EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32012D0270

2012/270/EU: Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 16 mei 2012 betreffende noodmaatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Unie van Epitrix cucumeris (Harris), Epitrix similaris (Gentner), Epitrix subcrinita (Lec.) en Epitrix tuberis (Gentner) te voorkomen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 3137)

OJ L 132, 23.5.2012, p. 18–21 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 03 Volume 059 P. 247 - 250

In force: This act has been changed. Current consolidated version: 05/01/2018

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2012/270/oj

23.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 132/18


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 16 mei 2012

betreffende noodmaatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Unie van Epitrix cucumeris (Harris), Epitrix similaris (Gentner), Epitrix subcrinita (Lec.) en Epitrix tuberis (Gentner) te voorkomen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 3137)

(2012/270/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name artikel 16, lid 3, derde zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Uit een door de Commissie op basis van een ziekterisicoanalyse van de Plantenbeschermings-organisatie voor Europa en het gebied van de Middellandse Zee uitgevoerde beoordeling blijkt dat Epitrix cucumeris (Harris), Epitrix similaris (Gentner), Epitrix subcrinita (Lec.) en Epitrix tuberis (Gentner) schadelijke effecten bij gevoelige planten veroorzaken. Zij tasten met name knollen van Solanum tuberosum L., inclusief pootknollen, aan (hierna „aardappelknollen” genoemd), die in de gehele Unie worden geproduceerd. Die organismen zijn noch in bijlage I noch in bijlage II bij Richtlijn 2000/29/EG opgenomen.

(2)

Portugal heeft de Commissie ervan in kennis gesteld dat Epitrix cucumeris (Harris) en Epitrix similaris (Gentner) in die lidstaat voorkomen. Uit een door Spanje op 8 september 2010 ingediende kennisgeving blijkt dat in een regio van die lidstaat de eerste vondsten van Epitrix similaris (Gentner) zijn gedaan. Uit de beschikbare informatie blijkt ook dat Epitrix cucumeris (Harris) and Epitrix tuberis (Gentner) voorkomen in een derde land dat momenteel aardappelknollen naar de Unie uitvoert.

(3)

Er moeten maatregelen worden genomen betreffende het binnenbrengen in de Unie van aardappelknollen uit derde landen waarvan bekend is dat Epitrix cucumeris (Harris), Epitrix similaris (Gentner), Epitrix subcrinita (Lec.) of Epitrix tuberis (Gentner) er voorkomen. Er moeten ook maatregelen worden genomen betreffende het vervoer van aardappelknollen van oorsprong uit gebieden van de Unie waar de aanwezigheid van één of meer van die organismen is bevestigd.

(4)

Er moeten onderzoeken worden uitgevoerd naar de aanwezigheid van Epitrix cucumeris (Harris), Epitrix similaris (Gentner), Epitrix subcrinita (Lec.) en Epitrix tuberis (Gentner) op aardappelknollen en aardappelvelden in alle lidstaten en er moet kennisgeving worden gedaan van de resultaten daarvan. De lidstaten kunnen ook onderzoeken op andere planten uitvoeren.

(5)

De maatregelen houden in dat de lidstaten afgebakende gebieden instellen ingeval de aanwezigheid van Epitrix cucumeris (Harris), Epitrix similaris (Gentner), Epitrix subcrinita (Lec.) of Epitrix tuberis (Gentner) wordt bevestigd om de betrokken organismen uit te roeien of ten minste te bestrijden en om de aanwezigheid daarvan intensief te monitoren.

(6)

De lidstaten moeten zo nodig hun wetgeving aanpassen om aan dit besluit te voldoen.

(7)

Dit besluit moet uiterlijk op 30 september 2014 in werking treden om de nodige tijd voor de evaluatie van de doeltreffendheid daarvan te bieden.

(8)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Verbodsbepalingen betreffende Epitrix cucumeris (Harris), Epitrix similaris (Gentner), Epitrix subcrinita (Lec.) en Epitrix tuberis (Gentner)

Epitrix cucumeris (Harris), Epitrix similaris (Gentner), Epitrix subcrinita (Lec.) en Epitrix tuberis (Gentner), hierna de „nader omschreven organismen” genoemd, mogen niet in de Unie worden binnengebracht of verspreid.

Artikel 2

Binnenbrengen van aardappelknollen in de Unie

1.   Knollen van Solanum tuberosum L., inclusief pootknollen, hierna „aardappelknollen” genoemd, van oorsprong (2) uit derde landen waarvan bekend is dat één of meer van de nader omschreven organismen er voorkomen, mogen alleen in de Unie worden binnengebracht als zij voldoen aan de specifieke invoervoorschriften, vastgesteld in punt 1 van sectie 1 van bijlage I.

2.   Bij binnenkomst in de Unie worden de aardappelknollen door de verantwoordelijke officiële instantie geïnspecteerd overeenkomstig punt 5 van sectie 1 van bijlage I.

Artikel 3

Vervoer van de aardappelknollen binnen de Unie

Aardappelknollen van oorsprong uit afgebakende gebieden in de Unie, als vastgesteld overeenkomstig artikel 5, mogen alleen binnen de Unie worden vervoerd als zij voldoen aan de voorwaarden van punt 1 van sectie 2 van bijlage I.

Aardappelknollen die overeenkomstig artikel 2 in de Unie zijn binnengebracht uit derde landen waarvan bekend is dat de nader omschreven organismen er voorkomen, mogen alleen binnen de Unie worden vervoerd, als zij voldoen aan de voorwaarden van punt 3 van sectie 2 van bijlage I.

Artikel 4

Onderzoeken en kennisgevingen van de nader omschreven organismen

1.   De lidstaten voeren op hun grondgebied jaarlijkse officiële onderzoeken uit naar de aanwezigheid van de nader omschreven organismen op aardappelknollen en, indien van toepassing, op andere waardplanten, inclusief velden waar aardappelknollen groeien.

De lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten uiterlijk op 30 april van elk jaar in kennis van de resultaten van die onderzoeken.

2.   Van elke aanwezigheid of vermoedelijk voorkomen van een nader omschreven organisme wordt bij de verantwoordelijke officiële instanties onmiddellijk kennis-geving gedaan.

Artikel 5

Afgebakende gebieden en in dergelijke gebieden te nemen maatregelen

1.   Wanneer een lidstaat op basis van de resultaten van de in artikel 4, lid 1, bedoelde onderzoeken of ander bewijsmateriaal de aanwezigheid van een nader omschreven organisme op een deel van zijn grondgebied bevestigt, stelt die lidstaat onverwijld een afgebakend gebied in, bestaande uit een besmette zone en een bufferzone, als vastgesteld in sectie 1 van bijlage II.

De lidstaat neemt maatregelen, als vastgesteld in sectie 2 van bijlage II.

2.   Wanneer een lidstaat maatregelen neemt overeenkomstig lid 1, doet hij onmiddellijk kennisgeving van de lijst van afgebakende gebieden, informatie over de grenzen daarvan, waaronder kaarten met hun ligging, en een beschrijving van de maatregelen die in die afgebakende gebieden gelden.

Artikel 6

Naleving van dit besluit

De lidstaten nemen alle maatregelen om aan dit besluit te voldoen en wijzigen zo nodig de maatregelen die zij hebben genomen om zich te beschermen tegen het binnenbrengen en de verspreiding van de nader omschreven organismen op zodanige wijze dat die maatregelen aan dit besluit voldoen. Zij stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van die maatregelen.

Artikel 7

Toepassing

Dit besluit is van toepassing tot en met 30 september 2014.

Artikel 8

Addressaten

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 16 mei 2012.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)  PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1.

(2)  Glossary of Phytosanitary Terms — Reference Standard ISPM No 5 and Phytosanitary certificates — Reference Standard ISPM No 12 by the Secretariat of the International Plant Protection Convention, Rome.


BIJLAGE I

SECTIE 1

Specifieke voorschriften voor het binnenbrengen in de Unie

1.

Onverminderd de bepalingen van Richtlijn 2000/29/EG moeten aardappelknollen van oorsprong uit derde landen waarvan bekend is dat één of meer van de nader omschreven organismen er voorkomen, vergezeld gaan van een fytosanitair certificaat, als bedoeld in artikel 13, lid 1, onder ii), eerste alinea, van Richtlijn 2000/29/EG („het certificaat”), dat onder de rubriek „Aanvullende verklaring” de in de punten 2 en 3 vastgestelde informatie bevat.

2.

Het certificaat omvat hetzij de informatie onder a), hetzij de informatie onder b):

a)

de aardappelknollen zijn geteeld in een ziektevrij gebied, vastgesteld door de nationale plantenziektekundige dienst overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen;

b)

de aardappelknollen zijn gewassen of geschrobd zodat er niet meer dan 0,1 % grond aan vastzit, of zijn onderworpen aan een gelijkwaardige methode die specifiek is toegepast om hetzelfde resultaat te bereiken en de desbetreffende nader omschreven organismen te verwijderen en om ervoor te zorgen dat er geen risico van verspreiding van de nader omschreven organismen bestaat.

3.

Het certificaat:

a)

omvat de informatie dat de aardappelknollen bij een officieel onderzoek dat onmiddellijk vóór de uitvoer is uitgevoerd, vrij zijn bevonden van de desbetreffende nader omschreven organismen en van alle symptomen daarvan en niet meer dan 0,1 % grond bevatten;

b)

omvat de informatie dat het verpakkingsmateriaal waarin de aardappelknollen worden ingevoerd, schoon is.

4.

Wanneer de in punt 2, onder a), genoemde informatie wordt verstrekt, wordt de naam van het ziektevrije gebied vermeld onder de rubriek „Plaats van oorsprong”.

5.

In de Unie binnengebrachte aardappelknollen overeenkomstig de punten 1 tot en met 4 worden geïnspecteerd op de plaats van binnenkomst of de plaats van bestemming, vastgesteld overeenkomstig Richtlijn 2004/103/EG van de Commissie (1) om te bevestigen dat zij voldoen aan de voorschriften van de punten 1 tot en met 4.

SECTIE 2

Vervoersvoorwaarden

1.

Aardappelknollen van oorsprong uit afgebakende gebieden in de Unie mogen alleen uit dergelijke gebieden naar niet-afgebakende gebieden in de Unie worden vervoerd als zij vergezeld gaan van een plantenpaspoort dat is opgesteld en afgegeven overeenkomstig Richtlijn 92/105/EEG van de Commissie (2) en als zij aan de voorwaarden van punt 2 voldoen.

2.

De aardappelknollen moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

de aardappelknollen zijn geteeld in een geregistreerde productieplaats overeenkomstig Richtlijn 92/90/EEG van de Commissie (3) of door een geregistreerde producent overeenkomstig Richtlijn 93/50/EEG van de Commissie (4) of zijn vervoerd uit een overeenkomstig Richtlijn 93/50/EEG geregistreerde opslagplaats of verzendingscentrum;

b)

de aardappelknollen zijn gewassen of geschrobd zodat er niet meer dan 0,1 % grond aan vastzit, of zijn onderworpen aan een gelijkwaardige methode die specifiek is toegepast om hetzelfde resultaat te bereiken en de desbetreffende nader omschreven organismen te verwijderen en om ervoor te zorgen dat er geen risico van verspreiding van de nader omschreven organismen bestaat, en

c)

het verpakkingsmateriaal waarin de aardappelknollen worden vervoerd, is schoon.

3.

Aardappelknollen die overeenkomstig sectie 1 in de Unie zijn binnengebracht uit derde landen waarvan bekend is dat één of meer van de nader omschreven organismen er voorkomen, mogen alleen binnen de Unie worden vervoerd als zij vergezeld gaan van het in punt 1 bedoelde plantenpaspoort.


(1)  PB L 313 van 12.10.2004, blz. 16.

(2)  PB L 4 van 8.1.1993, blz. 22.

(3)  PB L 344 van 26.11.1992, blz. 38.

(4)  PB L 205 van 17.8.1993, blz. 22.


BIJLAGE II

AFGEBAKENDE GEBIEDEN EN MAATREGELEN, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 5

SECTIE 1

Instelling van afgebakende gebieden

1.

Afgebakende gebieden bestaan uit de volgende zones:

a)

een besmette zone die ten minste de velden omvat waar de aanwezigheid van een nader omschreven organisme is bevestigd, alsook de velden waar besmette aardappelknollen zijn geteeld, en

b)

een bufferzone met een breedte van ten minste 100 m buiten de rand van een besmette zone; wanneer een deel van een veld binnen die breedte ligt, maakt het gehele veld deel uit van de bufferzone.

2.

Ingeval verscheidende bufferzones elkaar overlappen of dicht bij elkaar liggen, wordt een afgebakend gebied ingesteld dat het gebied omvat dat door de desbetreffende afgebakende gebieden en de daartussen gelegen gebieden wordt bestreken.

3.

Bij de instelling van de besmette zone en de bufferzone moeten de lidstaten, op basis van deugdelijke wetenschappelijke beginselen, rekening houden met de volgende elementen: de biologie van de nader omschreven organismen, het besmettingsniveau, de plaatsen waar de waardplanten voorkomen, bewijsmateriaal over de aanwezigheid van de nader omschreven organismen en het vermogen van de nader omschreven organismen om zich op natuurlijke wijze te verspreiden.

4.

Indien de aanwezigheid van een nader omschreven organisme buiten de besmette zone wordt bevestigd, moeten de grenzen van de besmette zone en de bufferzone opnieuw worden bekeken en dienovereenkomstig worden gewijzigd.

5.

Wanneer het desbetreffende nader omschreven organisme bij de in artikel 4, lid 1, bedoelde onderzoeken gedurende een periode van twee jaar niet in een afgebakend gebied is ontdekt, moet de betrokken lidstaat bevestigen dat dat organisme niet langer in dat gebied voorkomt en dat het gebied niet langer afgebakend is. Hij stelt de Commissie en de andere lidstaten daarvan in kennis.

SECTIE 2

Maatregelen in afgebakende gebieden, als bedoeld in artikel 5, lid 1, tweede alinea

De door de lidstaten in de afgebakende gebieden genomen maatregelen omvatten ten minste:

1.

maatregelen voor de uitroeiing of bestrijding van de nader omschreven organismen, waaronder behandelingen en ontsmettingen, alsook een verbod op het planten van waardplanten, indien nodig;

2.

intensieve monitoring op de aanwezigheid van de nader omschreven organismen door passende inspecties;

3.

toezicht op het vervoer van aardappelknollen uit de afgebakende gebieden.


Top