Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32007R0896

Verordening (EG) nr. 896/2007 van de Commissie van 27 juli 2007 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op dihydromyrcenol van oorsprong uit India

OJ L 196, 28.7.2007, p. 3–19 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

No longer in force, Date of end of validity: 29/01/2008

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2007/896/oj

28.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 196/3


VERORDENING (EG) Nr. 896/2007 VAN DE COMMISSIE

van 27 juli 2007

tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op dihydromyrcenol van oorsprong uit India

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (hierna de „basisverordening” genoemd), en met name op artikel 7,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Inleiding van de procedure

(1)

Op 11 november 2006 heeft de Commissie met een bericht (hierna „het bericht van inleiding” genoemd) in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2) de inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Gemeenschap van dihydromyrcenol van oorsprong uit India aangekondigd.

(2)

De antidumpingprocedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 29 september 2006 werd ingediend door de volgende communautaire producenten: Destilaciones Bordas Chinchurreta S.A. en Sensient Fragrances S.A. (hierna de „klagers” genoemd), die een groot deel, in dit geval meer dan 25 %, van de totale productie van dihydromyrcenol in de Gemeenschap vertegenwoordigen. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal inzake invoer van het genoemde product met dumping en de aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om tot inleiding van een procedure over te gaan.

1.2.   Betrokken partijen en controles ter plaatse

(3)

De Commissie heeft de klagers, andere haar bekende producenten in de Gemeenschap, producenten/exporteurs in India, importeurs en gebruikers van wie bekend was dat zij bij de kwestie betrokken zijn, alsmede hun verenigingen en de vertegenwoordigers van India van de opening van het onderzoek in kennis gesteld. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en konden binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn een verzoek indienen om te worden gehoord. Alle belanghebbenden die daarom met opgave van redenen hadden verzocht, werden gehoord.

(4)

Gezien het kennelijk grote aantal producenten/exporteurs in India en importeurs in de Gemeenschap werd in het bericht van inleiding gewezen op de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening gebruik te maken van een steekproef voor het vaststellen van dumping en schade. Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was — en, zo ja, deze ook samen te stellen —, werd aan alle producenten/exporteurs in India en alle importeurs in de Gemeenschap gevraagd zich bij de Commissie kenbaar te maken en haar, zoals vermeld in het bericht van inleiding, basisinformatie te verstrekken over hun activiteiten in verband met het betrokken product tijdens de periode van 1 oktober 2005 tot en met 30 september 2006. Slechts twee producenten/exporteurs in India en twee importeurs van het betrokken product in de Gemeenschap hebben zich echter gemeld en binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn de vereiste informatie voor de samenstelling van de steekproef verstrekt. Er werd dan ook beslist dat geen steekproef hoefde te worden samengesteld.

(5)

De Commissie heeft een vragenlijst gestuurd naar alle haar bekende betrokken partijen en naar alle andere partijen die daar binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn om hadden verzocht.

(6)

Er werden antwoorden op de vragenlijst ontvangen van twee Indiase producenten/exporteurs, van vier communautaire producenten van het soortgelijke product, van twee niet met de producenten/exporteurs verbonden importeurs en van één gebruiker in de Gemeenschap.

(7)

De Commissie heeft alle gegevens die voor een voorlopige vaststelling van dumping, schade als gevolg hiervan en het belang van de Gemeenschap nodig werden geacht, ingewonnen en gecontroleerd. Bij de volgende ondernemingen werd ter plaatse een controle uitgevoerd:

a)

Communautaire producenten

Destilaciones Bordas Chinchurreta S.A., Granada, Spanje;

Sensient Fragrances S.A., Dos Hermanas (Sevilla), Spanje;

Takasago International Chemicals (Europe) S.A., Murcia, Spanje.

b)

Producenten/exporteurs in India

Neeru Enterprises, Rampur;

Privi Organics Limited, Mumbai.

1.3.   Onderzoektijdvak

(8)

Het onderzoek naar de dumping en schade had betrekking op de periode van 1 oktober 2005 tot en met 30 september 2006 (hierna het „onderzoektijdvak” of „OT” genoemd). Het onderzoek naar de voor de beoordeling van schade relevante trends had betrekking op de periode van 1 januari 2003 tot het eind van het onderzoektijdvak (hierna de „beoordelingsperiode” genoemd).

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

2.1.   Betrokken product

(9)

Bij het betrokken product gaat het om dihydromyrcenol met een zuiverheid van 93 of meer gewichtspercenten, dat doorgaans onder de GN-code ex 2905 22 90 wordt aangegeven, van oorsprong uit India (hierna het „betrokken product” genoemd).

(10)

Het betrokken product is een kleurloze tot bleekgele vloeistof met een krachtige, frisse, limoenachtige, zoete citrus- en bloemengeur met weinig of geen terpenische ondertonen, oplosbaar in paraffineolie en alcohol en onoplosbaar in water. Het behoort tot de familie van acyclische terpeenalcoholen. De chemische naam van het product is 2,6-dimethyloct-7-een-2-ol (CAS RN 18479-58-8).

(11)

Het betrokken product wordt vooral gebruikt in detergentia, zeepgeurstoffen en als krachtige ondersteunende noot in citrus- en limoenachtige parfums.

2.2.   Soortgelijk product

(12)

Er werd geconstateerd dat het betrokken product en dihydromyrcenol dat in India op de binnenlandse markt wordt vervaardigd en verkocht, alsmede dihydromyrcenol dat in de Gemeenschap door de bedrijfstak van de Gemeenschap wordt vervaardigd en verkocht, dezelfde chemische eigenschappen en technische basiskenmerken hebben en voor dezelfde doeleinden worden gebruikt. Daarom worden deze producten voorlopig beschouwd als gelijk in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

3.   DUMPING

3.1.   Normale waarde

(13)

Om de normale waarde vast te stellen is de Commissie eerst voor elk van de twee medewerkende producenten/exporteurs nagegaan of hun totale binnenlandse verkoop van het soortgelijke product representatief was in verhouding tot hun totale uitvoer van dat product naar de Gemeenschap. Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening werd geconstateerd dat de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product voor slechts één van de medewerkende ondernemingen representatief was, aangezien het volume van de binnenlandse verkoop van die onderneming meer bedroeg dan 5 % van haar totale uitvoer van het betrokken product naar de Gemeenschap.

(14)

Vervolgens heeft de Commissie voor die onderneming op basis van zuiverheid vastgesteld welke op de binnenlandse markt verkochte soorten van het soortgelijke product identiek waren aan of rechtstreeks vergelijkbaar waren met de soorten die naar de Gemeenschap werden uitgevoerd. Voor elk van deze soorten werd vastgesteld of de binnenlandse verkoop voldoende representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop van een soort werd voldoende representatief geacht wanneer deze in het onderzoektijdvak in totaal minstens 5 % bedroeg van de totale uitvoer van de vergelijkbare soort naar de Gemeenschap. Dit was het geval voor alle binnenlandse soorten die vergelijkbaar zijn met die welke naar de Gemeenschap werden uitgevoerd.

(15)

Vervolgens heeft de Commissie onderzocht of de binnenlandse verkoop van elke soort van het betrokken product die in representatieve hoeveelheden werd verkocht, ingevolge artikel 2, lid 4, van de basisverordening kon worden beschouwd als verkoop in het kader van een normale handelstransactie. Hiertoe bepaalde zij voor elke uitgevoerde productsoort het aandeel van de winstgevende binnenlandse verkoop aan niet-verbonden afnemers.

(16)

Aangezien voor alle productsoorten meer dan 80 % van de totale verkoop op de binnenlandse markt plaatsvond tegen een nettoverkoopprijs die gelijk was aan of hoger was dan de berekende productiekosten, en aangezien de gewogen gemiddelde verkoopprijs terzelfder tijd gelijk was aan of hoger was dan de productiekosten, werd de normale waarde per productsoort berekend als het gewogen gemiddelde van alle binnenlandse verkoopprijzen van de soort in kwestie, ongeacht of deze verkopen winstgevend waren of niet.

(17)

Voor de producent/exporteur die tijdens het onderzoektijdvak geen representatieve binnenlandse verkoop van het soortgelijke product had (zie overweging 13), werd de normale waarde krachtens artikel 2, lid 1, van de basisverordening vastgesteld op basis van de binnenlandse prijzen in het kader van normale handelstransacties van de andere producent/exporteur (zie overwegingen 14 tot en met 16).

3.2.   Uitvoerprijs

(18)

Alle verkoop van de twee medewerkende producenten/exporteurs werd rechtstreeks naar niet-verbonden afnemers in de Gemeenschap uitgevoerd. De uitvoerprijs voor die verkoop werd overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening vastgesteld op basis van de door die niet-verbonden afnemers in de Gemeenschap werkelijk betaalde of te betalen prijzen.

3.3.   Vergelijking

(19)

De normale waarde werd met de uitvoerprijs vergeleken in het stadium af fabriek. Ten behoeve van een billijke vergelijking werd overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening rekening gehouden met verschillen die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen. Voor verschillen in de kosten van vervoer over land en over zee, verzekering, lading, overlading, lossing en aanverwante kosten, kortingen, commissies, kredietkosten en invoerheffingen werden, indien van toepassing en gerechtvaardigd, correcties toegepast.

3.4.   Dumpingmarges

(20)

Ingevolge artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening werden de dumpingmarges voor de twee medewerkende producenten/exporteurs vastgesteld door vergelijking van een gewogen gemiddelde normale waarde per productsoort met een gewogen gemiddelde uitvoerprijs per productsoort, zoals hierboven vastgesteld.

(21)

Op grond hiervan bedragen de voorlopige dumpingmarges, in procenten van de cif-prijs grens Gemeenschap, vóór inklaring:

Onderneming

Voorlopige dumpingmarge

Neeru Enterprises, Rampur

3,3 %

Privi Organics Limited, Mumbai

7,5 %

(22)

Voor niet-medewerkende producenten/exporteurs werd de dumpingmarge overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening vastgesteld aan de hand van de beschikbare gegevens. Hiertoe werd eerst de mate van medewerking vastgesteld. Uit een vergelijking tussen Eurostatgegevens betreffende de invoer van oorsprong uit India en de omvang van de uitvoer naar de Gemeenschap die door de medewerkende producenten/exporteurs werd aangegeven, is gebleken dat de mate van medewerking hoog was (meer dan 80 %). Om die reden en omdat er geen aanwijzingen waren dat de niet-medewerkende ondernemingen dumping op een lager niveau toepasten, werd het passend geacht de dumpingmarge voor die ondernemingen vast te stellen op het niveau van de hoogste dumpingmarge voor de twee medewerkende ondernemingen. Deze aanpak is in overeenstemming met de vaste praktijk van de EG-instellingen en werd ook nodig geacht om te voorkomen dat niet-medewerking wordt aangemoedigd. De residuele dumpingmarge werd daarom vastgesteld op 7,5 %.

4.   SCHADE

4.1.   Communautaire productie en bedrijfstak van de Gemeenschap

(23)

In de Gemeenschap wordt het soortgelijke product vervaardigd door vijf producenten. Hun output wordt derhalve geacht de communautaire productie in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening te vormen.

(24)

Van deze vijf producenten hebben er vier de vragenlijst beantwoord. Een van de respondenten steunde echter niet uitdrukkelijk de klacht, in die zin dat hij er geen standpunt over innam. Deze onderneming kon dan ook niet in de bedrijfstak van de Gemeenschap en bijgevolg ook niet in de schadeanalyse worden opgenomen. De situatie van deze onderneming werd echter in punt 5, Oorzakelijk verband, wel in aanmerking genomen en onderzocht als andere schadefactor.

(25)

Samen vertegenwoordigen de drie resterende medewerkende producenten meer dan 40 % van de totale productie van het soortgelijke product in de Gemeenschap. Er zij op gewezen dat één van deze producenten in het onderzoektijdvak een aanzienlijke hoeveelheid dihydromyrcenol uit India had ingevoerd. Invoer vormde echter niet zijn kernactiviteit en deze invoer werd geacht te hebben plaatsgevonden als reactie op de invoer met dumping, waardoor de prijzen sterk omlaag werden gedrukt; de onderneming hoopte hiermee haar financiële situatie te verbeteren en haar eigen productie van het soortgelijke product levensvatbaar te houden. Het werd derhalve niet dienstig geacht deze producent van de definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap uit te sluiten.

(26)

Gelet op het voorgaande worden de drie in overweging 25 bedoelde communautaire producenten geacht de bedrijfstak van de Gemeenschap in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening te vormen. Zij worden hierna de „bedrijfstak van de Gemeenschap” genoemd.

4.2.   Bepaling van de relevante communautaire markt

(27)

Om vast te stellen of de bedrijfstak van de Gemeenschap schade heeft geleden en om het verbruik alsmede de ontwikkeling van de diverse economische indicatoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap vast te stellen, werd onderzocht of en in hoeverre bij de analyse rekening moest worden gehouden met het gebruik dat later van het door de bedrijfstak van de Gemeenschap vervaardigde soortgelijke product werd gemaakt.

(28)

Dihydromyrcenol wordt als tussenproduct gebruikt voor de vervaardiging van derivaten, zoals tetrahydromyrcenol en myrcetol, of bij de samenstelling van geurstoffen. Tijdens het onderzoek werd geconstateerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap bepaalde hoeveelheden dihydromyrcenol (ongeveer 10 % van zijn totale productievolume) intern gebruikte voor bovengenoemde doeleinden. Daartoe werd dihydromyrcenol gewoon zonder factuur elders binnen dezelfde onderneming afgenomen; het kwam niet op de vrije markt omdat het door de producent zelf werd gebruikt voor verdere verwerking en/of de vervaardiging van verbindingen. Dergelijke situaties vallen onder intern gebruik.

(29)

De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft ook dihydromyrcenol aan verbonden partijen in de Gemeenschap en in derde landen verkocht voor wederverkoop of gebruik door die partijen. Tijdens het onderzoek werd echter uitgemaakt dat deze verkoop niet als intern gebruik, d.w.z. verkoop op de markt voor intern gebruik, kan worden beschouwd omdat hij tegen marktprijzen plaatsvond en de kopers de leverancier vrij konden kiezen. Deze verkoop moet integendeel als verkoop op de vrije markt worden beschouwd.

(30)

Het onderscheid tussen de markt voor intern gebruik en de vrije markt is relevant voor de schadeanalyse omdat voor intern gebruik bestemde producten, d.w.z. in dit geval intern gebruik door de producenten zelf, niet rechtstreeks concurreren met ingevoerde producten. De productie voor de verkoop op de vrije markt bleek daarentegen rechtstreeks te concurreren met het ingevoerde product.

(31)

Om een zo volledig mogelijk beeld van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap te verkrijgen, werden voor de gehele dihydromyrcenolactiviteit gegevens verzameld en geanalyseerd en werd naderhand bepaald of de productie voor intern gebruik dan wel voor de vrije markt bestemd was.

(32)

Voor de volgende economische indicatoren betreffende de bedrijfstak van de Gemeenschap is gebleken dat voor een zinvolle analyse en evaluatie vooral moest worden gekeken naar de situatie op de vrije markt: verkoopvolume en verkoopprijzen op de communautaire markt, marktaandeel, groei, winstgevendheid, rendement van investeringen, kasstroom, uitvoervolume en uitvoerprijzen.

(33)

Zoals op basis van het onderzoek werd vastgesteld, konden andere economische indicatoren redelijkerwijs slechts aan de hand van de gehele activiteit worden onderzocht. Productie (zowel voor de markt voor intern gebruik als voor de vrije markt), capaciteit, bezettingsgraad, investeringen, voorraden, werkgelegenheid, productiviteit, lonen en vermogen om kapitaal aan te trekken hangen immers van de gehele activiteit af, ongeacht of de productie voor intern gebruik bestemd is dan wel op de vrije markt wordt verkocht.

(34)

Ten slotte zij erop gewezen dat de ontwikkeling van het interne gebruik door de bedrijfstak van de Gemeenschap in punt 5, Oorzakelijk verband, als andere schadefactor werd onderzocht om te bepalen of zij een invloed op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap kon hebben gehad.

4.3.   Verbruik in de Gemeenschap

(35)

Het verbruik in de Gemeenschap werd bepaald aan de hand van de door de communautaire producenten zelf geproduceerde volumes die bestemd waren voor de vrije verkoop op de communautaire markt en voor intern gebruik door die producenten, en de volumes van de invoer in de Gemeenschap, waarvoor de gegevens van Eurostat werden gebruikt.

(36)

Met betrekking tot Eurostat zij erop gewezen dat in deze statistieken andere producten dan dihydromyrcenol kunnen opgenomen zijn, aangezien dihydromyrcenol onder een ex-GN-code is ingedeeld. De gegevens van Eurostat werden dan ook vergeleken met de marktkennis van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Dientengevolge werd de invoer uit Japan uitgesloten, omdat ervan werd uitgegaan dat deze volledig uit andere producten dan dihydromyrcenol bestond; voor zover bekend wordt dat product in Japan immers niet vervaardigd. Voor de invoer uit andere derde landen dan Japan bleken de statistieken van Eurostat redelijk nauwkeurig te zijn (d.w.z. dat zij geen aanzienlijke hoeveelheden andere producten dan dihydromyrcenol bleken te omvatten, wat het beeld sterk zou vertekenen), zodat deze gegevens ten behoeve van de schadeanalyse en het onderzoek naar het oorzakelijk verband niet werden gecorrigeerd.

(37)

In de eerste helft van de beoordelingsperiode was de communautaire markt voor dihydromyrcenol betrekkelijk stabiel. In 2005 begonnen de cijfers te stijgen en in het onderzoektijdvak werd een niveau bereikt dat 23 % hoger lag dan in 2003, d.w.z. circa 4 400 000 kg.

 

2003

2004

2005

OT

Verbruik (kg)

3 586 447

3 571 795

3 819 904

4 409 093

Index: 2003 = 100

100

100

107

123

Bron: gecontroleerde antwoorden van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de vragenlijst, bij andere communautaire producenten ingewonnen informatie, Eurostat.

4.4.   Invoer uit het betrokken land

4.4.1.   Volume, prijs en marktaandeel van de invoer met dumping uit het betrokken land

(38)

Het volume van de invoer met dumping van het betrokken product in de Gemeenschap is in 2004 enorm toegenomen, namelijk met meer dan 1 600 %. In 2005 is het dan bijna verdubbeld, waarna zich in het onderzoektijdvak een vertraging heeft voorgedaan en uiteindelijk een niveau werd bereikt dat 2 963 % hoger lag dan bij het begin van de beoordelingsperiode, d.w.z. circa 760 000 kg in het onderzoektijdvak in vergelijking met circa 25 000 kg in 2003.

 

2003

2004

2005

OT

Invoer (kg)

24 900

430 600

751 800

762 600

Index: 2003 = 100

100

1 729

3 019

3 063

Bron: Eurostat.

(39)

De gemiddelde invoerprijs is in 2004 met bijna 20 % gedaald, is in 2005 weer opgeklommen tot zijn oorspronkelijke niveau en is in het onderzoektijdvak met 11 % gestegen. Zoals uit de overwegingen 41 en 42 blijkt, lagen de invoerprijzen in het onderzoektijdvak beduidend onder de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

 

2003

2004

2005

OT

Gemiddelde invoerprijs (EUR/kg)

3,45

2,79

3,45

3,81

Index: 2003 = 100

100

81

100

111

Bron: Eurostat.

(40)

Het marktaandeel van de invoer met dumping uit India is tijdens de beoordelingsperiode met bijna 17 procentpunten gestegen, d.w.z. van 0,7 % in 2003 tot 17,3 % in het onderzoektijdvak. Het marktaandeel is in 2004 aanzienlijk toegenomen, was strookt met de bovenbeschreven forse stijging van de invoervolumes en een constant communautair verbruik. In het onderzoektijdvak zagen de Indiase exporteurs hun marktaandeel in absolute cijfers met 2,4 procentpunten dalen ondanks een toename van het verkoopvolume. Aangezien het verbruik in de Gemeenschap in de beoordelingsperiode echter met slechts 23 % is gestegen, is het duidelijk dat de invoer met dumping uit India op de communautaire markt in die periode veel sterker is toegenomen.

 

2003

2004

2005

OT

Marktaandeel

0,7 %

12,1 %

19,7 %

17,3 %

Index: 2003 = 100

100

1 736

2 835

2 491

Bron: Eurostat.

4.4.2.   Prijsonderbieding

(41)

Voor een analyse van de prijsonderbieding werden de invoerprijzen van de medewerkende producenten/exporteurs met de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap vergeleken aan de hand van gewogen gemiddelden voor rechtstreeks vergelijkbare productsoorten (op basis van zuiverheid) in het onderzoektijdvak. De prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden gecorrigeerd tot het niveau af fabriek en werden vergeleken met de cif-invoerprijzen, grens Gemeenschap, plus invoerrechten. Deze prijsvergelijking werd uitgevoerd voor transacties in hetzelfde handelsstadium, gecorrigeerd waar nodig, en na aftrek van rabatten en kortingen.

(42)

Op basis van de prijzen van de medewerkende producenten/exporteurs werden de onderbiedingsmarges (in procenten van de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap) vastgesteld op 5,8 % en 7,4 %.

4.5.   Situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(43)

Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening onderzocht de Commissie alle relevante economische factoren en indicatoren die op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap van invloed waren.

(44)

Er wordt aan herinnerd dat in de schadeanalyse rekening moest worden gehouden met het interne gebruik van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Gemeenschap. Zo werd voor het onderzoek van bepaalde schade-indicatoren uitgegaan van de situatie op de vrije markt, terwijl bepaalde andere indicatoren redelijkerwijs alleen konden worden onderzocht door de gehele activiteit in beschouwing te nemen (zie de overwegingen 27 tot en met 34).

a)   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

(45)

De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft zijn productie van het soortgelijke product in de beoordelingsperiode met 6 % verhoogd. In 2004 is de productie stabiel gebleven, in 2005 licht gestegen (2 %) en in het onderzoektijdvak met nog eens vier procentpunten toegenomen. Daar de productiecapaciteit stabiel is gebleven, is de bezettingsgraad door de grotere productievolumes licht verbeterd. In het onderzoektijdvak bedroeg de bezettingsgraad 73 %.

 

2003

2004

2005

OT

Productie (kg)

2 212 266

2 210 328

2 265 113

2 350 588

Index: 2003 = 100

100

100

102

106

Productiecapaciteit (kg)

3 210 000

3 210 000

3 210 000

3 210 000

Index: 2003 = 100

100

100

100

100

Bezettingsgraad

69 %

69 %

71 %

73 %

Index: 2003 = 100

100

100

102

106

Bron: gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

b)   Voorraden

(46)

De voorraden zijn tussen 2003 en het eind van het onderzoektijdvak toegenomen. De piek in 2004 valt samen met een plotselinge daling van de verkoop, zoals beschreven in overweging 47. In het onderzoektijdvak was het voorraadniveau 8 % hoger dan in 2003.

 

2003

2004

2005

OT

Voorraden (kg)

118 204

222 907

166 724

127 440

Index: 2003 = 100

100

189

141

108

Bron: gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

c)   Verkoopvolume, verkoopprijs en marktaandeel

(47)

De verkoop van de eigen productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de vrije markt in de Gemeenschap is in 2004 plots met 7 % gedaald. In 2005 lag de verkoop weer iets boven het oorspronkelijke niveau en in het onderzoektijdvak is hij met 19 procentpunten gestegen. Gezien het toegenomen verbruik in 2005 en in het onderzoektijdvak (zie overweging 37) heeft de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn marktpositie echter niet verbeterd. Hij heeft integendeel zijn marktaandeel amper kunnen behouden. De gemiddelde verkoopprijzen van de communautaire productie weerspiegelden de marktontwikkeling. Zij zijn in 2004 sterk gedaald (met 22 %), zijn in 2005 nog eens tien procentpunten gezakt en zijn in het onderzoektijdvak min of meer stabiel gebleven.

 

2003

2004

2005

OT

Verkoop in de EG (kg)

1 233 633

1 147 959

1 274 430

1 506 740

Index: 2003 = 100

100

93

103

122

Marktaandeel

34,4 %

32,1 %

33,4 %

34,2 %

Index: 2003 = 100

100

93

97

99

Verkoopprijs (EUR/kg)

4,55

3,55

3,09

3,15

Index: 2003 = 100

100

78

68

69

Bron: gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

d)   Winstgevendheid

(48)

De winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap is in de beoordelingsperiode fel verslechterd. In 2003 boekte de bedrijfstak van de Gemeenschap met zijn voor de verkoop op de vrije markt bestemde productie van het soortgelijke product nog een winst van 12,3 %. Deze winst is in 2004 omgeslagen in zware verliezen, toen ook het verkoopvolume en de verkoopprijzen scherp daalden. In 2005 is de verliesmarge verdubbeld en in het onderzoektijdvak liet de bedrijfstak van de Gemeenschap een verlies van nagenoeg 17 % optekenen.

 

2003

2004

2005

OT

Winstmarge vóór belastingen

12,3 %

–7,5 %

–15,8 %

–16,9 %

Index: 2003 = 100

100

–60

– 128

– 137

Bron: gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

e)   Investeringen, rendement van investeringen, kasstroom en vermogen om kapitaal aan te trekken

(49)

De investeringen zijn in de beoordelingsperiode sterk gedaald en bedroegen in het onderzoektijdvak nog slechts 7 % van het niveau van 2003, wat verband houdt met het feit dat de bedrijfstak reeds met moderne machines werkt. Zoals uit de tabel in overweging 45 kan worden afgeleid, werd niet in de productiecapaciteit geïnvesteerd, hoewel verwacht werd dat de stijgende trend voor de markt voor dihydromyrcenol zou aanhouden. Het rendement van investeringen, uitgedrukt in nettowinst/-verlies van de bedrijfstak van de Gemeenschap en nettoboekwaarde van zijn investeringen, ontwikkelde zich in overeenstemming met de investeringen en de winst-/verliesmarge. Het is gedaald van 13,7 % in 2003 tot – 26,9 % in het onderzoektijdvak. Ook de kasstroom van de bedrijfstak van de Gemeenschap is sterk gekrompen. De kasinstroom van circa 1 300 000 EUR in 2003 is omgeslagen in een kasuitstroom van meer dan 60 000 EUR in het onderzoektijdvak. Al deze indicatoren bevestigen duidelijk het onvermogen van de bedrijfstak van de Gemeenschap om kapitaal aan te trekken.

 

2003

2004

2005

OT

Investeringen (EUR)

221 210

44 605

23 435

16 481

Index: 2003 = 100

100

20

11

7

Rendement van investeringen

13,7 %

–7,1 %

–17,3 %

–26,9 %

Index: 2003 = 100

100

–52

– 127

– 197

Kasstroom (EUR)

1 328 345

–48 093

164 355

–61 724

Index: 2003 = 100

100

–4

12

–5

Bron: gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

f)   Groei

(50)

De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft zijn marktaandeel behouden ten koste van aanzienlijke verliezen, die onder meer gepaard gingen met een kasuitstroom. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap niet van de groei van de markt kon profiteren.

g)   Werkgelegenheid, productiviteit en lonen

(51)

Het aantal werknemers van de bedrijfstak van de Gemeenschap die bij het soortgelijke product betrokken zijn, is ondanks de toegenomen productie (zie overweging 45) gedaald. In het onderzoektijdvak was de werkgelegenheid 15 % lager dan in 2003. Toch zijn de totale arbeidskosten hoger geworden. Zij zijn in 2004 met 13 % gestegen, in 2005 min of meer stabiel gebleven, waarna zij in het onderzoektijdvak licht gedaald zijn tot een niveau dat 6 % boven dat van 2003 lag. In feite zijn de gemiddelde arbeidskosten in de beoordelingsperiode met 24 % gestegen. Deze stijging was toe te schrijven aan de inflatie (ongeveer 3 % in 2004 en 2005 in Spanje) en aan de veranderingen in de werkgelegenheidsstructuur (hoger aandeel gekwalificeerde arbeidskrachten). De productiviteit, uitgedrukt in productie per werknemer per jaar, is tussen 2003 en het eind van het onderzoektijdvak met 24 % gestegen.

 

2003

2004

2005

OT

Werkgelegenheid

44,2

43,7

39,8

37,7

Index: 2003 = 100

100

99

90

85

Arbeidskosten (EUR)

1 401 693

1 580 371

1 554 698

1 480 157

Index: 2003 = 100

100

113

111

106

Gemiddelde arbeidskosten (EUR)

31 741

36 206

39 033

39 282

Index: 2003 = 100

100

114

123

124

Productiviteit (kg per werknemer)

64 329

65 588

72 904

79 546

Index: 2003 = 100

100

102

113

124

Bron: gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

h)   Hoogte van de dumpingmarge, herstel van eerdere dumping of subsidiëring

(52)

Gezien de omvang van de invoer met dumping uit het betrokken land en de prijzen waartegen het betrokken product werd verkocht, kan het effect van de werkelijke dumpingmarges op de bedrijfstak van de Gemeenschap niet als te verwaarlozen worden beschouwd.

(53)

Voorts waren er geen aanwijzingen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap in het onderzoektijdvak herstellende was van de gevolgen van dumping of subsidiëring in het verleden.

4.6.   Conclusie inzake de schade

(54)

Tijdens de beoordelingsperiode is de laaggeprijsde invoer met dumping uit India enorm toegenomen. Het volume van de invoer met dumping van het betrokken product is tussen 2003 en het eind van het onderzoektijdvak met bijna 3 000 % gestegen. Dit kwam neer op een marktaandeel van meer dan 17 % van de communautaire markt voor dihydromyrcenol in het onderzoektijdvak, vergeleken met slechts 0,7 % in 2003.

(55)

Niettegenstaande dat het verbruik van dihydromyrcenol in de Gemeenschap in de beoordelingsperiode met 23 % is gestegen, kon de bedrijfstak van de Gemeenschap in het onderzoektijdvak slechts hetzelfde aandeel in de communautaire markt behouden als in 2003, met name dankzij een toename van de verkoop van zijn productie in 2005 en in het onderzoektijdvak. Zoals echter uit de bovenstaande analyse van de economische indicatoren van de bedrijfstak van de Gemeenschap is gebleken, was dit slechts te verwezenlijken ten koste van zware verliezen, een daling van het rendement van investeringen, en kasuitstroom. In feite kwam de schade met name tot uiting in een sterke daling van de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap, wat directe en aanzienlijke ongunstige gevolgen had voor de financiële situatie van deze ondernemingen. De prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn immers van 4,55 EUR in 2003 gezakt tot 3,15 EUR in het onderzoektijdvak. Deze daling ging niet gepaard met een overeenkomstige daling van de productiekosten. Daardoor werd de bedrijfstak van de Gemeenschap in 2004 verliesgevend. De verliezen uit de verkoop van dihydromyrcenol op de communautaire markt zijn verder opgelopen in 2005 en in het onderzoektijdvak, toen de inkomsten uit de verkoop amper volstonden om de vaste kosten van de bedrijfstak van de Gemeenschap te dekken. Het is duidelijk dat een dergelijke situatie op lange termijn niet vol te houden is.

(56)

Rekening houdend met al deze factoren wordt voorlopig aangenomen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening heeft geleden.

5.   OORZAKELIJK VERBAND

5.1.   Inleiding

(57)

Overeenkomstig artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden aanmerkelijke schade werd veroorzaakt door de invoer met dumping van het betrokken product. Andere bekende factoren dan de invoer met dumping waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap terzelfder tijd schade kon hebben geleden, werden ook onderzocht om te voorkomen dat mogelijke schade door deze andere factoren aan de invoer met dumping werd toegeschreven.

5.2.   Gevolgen van de invoer met dumping

(58)

Ten eerste zij eraan herinnerd dat uit het onderzoek gebleken is dat het uit India ingevoerde dihydromyrcenol rechtstreeks concurreert met het door de bedrijfstak van de Gemeenschap geproduceerde en verkochte dihydromyrcenol, daar het wat de chemische eigenschappen betreft gelijk is, uitwisselbaar is en via dezelfde distributiekanalen verhandeld wordt.

(59)

De aanzienlijke toename van de invoer met dumping uit het betrokken land in volume (met bijna 3 000 %) en in aandeel in de communautaire markt (met bijna 17 procentpunten) viel samen met de verslechtering van de financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Deze verslechtering omvatte onder meer een daling van het prijsniveau van de bedrijfstak van de Gemeenschap, waardoor deze in diezelfde periode met slechtere financiële resultaten te kampen kreeg. Met de invoer met dumping werden de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap in belangrijke mate onderboden, zodat redelijkerwijs kan worden geconcludeerd dat deze invoer de oorzaak was van de neerwaartse prijsdruk die heeft geleid tot de verslechtering van de financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(60)

Een van de belanghebbenden voerde aan dat diverse fabrieken in India zijn opgehouden met de vervaardiging van het betrokken product, waardoor de productiecapaciteit voor dat product in India is gedaald. Daaruit concludeerde deze belanghebbende dat de invoer uit India geen gevaar van schade voor de communautaire producenten inhield. In dit verband heeft het onderzoek bevestigd dat enkele van de producenten die in de in overweging 2 bedoelde klacht worden vermeld, hun productie van dihydromyrcenol in het onderzoektijdvak hebben gestaakt; er werd echter ook geconstateerd dat nieuwe capaciteit is geïnstalleerd. Feit is dat in 2005 ten minste één nieuwe Indiase producent van dihydromyrcenol op de markt is verschenen. Dit argument moet dan ook worden afgewezen.

(61)

Daar duidelijk is vastgesteld dat de sterke stijging van de invoer met dumping tegen prijzen die de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap aanzienlijk onderboden, enerzijds, en de neerwaartse druk op de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap en de verslechterde financiële situatie waarmee deze te kampen kreeg, anderzijds, zich gelijktijdig voordeden, luidt de voorlopige conclusie dat de invoer met dumping een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade.

5.3.   Gevolgen van andere factoren

5.3.1.   Prestaties van andere communautaire producenten

(62)

Zoals in de overwegingen 23 tot en met 26 wordt vermeld, zijn er in de Gemeenschap vijf producenten van het soortgelijke product; twee ervan worden niet geacht deel uit te maken van de bedrijfstak van de Gemeenschap. De ontwikkeling van het verkoopvolume en het marktaandeel van deze twee ondernemingen wordt hieronder geanalyseerd. In verband met de vertrouwelijkheid kunnen de reële cijfers niet worden bekendgemaakt. Daarom worden alleen indexcijfers vermeld.

(63)

De verkoop in de Gemeenschap van door andere communautaire producenten vervaardigde dihydromyrcenol is in de beoordelingsperiode met 12 % gedaald. Hun marktaandeel nam zelfs met 28 % af omdat de markt in die periode groeide.

 

2003

2004

2005

OT

Verkoop in de EG (kg)

Index: 2003 = 100

100

89

88

88

Marktaandeel

Index: 2003 = 100

100

90

83

72

Bron: bij andere communautaire producenten ingewonnen informatie.

(64)

Op grond van het bovenstaande wordt voorlopig geconcludeerd dat de prestaties van de twee andere communautaire producenten de bedrijfstak van de Gemeenschap geen schade hebben toegebracht.

5.3.2.   Intern gebruik door de bedrijfstak van de Gemeenschap

(65)

Zoals in de overwegingen 27 tot en met 34 wordt vermeld, omvatten de activiteiten van de bedrijfstak van de Gemeenschap met betrekking tot het soortgelijke product onder meer het interne gebruik van dit product voor de vervaardiging van derivaten en/of de samenstelling van parfums. Zoals in de bovengenoemde overwegingen nader wordt uitgelegd, werd het passend geacht het interne gebruik door de bedrijfstak van de Gemeenschap uit te sluiten van de analyse van de schade-indicatoren (waar dit zinvol was) en het te onderzoeken in het kader van andere factoren, d.w.z. andere mogelijke oorzaken van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade.

(66)

Het interne gebruik door de bedrijfstak van de Gemeenschap is in de beoordelingsperiode licht gedaald. In 2004 is het met 14 % afgenomen en in 2005 met nog eens 14 procentpunten gedaald, waarna het in het onderzoektijdvak tot ongeveer 240 000 kg is gestegen, wat toch nog 5 % minder is dan in 2003. Relatief gezien maakte het interne gebruik circa 10 % van het totale productievolume uit, met uitzondering van 2005, toen het tot 8 % zakte.

 

2003

2004

2005

OT

Intern gebruik (kg)

249 809

215 100

179 954

236 323

Index: 2003 = 100

100

86

72

95

Bron: gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

(67)

Op grond van het bovenstaande en rekening houdend met het feit dat het interne gebruik slechts ongeveer 10 % van de productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap vertegenwoordigt, wordt voorlopig geconcludeerd dat de ontwikkeling van het interne gebruik niet in aanzienlijke mate kon bijdragen aan de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden aanmerkelijke schade.

5.3.3.   Uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(68)

In volume is de uitvoer van de bedrijfstak van de Gemeenschap in de beoordelingsperiode licht toegenomen. Het uitvoervolume is in 2004 met 8 % en in 2005 met nog eens 12 procentpunten gestegen, waarna het in het onderzoektijdvak is gedaald tot een niveau dat 4 % boven dat van 2003 lag. Uit de tabel hierna is op te maken dat de eenheidsprijs tussen 2003 en het onderzoektijdvak met 26 % is teruggelopen. Hierbij zij echter opgemerkt dat de uitvoerprijs minder snel is gedaald dan de verkoopprijs in de Gemeenschap en in absolute cijfers aanzienlijk hoger bleef dan deze laatste.

 

2003

2004

2005

OT

Uitgevoerde hoeveelheid van de EG-productie (eenheden)

743 445

803 219

890 242

774 802

Index: 2003 = 100

100

108

120

104

Uitvoerprijs (EUR/eenheid)

4,55

4,05

3,57

3,36

Index: 2003 = 100

100

89

79

74

Bron: gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

(69)

Derhalve kan voorlopig worden geconcludeerd dat de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap niet in aanzienlijke mate aan de aanmerkelijke schade hebben bijgedragen.

5.3.4.   Invoer uit andere derde landen

(70)

De invoer uit andere derde landen dan India werd ook onderzocht. Er zij aan herinnerd dat de door Eurostat meegerekende invoer uit Japan om de in overweging 36 vermelde redenen niet in aanmerking is genomen. Voor dit onderzoek werden geen andere correcties in de gegevens van Eurostat aangebracht.

(71)

Zoals uit de tabel hierna blijkt, is het volume van de invoer uit andere derde landen in de beoordelingsperiode afgenomen. Na een inzinking in 2004 en 2005 trad in het onderzoektijdvak een herstelbeweging op en werd een niveau bereikt dat 4 % onder dat van 2003 lag. Deze ontwikkeling viel duidelijk samen met een stijging van de prijzen van deze invoer in 2004 en 2005 en de daaropvolgende daling ervan in het onderzoektijdvak. In absolute cijfers bleef het prijsniveau van de invoer uit andere derde landen gedurende de gehele beoordelingsperiode aanzienlijk hoger dan het prijsniveau van de invoer uit India (zie overweging 39). Het overeenkomstige aandeel in de communautaire markt van de invoer uit andere derde landen ontwikkelde zich op dezelfde wijze als het volume van de invoer en de marktexpansie; het is tussen 2003 en het eind van het onderzoektijdvak met 22 % gedaald.

 

2003

2004

2005

OT

Invoer (kg)

935 800

756 200

606 700

895 100

Index: 2003 = 100

100

81

65

96

Gemiddelde invoerprijs (EUR/kg)

4,04

4,79

4,75

4,08

Index: 2003 = 100

100

119

118

101

Marktaandeel

26 %

21 %

16 %

20 %

Index: 2003 = 100

100

81

61

78

Bron: Eurostat.

(72)

Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de invoer uit andere derde landen dan India de bedrijfstak van de Gemeenschap geen schade heeft toegebracht.

5.3.5.   De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft de schade zelf veroorzaakt

(73)

Een van de belanghebbenden voerde aan dat de bedrijfstak van de Gemeenschap de schade zelf had veroorzaakt omdat de klagers afhankelijk zijn van de invoer van de belangrijkste grondstoffen die voor de vervaardiging van het soortgelijke product worden gebruikt, en bijgevolg niet concurrerend zijn ten opzichte van de andere producenten in de Gemeenschap, en zelfs niet op wereldniveau. In dit verband heeft het onderzoek niet aangetoond dat er aanzienlijke verschillen zijn tussen de toeleveranciers die de klagers en de andere communautaire producenten, of zelfs de medewerkende Indiase producenten, voor hun belangrijkste grondstoffen gebruiken en de prijzen die zij ervoor betalen, zodat de bovenvermelde beweringen niet konden worden gestaafd. Dit argument moet dan ook worden afgewezen.

5.4.   Conclusie betreffende het oorzakelijk verband

(74)

Als conclusie wordt bevestigd dat de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden en die met name wordt gekenmerkt door een daling van de verkoopprijzen per eenheid, waardoor de financiële situatie aanzienlijk verslechterde, werd veroorzaakt door de invoer met dumping uit het betrokken land. Hoewel het interne gebruik en de uitvoerprestaties in zekere mate kunnen hebben bijgedragen aan de slechtere prestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap, was de ontwikkeling ervan niet van die aard dat het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de schadelijke situatie voor de bedrijfstak van de Gemeenschap erdoor werd verbroken.

(75)

Gezien bovenstaande analyse, waarbij de gevolgen van alle bekende factoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap duidelijk zijn onderscheiden van de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping, wordt bevestigd dat deze andere factoren als zodanig de bevinding dat de vastgestelde schade moet worden toegeschreven aan de invoer met dumping, niet ongedaan kunnen maken.

(76)

De voorlopige conclusie luidt derhalve dat de bedrijfstak van de Gemeenschap door de invoer met dumping uit het betrokken land aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 6, van de basisverordening.

6.   BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

6.1.   Algemene opmerkingen

(77)

De Commissie heeft onderzocht of er, ondanks de voorlopige conclusie inzake schadeveroorzakende dumping, dwingende redenen waren om te concluderen dat het niet in het belang van de Gemeenschap is om in dit geval maatregelen te nemen. Overeenkomstig artikel 21, lid 1, van de basisverordening werd op basis van al het overgelegde bewijsmateriaal dan ook onderzocht welke gevolgen het al dan niet instellen van maatregelen zou hebben voor alle bij deze procedure betrokken partijen.

6.2.   Belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(78)

De schadeanalyse heeft duidelijk aangetoond dat de bedrijfstak van de Gemeenschap door de invoer met dumping schade heeft geleden. De invoer met dumping die de laatste jaren fors is toegenomen, was de oorzaak van de sterke neerwaartse prijsdruk. Met het oog op het behoud van zijn marktpositie en van het volume van zijn verkoop op de vrije markt, wat van doorslaggevend belang is voor de productiekosten, ziet de bedrijfstak van de Gemeenschap zich genoopt te verkopen tegen prijzen die de vaste kosten amper dekken.

(79)

In deze context zou de positie van de bedrijfstak van de Gemeenschap zonder het instellen van maatregelen op lange termijn niet houdbaar zijn. Hoewel de directe werkgelegenheid in de productie van dihydromyrcenol vrij beperkt is, zouden de negatieve gevolgen daarvoor vooral merkbaar zijn in één geografisch gebied in Spanje, waar het grootste deel van de communautaire productie geconcentreerd is. Indien maatregelen worden genomen en de invoerprijs weer op een niveau komt waarop er geen sprake is van dumping, zal de bedrijfstak van de Gemeenschap op eerlijke handelsvoorwaarden op basis van een comparatief voordeel kunnen concurreren. Verwacht wordt dat het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Gemeenschap zal toenemen en dat de bedrijfstak van de Gemeenschap daardoor van schaalvoordelen zal kunnen profiteren. Voorts wordt verwacht dat de bedrijfstak van de Gemeenschap van de vermindering van de door de invoer met dumping veroorzaakte neerwaartse prijsdruk gebruik zal maken om zijn verkoopprijzen enigszins te verhogen, daar de maatregelen een eind zullen maken aan de tijdens het onderzoektijdvak vastgestelde prijsonderbieding. Deze verwachte positieve gevolgen van maatregelen zullen de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat stellen zijn kritieke financiële situatie te verbeteren.

(80)

Het is dan ook duidelijk in het belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap maatregelen in te stellen. Als geen maatregelen worden ingesteld, kan dit in de Gemeenschap leiden tot stopzetting van de productie van dihydromyrcenol of zelfs tot bedrijfssluitingen.

6.3.   Belang van gebruikers en consumenten

(81)

Consumentenverenigingen hebben zich niet kenbaar gemaakt noch gegevens verstrekt overeenkomstig artikel 21, lid 2, van de basisverordening. Daarom en aangezien dihydromyrcenol alleen wordt gebruikt als grondstof of bestanddeel bij de fabricage van andere tussen- of eindproducten (zie de overwegingen 11 en 28), werd de analyse beperkt tot de gevolgen van de maatregelen voor de gebruikers. Dihydromyrcenol wordt vooral gebruikt in detergentia, zeepgeurstoffen en bepaalde parfums. De betrokken sectoren zijn dus was- en schoonmaakmiddelen, schoonheidsproducten en lichaamsverzorgingsproducten. Er werd een vragenlijst toegezonden aan 13 bekende gebruikers van dihydromyrcenol in de Gemeenschap en aan vier verenigingen op het gebied van smaak- en geurstoffen. De Commissie vroeg onder meer hun mening over de vraag of antidumpingmaatregelen in het belang van de Gemeenschap zouden zijn en wat de gevolgen van deze maatregelen voor hen zouden zijn.

(82)

Er werd één ingevulde vragenlijst ontvangen van een fabrikant van een heel assortiment was-, schoonmaak- en lichaamsverzorgingsmiddelen. Deze wees erop dat het onderzochte product slechts een marginaal deel uitmaakt van al zijn tussen- en eindproducten. Bovendien gebruikte deze onderneming geen dihydromyrcenol van oorsprong uit India, zodat zij geen volledige informatie kon verstrekken. Niettemin nam deze gebruiker aan dat het instellen van maatregelen zou kunnen leiden tot tekorten in de toelevering en tot prijsstijgingen, wat op lange termijn zou kunnen resulteren in veranderingen in de samenstelling van parfums onder invloed van de prijzen. Een andere gebruiker deelde de Commissie mee dat hij geen dihydromyrcenol van oorsprong uit India gebruikte. Deze onderneming maakte geen opmerkingen over de gevolgen van eventuele maatregelen. Van verenigingen werden geen opmerkingen ontvangen.

(83)

Met betrekking tot de ontvangen opmerkingen heeft het onderzoek uitgewezen dat redelijkerwijs geen tekorten in de toelevering van dihydromyrcenol te verwachten zijn, daar de bezettingsgraad in de bedrijfstak van de Gemeenschap in het onderzoektijdvak slechts 73 % bedroeg (zie overweging 45). Dihydromyrcenol wordt ook in diverse andere derde landen dan India geproduceerd. Bovendien wordt, gezien de vrij lage dumpingmarges die zijn vastgesteld, geen aanzienlijke prijsstijging verwacht. Gezien het bovenstaande en rekening houdend met het marginale effect van dihydromyrcenol op de kosten van afgeleide producten wordt voorlopig geconcludeerd dat antidumpingmaatregelen waarschijnlijk geen aanzienlijke gevolgen voor de situatie van de gebruikers in de Gemeenschap zullen hebben.

6.4.   Belang van de niet-verbonden importeurs/handelaars in de Gemeenschap

(84)

Er werd contact opgenomen met 27 bekende importeurs van of handelaars in het betrokken product in de Gemeenschap. Drie van deze ondernemingen deelden de Commissie mee dat zij geen dihydromyrcenol uit India invoerden. Slechts twee niet met de producenten/exporteurs verbonden importeurs hebben uiteindelijk de vragenlijst beantwoord. Eén van hen wees erop dat hij zijn invoer uit India tijdens het onderzoektijdvak had stopgezet omdat zijn leverancier had besloten uitsluitend via bepaalde andere distributeurs te verkopen. Deze importeur maakte geen opmerkingen over de vermoedelijke gevolgen van de maatregelen, daar hij er blijkbaar geen belang meer bij had. Voor de andere medewerkende importeur maakte de verkoop van het betrokken product in de Gemeenschap minder dan 20 % van zijn totale omzet uit, terwijl zijn aandeel in de totale invoer van het betrokken product uit India vrij marginaal was. Deze onderneming maakte geen specifieke opmerkingen over de vermoedelijke gevolgen van eventuele maatregelen voor haar eigen activiteiten. Zij wees er alleen op dat eventuele maatregelen de Indiase producenten zouden aanmoedigen zich aan te passen door hun efficiëntie te vergroten, terwijl de communautaire producenten door de hun geboden bescherming in staat zouden worden gesteld hun inefficiënte productie te handhaven en niet zouden worden gedwongen te herstructureren. In dit verband wordt erop gewezen dat, zoals in overweging 79 wordt aangetoond, de antidumpingmaatregelen de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat zouden stellen om, in tegenstelling tot wat hierboven wordt beweerd, zijn verkoopvolume te vergroten en zijn kritieke financiële situatie te verbeteren, waardoor ruimte zou ontstaan om de productie efficiënter te maken. Dit argument moet dan ook worden afgewezen.

(85)

Gezien het bovenstaande en met name rekening houdend met de geringe mate van medewerking van niet-verbonden importeurs/handelaars in de Gemeenschap wordt voorlopig geconcludeerd dat antidumpingmaatregelen geen uitgesproken negatieve gevolgen voor hun situatie zouden hebben.

6.5.   Conclusie over het belang van de Gemeenschap

(86)

Uit bovenstaande analyse blijkt dat antidumpingmaatregelen in het belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn, omdat van die maatregelen wordt verwacht dat zij een rem zullen zetten op de aanzienlijke invoer tegen dumpingprijzen en een eind zullen maken aan de met deze invoer gepaard gaande prijsonderbieding, waarvan is vastgesteld dat deze aanzienlijke negatieve gevolgen heeft voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Verwacht wordt dat ook de andere communautaire producenten profijt zullen trekken van deze maatregelen.

(87)

Uit de analyse is voorts gebleken dat antidumpingmaatregelen waarschijnlijk geen aanzienlijke gevolgen voor de gebruikers zullen hebben.

(88)

Vanwege de geringe mate van medewerking van niet-verbonden importeurs van of handelaars in het betrokken product in de Gemeenschap kon geen grondige analyse van hun belang worden gemaakt. De conclusie kan echter worden getrokken dat deze ondernemingen besloten niet aan het onderzoek mee te werken omdat hun activiteiten geen aanzienlijke gevolgen zouden ondervinden van maatregelen betreffende de invoer van dihydromyrcenol uit India.

(89)

Alles in aanmerking genomen lijken maatregelen ter bestrijding van schadeveroorzakende dumping de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat te stellen zijn financiële situatie te verbeteren en zijn activiteiten voort te zetten, terwijl de schadelijke gevolgen die de maatregelen voor bepaalde andere marktdeelnemers in de Gemeenschap kunnen hebben, niet onevenredig zijn in vergelijking met de voordelen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(90)

Op grond hiervan luidt de voorlopige conclusie dat er geen dwingende redenen van communautair belang zijn om in dit geval geen antidumpingmaatregelen in te stellen.

7.   VOORLOPIGE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

(91)

Gezien de voorlopige conclusies inzake dumping, door de dumping veroorzaakte schade en belang van de Gemeenschap moeten voorlopige maatregelen betreffende de invoer van het betrokken product uit India worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap nog meer schade lijdt door de invoer met dumping.

7.1.   Schademarge

(92)

De voorlopige antidumpingrechten moeten hoog genoeg zijn om te voorkomen dat de invoer met dumping nog schade aan de bedrijfstak van de Gemeenschap toebrengt, maar mogen het niveau van de vastgestelde dumpingmarges niet overschrijden. Bij de berekening van de hoogte van het recht waarbij de gevolgen van de schadeveroorzakende dumping worden tenietgedaan, werd ervan uitgegaan dat de maatregelen de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat moeten stellen zijn kosten te dekken en een winst voor belasting te behalen die bij normale concurrentievoorwaarden, d.w.z. wanneer geen invoer met dumping plaatsvindt, redelijkerwijs kan worden gemaakt.

(93)

Op grond van de beschikbare gegevens werd voorlopig vastgesteld dat een winstmarge van 5 % op de omzet kan worden aangemerkt als een passend winstpeil waarop de bedrijfstak van de Gemeenschap zonder schadeveroorzakende dumping zou kunnen rekenen. In 2003, d.w.z. vóór de sterke toename van de invoer met dumping uit India, maakte de bedrijfstak van de Gemeenschap een winst van 12,3 % op zijn verkoop van het soortgelijke product op de vrije markt (zie overweging 48). Het werd echter noodzakelijk geacht deze winstgevendheid te corrigeren voor het feit dat de communautaire en de wereldmarkt voor dihydromyrcenol zijn gegroeid en dat nieuwe capaciteiten zijn opgebouwd, zodat het algemene prijsniveau — ongeacht of er sprake is van invoer met dumping — enigszins is gedaald, terwijl de productiekosten per eenheid min of meer onveranderd zijn gebleven. Derhalve leek een winst — zonder invoer met dumping — van ongeveer 12 % redelijkerwijs niet gerechtvaardigd; in plaats daarvan werd een winstmarge van 5 % op de omzet in de huidige situatie passender geacht.

(94)

De noodzakelijke prijsstijging werd vervolgens vastgesteld door de gewogen gemiddelde invoerprijs, zoals vastgesteld voor de berekening van de prijsonderbieding, te vergelijken met de gemiddelde niet-schadeveroorzakende prijs van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt verkochte producten. Het verschil dat uit deze vergelijking voortvloeide, werd vervolgens uitgedrukt in een percentage van de gemiddelde cif-waarde bij invoer. Deze verschillen lagen voor beide medewerkende producenten/exporteurs boven de vastgestelde dumpingmarges.

7.2.   Voorlopige maatregelen

(95)

Gezien het voorgaande wordt overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening geoordeeld dat voor de medewerkende producenten/exporteurs een voorlopig antidumpingrecht moet worden ingesteld op het niveau van de vastgestelde dumpingmarges.

(96)

Er wordt aan herinnerd dat de mate van medewerking hoog was, zodat het passend werd geacht het recht voor de overige ondernemingen, die niet aan het onderzoek hebben meegewerkt, vast te stellen op het hoogste van de twee voor de medewerkende ondernemingen in te stellen percentages (zie overweging 22). Het residuele recht wordt daarom vastgesteld op 7,5 %.

(97)

Op grond van het voorgaande wordt het voorlopige antidumpingrecht als volgt vastgesteld:

Producent

Voorgesteld antidumpingrecht

Neeru Enterprises, Rampur

3,3 %

Alle andere ondernemingen (met inbegrip van Privi Organics Limited, Mumbai)

7,5 %

(98)

Het bij deze verordening vastgestelde individuele antidumpingrecht voor de onderneming in kwestie is gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Het weerspiegelt daarom de situatie die bij dit onderzoek voor deze onderneming werd vastgesteld. Dit recht (in tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht dat van toepassing is op „alle andere ondernemingen”) geldt dus uitsluitend bij de invoer van producten van oorsprong uit India die vervaardigd zijn door de specifiek vermelde juridische entiteit. Het recht is niet van toepassing op ingevoerde producten die zijn vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening met naam en adres genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde onderneming; op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor „alle andere ondernemingen”.

(99)

Verzoeken in verband met de toepassing van dit individuele antidumpingrecht voor de onderneming in kwestie (bv. na de naamswijziging van de entiteit of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) moeten onverwijld aan de Commissie worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien deze naamswijziging of deze oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van productie en verkoop in binnen- en buitenland. Indien zij dit gerechtvaardigd acht, zal de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, de verordening wijzigen door bijwerking van de lijst van ondernemingen die voor een individueel recht in aanmerking komen.

(100)

Om een goede toepassing van het antidumpingrecht te garanderen, moet het residuele recht niet alleen gelden voor de niet-medewerkende producenten/exporteurs, maar ook voor de producenten die het betrokken product in het onderzoektijdvak niet naar de Gemeenschap hebben uitgevoerd. De laatstgenoemde ondernemingen kunnen evenwel, wanneer zij voldoen aan de voorwaarden van artikel 11, lid 4, tweede alinea, van de basisverordening, verzoeken dat hun situatie individueel wordt onderzocht.

8.   SLOTBEPALING

(101)

Met het oog op de beginselen van behoorlijk bestuur moet een termijn worden vastgesteld waarbinnen belanghebbenden die zich binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn kenbaar hebben gemaakt, schriftelijk opmerkingen kunnen maken en kunnen vragen te worden gehoord. Voorts dient te worden opgemerkt dat alle bevindingen betreffende de instelling van rechten in het kader van deze verordening voorlopig zijn en bij de instelling van een definitief recht kunnen worden herzien,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op dihydromyrcenol met een zuiverheid van 93 of meer gewichtspercenten, ingedeeld onder de GN-code ex 2905 22 90 (Taric-code 2905229010), van oorsprong uit India.

2.   Het voorlopige antidumpingrecht, dat van toepassing is op de nettoprijs franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, voor het in lid 1 omschreven product dat door onderstaande ondernemingen is geproduceerd, is als volgt:

Producent

Antidumpingrecht

Aanvullende Taric-code

Neeru Enterprises, Rampur, India

3,3 %

A827

Alle andere ondernemingen

7,5 %

A999

3.   Bij het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap van het in lid 1 bedoelde product dient zekerheid te worden gesteld ten bedrage van het voorlopige recht.

4.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

Onverminderd artikel 20 van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad kunnen belanghebbenden binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening verzoeken in kennis te worden gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan deze verordening werd vastgesteld, schriftelijk opmerkingen maken en vragen door de Commissie te worden gehoord.

Ingevolge artikel 21, lid 4, van Verordening (EG) nr. 384/96 kunnen de betrokken partijen binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening opmerkingen doen toekomen over de toepassing ervan.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 1 van deze verordening is gedurende een periode van zes maanden van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 juli 2007.

Voor de Commissie,

Peter MANDELSON

Lid van de Commissie


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 17).

(2)  PB C 275 van 11.11.2006, blz. 25.


Top