Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32006D0464

2006/464/EG: Beschikking van de Commissie van 27 juni 2006 tot vaststelling van voorlopige noodmaatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van Dryocosmus kuriphilus Yasumatsu te voorkomen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 2881)

OJ L 183, 5.7.2006, p. 29–32 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
OJ L 118M , 8.5.2007, p. 956–959 (MT)
Special edition in Bulgarian: Chapter 03 Volume 073 P. 230 - 233
Special edition in Romanian: Chapter 03 Volume 073 P. 230 - 233
Special edition in Croatian: Chapter 03 Volume 064 P. 158 - 161

No longer in force, Date of end of validity: 01/10/2014; opgeheven door 32014D0690

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2006/464/oj

5.7.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 183/29


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 27 juni 2006

tot vaststelling van voorlopige noodmaatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van Dryocosmus kuriphilus Yasumatsu te voorkomen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 2881)

(2006/464/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name op artikel 16, lid 3, derde zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Wanneer een lidstaat van mening is dat het gevaar bestaat dat op zijn grondgebied schadelijke organismen worden binnengebracht of verspreid die niet in bijlage I of bijlage II bij Richtlijn 2000/29/EG zijn opgenomen, mag deze krachtens die richtlijn tijdelijk aanvullende maatregelen nemen om zichzelf tegen dat gevaar te beschermen.

(2)

Als gevolg van de aanwezigheid van Dryocosmus kuriphilus Yasumatsu in China, Korea, Japan, de Verenigde Staten van Amerika en een beperkt gebied van de Gemeenschap heeft Frankrijk de andere lidstaten en de Commissie op 14 maart 2005 meegedeeld dat het op 16 februari 2005 officiële maatregelen heeft genomen om zijn grondgebied te beschermen tegen het gevaar van het binnenbrengen van dat organisme.

(3)

Slovenië heeft de lidstaten en de Commissie op 29 juni 2005 meegedeeld dat het wegens uitbraken van hetzelfde organisme op zijn grondgebied op 24 juni 2005 aanvullende maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat dat organisme verder op zijn grondgebied wordt binnengebracht en verspreid.

(4)

Dryocosmus kuriphilus Yasumatsu is niet opgenomen in bijlage I of II bij Richtlijn 2000/29/EG. Uit een verslag van een op beperkte wetenschappelijke informatie gebaseerde ziekterisicoanalyse is echter gebleken dat het een van de meest schadelijke insecten voor kastanje (Castanea Mill.) is. Het kan de productie en de kwaliteit van kastanjes sterk verminderen en misschien zelfs de bomen doden. Kastanjes worden vaak geteeld op marginaal land op heuvels of bergen. De schade als gevolg van de verspreiding van het insect zou een einde kunnen maken aan de productie van kastanjes voor menselijke consumptie in die gebieden en kunnen leiden tot een achteruitgang van de economie en het milieu.

(5)

Daarom moeten voorlopige maatregelen worden genomen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voornoemd schadelijk organisme.

(6)

De in deze beschikking vastgestelde maatregelen moeten betrekking hebben op het binnenbrengen en de verspreiding van voornoemd organisme in de Gemeenschap, alsmede op de productie en het vervoer van Castanea-planten binnen de Gemeenschap, en moeten gericht zijn op de bestrijding van het organisme en op een onderzoek om na te gaan of dat schadelijke organisme in de lidstaten voorkomt, dan wel nog steeds afwezig is.

(7)

De resultaten van de maatregelen in 2006, 2007 en 2008 moeten regelmatig worden geëvalueerd, met name op grond van de door de lidstaten te verstrekken informatie. In het licht van de resultaten van die evaluaties zal worden bepaald of verdere maatregelen nodig zijn.

(8)

De lidstaten moeten hun wetgeving zo nodig aanpassen om aan deze beschikking te voldoen.

(9)

De resultaten van de maatregelen moeten uiterlijk op 1 februari 2008 opnieuw worden bekeken.

(10)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Definitie

In deze beschikking wordt onder „planten” verstaan planten of delen van planten van het geslacht Castanea Mill., bestemd voor opplant, met uitzondering van vruchten en zaden.

Artikel 2

Maatregelen tegen Dryocosmus kuriphilus Yasumatsu

Het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van Dryocosmus kuriphilus Yasumatsu, hierna „het organisme” genoemd, zijn verboden.

Artikel 3

Invoer van planten

Planten mogen de Gemeenschap alleen worden binnengebracht indien:

a)

zij voldoen aan de in punt 1 van bijlage I vastgestelde maatregelen, en

b)

zij bij binnenkomst in de Gemeenschap overeenkomstig artikel 13 bis, lid 1, van Richtlijn 2000/29/EG worden gecontroleerd op de aanwezigheid van het organisme en vrij daarvan worden bevonden.

Artikel 4

Vervoer van planten binnen de Gemeenschap

Onverminderd artikel 5, lid 3, onder a), en bijlage II, deel II, mogen planten die van oorsprong zijn uit de Gemeenschap of in de Gemeenschap zijn ingevoerd overeenkomstig artikel 3 van deze beschikking vanuit hun plaats van productie in de Gemeenschap, waaronder in voorkomend geval tuincentra, alleen worden vervoerd als zij aan de in punt 2 van bijlage I vastgestelde voorwaarden voldoen.

Artikel 5

Onderzoeken en kennisgevingen

1.   De lidstaten verrichten op hun grondgebied jaarlijks officieel onderzoek naar de aanwezigheid van het organisme of sporen van besmetting op hun grondgebied.

Onverminderd artikel 16, lid 2, van Richtlijn 2000/29/EG worden de Commissie en de andere lidstaten elk jaar vóór 31 december van de resultaten van die onderzoeken in kennis gesteld.

2.   Van elke vermoedelijke of bevestigde aanwezigheid van het organisme wordt bij de verantwoordelijke officiële instanties onmiddellijk kennisgeving gedaan.

3.

a)

De lidstaten mogen verlangen dat voor het vervoer van planten naar of op hun grondgebied een traceerbaarheidssysteem wordt toegepast, eventueel met een vervoersverklaring voor de verantwoordelijke officiële instanties door de persoon die voor het vervoer verantwoordelijk is.

b)

De lidstaten mogen verlangen dat de personen die voor de opplant verantwoordelijk zijn de verantwoordelijke officiële instanties een opplantverklaring doen toekomen.

Artikel 6

Instelling van afgebakende gebieden

Indien de resultaten van de in artikel 5, lid 1, bedoelde onderzoeken of de in artikel 5, lid 2, bedoelde kennisgeving de aanwezigheid van het organisme in een gebied bevestigen of op andere wijze blijkt dat het organisme er gevestigd is, stellen de lidstaten afgebakende gebieden in en nemen zij officiële maatregelen overeenkomstig punt I, respectievelijk II, van bijlage II.

Artikel 7

Naleving van de bepalingen van de richtlijn

De lidstaten wijzigen zo nodig de maatregelen die zij hebben genomen om zich te beschermen tegen het binnenbrengen en de verspreiding van het organisme op zodanige wijze dat die maatregelen voldoen aan deze beschikking en zij stellen de Commissie onverwijld van die maatregelen in kennis.

Artikel 8

Herziening

Deze beschikking wordt uiterlijk op 1 februari 2008 opnieuw bekeken.

Artikel 9

Adressaten

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 27 juni 2006.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/35/EG van de Commissie (PB L 88 van 25.3.2006, blz. 9).


BIJLAGE I

IN DE ARTIKELEN 3 EN 4 BEDOELDE MAATREGELEN

1)   Maatregelen (certificaten)

Onverminderd artikel 5, lid 3, onder a), van deze beschikking en bijlage III, deel A, punt 2, en bijlage IV, deel A, rubriek I, punten 11.1, 11.2, 33, 36.1, 39 en 40, bij Richtlijn 2000/29/EG gaan planten van oorsprong uit derde landen vergezeld van een certificaat, als bedoeld in artikel 13, lid 1, van Richtlijn 2000/29/EG, waarin onder de rubriek „Aanvullende verklaring” wordt vermeld:

a)

dat de planten permanent zijn geteeld op productieplaatsen in landen waarvan bekend is dat het organisme er niet voorkomt; of

b)

dat de planten permanent zijn geteeld op productieplaatsen in een ziektevrij gebied zoals door de nationale plantenziektekundige dienst van het land van oorsprong is vastgesteld overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen, met vermelding van de naam van het ziektevrije gebied onder de rubriek „plaats van oorsprong”.

2)   Vervoersvoorwaarden

Onverminderd artikel 5, lid 3, onder a), en bijlage II, deel II, van deze beschikking en bijlage IV, deel A, rubriek II, punt 7, en bijlage V, deel A, rubriek I, punt 2.1, bij Richtlijn 2000/29/EG mogen planten die van oorsprong zijn uit de Gemeenschap of in de Gemeenschap zijn ingevoerd overeenkomstig artikel 3 van deze beschikking, vanuit de plaats van productie in een lidstaat, waaronder in voorkomend geval tuincentra, alleen worden vervoerd als zij vergezeld gaan van een plantenpaspoort dat is opgesteld en afgegeven overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 92/105/EEG van de Commissie (1) en:

a)

de planten van oorsprong uit de bedoelde plaats van productie permanent of sinds het binnenbrengen daarvan in de Gemeenschap zijn geteeld op een productieplaats in een lidstaat waarvan bekend is dat het organisme er niet voorkomt, of

b)

de planten permanent of sinds het binnenbrengen daarvan in de Gemeenschap zijn geteeld op een productieplaats in een ziektevrij gebied zoals door de nationale plantenziektekundige dienst in een lidstaat is vastgesteld overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen.


(1)  PB L 4 van 8.1.1993, blz. 22. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2005/17/EG (PB L 57 van 3.3.2005, blz. 23).


BIJLAGE II

IN ARTIKEL 6 BEDOELDE MAATREGELEN

I.   Instelling van afgebakende gebieden

1)

De in artikel 6 bedoelde afgebakende gebieden bestaan uit:

a)

een besmet gebied, waarin de aanwezigheid van het organisme is bevestigd en dat alle planten omvat die door het organisme veroorzaakte symptomen vertonen alsmede, indien van toepassing, alle planten die op het tijdstip van opplant tot dezelfde partij behoorden;

b)

een kerngebied met een begrenzing op een afstand van ten minste 5 km van het besmette gebied, en

c)

een buffergebied met een begrenzing op een afstand van ten minste 10 km van het kerngebied.

Ingeval verschillende buffergebieden elkaar overlappen of dicht bij elkaar liggen, wordt een groter gebied afgebakend dat de bedoelde gebieden en de daartussen gelegen gebieden omvat.

2)

De exacte afbakening van de in lid 1 bedoelde gebieden wordt gebaseerd op deugdelijke wetenschappelijke beginselen, de biologie van het organisme, de besmettingsgraad, de tijd van het jaar en de geografische spreiding van de planten in de betrokken lidstaat.

3)

Indien de aanwezigheid van het organisme buiten het besmette gebied wordt bevestigd, worden de afgebakende gebieden dienovereenkomstig aangepast.

4)

Indien op grond van het in artikel 5, lid 1, bedoelde jaarlijkse onderzoek het organisme drie jaar lang in geen van de afgebakende gebieden wordt aangetroffen, worden die gebieden opgeheven en zijn de maatregelen als bedoeld in deel II van deze bijlage niet langer nodig.

5)

De lidstaten stellen de andere lidstaten en de Commissie onverwijld in kennis van de in lid 1 bedoelde gebieden, door middel van adequate schaalkaarten, alsmede van de aard van de maatregelen die zij hebben genomen om het organisme uit te roeien dan wel de verspreiding ervan tegen te gaan.

II.   Maatregelen in de afgebakende gebieden

De in artikel 6 bedoelde officiële maatregelen die in de afgebakende gebieden moeten worden genomen, omvatten ten minste:

het verbod op het vervoer van planten uit of binnen de afgebakende gebieden;

ingeval de aanwezigheid van het organisme is bevestigd op de planten op een productieplaats, passende maatregelen met het oog op de uitroeiing van het schadelijke organisme, bestaande uit ten minste vernietiging van de besmette planten, alle planten die door het organisme veroorzaakte verschijnselen vertonen en, zo nodig, alle bij het planten tot dezelfde partij behorende planten en controle op de aanwezigheid van het organisme door passende inspecties tijdens de periode waarin de door het organisme bewoonde gallen voorkomen.


Top