormen kiezen, brengen deze ter kennis van de Commissie, die deze normen bekendmaakt.

Uiterlijk op 14 februari 2013 verzoekt de Commissie de Europese normalisatie-instellingen Europese normen te ontwikkelen voor de verwerking, met inbegrip van nuttige toepassing, recycling en voorbereiding voor hergebruik, van AEEA. Die normen weerspiegelen de stand van de techniek.

Ter waarborging van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van dit artikel, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen waarin minimum-kwaliteitsnormen worden vastgelegd, op basis van met name de normen die zijn ontwikkeld door de Europese normalisatie-instellingen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure van artikel 21, lid 2.

Er wordt een verwijzing gepubliceerd naar de door de Commissie vastgestelde normen.

6.   De lidstaten moedigen inrichtingen of bedrijven waar verwerkingshandelingen worden verricht aan, gecertificeerde milieubeheerssystemen in te voeren in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) (23).

Artikel 9

Vergunningen

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat inrichtingen of bedrijven waar verwerkingshandelingen worden verricht, in het bezit zijn van een vergunning van de bevoegde instantie overeenkomstig artikel 23 van Richtlijn 2008/98/EG.

2.   De vrijstelling van de vergunningsvereisten, de voorwaarden voor vrijstelling en de registratie verlopen met inachtneming van respectievelijk artikel 24, 25 en 26 van Richtlijn 2008/98/EG.

3.   De lidstaten dragen er zorg voor dat aan de in de leden 1 en 2 bedoelde vergunning of registratie alle voorwaarden zijn verbonden die nodig zijn om aan de voorschriften van artikel 8, leden 2, 3 en 5, te voldoen en de streefcijfers voor nuttige toepassing van artikel 11 te bereiken.

Artikel 10

Overbrenging van AEEA

1.   De verwerkingshandelingen mogen ook buiten de betrokken lidstaat of de Unie plaatsvinden, mits de overbrenging van de AEEA in overeenstemming is met Verordening (EG) nr. 1013/2006 en Verordening (EG) nr. 1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde in bijlage III of III A bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad genoemde afvalstoffen naar bepaalde landen waarop het OESO-besluit betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is (24).

2.   AEEA die buiten de Unie is uitgevoerd wordt, bij de narekening of de in artikel 11 van deze richtlijn bedoelde verplichtingen en streefcijfers bereikt zijn, slechts meegeteld indien de uitvoerder in overeenstemming met Verordeningen (EG) nr. 1013/2006 en (EG) nr. 1418/2007 kan aantonen dat de verwerking gebeurde in omstandigheden die gelijkwaardig zijn aan de voorschriften van deze richtlijn.

3.   De Commissie stelt uiterlijk op 14 februari 2014 overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast, waarbij gedetailleerde regels ter aanvulling van die van lid 2 van dit artikel worden vastgesteld, in het bijzonder criteria om te beoordelen of de omstandigheden stroken met de voorschriften van deze richtlijn.

Artikel 11

Streefcijfers inzake nuttige toepassing

1.   Wat alle AEEA betreft die gescheiden is ingezameld overeenkomstig artikel 5 en die wordt overgebracht voor verwerking overeenkomstig de artikelen 8, 9 en 10, dragen de lidstaten er zorg voor dat de producenten de in bijlage V vermelde minimale streefcijfers bereiken.

2.   Of de streefcijfers werden behaald, wordt voor elke categorie berekend door het gewicht van de AEEA dat de inrichting voor nuttige toepassing of voor recycling/voorbereiding voor hergebruik binnenkomt, na passende verwerking overeenkomstig artikel 8, lid 2, wat nuttige toepassing of recycling betreft, te delen door het gewicht van alle gescheiden ingezamelde AEEA voor elke categorie, uitgedrukt als percentage.

Voorbereidende activiteiten, waaronder sorteren en opslag voorafgaand aan nuttige toepassing, tellen niet mee voor de verwezenlijking van deze streefcijfers.

3.   Ter waarborging van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van dit artikel, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen waarin aanvullende voorschriften inzake de methoden voor het berekenen van de minimale streefcijfers worden vastgelegd. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure van artikel 21, lid 2.

4.   De lidstaten zien erop toe dat de producenten, of derden die in hun naam handelen, met het oog op de berekening van deze streefcijfers registers bijhouden van het gewicht aan AEEA en de onderdelen, materialen en stoffen ervan op het moment dat deze de inzamelingsinrichting verlaten (output), de verwerkingsinrichtingen binnenkomen (input) en verlaten (output) en op het moment dat deze de inrichting voor nuttige toepassing of recycling/voorbereiding voor hergebruik binnenkomen (input).

De lidstaten zien er tevens op toe dat, voor de toepassing van lid 6, registers worden bijgehouden van het gewicht aan producten en materialen op het moment dat deze de inrichting voor inzameling of recycling/voorbereiding voor hergebruik verlaten (output).

5.   De lidstaten moedigen de ontwikkeling van nieuwe technieken voor nuttige toepassing, recycling en verwerking aan.

6.   Op basis van een verslag van de Commissie, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel, herbezien het Europees Parlement en de Raad uiterlijk 14 augustus 2016 de in bijlage V, deel 3, vermelde streefcijfers inzake nuttige toepassing, bestuderen zij de mogelijkheid van de vaststelling van afzonderlijke streefcijfers voor AEEA die moet worden voorbereid voor hergebruik en herbezien zij de in lid 2 vermelde berekeningsmethode, teneinde te bestuderen of het haalbaar is de streefcijfers inzake nuttige toepassing te bepalen op grond van producten en materialen die voortkomen (output) uit de nuttige toepassing, recycling en voorbereiding voor hergebruik.

Artikel 12

Financiering met betrekking tot AEEA van particuliere huishoudens

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de producenten voorzien in ten minste de financiering van de inzameling, verwerking, nuttige toepassing en milieuhygiënisch verantwoorde verwijdering van AEEA van particuliere huishoudens, dat is afgegeven bij krachtens artikel 5, lid 2, gecreëerde inzamelingsinrichtingen.

2.   De lidstaten kunnen de producenten waar dat op zijn plaats is aanmoedigen om ook de kosten die samenhangen met het inzamelen van AEEA van particuliere huishoudens en het afgeven ervan bij inzamelingsinrichtingen te dragen.

3.   Wat producten betreft die na 13 augustus 2005 in de handel zijn gebracht, is elke producent verantwoordelijk voor de financiering van de in lid 1 bedoelde handelingen met het afval van zijn eigen producten. De producent kan voor de nakoming van deze verplichting kiezen tussen collectieve of individuele regelingen.

De lidstaten zorgen ervoor dat de producenten, wanneer zij een product in de handel brengen, een waarborg stellen waaruit blijkt dat het beheer van de AEEA zal worden gefinancierd, en dat zij hun producten duidelijk overeenkomstig artikel 15, lid 2, markeren. Deze waarborg verzekert de financiering van de in lid 1 bedoelde handelingen met betrekking tot dit product. Hij kan de vorm hebben van de deelname van de producent aan passende financiële regelingen voor de financiering van het beheer van AEEA, een recyclingverzekering, of een geblokkeerde bankrekening.

4.   De verantwoordelijkheid voor de financiering van de kosten voor het beheer van AEEA die is ontstaan uit apparatuur die op of vóór 13 augustus 2005 in de handel is gebracht („historische voorraad”) berust bij één of meer systemen waaraan alle producenten die op de markt aanwezig zijn op het tijdstip waarop de betrokken kosten ontstaan, naar evenredigheid bijdragen, bijvoorbeeld naar evenredigheid van hun marktaandeel voor de betrokken apparatuur.

5.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat passende regelingen of vergoedingsprocedures worden ontwikkeld voor de terugbetaling van bijdragen aan de producenten wanneer er EEA is overgebracht om buiten het grondgebied van de betrokken lidstaat in de handel te worden gebracht. Dergelijke regelingen of procedures kunnen worden ontwikkeld door producenten of derden die in hun naam handelen.

6.   De Commissie wordt verzocht om uiterlijk 14 augustus 2015 verslag uit te brengen inzake de mogelijkheid om criteria te ontwikkelen voor de internalisering van de werkelijke kosten aan het einde van de levensduur in de financiering van AEEA door producenten, en zo nodig een wetgevingsvoorstel in te dienen bij het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 13

Financiering met betrekking tot AEEA van andere gebruikers dan particuliere huishoudens

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat door de producenten wordt voorzien in de financiering van de kosten voor de inzameling, verwerking, nuttige toepassing en milieuhygiënisch verantwoorde verwijdering van de AEEA die afkomstig is van andere gebruikers dan particuliere huishoudens en na 13 augustus 2005 in de handel is gebracht.

Voor historische voorraad die wordt vervangen door nieuwe gelijkwaardige producten of door nieuwe producten met dezelfde functie, worden de kosten gedragen door de producenten van deze producten wanneer zij worden geleverd. De lidstaten kunnen als alternatief bepalen dat andere gebruikers dan particuliere huishoudens ook geheel of gedeeltelijk deze kosten dragen.

Voor andere historische voorraad worden de kosten gedragen door de andere gebruikers dan particuliere huishoudens.

2.   Producenten en andere gebruikers dan particuliere huishoudens kunnen onverminderd de bepalingen van deze richtlijn andere financieringsregelingen overeenkomen.

Artikel 14

Informatie voor de gebruikers

1.   De lidstaten kunnen bepalen dat de producenten bij de verkoop van nieuwe producten de kosten van milieuvriendelijke inzameling, verwerking en verwijdering ten aanzien van de kopers dienen aan te tonen. De aangegeven kosten liggen niet hoger dan de beste raming van de reële kosten.

2.   De lidstaten dragen er zorg voor dat gebruikers van EEA in particuliere huishoudens de nodige informatie krijgen over:

a)

het voorschrift dat AEEA niet als ongesorteerd stedelijk afval mag worden verwijderd, maar gescheiden moet worden ingezameld;

b)

de voor hen beschikbare inleverings- en inzamelingssystemen, waarbij zij de coördinatie bevorderen van informatie over de beschikbare inzamelpunten, ongeacht de producenten of andere marktdeelnemers die deze hebben opgezet;

c)

hun rol in de bevordering van hergebruik, recycling en andere nuttige toepassingen van AEEA;

d)

de mogelijke gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid van de aanwezigheid van gevaarlijke bestanddelen in EEA;

e)

de betekenis van het in bijlage IX weergegeven symbool.

3.   De lidstaten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de consumenten deelnemen aan de inzameling van AEEA alsook om hen ertoe aan te zetten het proces van hergebruik, verwerking en nuttige toepassing van AEEA te vergemakkelijken.

4.   Teneinde de samen met ongesorteerd stedelijk afval verwijderde AEEA tot een minimum te beperken en de gescheiden inzameling ervan te vergemakkelijken, dragen de lidstaten er zorg voor dat de producenten EEA die in de handel wordt gebracht, bij voorkeur overeenkomstig de Europese norm EN 50419 (25) duidelijk voorzien van het in bijlage IX weergegeven symbool. Bij wijze van uitzondering, wanneer dit wegens de afmetingen of de functie van het product nodig is, wordt het symbool afgedrukt op de verpakking, de gebruiksaanwijzing en het garantiebewijs van de EEA.

5.   De lidstaten kunnen voorschrijven dat de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde informatie ten dele of in haar geheel wordt verstrekt door de producenten en/of de distributeurs, bijvoorbeeld in de gebruiksaanwijzing of op het verkooppunt en door middel van bewustmakingscampagnes.

Artikel 15

Informatie voor de verwerkingsinstallaties

1.   Om de voorbereiding voor hergebruik en de correcte en milieuhygiënisch verantwoorde verwijdering van AEEA, inbegrepen onderhoud, hergebruik, verbetering en ombouw, te vergemakkelijken, treffen de lidstaten de noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat de producenten voor elk in de handel gebracht nieuw type EEA kosteloos informatie verstrekken over de voorbereiding voor hergebruik en de verwerking, en wel binnen het jaar nadat zij die voor de eerste keer in de Unie in de handel hebben gebracht. Voor zover de centra die de voorbereiding voor hergebruik verrichten en de verwerkings- en recyclinginrichtingen zulks nodig hebben om aan deze richtlijn te kunnen voldoen, bevat de informatie aanwijzingen over de verschillende onderdelen en materialen van de apparatuur, alsook over de plaatsen in de apparatuur waar zich gevaarlijke stoffen en mengsels bevinden. De informatie wordt door de producenten van EEA aan de centra die de voorbereiding voor hergebruik verrichten en de verwerkings- en recyclinginrichtingen verstrekt in de vorm van handboeken of via elektronische media (bv. cd-rom, onlinediensten).

2.   Met het oog op een onbetwistbare vaststelling van het tijdstip van het in de handel brengen, zien de lidstaten erop toe dat de EEA wordt voorzien van de expliciete vermelding dat het na 13 augustus 2005 in de handel is gebracht. Daarbij wordt bij voorkeur de Europese norm EN 50419 toegepast.

Artikel 16

Registratie, informatie en rapportage

1.   De lidstaten zetten overeenkomstig het bepaalde in lid 2 een register op van producenten, met inbegrip van producenten die EEA leveren door middel van verkoop op afstand. Dat register wordt gebruikt voor de controle op de naleving van de verplichtingen van deze richtlijn.

Producenten die EEA leveren door middel van verkoop op afstand zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, onder f), iv), worden geregistreerd in de lidstaat waaraan zij verkopen. Wanneer zulke producenten niet zijn geregistreerd in de lidstaat waaraan zij verkopen, worden zij geregistreerd via hun gevolmachtigden als bedoeld in artikel 17, lid 2.

2.   De lidstaten dragen er zorg voor dat:

a)

elke producent, of elke gevolmachtigde die is aangewezen uit hoofde van artikel 17, conform de voorschriften wordt geregistreerd en in zijn nationale register alle relevante informatie in samenhang met de activiteiten van die producent in die lidstaat online kan invoeren;

b)

elke producent, of elke gevolmachtigde die is aangewezen uit hoofde van artikel 17, bij registratie de in bijlage X, deel A, vermelde informatie verstrekt en zich ertoe verbindt die indien nodig te actualiseren;

c)

elke producent, of elke gevolmachtigde die is aangewezen uit hoofde van artikel 17, de in bijlage X, deel B, vermelde informatie verstrekt;

d)

nationale registers op hun website links aanbieden naar andere nationale registers om in alle lidstaten de registratie van producenten of van gevolmachtigden die zijn aangewezen uit hoofde van artikel 17, te vereenvoudigen.

3.   Ter waarborging van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van dit artikel, stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast waarin het registratie- en rapportageformaat, en de frequentie van rapportage aan het register worden vastgelegd. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de onderzoeksprocedure van artikel 21, lid 2.

4.   De lidstaten verzamelen op jaarlijkse basis gegevens, met inbegrip van onderbouwde ramingen, over de hoeveelheden en categorieën EEA die in de lidstaat in de handel werden gebracht, langs alle wegen werden ingezameld, voorbereid voor hergebruik, gerecycleerd en nuttig toegepast, alsmede over de hoeveelheden gescheiden ingezamelde AEEA die werden uitgevoerd, naar gewicht.

5.   De lidstaten zenden de Commissie om de drie jaar een verslag toe over de uitvoering van deze richtlijn en over de in lid 4 gespecificeerde informatie. Dit uitvoeringsverslag wordt geredigeerd aan de hand van de bij de Beschikkingen 2004/249/EG (26) en 2005/369/EG (27) van de Commissie vastgestelde vragenlijst. Het verslag wordt uiterlijk negen maanden na het einde van de periode van drie jaar waarop het betrekking heeft aan de Commissie voorgelegd.

Het eerste verslag bestrijkt de periode van 14 februari 2014 tot 31 december 2015.

De Commissie publiceert uiterlijk negen maanden na ontvangst van de verslagen van de lidstaten een verslag over de uitvoering van deze richtlijn.

Artikel 17

Gevolmachtigde

1.   Elke lidstaat ziet erop toe dat het een producent als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, onder f), i) tot en met iii), die in een andere lidstaat is gevestigd, bij wijze van uitzondering op artikel 3, lid 1, onder f), i) tot en met iii), toegestaan wordt een op zijn grondgebied gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon aan te wijzen als de gevolmachtigde die verantwoordelijk is voor het nakomen van de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen van die producent op dat grondgebied.

2.   Elke lidstaat ziet erop toe dat een producent als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, onder f), iv), die op zijn grondgebied is gevestigd en die EEA aan een andere lidstaat verkoopt, waar deze niet is gevestigd, een gevolmachtigde aanwijst in die lidstaat als de persoon die verantwoordelijk is voor het nakomen van de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen van die producent op het grondgebied van die lidstaat.

3.   Het aanwijzen van een gevolmachtigde geschiedt per schriftelijke volmacht.

Artikel 18

Administratieve samenwerking en uitwisseling van informatie

De lidstaten zorgen ervoor dat de voor de uitvoering van deze richtlijn bevoegde autoriteiten met elkaar samenwerken, met name om een adequate informatie-uitwisseling tot stand te brengen om ervoor te zorgen dat producenten aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen, en, waar passend, aan elkaar en aan de Commissie informatie verstrekken teneinde de juiste uitvoering van deze richtlijn te vergemakkelijken. De administratieve samenwerking en uitwisseling van informatie, in het bijzonder tussen nationale registers, geschieden onder meer met gebruikmaking van elektronische communicatiemiddelen.

De samenwerking omvat onder meer het verlenen van toegang tot de relevante documenten en informatie, waaronder de inspectieresultaten, onverminderd wettelijke bepalingen inzake gegevensbescherming die gelden in de lidstaat van de autoriteit waarmee om samenwerking wordt verzocht.

Artikel 19

Aanpassing aan de vooruitgang van wetenschap en techniek

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijzigingen die noodzakelijk zijn om artikel 16, lid 5, en de bijlagen IV, VII, VIII en IX aan te passen aan de vooruitgang van wetenschap en techniek. Wijziging van bijlage VII geschiedt met inachtneming van de vrijstellingen krachtens Richtlijn 2011/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 betreffende de beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (28).

Voordat de bijlagen worden gewijzigd, raadpleegt de Commissie onder andere de producenten van EEA, de recycleerders, de verwerkers alsmede de milieuorganisaties, werknemers- en consumentenverenigingen.

Artikel 20

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 7, lid 4, artikel 8, lid 4, artikel 10, lid 3, en artikel 19 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 13 augustus 2012. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag over de bevoegdheidsdelegatie op. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend verlengd met termijnen van dezelfde duur, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 7, lid 4, artikel 8, lid 4, artikel 10, lid 3, en artikel 19 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een later daarin genoemde datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdige kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 7, lid 4, artikel 8, lid 4, artikel 10, lid 3, en artikel 19 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking als het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of wanneer zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 21

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 39 van Richtlijn 2008/98/EG ingestelde comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 22

Sancties

De lidstaten stellen de regels vast voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze ten uitvoer worden gelegd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 14 februari 2014 in kennis van die bepalingen en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen ter zake mee.

Artikel 23

Inspecties en controles

1.   De lidstaten voeren passende inspecties en controles uit om na te gaan of deze richtlijn correct wordt uitgevoerd.

Deze inspecties hebben ten minste betrekking op:

a)

informatie die is gemeld in het kader van de registratie van producenten;

b)

de overbrenging, en in het bijzonder de uitvoer van AEEA naar bestemmingen buiten de Unie in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1013/2006 en Verordening (EG) nr. 1418/2007, en

c)

de handelingen die plaatsvinden in verwerkingsinstallaties overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG en bijlage VII bij deze richtlijn.

2.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de overbrenging van gebruikte EEA waarvan vermoed wordt dat het AEEA is, geschiedt overeenkomstig de minimumvoorschriften van bijlage VI en controleren de overbrenging dienovereenkomstig.

3.   De kosten van de passende analyses en inspecties, waaronder de opslagkosten, van gebruikte EEA waarvan vermoed wordt dat het AEEA is, kunnen in rekening worden gebracht aan de producenten, aan derden die in hun naam handelen, of aan andere personen die de overbrenging organiseren van gebruikte EEA waarvan vermoed wordt dat het AEEA is.

4.   Ter waarborging van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van dit artikel en van bijlage VI, en met name van punt 2 van bijlage VI, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen waarin aanvullende voorschriften inzake inspecties en controles worden bepaald. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure van artikel 21, lid 2.

Artikel 24

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 14 februari 2014 aan deze richtlijn te voldoen. Zij doen de Commissie onverwijld de tekst van die bepalingen toekomen.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar deze richtlijn. De regels voor die verwijzing en de formulering van die vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

3.   Mits het met deze richtlijn beoogde resultaat wordt bereikt, kunnen de lidstaten de bepalingen van artikel 8, lid 6, artikel 14, lid 2, en artikel 15 omzetten door middel van overeenkomsten tussen de bevoegde instanties en de betrokken bedrijfssectoren. Die overeenkomsten voldoen aan de volgende voorschriften:

a)

de overeenkomsten zijn afdwingbaar;

b)

de overeenkomsten bevatten doelstellingen en termijnen om die te bereiken;

c)

de overeenkomsten worden bekendgemaakt in het staatsblad of een voor het publiek even toegankelijk officieel stuk, en worden aan de Commissie toegezonden;

d)

de met een overeenkomst bereikte resultaten worden onder de in die overeenkomst opgenomen voorwaarden geregeld gecontroleerd, aan de bevoegde instanties en de Commissie gemeld en ter beschikking gesteld van het publiek;

e)

de bevoegde instanties dragen er zorg voor dat nagegaan wordt in hoeverre met de overeenkomsten vooruitgang geboekt wordt;

f)

ingeval een overeenkomst niet wordt nagekomen, moeten de lidstaten de betrokken bepalingen van deze richtlijn door middel van wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen uitvoeren.

Artikel 25

Intrekking

Richtlijn 2002/96/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage XI, deel A, genoemde richtlijnen, wordt met ingang van 15 februari 2014 ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de in bijlage XI, deel B, genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar deze richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage XII.

Artikel 26

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 27

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 4 juli 2012.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

A. D. MAVROYIANNIS


(1)  PB C 306 van 16.12.2009, blz. 39.

(2)  PB C 141 van 29.5.2010, blz. 55.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 3 februari 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 19 juli 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Standpunt van het Europees Parlement van 19 januari 2012 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 7 juni 2012.

(4)  PB L 37 van 13.2.2003, blz. 24.

(5)  PB C 138 van 17.5.1993, blz. 5.

(6)  PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3.

(7)  PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10.

(8)  PB L 37 van 13.2.2003, blz. 19.

(9)  PB L 266 van 26.9.2006, blz. 1.

(10)  PB L 286 van 31.10.2009, blz. 1.

(11)  PB L 161 van 14.6.2006, blz. 1.

(12)  PB L 190 van 12.7.2006, blz. 1.

(13)  PB L 24 van 29.1.2008, blz. 8.

(14)  PB L 118 van 27.4.2001, blz. 41.

(15)  PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56.

(16)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(17)  PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.

(18)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(19)  PB L 144 van 4.6.1997, blz. 19.

(20)  PB L 169 van 12.7.1993, blz. 1.

(21)  PB L 331 van 7.12.1998, blz. 1.

(22)  PB L 189 van 20.7.1990, blz. 17.

(23)  PB L 342 van 22.12.2009, blz. 1.

(24)  PB L 316 van 4.12.2007, blz. 6.

(25)  Door Cenelec aangenomen in maart 2006.

(26)  PB L 78 van 16.3.2004, blz. 56.

(27)  PB L 119 van 11.5.2005, blz. 13.

(28)  PB L 174 van 1.7.2011, blz. 88.


BIJLAGE I

Categorieën EEA waarop deze richtlijn van toepassing is tijdens de in artikel 2, lid 1, onder a), bepaalde overgangsperiode

1.

Grote huishoudelijke apparaten

2.

Kleine huishoudelijke apparaten

3.

IT- en telecommunicatieapparatuur

4.

Consumentenapparatuur en fotovoltaïsche panelen

5.

Verlichtingsapparatuur

6.

Elektrisch en elektronisch gereedschap (uitgezonderd grote, niet-verplaatsbare industriële installaties)

7.

Speelgoed, ontspannings- en sportapparatuur

8.

Medische hulpmiddelen (uitgezonderd alle geïmplanteerde en geïnfecteerde producten)

9.

Meet- en controle-instrumenten

10.

Automaten


BIJLAGE II

Indicatieve lijst van EEA die onder de categorieën van bijlage I valt

1.   GROTE HUISHOUDELIJKE APPARATEN

 

Grote koelapparaten

 

Koelkasten

 

Diepvriezers

 

Andere grote apparaten voor koeling, bewaring en opslag van voedsel

 

Wasmachines

 

Wasdrogers

 

Vaatwasmachines

 

Kooktoestellen

 

Elektrische fornuizen

 

Elektrische kookplaten

 

Magnetrons

 

Andere grote apparaten voor de bereiding en andere behandelingen van voedsel

 

Elektrische verwarmingsapparatuur

 

Elektrische radiatoren

 

Andere grote toestellen voor de verwarming van kamers, bedden en zitmeubelen

 

Elektrische ventilatoren

 

Airconditioners

 

Andere ventilatie-, afzuig- en airconditioningapparatuur

2.   KLEINE HUISHOUDELIJKE APPARATEN

 

Stofzuigers

 

Rolvegers

 

Andere schoonmaakapparaten

 

Apparaten voor het naaien, breien en weven en andere textielbewerkingen

 

Strijkijzers en andere apparaten voor het strijken en mangelen en andere verzorging van kleding

 

Broodroosters

 

Frituurpannen

 

Koffiemolens, koffiezetmachines en apparatuur voor het openen of luchtdicht sluiten van recipiënten of verpakkingen

 

Elektrische messen

 

Tondeuses, haardrogers, elektrische tandenborstels, scheerapparaten, massage- en andere lichaamsverzorgingsapparaten

 

Klokken, andere uurwerken en apparatuur voor het meten, aangeven of registreren van tijd

 

Weegschalen

3.   IT- EN TELECOMMUNICATIEAPPARATUUR

 

Gecentraliseerde gegevensverwerking:

 

Mainframes

 

Minicomputers

 

Afdrukeenheden

 

Persoonlijk computergebruik:

 

Personal computers (inclusief processor, muis, scherm en toetsenbord)

 

Laptops (inclusief processor, muis, scherm en toetsenbord)

 

Notebookcomputers

 

Notepadcomputers

 

Printers

 

Kopieerapparaten

 

Elektrische en elektronische typemachines

 

Zak- en bureaurekenmachines

en andere producten en apparatuur voor het elektronisch verzamelen, opslaan, verwerken, presenteren of communiceren van informatie

 

Gebruikerseindstations en -systemen

 

Faxapparaten

 

Telexapparaten

 

Telefoons

 

Munt- en kaarttelefoons

 

Draadloze telefoons

 

Cellulaire telefoons

 

Antwoordapparaten

en andere producten of apparatuur voor het overbrengen met telecommunicatie van geluid, beelden of andere informatie

4.   CONSUMENTENAPPARATUUR EN FOTOVOLTAÏSCHE PANELEN

 

Radiotoestellen

 

Televisietoestellen

 

Videocamera's

 

Videorecorders

 

Hifirecorders

 

Geluidsversterkers

 

Muziekinstrumenten

en andere producten of apparatuur voor het opnemen of weergeven van geluid of beelden, waaronder signalen of andere technieken voor de verspreiding van beeld en geluid dan telecommunicatie

 

Fotovoltaïsche panelen

5.   VERLICHTINGSAPPARATUUR

 

Armaturen voor fluorescentielampen, uitgezonderd armaturen in huishoudens

 

Fluorescentielampen (tl-buizen)

 

Compacte fluorescentielampen

 

Hogedrukgasontladingslampen, met inbegrip van hogedruknatriumlampen en metaalhalogenidelampen

 

Lagedruknatriumlampen

 

Andere verlichting of apparatuur voor het verspreiden of regelen van licht, uitgezonderd gloeilampen

6.   ELEKTRISCH EN ELEKTRONISCH GEREEDSCHAP (UITGEZONDERD GROTE, NIET-VERPLAATSBARE INDUSTRIËLE INSTALLATIES)

 

Boren

 

Zagen

 

Naaimachines

 

Apparatuur voor het draaien, frezen, schuren, slijpen, zagen, snijden, afsnijden, boren, maken van gaten, ponsen, vouwen, buigen of dergelijke bewerkingen van hout, metaal en ander materiaal

 

Gereedschap voor het klinken, spijkeren of schroeven, of het verwijderen van klinknagels, spijkers en schroeven, of dergelijk gebruik

 

Gereedschap voor het lassen, solderen of dergelijk gebruik

 

Apparatuur voor het verstuiven, verspreiden, dispergeren of op andere wijze behandelen van vloeistoffen of gassen

 

Gereedschap voor het maaien en andere tuinbezigheden

7.   SPEELGOED, ONTSPANNINGS- EN SPORTAPPARATUUR

 

Elektrische treinen en autoracebanen

 

Handconsoles voor videospellen

 

Videospellen

 

Fiets-, duik-, loop-, roeicomputers en dergelijke

 

Sportapparatuur met elektrische of elektronische onderdelen

 

Speelautomaten

8.   MEDISCHE HULPMIDDELEN (MET UITZONDERING VAN ALLE GEÏMPLANTEERDE EN GEÏNFECTEERDE PRODUCTEN)

 

Radiotherapeutische apparatuur

 

Cardiologische apparatuur

 

Dialyseapparatuur

 

Beademingstoestellen

 

Apparatuur voor nucleaire geneeskunde

 

Laboratoriumapparatuur voor in-vitrodiagnostiek

 

Analyseapparatuur

 

Diepvriezers

 

Apparatuur voor vruchtbaarheidstests

 

Andere apparaten voor het opsporen, voorkomen, volgen, behandelen en verlichten van ziekten, verwondingen of handicaps

9.   MEET- EN REGELAPPARATUUR

 

Rookmelders

 

Verwarmingsregelaars

 

Thermostaten

 

Meet-, weeg- en afstelapparaten voor huishouden of laboratorium

 

Andere meet- en regelapparatuur, voor industriële installaties (bv. in regelpanelen)

10.   AUTOMATEN

 

Automaten voor warme dranken

 

Automaten voor warme/koude flesjes/blikjes

 

Automaten voor vaste voedingsproducten

 

Geldautomaten

 

Alle automaten voor alle soorten producten


BIJLAGE III

CATEGORIEËN EEA WAAROP DEZE RICHTLIJN VAN TOEPASSING IS

1.

Warmte- of koude-uitwisselende apparatuur

2.

Schermen, monitors en apparatuur met schermen die een oppervlakte hebben van meer dan 100 cm2

3.

Lampen

4.

Grote apparatuur (met een buitenafmeting van meer dan 50 cm), waaronder, maar niet beperkt tot:

huishoudelijke apparaten; IT- en telecommunicatieapparatuur; consumentenapparatuur; lichtarmaturen; apparatuur voor het weergeven van geluid of beelden, muziekapparatuur; elektrisch en elektronisch gereedschap; speelgoed, ontspannings- en sportapparatuur; medische hulpmiddelen; meet- en controle-instrumenten; automaten; apparatuur voor het opwekken van elektrische stromen. Tot deze categorie behoren geen apparaten die onder de categorieën 1 tot en met 3 vallen.

5.

Kleine apparatuur (zonder buitenafmeting van meer dan 50 cm), waaronder, maar niet beperkt tot:

huishoudelijke apparaten; consumentenapparatuur; lichtarmaturen; apparatuur voor het weergeven van geluid of beelden, muziekapparatuur; elektrisch en elektronisch gereedschap; speelgoed, ontspannings- en sportapparatuur; medische hulpmiddelen; meet- en controle-instrumenten; automaten; apparatuur voor het opwekken van elektrische stromen. Tot deze categorie behoren geen apparaten die onder de categorieën 1 tot en met 3 en 6 vallen.

6.

Kleine IT- en telecommunicatieapparatuur (zonder buitenafmeting van meer dan 50 cm)


BIJLAGE IV

Niet-beperkende lijst van EEA die onder de in bijlage III genoemde categorieën valt

1.   Warmte- of koude-uitwisselende apparatuur

Koelkasten, diepvriezers, apparatuur voor de automatische aflevering van koude producten, klimaatregelingsapparatuur, ontvochtigingsapparaten, warmtepompen, oliehoudende radiatoren en andere warmte- of koude-uitwisselende apparatuur waarin andere vloeistoffen dan water worden gebruikt voor de warmte- of koude-uitwisseling.

2.   Schermen, monitors en apparatuur met schermen die een oppervlakte hebben van meer dan 100 cm2

Schermen, televisietoestellen, lcd-fotolijsten, monitors, laptops, notebooks.

3.   Lampen

Fluorescentielampen (tl-buizen), compacte fluorescentielampen, fluorescentielampen, hogedrukgasontladingslampen, met inbegrip van hogedruknatriumlampen en metaalhalogenidelampen, lagedruknatriumlampen, leds.

4.   Grote apparaten

Wasmachines, wasdrogers, vaatwasmachines, kooktoestellen, elektrische fornuizen, elektrische kookplaten, lichtarmaturen, apparatuur voor het weergeven van geluid of beelden, muziekapparatuur (uitgezonderd in kerken geplaatste pijporgels), apparaten voor breien en weven, grote mainframes, grote printers, kopieerapparaten, grote speelautomaten, grote medische hulpmiddelen, grote meet- en regelapparatuur, grote product- of geldautomaten, fotovoltaïsche panelen.

5.   Kleine apparaten

Stofzuigers, rolvegers, naaiapparatuur, lichtarmaturen, magnetrons, ventilatieapparatuur, strijkijzers, broodroosters, elektrische messen, waterkokers, klokken en andere uurwerken, elektrische scheerapparaten, weegschalen, haar- en lichaamsverzorgingsapparaten, rekenmachines, radiotoestellen, videocamera's, videorecorders, hifiapparatuur, muziekinstrumenten, apparatuur voor het weergeven van geluid of beelden, elektrisch en elektronisch speelgoed, sportapparatuur, fiets-, duik-, loop-, roeicomputers en dergelijke, rookmelders, verwarmingsregelaars, thermostaten, klein elektrisch en elektronisch gereedschap, kleine medische hulpmiddelen, kleine meet- en regelapparatuur, kleine productautomaten, kleine apparaten met geïntegreerde fotovoltaïsche panelen.

6.   Kleine IT- en telecommunicatieapparatuur (zonder buitenafmeting van meer dan 50 cm)

Mobiele telefoons, gps, zakrekenmachines, routers, personal computers, printers, telefoons.


BIJLAGE V

MINIMALE STREEFCIJFERS INZAKE NUTTIGE TOEPASSING, ALS VERMELD IN ARTIKEL 11

Deel 1:   Minimale streefcijfers van toepassing per categorie vanaf 13 augustus 2012 tot 14 augustus 2015 met betrekking tot de in bijlage I vermelde categorieën:

a)

van AEEA die onder categorie 1 of 10 van bijlage I valt,

wordt 80 % nuttig toegepast, en

wordt 75 % gerecycleerd;

b)

van AEEA die onder categorie 3 of 4 van bijlage I valt,

wordt 75 % nuttig toegepast, en

wordt 65 % gerecycleerd;

c)

van AEEA die onder categorie 2, 5, 6, 7, 8 of 9 van bijlage I valt,

wordt 70 % nuttig toegepast, en

wordt 50 % gerecycleerd;

d)

van gasontladingslampen wordt 80 % gerecycleerd.

Deel 2:   Minimale streefcijfers van toepassing per categorie vanaf 15 augustus 2015 tot 14 augustus 2018 met betrekking tot de in bijlage I vermelde categorieën:

a)

van AEEA die onder categorie 1 of 10 van bijlage I valt,

wordt 85 % nuttig toegepast, en

wordt 80 % voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;

b)

van AEEA die onder categorie 3 of 4 van bijlage I valt,

wordt 80 % nuttig toegepast, en

wordt 70 % voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;

c)

van AEEA die onder categorie 2, 5, 6, 7, 8 of 9 van bijlage I valt,

wordt 75 % nuttig toegepast, en

wordt 55 % voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;

d)

van gasontladingslampen wordt 80 % gerecycleerd.

Deel 3:   Minimale streefcijfers van toepassing per categorie vanaf 15 augustus 2018 met betrekking tot de in bijlage III vermelde categorieën:

a)

van AEEA die onder categorie 1 of 4 van bijlage III valt

wordt 85 % nuttig toegepast, en

wordt 80 % voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;

b)

van AEEA die onder categorie 2 van bijlage III valt

wordt 80 % nuttig toegepast, en

wordt 70 % voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;

c)

van AEEA die onder categorie 5 of 6 van bijlage III valt

wordt 75 % nuttig toegepast, en

wordt 55 % voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;

d)

van AEEA die onder categorie 3 van bijlage III valt, wordt 80 % gerecycleerd.


BIJLAGE VI

MINIMUMVOORSCHRIFTEN VOOR DE OVERBRENGING

1.

Om het onderscheid te maken tussen EEA en AEEA, in gevallen waarin de houder van het voorwerp beweert dat hij gebruikte EEA overbrengt of voornemens is over te brengen die géén AEEA is, verlangen de lidstaten van de houder dat hij beschikt over de volgende bewijzen van de juistheid van deze bewering:

a)

een kopie van de factuur en het contract met betrekking tot de verkoop en/of de eigendomsoverdracht van de EEA, waarin wordt verklaard dat de apparatuur bestemd is voor onmiddellijk hergebruik en helemaal functioneel is;

b)

een bewijs van beoordeling of test, in de vorm van een kopie van de bescheiden (testcertificaat, keuringsbewijs), voor elk stuk dat deel uitmaakt van de zending, alsmede een protocol dat alle in punt 3 gespecificeerde etiketinformatie bevat;

c)

een verklaring van de houder die het vervoer van de EEA organiseert, dat de zending geen materiaal of apparatuur omvat die een afvalstof is in de zin van artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2008/98/EG, en

d)

passende bescherming tegen beschadiging tijdens het vervoer en het in- en uitladen, met name door voldoende verpakking en passende stapeling van de lading.

2.

Het bepaalde in punt 1, onder a) en b), en punt 3 is niet van toepassing wanneer dit wordt gedocumenteerd door afdoende bewijs dat de overbrenging plaatsvindt in het kader van een overdrachtovereenkomst tussen ondernemingen en dat:

a)

de EEA wordt teruggestuurd naar de producent of naar een derde die in diens naam handelt als defect voor reparatie onder garantie met het oog op hergebruik, of

b)

de gebruikte EEA voor professioneel gebruik wordt verzonden naar de producent of naar een derde die in diens naam handelt of naar faciliteiten van een derde in landen waar Besluit C(2001)107/def. van de OESO-Raad inzake de herziening van Besluit C(92)39/def. betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen bestemd voor handelingen ter nuttige toepassing van toepassing is, met als doel om te worden opgeknapt of gerepareerd, krachtens een geldig contract, met het oog op hergebruik, of

c)

de defecte gebruikte EEA voor professioneel gebruik, zoals medische hulpmiddelen of onderdelen daarvan naar de producent of naar een derde die in diens naam handelt wordt verzonden, voor analyse van de onderliggende oorzaak, krachtens een geldig contract, wanneer zo'n analyse alleen kan worden uitgevoerd door de producent of derden die in zijn naam handelen.

3.

Als bewijs dat de overgebrachte producten gebruikte EEA vormen en geen AEEA, schrijven de lidstaten voor dat met betrekking tot gebruikte EEA de volgende test- en documentatiestappen worden doorlopen:

 

Stap 1: Testen

a)

Er wordt gekeken of het apparaat functioneert en of het gevaarlijke stoffen bevat. Welke tests worden uitgevoerd, hangt af van de aard van de EEA. Voor de meeste gebruikte EEA volstaat een functionaliteitstest van de belangrijkste functies.

b)

De uitkomsten van de beoordeling en het testen worden geregistreerd.

 

Stap 2: Etiket

a)

Het etiket wordt stevig, maar niet onlosmakelijk bevestigd hetzij op de (onverpakte) EEA zelf, hetzij op de verpakking, op zodanige wijze dat het kan worden gelezen zonder dat de apparatuur moet worden uitgepakt.

b)

Het etiket bevat de volgende informatie:

benaming (benaming van het apparaat indien opgesomd in, al naar het geval, bijlage II of bijlage IV, en categorie opgenomen in, al naar het geval, bijlage I of bijlage III);

identificatienummer van het apparaat (typenummer), in voorkomend geval;

productiejaar (indien bekend);

naam en adres van het bedrijf dat heeft gecontroleerd of het apparaat goed functioneert;

resultaten van de tests als omschreven in stap 1 met inbegrip van de datum van de test van de functionele capaciteit;

aard van de uitgevoerde tests.

4.

Naast de in de punten 1, 2 en 3 vermelde documenten dient elke lading (bv. container, vrachtwagen) gebruikte EEA vergezeld te gaan van:

a)

een relevant vervoersdocument, bijvoorbeeld de CMR-vrachtbrief of de geleidebrief;

b)

een verklaring door de aansprakelijke persoon met betrekking tot zijn verantwoordelijkheid.

5.

Bij ontbreken van bewijs dat een voorwerp gebruikte EEA is en niet AEEA volgens de overeenkomstig de punten 1, 2, 3 en 4 vereiste documenten en van passende bescherming tegen beschadiging tijdens het vervoer en het in- en uitladen, met name door voldoende verpakking en passende stapeling van de lading, waarvoor de houder die het vervoer organiseert verantwoordelijk is, dienen de instanties van de lidstaten de betrokken apparaten als AEEA te beschouwen en ervan uit te gaan dat de lading het voorwerp is van illegale overbrenging. In deze omstandigheden wordt met de lading omgegaan overeenkomstig de artikelen 24 en 25 van Verordening (EG) nr. 1013/2006.


BIJLAGE VII

Selectieve behandeling van materialen en onderdelen van AEEA als bedoeld in artikel 8, lid 2

1.

Uit gescheiden ingezamelde AEEA moeten ten minste de volgende stoffen, mengsels en onderdelen worden afgezonderd:

polychloorbifenyl (pcb)-houdende condensatoren overeenkomstig Richtlijn 96/59/EG van de Raad van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (pcb's/PCT's) (1),

kwikhoudende onderdelen zoals schakelaars en lampen voor achtergrondverlichting,

batterijen,

printplaten van mobiele telefoons in het algemeen en van andere apparaten indien de oppervlakte van de printplaat meer dan 10 cm2 bedraagt,

tonercassettes met vloeibare of pasteuze toner, en kleurentoner,

kunststoffen die gebromeerde brandvertragers bevatten,

asbestafval en onderdelen die asbest bevatten,

beeldbuizen,

chloorfluorkoolwaterstoffen (cfk's en HCFK's) of fluorkoolwaterstoffen (HFK's), koolwaterstoffen (HC's),

gasontladingslampen,

lcd-schermen (in voorkomend geval met toebehoren) met een oppervlak van meer dan 100 cm2 en schermen met achtergrondverlichting met behulp van gasontladingslampen,

uitwendige elektrische kabels,

onderdelen die vuurvaste keramische vezels bevatten zoals beschreven in Richtlijn 97/69/EG van de Commissie van 5 december 1997 tot drieëntwintigste aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling. de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (2),

onderdelen die radioactieve stoffen bevatten, met uitzondering van onderdelen beneden de vrijstellingsdrempels, die vastgesteld zijn in artikel 3 van en bijlage I bij Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren (3),

elektrolytische condensatoren die tot bezorgdheid aanleiding gevende stoffen bevatten (hoogte > 25 mm, diameter > 25 mm, of met een naar verhouding vergelijkbaar volume).

Deze stoffen, mengsels en onderdelen dienen te worden verwijderd of nuttig te worden toegepast in overeenstemming met Richtlijn 2008/98/EG.

2.

De volgende onderdelen van gescheiden ingezamelde AEEA moeten als volgt worden behandeld:

beeldbuizen: de fluorescerende laag moet worden afgezonderd;

apparatuur die gassen bevat welke de ozonlaag aantasten of een aardopwarmingspotentieel hebben van meer dan 15 GWP, zoals in isolatieschuim en koelcircuits: deze gassen moeten adequaat worden verwijderd en behandeld. Gassen die de ozonlaag aantasten, worden behandeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1005/2009,

gasontladingslampen: het kwik wordt afgezonderd.

3.

De punten 1 en 2 worden, rekening houdend met milieuoverwegingen en de wenselijkheid van voorbereiding voor hergebruik en recycling, zodanig toegepast dat het op milieuverantwoorde wijze voorbereiden voor hergebruik en recycleren van onderdelen van complete apparaten niet bemoeilijkt wordt.


(1)  PB L 243 van 24.9.1996, blz. 31.

(2)  PB L 343 van 13.12.1997, blz. 19.

(3)  PB L 159 van 29.6.1996, blz. 1.


BIJLAGE VIII

TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 8, LID 3

1.

Locaties voor de opslag (ook tijdelijke opslag) van AEEA vóór verwerking (onverminderd de voorschriften van Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (1)):

ondoorlatende ondergrond van geschikte terreinen met opvangvoorzieningen voor lekolie en indien nodig bezinktanks en olie- en vuilafscheiders,

weerbestendige afdekking van geschikte terreinen.

2.

Locaties voor de verwerking van AEEA:

weegapparatuur om het gewicht van het verwerkte afval te bepalen,

ondoorlatende ondergrond en waterdichte afdekking van geschikte terreinen met opvangvoorzieningen voor lekolie en indien nodig bezinktanks en olie- en vuilafscheiders,

geschikte opslag voor gedemonteerde reserveonderdelen,

geschikte containers voor de opslag van batterijen, pcb/PCT-houdende condensatoren en ander gevaarlijk afval, zoals radioactief afval,

installaties voor de behandeling van water, overeenkomstig de gezondheids- en milieuvoorschriften.


(1)  PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1.


BIJLAGE IX

SYMBOOL ALS MERKTEKEN VOOR EEA

Het symbool voor gescheiden inzameling van EEA bestaat uit een doorgekruiste verrijdbare afvalbak zoals hieronder afgebeeld. Het symbool moet zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar worden aangebracht.

Image


BIJLAGE X

INFORMATIE VOOR DE REGISTRATIE EN DE RAPPORTAGE ALS BEDOELD IN ARTIKEL 16

A.   Informatie die bij registratie moet worden verstrekt:

1.

Naam en adres van de producent of van de gevolmachtigde die is aangewezen uit hoofde van artikel 17 (postcode en plaats, straatnaam en nummer, land, telefoon- en faxnummer, e-mail en een contactpersoon). In geval van een gevolmachtigde als gedefinieerd in artikel 17, tevens de contactgegevens van de producent die wordt vertegenwoordigd.

2.

Nationale identificatiecode van de producent, met inbegrip van het Europese of het nationale fiscale nummer van de producent.

3.

Categorie van de EEA opgenomen in bijlage I of III, al naar het geval.

4.

Soort EEA (huishoudelijke of niet-huishoudelijke apparatuur).

5.

Merknaam van de EEA.

6.

Informatie over de wijze waarop de producent zijn verantwoordelijkheden nakomt: individueel of via een collectieve regeling, met inbegrip van informatie over de financiële waarborg.

7.

Gebruikte verkooptechniek (bijvoorbeeld verkoop op afstand).

8.

Verklaring dat de verstrekte informatie in overeenstemming met de waarheid is.

B.   Informatie die voor de rapportage moet worden verstrekt:

1.

Nationale identificatiecode van de producent.

2.

Rapportageperiode.

3.

Categorie van de EEA opgenomen in bijlage I of III, al naar het geval.

4.

Hoeveelheid in een lidstaat in de nationale handel gebrachte EEA, per gewicht.

5.

Hoeveelheid afgedankte EEA, uitgedrukt in gewicht, die gescheiden is ingezameld, gerecycleerd (waaronder ter voorbereiding op hergebruik), nuttig toegepast en verwijderd is in de lidstaat, dan wel binnen of buiten de Unie is overgebracht.

Noot: De informatie bij de punten 4 en 5 dient te worden verstrekt per categorie.


BIJLAGE XI

DEEL A

Ingetrokken richtlijn met de opeenvolgende wijzigingen

(bedoeld in artikel 25)

Richtlijn 2002/96/EG betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA)

(PB L 37 van 13.2.2003, blz. 24)

Richtlijn 2003/108/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 345 van 31.12.2003, blz. 106)

Richtlijn 2008/34/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 81 van 20.3.2008, blz. 65)

DEEL B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht

(bedoeld in artikel 25)

Richtlijn

Omzettingstermijn

2002/96/EG

13 augustus 2004

2003/108/EG

13 augustus 2004

2008/34/EG


BIJLAGE XII

CONCORDANTIETABEL

Richtlijn 2002/96/EG

Deze richtlijn

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 3

Artikel 2, lid 3, onder a)

Artikel 2, lid 1 (gedeeltelijk)

Artikel 2, lid 3, onder b)

Bijlage IB, punt 5, laatste punt

Artikel 2, lid 3, onder c)

Bijlage IB, punt 8

Artikel 2, lid 4, onder g)

Artikel 2, lid 4, onder a) tot en met f), en artikel 2, lid 5

Artikel 3, onder a)

Artikel 3, lid 1, onder a)

Artikel 3, lid 1, onder b) tot en met d)

Artikel 3, onder b)

Artikel 3, lid 1, onder e)

Artikel 3, onder c) tot en met h)

Artikel 3, lid 2

Artikel 3, onder i)

Artikel 3, lid 1, onder f)

Artikel 3, onder j)

Artikel 3, lid 1, onder g)

Artikel 3, onder k)

Artikel 3, lid 1, onder h)

Artikel 3, onder l)

Artikel 3, onder m)

Artikel 3, lid 1, onder i)

Artikel 3, lid 1, onder j) tot en met o)

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 5, leden 1 en 2

Artikel 5, leden 1 en 2

Artikel 5, leden 3 en 4

Artikel 5, lid 3

Artikel 5, lid 5

Artikel 6, lid 1

Artikel 5, lid 4

Artikel 6, lid 2

Artikel 5, lid 5

Artikel 7, leden 1 en 2

Artikel 8, lid 1

Artikel 6, lid 1, eerste en tweede alinea, en lid 3

Artikel 8, leden 2, 3 en 4

Bijlage II, punt 4

Artikel 8, lid 4, tweede alinea, eerste zin

Artikel 6, lid 1, derde alinea

Artikel 8, lid 5

Artikel 6, lid 6

Artikel 8, lid 6

Artikel 6, lid 2

Artikel 9, leden 1 en 2

Artikel 6, lid 4

Artikel 9, lid 3

Artikel 6, lid 5

Artikel 10, leden 1 en 2

Artikel 10, lid 3

Artikel 7, lid 1

Artikel 7, lid 2

Artikel 11, lid 1 en bijlage V

Artikel 11, lid 2

Artikel 11, lid 3

Artikel 7, lid 3, eerste alinea

Artikel 11, lid 4

Artikel 7, lid 3, tweede alinea

Artikel 7, lid 4

Artikel 7, lid 5

Artikel 11, lid 5

Artikel 11, lid 6

Artikel 8, lid 1

Artikel 12, lid 1

Artikel 12, lid 2

Artikel 8, lid 2, eerste en tweede alinea

Artikel 12, lid 3

Artikel 8, lid 2, derde alinea

Artikel 14, lid 1 (gedeeltelijk)

Artikel 8, lid 3, eerste alinea

Artikel 12, lid 4

Artikel 12, lid 5

Artikel 8, lid 3, tweede alinea

Artikel 14, lid 1 (gedeeltelijk)

Artikel 8, lid 4

Artikel 9, lid 1, eerste alinea

Artikel 13, lid 1, eerste alinea

Artikel 9, lid 1, tweede alinea

Artikel 9, lid 1, derde alinea

Artikel 13, lid 1, tweede alinea

Artikel 9, lid 1, vierde alinea

Artikel 13, lid 1, derde alinea

Artikel 9, lid 2

Artikel 13, lid 2

Artikel 10, lid 1

Artikel 14, lid 2

Artikel 10, lid 2

Artikel 14, lid 3

Artikel 10, lid 3

Artikel 14, lid 4

Artikel 10, lid 4

Artikel 14, lid 5

Artikel 11

Artikel 15

Artikel 12, lid 1 (gedeeltelijk)

Artikel 16, leden 1 tot en met 3

Artikel 12, lid 1, eerste alinea (gedeeltelijk)

Artikel 16, lid 4

Artikel 12, lid 1, tweede alinea

Artikel 16, leden 1 en 2, en artikel 17, leden 2 en 3

Artikel 12, lid 1, derde alinea

Artikel 16, leden 3 en 5

Artikel 17, lid 1

Artikel 12, lid 1, vierde alinea

Artikel 18

Artikel 12, lid 2

Artikel 16, lid 5

Artikel 13

Artikel 19

Artikel 20

Artikel 14

Artikel 21

Artikel 15

Artikel 22

Artikel 16

Artikel 23, lid 1

Artikel 23, leden 2 tot en met 4

Artikel 17, leden 1 tot en met 3

Artikel 24, leden 1 tot en met 3

Artikel 17, lid 4

Artikel 7, lid 3

Artikel 17, lid 5

Artikel 7, leden 4 tot en met 7, artikel 11, lid 6, en artikel 12, lid 6

Artikel 25

Artikel 18

Artikel 26

Artikel 19

Artikel 27

Bijlage IA

Bijlage I

Bijlage IB

Bijlage II

Bijlagen III, IV en VI

Bijlagen II tot en met IV

Bijlagen VII tot en met IX

Bijlagen X en XI

Bijlage XII


Top