Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32008E0858

Gemeenschappelijk Standpunt 2008/858/GBVB van de Raad van 10 november 2008 ter ondersteuning van het Verdrag inzake biologische en toxinewapens (BTWC) in het kader van de uitvoering van de EU-strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens

OJ L 302, 13.11.2008, p. 29–36 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

No longer in force, Date of end of validity: 13/11/2008

ELI: http://data.europa.eu/eli/joint_action/2008/858/oj

13.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 302/29


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT 2008/858/GBVB VAN DE RAAD

van 10 november 2008

ter ondersteuning van het Verdrag inzake biologische en toxinewapens (BTWC) in het kader van de uitvoering van de EU-strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, inzonderheid artikel 14,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 12 december 2003 heeft de Europese Raad de strategie van de Europese Unie ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens (hierna de „EU-strategie” genoemd) aangenomen, met in hoofdstuk III een lijst van maatregelen ter bestrijding van de verspreiding daarvan.

(2)

De Europese Unie (EU) geeft momenteel actief uitvoering aan de EU-strategie en aan de in hoofdstuk III daarvan genoemde maatregelen, met name die welke verband houden met het versterken, uitvoeren en universeel maken van het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie en de aanleg van voorraden van bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de vernietiging van deze wapens (hierna het „BTWC” genoemd).

(3)

In dit verband heeft Gemeenschappelijk Optreden 2006/184/GBVB van de Raad van 27 februari 2006 betreffende de ondersteuning van het BTWC in het kader van de strategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens (1) tot belangrijke resultaten geleid op het gebied van de universaliteit en nationale uitvoering, aangezien zeven nieuwe staten partij geworden zijn bij het BTWC en twee staten gebruik hebben gemaakt van de juridische bijstand van EU-deskundigen.

(4)

Ook worden de EU-acties, waaronder bijstands- en toenaderingsprojecten, nog steeds geleid door de prioriteiten en maatregelen in Gemeenschappelijk Optreden 2006/242/GBVB van de Raad van 20 maart 2006 betreffende de Conferentie ter toetsing van het Verdrag inzake biologische en toxinewapens (BTWC) (2), met name de steun voor het intersessionele proces, de nationale uitvoering, vertrouwenwekkende maatregelen (CBM’s) en universaliteit. Vooral de aspecten van dat gemeenschappelijk optreden waarover de staten die partij zijn bij het BTWC (hierna de „verdragsluitende staten” genoemd) consensus hebben bereikt en die in het slotdocument van de zesde toetsingsconferentie van het BTWC (hierna de „zesde toetsingsconferentie” genoemd) zijn vermeld, zijn van belang voor de initiatieven van de Europese Unie ter ondersteuning van het BTWC.

(5)

De Europese Unie moet de verdragsluitende staten ook helpen gebruik te maken van de expertise van de lidstaten inzake het vertrouwensbevorderende proces en de transparantie in het kader van het BTWC, met name via het Actieplan inzake biologische en toxinewapens, door de Raad goedgekeurd op 20 maart 2006, op basis waarvan de lidstaten op gezette tijden een CBM-verslag moeten indienen en bijgewerkte lijsten moeten opstellen van deskundigen en laboratoria die zijn aangewezen om assistentie te verlenen aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties in het kader van het onderzoekmechanisme naar het vermeende gebruik van chemische en biologische wapens,

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK OPTREDEN VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Met het oog op de onverwijlde praktische uitvoering van enkele onderdelen van de EU-strategie, en om de vooruitgang te consolideren die is bereikt in het universeel toepasselijk maken en de nationale uitvoering van het BTWC via Gemeenschappelijk Optreden 2006/184/GBVB, zal de Europese Unie het BTWC blijven steunen, met de volgende algemene doelstellingen:

het universele karakter van het BTWC bevorderen;

de verdragsluitende staten steunen bij de uitvoering van het BTWC;

de verdragsluitende staten aansporen om CBM-verslagen in te dienen;

steun verlenen aan het intersessionele proces van het BTWC.

2.   De door de Europese Unie te steunen projecten hebben de volgende specifieke doelstellingen:

a)

staten die nog geen partij zijn bij het BTWC de nodige middelen geven om op nationaal of subregionaal niveau bewustmakingsinitiatieven over het BTWC uit te voeren, door het verlenen van juridisch advies aangaande de ratificatie van en toetreding tot het BTWC en door het verstrekken van opleiding of andere vormen van bijstand opdat de nationale instanties hun verplichtingen met betrekking tot het BTWC kunnen nakomen;

b)

de verdragsluitende partijen assisteren bij de uitvoering van het BTWC op nationaal niveau, zodat zij hun verplichtingen uit hoofde van het BTWC nakomen met behulp van nationale wetgeving en administratieve maatregelen, en goede werkverbanden opzetten tussen alle nationale belanghebbenden, met inbegrip van de nationale wetgevende macht en de particuliere sector;

c)

de verdragsluitende partijen aanmoedigen om regelmatig CBM-verslagen in te dienen, door voorlichtingsmateriaal over het CBM-proces te ontwikkelen, door de elektronische indiening van bestaande CBM-verslagen technisch te verbeteren en een beter beveiligde en onderhouden website met beperkte toegang te gebruiken, door het opzetten van nationale contactpunten en het indienen van de eerste CBM-verslagen te stimuleren, en door een conferentie van de CBM-contactpunten te organiseren in het kader van BTWC-vergaderingen in 2008 en 2009;

d)

tussen vertegenwoordigers van de regering, universiteiten, onderzoeksinstellingen en het bedrijfsleven een doelgericht debat op regionaal niveau stimuleren over intersessionele BTWC-gerelateerde thema’s, met name het toezicht op wetenschap en onderwijs.

In de bijlage gaat een nadere omschrijving van de bovenbedoelde projecten.

Artikel 2

1.   Het voorzitterschap draagt, bijgestaan door de secretaris-generaal van de Raad/hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid (hierna „SG/HV” genoemd), de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden. De Commissie wordt hierbij volledig betrokken.

2.   Het VN-Bureau voor ontwapeningszaken (hierna het „UNODA” genoemd) in Genève staat in voor de technische uitvoering van de in artikel 1 bedoelde activiteiten. Het voert zijn taak uit onder toezicht van de SG/HV, die het voorzitterschap bijstaat. Daartoe treft de SG/HV de nodige regelingen met het UNODA.

3.   Conform hun respectieve bevoegdheden houden het voorzitterschap, de SG/HV en de Commissie elkaar regelmatig op de hoogte omtrent de uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden.

Artikel 3

1.   Het financiële referentiebedrag voor de uitvoering van de in artikel 1, lid 2, bedoelde maatregelen bedraagt 1 400 000 EUR, te financieren uit de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

2.   De financiering van de in lid 1 gespecificeerde uitgaven wordt beheerd overeenkomstig de procedures en voorschriften die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Europese Unie.

3.   De Commissie houdt toezicht op het correcte beheer van de in lid 2 bedoelde uitgaven, die als subsidie worden verstrekt. Zij sluit daartoe een financieringsovereenkomst met het UNODA. In de financieringsovereenkomst wordt bepaald dat het UNODA er zorg voor moet dragen dat de EU-bijdrage zichtbaar is in een mate die overeenstemt met haar omvang.

4.   De Commissie stelt alles in het werk om de in lid 3 bedoelde financieringsovereenkomst binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit gemeenschappelijk optreden te sluiten. Zij stelt de Raad in kennis van eventuele moeilijkheden en van de datum van sluiting van de financieringsovereenkomst.

Artikel 4

Het voorzitterschap brengt, bijgestaan door de SG/HV, aan de Raad verslag uit over de uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden, op basis van de geregelde verslagen die worden opgesteld door het UNODA. Deze verslagen vormen de basis voor de evaluatie door de Raad. De Commissie wordt volledig bij de werkzaamheden betrokken. Zij brengt verslag uit over de financiële aspecten van de uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden.

Artikel 5

Dit gemeenschappelijk optreden treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Het verstrijkt 24 maanden na de datum waarop de in artikel 3, lid 3, bedoelde financieringsovereenkomst is gesloten, of zes maanden na de datum waarop dit gemeenschappelijk optreden is vastgesteld, indien er binnen die termijn geen financieringsovereenkomst gesloten is.

Artikel 6

Dit gemeenschappelijk optreden wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 10 november 2008.

Voor de Raad

De voorzitter

B. KOUCHNER


(1)  PB L 65 van 7.3.2006, blz. 51.

(2)  PB L 88 van 25.3.2006, blz. 65.


BIJLAGE

1.   Algemeen kader

Voortbouwend op de geslaagde implementatie van Gemeenschappelijk Optreden 2006/184/GBVB dient dit gemeenschappelijk optreden als een operationeel beleidsinstrument om de doelstellingen van Gemeenschappelijk Optreden 2006/242/GBVB dichterbij te brengen. Het focust vooral op de aspecten waarover tijdens de zesde toetsingsconferentie een algemene consensus werd bereikt en die zijn vermeld in het slotdocument daarvan.

Dit gemeenschappelijk optreden wordt door de volgende principes geleid:

a)

de ervaring van Gemeenschappelijk Optreden 2006/184/GBVB ten volle benutten;

b)

nadenken over de specifieke behoeften van de verdragsluitende staten en de staten die nog geen partij zijn bij het BTWC, voor wat een betere implementatie en wereldwijde toepassing van het BTWC betreft;

c)

de lokale en regionale ownership in de projecten stimuleren, om hun duurzaamheid op lange termijn te garanderen en een partnerschap tussen de Europese Unie en derden in het kader van het BTWC op te bouwen;

d)

voorrang geven aan activiteiten die concrete resultaten opleveren en/of bijdragen tot een tijdige formulering van een gemeenschappelijke visie, met het oog op de toetsing van het BTWC in 2011;

e)

de voorzitter van de vergaderingen van de verdragsluitende partijen steunen en het mandaat van de ondersteunende eenheid voor de uitvoering (hierna de „ISU” genoemd) optimaal benutten, zoals overeengekomen tijdens de zesde toetsingsconferentie.

2.   Doelstelling

Het algemene doel van dit gemeenschappelijk optreden is om het universele karakter en de uitvoering van het BTWC, onder meer het indienen van CBM-verslagen, te ondersteunen en een optimaal gebruik van het intersessionele proces 2007-2010 te bevorderen als voorbereiding van de volgende toetsingsconferentie.

In haar steun aan het BTWC zal de Europese Unie ten volle rekening houden met de besluiten en aanbevelingen die de verdragsluitende staten hebben vastgesteld op de zesde toetsingsconferentie, die plaatsvond in Genève van 20 november tot 8 december 2006.

3.   Projecten

3.1.   Project 1: Bevordering van het universele karakter van het BTWC

Doel van het project

De toetreding tot het BTWC stimuleren en de verdragsluitende partijen bewuster maken van hun verplichtingen uit hoofde van het BTWC, door middel van landgerichte bijstand of via gestructureerde subregionale initiatieven die voortbouwen op de ervaring en contacten die uit Gemeenschappelijk Optreden 2006/184/GBVB zijn voortgekomen.

Dit project moet de verdragsluitende partijen ondersteunen bij hun op de zesde toetsingsconferentie genomen besluiten inzake de verschillende soorten universaliseringsactiviteiten, de informatie-uitwisseling en de verslaglegging over de universaliseringsinspanningen, alsook de steun aan de voorzitter van de vergaderingen van verdragsluitende staten in zijn rol van coördinator van de universaliseringsactiviteiten.

Projectresultaten

a)

Meer toetredingen tot het BTWC in alle geografische regio’s;

b)

Een beter begrip van het BTWC bij de betrokken relevante nationale instanties en/of versterkte subregionale netwerken rond het BTWC om de toetreding tot het verdrag aan te moedigen;

c)

Meer vrijwillige uitvoering van het BTWC door staten vóór hun effectieve toetreding.

Projectbeschrijving

In 2006 en 2007 voerde de Europese Unie regionale stimuleringsactiviteiten uit in nagenoeg alle staten die het BTWC nog niet hadden ondertekend, om de ratificatie van of toetreding tot het verdrag aan te moedigen. Inmiddels zijn nog zeven staten tot het BTWC toegetreden. Dit project vormt de volgende stap. Het is bedoeld om maximaal zeven staten die nog niet tot het BTWC zijn toegetreden aan te moedigen via landgerichte bijstand of subregionale workshops, teneinde de doelstellingen en resultaten van dit project te bereiken.

Projectuitvoering

De voorzitter van de vergaderingen van verdragsluitende staten zal, met de assistentie van de ISU, worden verzocht om nog niet toegetreden staten op de hoogte te stellen van de bijstand die de Europese Unie kan verstrekken ter bevordering van de universele toepassing van het BTWC. Deze bijstand kan de volgende vormen aannemen:

a)

landgerichte of subregionale (maximaal vijf landen) juridische bijstand voor wat de ratificatie van of toetreding tot het BTWC betreft. Indien een land om bijstand verzoekt en er voor de toetreding tot of ratificatie van het BTWC wetgevende of administratieve maatregelen moeten worden getroffen, kan de juridische bijstand ook deze maatregelen dekken;

b)

landgerichte of subregionale (maximaal vijf landen) bijstand om de bekendheid met en de steun voor het BTWC te stimuleren bij de politieke leiders en opiniemakers, en om nog niet toegetreden staten aan te moedigen de noodzakelijke maatregelen te nemen voor de uitvoering van het BTWC, bijvoorbeeld contactpunten opzetten, netwerken onder de belangrijkste nationale belanghebbenden stimuleren, en opleidingen verstrekken;

c)

landgerichte financiële bijstand, zodat de betrokken nationale belanghebbenden, met name de instanties die bevoegd zijn voor de ratificatie van het BTWC, kunnen deelnemen aan het BTWC-proces (bijvoorbeeld als waarnemer deelnemen aan de vergaderingen van de deskundigen en/of verdragsluitende staten). Deze vorm van bijstand wordt verstrekt per geval, op voorwaarde dat ze een reëel verschil kan maken voor de vooruitzichten van een staat die tot het BTWC toetreedt;

d)

subsidies voor opleiding en sensibiliseringsbezoeken van betrokken nationale belanghebbenden aan de instanties van de EU-lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het BTWC.

Dit project zal partnerschappen mogelijk maken tussen de EU-lidstaten en de ontvangende landen, zodat de continuïteit van de universaliseringsinspanningen van de Europese Unie verzekerd is en er een permanent referentiepunt bestaat voor de ontvangende landen gedurende het hele ratificatie- of toetredingproces van het BTWC. De deelnemende EU-lidstaten kunnen zich kandidaat stellen om, individueel of in groep, de geselecteerde ontvangende landen tijdens het ratificatie- of toetredingsproces te begeleiden.

3.2.   Project 2: Bijstand aan verdragsluitende staten ten behoeve van de nationale uitvoering van het BTWC

Doel van het project

Ervoor zorgen dat de verdragsluitende staten hun verplichtingen uit hoofde van het BTWC nakomen door middel van nationale wetgeving en administratieve maatregelen, en deze ook effectief toepassen. Ze moeten daarbij rekening houden met het slotdocument van de zesde toetsingsconferentie, de onderlinge overeenstemming die is bereikt op de vergaderingen van de verdragsluitende staten en de samenvatting van de discussies op de vergaderingen van deskundigen en verdragsluitende staten.

Projectresultaten

a)

Er worden adequate wetgevende of administratieve maatregelen getroffen, met inbegrip van strafrechtelijke bepalingen, en ze omvatten alle verbodsbepalingen en preventieve maatregelen van het BTWC;

b)

Er is een doeltreffende uitvoering en handhaving, opdat schendingen van het BTWC worden voorkomen en sancties worden opgelegd in geval van inbreuken;

c)

Er wordt beter gecoördineerd en meer genetwerkt tussen de belanghebbenden die bij het BTWC-proces zijn betrokken, waaronder de particuliere sector, teneinde een doeltreffende uitvoering te promoten.

Projectbeschrijving

De juridische bijstand aan Peru en Nigeria bij de uitvoering van het BTWC was een positieve ervaring, en de Europese Unie zal bijstand blijven leveren aan maximaal zeven belangstellende staten die partij zijn bij het verdrag.

De ISU zal worden verzocht om de staten die partij zijn bij het verdrag op de hoogte te stellen van de beschikbare EU-bijstand voor de uitvoering van het BTWC. Deze bijstand kan onder de volgende vormen worden verstrekt:

a)

juridisch advies en bijstand voor het opstellen van wetgevende en administratieve maatregelen ter uitvoering van verbodsbepalingen en preventieve maatregelen waarin het BTWC voorziet, of die in onderlinge overeenstemming worden bepaald;

b)

voorlichtingsworkshops inzake de nationale uitvoering van het BTWC en de toepassing van nationale maatregelen, die kunnen zijn gericht op:

de besluitvormende instanties en nationale wetgevingsorganen, teneinde een politieke consensus over deze kwestie te bevorderen;

de overheidsinstanties die betrokken zijn bij de uitvoering van het BTWC, teneinde netwerken te creëren en contactpunten/bevoegde nationale instanties aan te wijzen;

het bedrijfsleven, de universiteiten en onderzoeksinstellingen en de niet-gouvernementele organisaties, teneinde publiek-private partnerschappen op te zetten.

De voorkeur gaat hoofdzakelijk uit naar bilaterale projecten voor de redactie van wetsteksten.

3.3.   Project 3: Aanmoediging van de verdragsluitende staten van het BTWC om regelmatig CBM-verslagen voor te leggen

Doel van het project

De verdragsluitende partijen aanmoedigen om regelmatig CBM-verslagen in te dienen, door de voorbereiding, samenstelling en transmissie van de vereiste gegevens op jaarbasis te bevorderen, de elektronische toezending van de CBM-verslagen efficiënter te helpen maken en de website voor CBM’s beter te beveiligen, en door bijstand te verstrekken, met name voor de contactpunten.

Projectresultaten

a)

Aanwijzing van nationale contactpunten voor de indiening van CBM-verslagen;

b)

Creatie of verbetering van nationale mechanismen voor het voorbereiden en verzamelen van informatie die in de CBM-verslagen wordt gevraagd;

c)

Regelmatige indiening van CBM-verslagen aan de ISU door de nationale contactpunten;

d)

Verbetering van de technische aspecten van de elektronische toezending van CBM-verslagen en van de veiligheid en het onderhoud van de website voor de CBM’s.

Projectbeschrijving

Tijdens de zesde toetsingsconferentie is gewezen op de dringende noodzaak om het aantal verdragsluitende staten dat deelneemt aan de CBM’s te vergroten. Ook werden de technische moeilijkheden belicht die sommige verdragsluitende staten ondervinden bij het tijdig en volledig indienen van de verslagen. Om het aantal verdragsluitende staten dat aan het CBM-proces deelneemt te vergroten, zal de Europese Unie verdragsluitende staten bijstand verstrekken via drie soorten activiteiten:

a)

het voorbereiden van uitvoerige documentatie met betrekking tot de methoden voor de voorbereiding en compilatie van nationale CBM-gegevens, onder andere met een brochure en een tijdschema voor het indienen van CBM-verslagen, teneinde voorbeelden te geven van goede praktijken die toch ruimte laten voor uiteenlopende nationale procedures. In de documentatie worden ook de instrumenten en informatie beschreven die de ISU hierover aanbiedt en komen gelijkaardige initiatieven van andere instellingen en verdragsluitende staten aan bod. De brochure zal beschikbaar zijn in alle officiële talen van de VN.

Het UNODA staat in voor de algemene coördinatie van de opstelling van de brochure. Eventueel wordt een bijeenkomst van EU-deskundigen georganiseerd om de brochure te bespreken en te voltooien. De brochure zal aan de verdragsluitende partijen worden verstrekt;

b)

Er wordt steun verleend voor het oprichten en functioneren van de nationale contactpunten die de indiening van CBM-verslagen moeten voorbereiden, onder andere landgerichte bijstand aan maximaal zeven verdragsluitende staten bij de voorbereiding van de eerste CBM-verslagen. Staten met veel bio-onderzoek of met een groot aantal inheemse ziekten krijgen prioriteit.

De ISU zal worden verzocht om de verdragsluitende partijen op de hoogte te brengen van de bijstand die de Europese Unie verstrekt op het gebied van CBM’s;

c)

Er worden twee workshops georganiseerd met bestaande en nieuw aangestelde CBM-contactpunten, in het kader van de vergaderingen van de deskundigen of verdragsluitende partijen, teneinde ervaringen met het CBM-proces en de gegevensverzameling uit te wisselen en alle verdragsluitende partijen aan te moedigen om een contactpunt aan te stellen.

Op de uitnodigingen voor de workshops wordt vermeld dat de workshops deel uitmaken van een EU-initiatief. De ISU zal de verdragsluitende staten melden dat de Europese Unie voor elke conferentie de kosten kan dekken van maximaal tien deelnemers uit verdragsluitende staten die geen lid zijn van de Europese Unie en die onlangs hebben beslist een contactpunt aan te wijzen. Staten met veel bio-onderzoek of met een groot aantal inheemse ziekten krijgen prioriteit voor mogelijke financiering. Dit wordt per geval onderzocht;

d)

Er worden financiële bijdragen geleverd aan het UNODA om de bestaande beveiligde CBM-website verder te onderhouden en te verbeteren en de technische aspecten van de elektronische verzending van bestaande CBM-verslagen te verbeteren, in overeenstemming met het besluit van de verdragsluitende partijen op de zesde toetsingsconferentie.

3.4.   Project 4: Steun voor het intersessionele proces van het BTWC

Doel van het project

Het intersessionele proces van het BTWC ondersteunen, met name de discussie over de intersessionele thema’s voor 2008 en 2009, binnen en buiten de Europese Unie, opdat concrete maatregelen kunnen worden goedgekeurd.

Projectresultaten

a)

Er wordt een debat gelanceerd tussen de particuliere en openbare sectoren in de Europese Unie over de veiligheidsproblemen waarmee de vooruitgang in biowetenschappelijk en biotechnologisch onderzoek gepaard gaat, en over de maatregelen die op nationaal, regionaal of internationaal niveau moeten worden genomen om deze problemen aan te pakken. Bijzondere aandacht gaat naar het toezicht op wetenschap, onderwijs, voorlichting en de ontwikkeling van gedragscodes voor biowetenschappen en de biotechnologische industrie. Ook wordt de discussie aangewakkerd over de verbetering van internationale samenwerking en bijstand op het vlak van de bewaking, opsporing en diagnosestelling van ziekten, om na te gaan waar de concrete bijstandsbehoeften liggen;

b)

Een verslag wordt voorgelegd aan de intersessionele vergaderingen over de bevindingen en aanbevelingen die uit de discussies in EU-kader voortvloeien;

c)

De discussie over de intersessionele thema’s in de verschillende wereldregio’s wordt aangemoedigd, in het bijzonder in die regio’s die niet voldoende zijn vertegenwoordigd op de intersessionele vergaderingen.

Projectbeschrijving

Dit project voorziet in twee workshops op EU-niveau, waarop vertegenwoordigers van regering, bedrijfsleven, universiteiten en onderzoeksinstellingen en niet-gouvernementele organisaties samenkomen om ervaringen uit te wisselen en na te denken over de intersessionele thema’s voor 2008 en 2009. De workshops vinden idealiter plaats vóór de vergaderingen van de deskundigen of verdragsluitende staten. Er wordt verslag over de workshops uitgebracht aan de verdragsluitende staten.

Om de discussie over deze thema’s algemeen te bevorderen, staan fondsen ter beschikking voor twee soorten activiteiten:

a)

deelname van maximaal zeven niet-EU-vertegenwoordigers aan elke regionale EU-workshop, met name van de beweging van niet-gebonden landen (NGL);

b)

organisatie van maximaal vier nationale workshops om de intersessionele thema’s voor 2008 en 2009 te bespreken in verschillende regio’s in de wereld. Verwacht wordt dat verdragsluitende staten die geen EU-lid zijn en die deelnamen aan de regionale EU-workshops, gelijkaardige workshops zullen willen organiseren in hun respectieve landen en de Europese Unie daartoe om bijstand zullen verzoeken.

4.   Procedurele aspecten, coördinatie en het stuurcomité

Derde staten die bijstand en samenwerking wensen in het kader van dit gemeenschappelijk optreden moeten hun aanvragen in principe richten tot de SG/HV, die het voorzitterschap assisteert, en tot het UNODA. Het UNODA zal deze aanvragen zo nodig onderzoeken en beoordelen en zal aanbevelingen doen aan het stuurcomité. Het stuurcomité onderzoekt de aanvragen voor bijstand en de actieplannen en hun uitvoering. Het zal een definitieve lijst van ontvangende landen voorleggen, die vervolgens door het voorzitterschap, bijgestaan door de SG/HV, wordt goedgekeurd na overleg met de bevoegde werkgroep van de Raad.

Het stuurcomité is samengesteld uit een vertegenwoordiger van het voorzitterschap, bijgestaan door de SG/HV, een vertegenwoordiger van het aantredende voorzitterschap en een van het UNODA. De Commissie wordt hierbij volledig betrokken. Het stuurcomité zal de uitvoering van het gemeenschappelijk optreden regelmatig evalueren, ten minste elk halfjaar, ook met behulp van elektronische communicatiemiddelen.

Met het oog op een sterk ownership en een duurzaam beheer door de begunstigde landen van door de Europese Unie opgezette activiteiten, wordt overwogen om, telkens wanneer dat nodig en mogelijk is, de gekozen ontvangende landen te vragen om actieplannen op te stellen met onder andere een tijdschema voor de uitvoering van gefinancierde activiteiten (ook met nationale middelen), details over de werkingssfeer en de duur van het project en de belangrijkste belanghebbenden. Het UNODA of de lidstaten, naargelang van toepassing, zullen bij de opstelling van de actieplannen worden betrokken. De uitvoering van de projecten moet in overeenstemming met de actieplannen gebeuren.

5.   Rapportage en beoordeling

Het UNODA zal regelmatig tweemaandelijkse voortgangsverslagen over de uitvoering van de projecten voorleggen aan het voorzitterschap, dat door de SG/HV wordt bijgestaan. Het verslag wordt doorgezonden aan de betrokken werkgroep van de Raad voor een voortgangsbeoordeling, een algemene evaluatie van de projecten en een eventuele follow-up.

De verdragsluitende staten zullen zo goed mogelijk op de hoogte worden gesteld van de uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden.

6.   Systeem voor het beheer van informatie en van gegevens over samenwerking (ICMS)

Het ICMS, dat ontwikkeld werd onder Gemeenschappelijk Optreden 2006/184/GBVB, wordt verder gehandhaafd en gebruikt voor de uitwisseling van informatie, het opstellen van teksten en andere communicatie tussen EU-deskundigen, het UNODA en derde landen, waar toepasselijk, en voor de voorbereiding van eventuele bezoeken met het oog op bijstand.

7.   Deelname van EU-deskundigen

De actieve deelname van EU-deskundigen is noodzakelijk voor een geslaagde uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden. De kosten voor de uitvoering van de projecten worden door dit gemeenschappelijk optreden gedekt. Het UNODA zal worden aangemoedigd om de bestaande lijst van juridische deskundigen van de Europese Unie te gebruiken en, waar toepasselijk, gelijkaardige instrumenten te ontwikkelen voor de CBM’s en andere aspecten van de uitvoering.

Verwacht wordt dat voor de geplande bijstandsbezoeken (bijvoorbeeld juridische bijstand, CBM-bijstand) de inzet van een groep van maximaal drie deskundigen voor een maximale duur van vijf dagen de standaardpraktijk zal zijn.

8.   Duur

De totale duur van de uitvoering van het gemeenschappelijk optreden wordt op 24 maanden geraamd.

9.   Ontvangende landen

De activiteiten voor de universele toepassing van het verdrag zijn bestemd voor staten die geen partij bij het BTWC zijn (zowel staten die het verdrag wél als staten die het verdrag niet hebben ondertekend).

Uitvoerings- en CBM-gerelateerde activiteiten zijn bestemd voor de verdragsluitende staten.

Activiteiten rond het intersessionele proces zijn bestemd voor regeringsvertegenwoordigers van lidstaten en andere verdragsluitende staten, evenals vertegenwoordigers van de particuliere sector, universiteiten en onderzoeksinstellingen en niet-gouvernementele organisaties.

10.   Vertegenwoordigers van derde partijen

Om het regionale ownership en de duurzaamheid van de projecten te stimuleren, kan de deelname van deskundigen die niet tot de Europese Unie behoren, met inbegrip van deskundigen van regionale en andere betrokken internationale organisaties, worden gefinancierd door dit gemeenschappelijk optreden. Per geval wordt beslist of de voorzitter van de vergaderingen van verdragsluitende staten en het ISU-personeel dienen deel te nemen.

11.   Uitvoeringsorgaan

De technische uitvoering van dit gemeenschappelijk optreden wordt toevertrouwd aan het UNODA in Genève, dat zijn opdracht uitvoert onder toezicht van de SG/HV, die het voorzitterschap assisteert.

Bij de uitvoering van zijn activiteiten werkt het UNODA samen met het voorzitterschap, bijgestaan door de SG/HV, en de lidstaten en andere verdragsluitende staten en internationale organisaties, naargelang van het geval.

12.   Uitvoeringsorgaan — Personeelskwesties

Aangezien de activiteiten die dit gemeenschappelijk optreden beoogt toe te wijzen aan het UNODA niet op de begroting kunnen worden opgevoerd, zal extra personeel nodig zijn om de geplande projecten uit te voeren.


Top