Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32006D0793

2006/793/EG: Beschikking van de Commissie van 31 mei 2006 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak nr. COMP/F/38.645 — Methacrylaat) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 2098) (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 322, 22.11.2006, p. 20–23 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2006/793/oj

22.11.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 322/20


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 31 mei 2006

betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst

(Zaak nr. COMP/F/38.645 — Methacrylaat)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 2098)

(Alleen de tekst in de Engelse en Franse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2006/793/EG)

SAMENVATTING VAN DE INBREUK

(1)

Deze beschikking was geadresseerd aan Degussa AG, Röhm GmbH & Co. KG, Para-Chemie GmbH, Altuglas International SA, Altumax Europe SAS, Arkema SA, Elf Aquitaine SA, Total SA, ICI PLC, Lucite International Ltd en Lucite International UK Ltd, Quinn Barlo Ltd, Quinn Plastics NV en Quinn Plastics GmbH.

(2)

De bovenstaande 14 rechtspersonen (die behoren tot 5 ondernemingen, waarbij een aantal rechtspersonen aansprakelijk werden gesteld als moederondernemingen) hebben inbreuk gepleegd op artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst door tussen 23 januari 1997 en 12 september 2002 deel te nemen aan één enkele en voortdurende inbreuk in de methacrylaatsector in de EER, voor de volgende drie producten:

Polymethyl-methacrylaat (PMMA)-vormmassa;

Massieve polymethyl-methacrylaat (PMMA)-platen; en

Sanitaire polymethyl-methacrylaat (PMMA)-artikelen.

(3)

De belangrijkste elementen van de inbreuk waren: bespreking van prijzen tussen concurrenten, het overeenkomen van, uitvoeren van en toezicht houden op prijsafspraken, hetzij in de vorm van prijsverhogingen of tenminste een stabilisering van de bestaande prijzen; gesprekken over het aanrekenen van extra dienstverleningskosten aan klanten; uitwisseling van commercieel belangrijke en vertrouwelijke informatie die relevant was voor de markt en/of het bedrijf; deelname aan regelmatige bijeenkomsten en andere contacten om bovenstaande concurrentiebeperkende praktijken overeen te komen en de uitvoering ervan te controleren binnen de EER.

DE METHACRYLAATSECTOR

(4)

PMMA-vormmassa, massieve PMMA-platen en sanitaire PMMA-artikelen zijn alle drie PMMA-producten die deel uitmaken van een productieketen waarvan methacrylaat-monomeren (MMA) het startpunt en de belangrijkste grondstof vormen. Hoewel deze drie PMMA-producten zowel fysiek als chemisch van elkaar verschillen, kunnen zij beschouwd worden als één homogene productgroep aangezien zij uit dezelfde grondstof vervaardigd worden.

(5)

Uit het onderzoek bleek dat het kartel de gehele EER bestreek. In 2000 bedroeg de marktwaarde in de EER voor de drie PMMA-producten samen ongeveer 665 miljoen EUR voor ongeveer 255 000 ton.

PROCEDURE

(6)

In december 2002 stelde de Duitse onderneming Degussa AG de Commissie in kennis van het bestaan van een kartel in de methacrylaatsector en maakte zij duidelijk dat zij met de Commissie wenste samen te werken overeenkomstig de clementieregeling van 2002. Degussa verschafte de Commissie bewijzen waardoor in maart 2003 inspecties konden worden uitgevoerd ten kantore van Atofina, Barlo, Lucite en Degussa.

(7)

Na de inspecties dienden Atofina, Lucite en ICI een verzoek in voor een vermindering van de geldboeten. Atofina en Lucite werd een boetevermindering toegestaan. Bovendien kreeg Lucite immuniteit voor een gedeelte van de duur van haar betrokkenheid bij het kartel. Het verzoek van ICI werd verworpen omdat haar bewijsmateriaal niet voldoende toegevoegde waarde had.

(8)

De Mededeling van punten van bezwaar was gericht aan 20 rechtspersonen die tot 7 ondernemingen behoorden. De mondelinge hoorzitting, waaraan alle adressaten hebben deelgenomen, vond plaats op 15/16 december 2005.

WERKING VAN HET KARTEL

(9)

Hoewel er aanwijzingen zijn dat de eerste concurrentiebeperkende contacten tussen de producenten van de drie PMMA-producten reeds medio jaren tachtig hebben plaatsgevonden, stelde de Commissie als startdatum 23 januari 1997 vast, aangezien op die datum de eerste kartelbijeenkomst plaatsvond waarvoor de Commissie bevestiging heeft gekregen van meer dan één deelnemer. Op deze topontmoeting bespraken vertegenwoordigers van Atofina, Degussa en ICI de tegenvallende winstcijfers met betrekking tot PMMA-vormmassa en massieve PMMA-platen en de mogelijkheden om te zorgen voor een betere coördinatie van het marktgedrag van de concurrenten. Sales managers dienden gedisciplineerd te worden en zich strikter te houden aan vroegere afspraken.

(10)

Uit de algemene structuur van de concurrentiebeperkende overeenkomsten voor de drie PMMA-producten blijkt dat deze beschouwd kunnen worden als één enkele inbreuk waarbij de concurrenten prijzen bespraken, prijsafspraken overeenkwamen, uitvoerden en controleerden, het aanrekenen van extra dienstverleningskosten aan klanten opperden en commercieel belangrijke en vertrouwelijke informatie uitwisselden die relevant was voor de markt en/of het bedrijf.

GELDBOETEN

Basisbedrag

Zwaarte

(11)

Rekening houdend met de zwaarte van de inbreuk, de weerslag ervan op de markt en de geografische omvang, moet de inbreuk als zeer ernstig worden aangemerkt.

Gedifferentieerde behandeling

(12)

Aangezien er een aanzienlijk verschil was tussen het gewicht van elke onderneming in termen van omzet in de bedrijfstak waarop het kartel betrekking had, hebben wij een gedifferentieerde behandeling toegepast (in groepen) om daarmee rekening te houden: met deze aanpak wordt een gedifferentieerde behandeling beoogd afhankelijk van de mate waarin elke onderneming de concurrentie heeft geschaad.

(13)

De ondernemingen werden in drie categorieën onderverdeeld overeenkomstig hun gecumuleerde omzet voor de drie PMMA-producten samen in de EER in 2000, het recentste jaar waarin de meeste adressaten van deze beschikking actief waren in het kartel.

(14)

Degussa en Atofina met respectievelijk 216 miljoen en 188 miljoen EUR worden in de eerste categorie geplaatst. Lucite, met 105,98 miljoen EUR, is de derde grootste producent en komt in de tweede categorie. ICI, die geen omzetcijfers voor haar bedrijfsafdeling ICI Acrylics kon verstrekken, wordt in de tweede categorie geplaatst, samen met Lucite, aangezien de verkoop van die afdeling aan Lucite een billijke vergelijking mogelijk maakt met de cijfers van Lucite wat de omzet van ICI Acrylics betreft. Quinn Barlo, met 66,37 miljoen EUR voor massieve PMMA-platen alleen, kwam in de derde categorie terecht. Het is niet bewezen dat Barlo deelnam aan enige heimelijke contacten betreffende PMMA-vormmassa of sanitaire PMMA-artikelen aangezien zij niet op de hoogte was of niet noodzakelijk kennis had van het globale plan betreffende de concurrentiebeperkende regelingen. Gezien deze feiten werd het basisbedrag van de boete voor Barlo derhalve met 25 % verminderd.

Voldoende afschrikkende werking

(15)

Om het bedrag van de geldboete op een zodanig niveau te stellen dat daarvan een voldoende afschrikkende werking uitgaat, acht de Commissie het passend een vermenigvuldigingsfactor toe te passen op de opgelegde boeten. De Commissie merkt op dat in 2005, het recentste boekjaar dat aan de beschikking voorafgaat, de totale omzetcijfers van de ondernemingen als volgt waren: Degussa AG: 11,750 miljoen EUR; Total SA: 143,168 miljoen EUR en ICI PLC: 8,490 miljoen EUR.

(16)

Derhalve, en in lijn met vroegere beschikkingen acht de Commissie het passend een bepaalde vermenigvuldigingsfactor toe te passen op de boeten voor Total/Atofina, Degussa en ICI.

Duur

(17)

Er werden tevens individuele vermenigvuldigingsfactoren toegepast afhankelijk van de duur van de door elke rechtspersoon gepleegde inbreuk.

VERZWARENDE OMSTANDIGHEDEN

Recidive

(18)

Op het tijdstip van de inbreuk waren Degussa, Atofina en ICI reeds het voorwerp geweest van vroegere verbodsbeschikkingen van de Commissie wegens kartelactiviteiten (1). Dit rechtvaardigt een verhoging van het basisbedrag van de deze ondernemingen opgelegde boeten.

VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN

(19)

Verschillende ondernemingen riepen enkele of alle van de volgende verzachtende omstandigheden in: vroege beëindiging van de inbreuk, een kleine/passieve rol, het niet daadwerkelijk toepassen van de gedragsregels, de uitvoering van gehoorzaamheidsprogramma's, het uitblijven van winsten, crisis in de MMA-sector. Deze aanspraken werden alle verworpen omdat zij ongegrond waren, behalve de geringe/passieve rol die Quinn Barlo heeft gespeeld. Het basisbedrag voor Quinn Barlo werd derhalve met 50 % verminderd.

(20)

De aanspraken op verzachtende omstandigheden op basis van samenwerking buiten de clementieregeling van 2002 werden verworpen, omdat er zich geen uitzonderlijke omstandigheden hebben voorgedaan die een dergelijke behandeling zouden rechtvaardigen. Derhalve werd de samenwerking tussen de ondernemingen uitsluitend beoordeeld overeenkomstig de clementiemededeling van 2002.

TOEPASSING VAN DE CLEMENTIEMEDEDELING VAN 2002

Immuniteit — Punt 8 a)

(21)

Degussa was de eerste om de Commissie op 20 december 2002 in kennis te stellen van het bestaan van een kartel. Op 27 januari 2003 verleende de Commissie Degussa voorwaardelijke immuniteit tegen geldboeten overeenkomstig punt 15 van de clementiemededeling. Degussa heeft, gedurende de gehele administratieve procedure van de Commissie, onafgebroken en zonder dralen haar volledige medewerking verleend en de Commissie alle bewijsmateriaal ter beschikking gesteld waarover zij met betrekking tot de vermoedelijke inbreuk kon beschikken. Degussa heeft haar betrokkenheid bij de vermoedelijke inbreuk uiterlijk beëindigd op het tijdstip waarop zij haar bewijsmateriaal overeenkomstig de clementiemededeling heeft ingediend en heeft andere ondernemingen niet tot deelname aan de inbreuk gedwongen. Derhalve kwam Degussa in aanmerking voor een volledige immuniteit tegen geldboeten.

Vermindering van een geldboete — Punt 23 b), eerste streepje (vermindering van 30 tot 50 %)

(22)

Atofina was de eerste onderneming die voldeed aan de voorwaarden van punt 21 van de clementiemededeling, aangezien zij de Commissie bewijsmateriaal heeft verstrekt dat een significante toegevoegde waarde had vergeleken met het bewijsmateriaal waarover de Commissie reeds beschikte, ten tijde van de indiening ervan, en omdat Atofina voorzover de Commissie weet, haar betrokkenheid bij de inbreuk uiterlijk en definitief heeft beëindigd op het tijdstip waarop zij het bewijsmateriaal indiende. Zij kwam derhalve overeenkomstig punt 23 b), eerste streepje, in aanmerking voor een vermindering van 30 tot 50 % van de geldboete die zou zijn opgelegd, indien zij geen medewerking had verleend. Atofina kreeg een vermindering van de geldboete van 40 %.

Punt 23 b), tweede streepje (vermindering van 20 tot 30 %)

(23)

Lucite was de tweede onderneming die voldeed aan de voorwaarden van punt 21 van de clementiemededeling zoals hierboven vermeld. Lucite kwam overeenkomstig punt 23 b), tweede streepje, van de clementiemededeling, in aanmerking voor een vermindering van 20 tot 30 % van de geldboete. Lucite kreeg een vermindering van de geldboete van 30 %.

Immuniteit krachtens punt 23

(24)

De door Lucite verstrekte bewijzen maakten het de Commissie mogelijk de duur van het kartel uit te breiden van 28 februari 2001 tot 12 september 2002. Overeenkomstig punt 23 van de clementiemededeling had deze periode van de inbreuk betrekking op feiten die de Commissie niet eerder bekend waren en die een recthsqtreeks gevolg hadden voor de duur van de vermeende inbreuk. Er werd geen rekening gehouden met de bewijzen van Lucite voor deze periode voor het bepalen van de geldboete van Lucite zelf.

Punt 23 b), derde streepje (vermindering tot 20 %)

(25)

ICI verzocht om clementie op 18 oktober 2004, nadat de Commissie verzoeken om clementie had ontvangen van Degussa (20 december 2002), Atofina (3 april 2003) en Lucite (11 juli 2003).

(26)

Overeenkomstig de clementiemededeling onderzocht de Commissie het door ICI ingediende bewijsmateriaal in chronologische volgorde waarin het bewijsmateriaal was verstrekt, om na te gaan of dit een significant toegevoegde waarde had in de zin van punt 21. Op basis van deze criteria deelde de Commissie ICI mee dat het door de onderneming verstrekte bewijsmateriaal geen significant toegevoegde waarde had in de zin van de clementiemededeling.

BEËINDIGING VAN DE PROCEDURE

(27)

Rekening houdend met de door de ondernemingen aangebrachte elementen in hun antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar en op de mondelinge hoorzitting, besloot de Commissie ten eerste de punten van bezwaar tegen alle ondernemingen te laten vallen met betrekking tot het MMA-gedeelte van de inbreuk, ten tweede de punten van bezwaar tegen BASF AG, Repsol YPF SA, Repsol Quimica SA, Repsol Brønderslev A/S en Repsol Polivar SpA ook met betrekking tot PMMA-vormmassa, massieve PMMA-platen en sanitaire PMMA-artikelen te laten vallen, ten derde de punten van bezwaar tegen Quinn Barlo Ltd, Quinn Plastics NV, Quinn Plastics GmbH, Quinn Plastics SA met betrekking tot PMMA-vormmassa te laten vallen, en ten laatste de punten van bezwaar tegen Quinn Plastics SA met betrekking tot massieve PMMA-platen te laten vallen.

BESCHIKKING

(28)

De adressaten van de beschikking en de duur van hun betrokkenheid bij het kartel waren als volgt:

a)

Degussa AG, Röhm GmbH & Co. KG (voorheen Agomer GmbH en Röhm GmbH) en Para-Chemie GmbH, van 23 januari 1997 tot 12 september 2002;

b)

Altuglas International SA, Altumax Europe SAS, Arkema SA (voorheen Atofina SA) en Elf Aquitaine SA, van 23 januari 1997 tot 12 september 2002 en Total SA van 1 mei 2000 tot 12 september 2002;

c)

ICI PLC van 23 januari 1997 tot 1 november 1999;

d)

Lucite International Ltd en Lucite International UK Ltd van 2 november 1999 tot 12 september 2002; en

e)

Quinn Barlo Ltd (voorheen Barlo Group plc), Quinn Plastics NV (voorheen Barlo Plastics NV) en Quinn Plastics GmbH (voorheen Barlo Plastics GmbH) van 30 april 1998 tot 21 augustus 2000.

(29)

Overeenkomstig voorgaande punten werden de volgende geldboeten opgelegd:

a)

Degussa AG, Röhm GmbH & Co. KG en Para-Chemie GmbH: 0 EUR;

b)

Arkema SA, Altuglas International SA en Altumax Europe SAS, hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk: 219,13125 miljoen EUR; van dit bedrag is Total SA hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk voor 140,4 miljoen EUR en is Elf Aquitaine SA hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk voor 181,35 miljoen EUR;

c)

ICI PLC: 91,40625 miljoen EUR;

d)

Lucite International Ltd en Lucite International UK Ltd, hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk voor 25,025 miljoen EUR; en

e)

Quinn Barlo Ltd, Quinn Plastics NV en Quinn Plastics GmbH, hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk voor 9 miljoen EUR.

(30)

De hierboven genoemde ondernemingen dienden onmiddellijk een einde te maken aan de in punt 3 genoemde inbreuk, voor zover zij dat nog niet gedaan hadden. Zij dienden zich voortaan te onthouden van iedere in punt 3 beschreven handeling of gedraging, alsook van iedere handeling of gedraging die dezelfde of gelijkaardige doelstellingen of gevolgen heeft.


(1)  Het gaat onder meer om de volgende beschikkingen:

 

Wat Degussa betreft: Beschikking van de Commissie van 23 november 1984 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/30.907 — Peroxydeproducten, PB L 35 van 7.2.1985, blz. 1); Beschikking van de Commissie van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.149 — Polypropyleen, PB L 230 van 18.8.1986, blz. 1).

 

Wat Atofina betreft: Beschikking van de Commissie van 23 november 1984 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/30.907 – Peroxydeproducten, PB L 35 van 7.2.1985, blz. 1); Beschikking van de Commissie van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.149 — Polypropyleen, PB L 230 van 18.8.1986, blz. 1) en Beschikking van de Commissie van 27 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/31.865 — PVC, PB L 239 van 14.9.1994, blz. 14).

 

Wat ICI betreft: Beschikking van de Commissie van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.149 — Polypropyleen, PB L 230 van 18.8.1986, blz. 1); Beschikking van de Commissie van 27 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/31.865 — PVC, PB L 239 van 14.9.1994, blz. 14).


Top