Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32005E0329

Gemeenschappelijk Standpunt 2005/329/GBVB van de Raad van 25 april 2005 met betrekking tot de in 2005 te houden toetsingsconferentie van de partijen bij het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens

OJ L 106, 27.4.2005, p. 32–35 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
OJ L 159M , 13.6.2006, p. 388–391 (MT)
Special edition in Bulgarian: Chapter 18 Volume 003 P. 200 - 203
Special edition in Romanian: Chapter 18 Volume 003 P. 200 - 203
Special edition in Croatian: Chapter 18 Volume 008 P. 94 - 97

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/compos/2005/329/oj

27.4.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 106/32


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT 2005/329/GBVB VAN DE RAAD

van 25 april 2005

met betrekking tot de in 2005 te houden toetsingsconferentie van de partijen bij het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 15,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Unie blijft het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens (Non-Proliferatieverdrag - NPV) erkennen als de hoeksteen van de alomvattende regeling voor de niet-verspreiding van kernwapens, de wezenlijke fundering voor de verdere nucleaire ontwapening, overeenkomstig artikel VI van het NPV, en een belangrijk element voor de verdere ontwikkeling van de toepassingen van kernenergie voor vreedzame doeleinden.

(2)

De Raad heeft op 17 november 2003 Gemeenschappelijk Standpunt 2003/805/GBVB van de Raad vastgesteld betreffende de universalisering en versterking van multilaterale overeenkomsten op het gebied van de non-proliferatie van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor (1). Op 12 december 2003 heeft de Europese Raad de strategie ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens aangenomen.

(3)

De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft op 28 april 2004 met eenparigheid van stemmen Resolutie 1540 aangenomen, waarin de verspreiding van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor als een bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid wordt aangemerkt.

(4)

De toetsings- en verlengingsconferentie van 1995 van de partijen bij het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens heeft besluiten aangenomen over de onbeperkte verlenging van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens, over de beginselen en doelstellingen inzake nucleaire non-proliferatie en ontwapening, over de versterking van het toetsingsproces in verband met dit Verdrag en over een resolutie inzake het Midden-Oosten.

(5)

De Raad heeft op 13 april 2000 Gemeenschappelijk Standpunt 2000/297/GBVB vastgesteld met betrekking tot de in 2000 te houden toetsingsconferentie van de partijen bij het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens (2).

(6)

De NPV-toetsingsconferentie van 2000 heeft een slotdocument goedgekeurd.

(7)

De commissie ter voorbereiding van de in 2005 te houden NPV-toetsingsconferentie heeft drie zittingen gehouden, van 8 tot en met 19 april 2002 in New York, van 28 april tot en met 9 mei 2003 in Genève en van 26 april tot en met 7 mei 2004 in New York.

(8)

De Raad heeft op 29 april 1997 Gemeenschappelijk Optreden 97/288/GBVB vastgesteld inzake de bijdrage van de Europese Unie aan de bevordering van de doorzichtigheid bij exportcontroles op nucleair gebied (3).

(9)

De Raad heeft op 17 mei 2004 Gemeenschappelijk Optreden 2004/495/GBVB vastgesteld ter ondersteuning van het nucleair veiligheidsfonds van de IAEA en ter uitvoering van maatregelen van de strategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens (4).

(10)

De Raad heeft op 1 juni 2004 een verklaring aangenomen ter ondersteuning van het Veiligheidsinitiatief tegen de verspreiding van massavernietigingswapens.

(11)

De volgende aanvullende protocollen zijn ondertekend en op 30 april 2004 in werking getreden: het aanvullend protocol bij de verificatieovereenkomst tussen de niet-kernwapenstaten van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom), Euratom en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA), het aanvullend protocol bij de waarborgovereenkomst tussen Frankrijk, Euratom en de IAEA en het aanvullend protocol bij de waarborgovereenkomst tussen het Verenigd Koninkrijk, Euratom en de IAEA.

(12)

In het licht van de resultaten van de toetsingsconferentie van 2000 en van de besprekingen tijdens de drie zittingen van de commissie ter voorbereiding van de NPV-toetsingsconferentie van 2005 en rekening houdend met de huidige situatie is het gewenst dat de in Gemeenschappelijk Standpunt 2000/297/GBVB vervatte doelstellingen en de uit hoofde daarvan genomen initiatieven bijgesteld en verder ontwikkeld worden.

HEEFT HET VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VASTGESTELD:

Artikel 1

De doelstelling van de Europese Unie is het versterken van de internationale regeling inzake de niet-verspreiding van kernwapens, door bij te dragen tot het welslagen van de in 2005 te houden toetsingsconferentie van de partijen bij het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens (NPV).

Artikel 2

Ter verwezenlijking van de in artikel 1 vervatte doelstelling moet de Europese Unie:

a)

bijdragen tot een gestructureerde en evenwichtige toetsing van de werking van het NPV tijdens de in 2005 te houden toetsingsconferentie, met inbegrip van de naleving van de verplichtingen die de staten welke partij zijn bij dat verdrag, in het kader daarvan op zich hebben genomen, alsook de vaststelling van de gebieden waarop, en de middelen waarmee in de toekomst naar verdere vooruitgang moet worden gestreefd;

b)

bijdragen tot een consensus op basis van het bij het NPV vastgelegde kader, door ondersteuning van de besluiten en de resolutie die door de toetsings- en verlengingsconferentie van 1995 zijn aangenomen en het slotdocument van de NPV-toetsingsconferentie van 2000 en rekening houdend met de huidige situatie en door zich voor onder meer de volgende essentiële punten in te zetten:

1)

inspanningen ontplooien om de integriteit van het NPV te bewaren en de toepassing ervan te versterken;

2)

erkennen dat het NPV een uniek en onvervangbaar multilateraal instrument is om de internationale vrede, veiligheid en stabiliteit te handhaven en uit te bouwen, omdat dit het juridische kader vormt om verdere verspreiding van kernwapens te voorkomen en om het verificatiestelsel dat waarborgt dat kernenergie door niet-kernwapenstaten uitsluitend voor vreedzame doeleinden wordt gebruikt, verder uit te bouwen, en omdat dit de essentiële grondslag vormt voor de voortzetting van de nucleaire ontwapening in overeenstemming met artikel VI;

3)

werken aan de universalisering van het NPV;

4)

onderstrepen dat de onverkorte naleving van alle bepalingen van het NPV door alle staten die partij zijn bij het verdrag, absoluut noodzakelijk is;

5)

alle staten die geen partij zijn bij het NPV oproepen zich tot niet-verspreiding en ontwapening te verbinden en al die staten oproepen partij te worden bij het NPV als niet-kernwapenstaten;

6)

erkennen dat er zich sinds de toetsingsconferentie van 2000 op het gebied van nucleaire proliferatie ernstige gebeurtenissen hebben voorgedaan;

7)

onderstrepen dat de rol van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties als scheidsrechter in laatste instantie moet worden versterkt, zodat hij overeenkomstig het statuut van de IAEA passende maatregelen neemt indien de verplichtingen uit hoofde van het NPV niet worden nagekomen, met inbegrip van de toepassing van de waarborgen;

8)

memoreren welke gevolgen een opzegging van het NPV zou kunnen hebben voor de internationale vrede en veiligheid. Zich inzetten voor de vaststelling van maatregelen om gevallen van opzegging van het NPV te ontmoedigen;

9)

de schorsing van de nucleaire samenwerking met een staat verlangen wanneer de IAEA onvoldoende kan waarborgen dat het nucleair programma van die staat uitsluitend vreedzame doeleinden heeft, totdat de IAEA zulks wel kan waarborgen;

10)

de staten van het Midden-Oosten oproepen tot de instelling van een effectief te verifiëren zone aldaar die vrij is van kernwapens en van andere massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor, overeenkomstig de resolutie over het Midden-Oosten van de toetsings- en verlengingsconferentie van 1995;

11)

voorrang geven aan de uitvoering van de regeling voor de niet-verspreiding van kernwapens in het Middellandse-zeegebied, aangezien de veiligheid in Europa samenhangt met de veiligheid in dat gebied;

12)

het belang voor vrede en veiligheid erkennen van kernwapenvrije zones op basis van vrij tot stand gekomen afspraken tussen de staten in de betrokken regio;

13)

onderstrepen dat niets onverlet mag worden gelaten ter voorkoming van het risico van nucleair terrorisme, dat verbonden is met de mogelijke toegang van terroristen tot kernwapens of tot nucleaire materialen die gebruikt kunnen worden voor de vervaardiging van zogeheten ”vuile bommen”, en er in dat verband op wijzen dat de verplichtingen uit hoofde van Resolutie 1540 van de Veiligheidsraad moeten worden nageleefd. Aandringen op de verscherping van de beveiliging van hoogactieve radioactieve bronnen. In dat verband het optreden van de G8 en de IAEA steunen;

14)

erkennen dat in het licht van de toegenomen dreiging van nucleaire proliferatie en terrorisme, het Proliferation Security Initiative, het Global Threat Reduction Initiative en het initiatief van de G8 voor een mondiaal partnerschap moeten worden toegejuicht;

15)

oproepen tot een universalisering van de integrale-waarborgovereenkomsten en de aanvullende protocollen;

16)

erkennen dat de integrale-waarborgovereenkomsten en de aanvullende protocollen een afschrikkend effect hebben op nucleaire proliferatie en als hedendaagse verificatienorm gelden, en blijven ijveren voor een grotere opspoorbaarheid van eventuele schendingen van verplichtingen uit hoofde van het verdrag;

17)

zich ervoor beijveren dat de raad van beheer van de IAEA erkent dat de sluiting van een integrale-waar-borgovereenkomst en een aanvullend protocol als hedendaagse verificatienorm geldt;

18)

wijzen op de unieke rol van de IAEA om de naleving door de staten van hun verbintenissen inzake nucleaire non-proliferatie te verifiëren en om hen op verzoek bij te staan om de veiligheid van nucleaire materialen en installaties te versterken, en de staten oproepen de IAEA te steunen;

19)

het belang erkennen van passende en doeltreffende uitvoercontroles, met inachtneming van Resolutie 1540 van de Veiligheidsraad en overeenkomstig artikel III.2 van het NPV;

20)

op nationaal vlak doeltreffende controles op de uitvoer, doorvoer, overlading en wederuitvoer uitvoeren, en daartoe passende wet- en regelgeving toepassen;

21)

doeltreffende strafrechtelijke sancties instellen ter afschrikking van illegale uitvoer, doorvoer en tussenhandel, smokkel en de daaraan gerelateerde financiering, overeenkomstig Resolutie 1540 van de Veiligheidsraad;

22)

het Zangger-comité en de Groep van Nucleaire Exportlanden ertoe aanzetten hun ervaring inzake uitvoercontroles ter beschikking te stellen, zodat alle staten inspiratie kunnen putten uit de regelingen van het Zangger-comité en de richtsnoeren van de Groep van Nucleaire Exportlanden (GNE);

23)

herhalen dat de richtsnoeren van de GNE over afzienbare tijd moeten worden versterkt teneinde deze aan te passen aan de nieuwe uitdagingen van non-proliferatie;

24)

de staten die partij zijn bij het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal oproepen te ijveren voor een spoedige sluiting van een gewijzigd verdrag;

25)

het recht van de staten die partij zijn bij het NPV op kernenergie voor vreedzame doeleinden erkennen, overeenkomstig artikel IV van het NPV, en met inachtneming van de artikelen I, II en III van het NPV;

26)

onderstrepen van het belang van een voortgezette internationale samenwerking, teneinde de nucleaire veiligheid, veilig afvalbeheer, alsmede de bescherming tegen straling te versterken en de staten oproepen om zo spoedig mogelijk toe te treden tot alle relevante verdragen, indien zij dat nog niet hebben gedaan, en om de verbintenissen die daaruit voortvloeien, volledig na te komen;

27)

er nota van nemen dat de staten die partij zijn bij het NPV, overeenkomstig artikel IV van het NPV, toevlucht kunnen nemen tot kernenergie voor vreedzame doeleinden, onder andere op het gebied van de opwekking van elektrische energie, de industrie, de gezondheid en de landbouw;

28)

aanmoedigen van de formulering van waarborgen voor de toegang tot diensten in verband met splijtstof, of tot splijtstof zelf, in passende omstandigheden;

29)

nota nemen van het verslag van de deskundigengroep van de IAEA inzake multinationale benaderingen van de splijtstofcyclus en ervoor ijveren dat het spoedig in behandeling kan worden genomen door de IAEA;

30)

erop wijzen, zonder voorbij te gaan aan de nucleaire ontwapening sinds het einde van de koude oorlog, dat de kernwapenarsenalen in het kader van de systematische en geleidelijke nucleaire ontwapeningsinspanningen uit hoofde van artikel VI, globaal moeten worden verminderd, en in dat verband toejuichen dat het Verdrag van Moskou in 2002 is bekrachtigd door de Russische Federatie en de Verenigde Staten van Amerika, maar onderstrepen dat zij hun arsenalen nog verder moeten verkleinen;

31)

onderstrepen dat de verklaringen van de Russische en de Amerikaanse president van 1991 1992 over de eenzijdige vermindering van hun voorraden niet-strategische kernwapens moeten worden uitgevoerd, en alle staten die in het bezit zijn van niet-strategische kernwapens ertoe oproepen deze met het oog op de vermindering en de liquidatie ervan op te nemen in hun algemene processen voor bewapenings- en ontwapeningscontrole;

32)

de toepassing van het beginsel van irreversibiliteit erkennen als richtsnoer voor alle maatregelen op het gebied van nucleaire ontwapening en wapenbeheersing, als bijdrage tot de handhaving en versterking van de internationale vrede, veiligheid en stabiliteit met inachtneming van deze voorwaarden;

33)

erkennen dat de programma's voor de vernietiging en liquidatie van kernwapens en voor de liquidatie van splijtbare materialen zoals gedefinieerd in het kader van het wereldpartnerschap van de G8 belangrijk zijn voor de nucleaire ontwapening;

34)

blijven streven naar doorzichtigheid als een vrijwillige vertrouwenwekkende maatregel om de verdergaande ontwapening te ondersteunen;

35)

aangezien het Alomvattend Kernstopverdrag (CTBT) een hoeksteen is van de regeling voor nucleaire ontwapening en non-proliferatie, en met het oog op een zo spoedig mogelijke en onvoorwaardelijke inwerkingtreding, de staten, en met name de in bijlage II genoemde staten, oproepen het verdrag onverwijld en onvoorwaardelijk te ondertekenen en te bekrachtigen en, in afwachting van de inwerkingtreding van het verdrag, alle staten oproepen een moratorium in acht te nemen en zich van iedere handeling te onthouden die strijdig is met de verplichtingen en de bepalingen van het verdrag. Wijzen op het belang van het door de voorbereidende commissie van de CTBTO verrichte werk en actief steun verlenen aan het werk van de speciale vertegenwoordiger van de staten die het verdrag hebben bekrachtigd, die belast is met de bevordering van de universele toetreding tot het verdrag;

36)

opnieuw een oproep richten tot de Ontwapeningsconferentie, met het oog op de onmiddellijke opening en zo spoedig mogelijke sluiting van een niet-discriminerend en universeel verdrag dat de vervaardiging van splijtbare materialen voor kernwapens of andere nucleaire explosiemiddelen verbiedt, zonder voorafgaande voorwaarden en met aandacht voor het verslag van de speciale coördinator en het daarin opgenomen mandaat, alsmede, in afwachting van de inwerkingtreding van dat verdrag, alle staten oproepen een moratorium op de vervaardiging van splijtbare materialen voor kernwapens of andere nucleaire explosiemiddelen af te kondigen en na te leven. De EU juicht het optreden toe van die van de vijf kernwapenstaten, die een desbetreffend moratorium hebben afgekondigd;

37)

alle betrokken staten oproepen passende praktische maatregelen te treffen om het risico op een accidentele kernoorlog te beperken;

38)

voortgaan met het beraad over de veiligheidswaarborgen voor de niet-kernwapenstaten die partij zijn bij het NPV;

39)

de kernwapenstaten ertoe oproepen de bestaande veiligheidsgaranties, die door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties zijn neergelegd in Resolutie 984 (1995), opnieuw te onderschrijven, en de na de voltooiing van het vereiste overleg opgestelde protocollen betreffende kernwapenvrije zones te ondertekenen en te bekrachtigen, houdende erkenning dat voor die zones veiligheidswaarborgen voorhanden zijn in de vorm van verdragen;

40)

onderstrepen dat er een algemene ontwapening moet komen;

41)

wijzen op het belang van de universalisering en uitvoering van het Verdrag inzake biologische en toxinewapens (BTWC), van het Verdrag inzake chemische wapens (CWC) en van de overeenkomsten, maatregelen en initiatieven die bijdragen tot de beheersing van conventionele wapens;

42)

oproepen tot de universalisering en de effectieve toepassing van de Haagse Gedragscode tegen de verspreiding van ballistische raketten;

43)

ijveren voor de oplossing van de problemen van regionale instabiliteit en onveiligheid, en van conflictsituaties, die vaak ten grondslag liggen aan de talrijke bewapeningsprogramma's.

Artikel 3

Het in artikel 2 bedoelde optreden van de Europese Unie omvat:

a)

voorzover passend, demarches van het voorzitterschap met het oog op bevordering van de universalisering van het NPV, overeenkomstig artikel 18 van het Verdrag betreffende de Europese Unie;

b)

demarches van het voorzitterschap, overeenkomstig artikel 18 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ten aanzien van staten die partij bij het NPV zijn, teneinde er bij hen op aan te dringen de in artikel 2 van dit gemeenschappelijk standpunt genoemde doelstellingen te steunen;

c)

het nastreven van overeenstemming tussen de lidstaten over ontwerpvoorstellen inzake inhoudelijke kwesties, die namens de Europese Unie ter bestudering aan de partijen bij het NPV worden voorgelegd en die de basis voor besluiten van de in 2005 te houden toetsingsconferentie kunnen vormen;

d)

verklaringen die het voorzitterschap namens de Europese Unie tijdens de algemene discussie en tijdens de besprekingen in de drie hoofdcommissies zal afleggen.

Artikel 4

Dit gemeenschappelijk standpunt wordt van kracht op de dag van zijn vaststelling.

Artikel 5

Dit gemeenschappelijk standpunt wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad.

Gedaan te Luxemburg, 25 april 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

J. ASSELBORN


(1)  PB L 302 van 20.11.2003, blz. 34.

(2)  PB L 97 van 19.4.2000, blz. 1.

(3)  PB L 120 van 12.5.1997, blz. 1.

(4)  PB L 182 van 19.5.2004, blz. 46.


Top