Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32004R1590

Verordening (EG) nr. 1590/2004 van de Raad van 26 april 2004 tot vaststelling van een communautair programma inzake de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw en houdende intrekking van Verordening (EG) nr. 1467/94

OJ L 304, 30.9.2004, p. 1–11 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 03 Volume 046 P. 262 - 272
Special edition in Estonian: Chapter 03 Volume 046 P. 262 - 272
Special edition in Latvian: Chapter 03 Volume 046 P. 262 - 272
Special edition in Lithuanian: Chapter 03 Volume 046 P. 262 - 272
Special edition in Hungarian Chapter 03 Volume 046 P. 262 - 272
Special edition in Maltese: Chapter 03 Volume 046 P. 262 - 272
Special edition in Polish: Chapter 03 Volume 046 P. 262 - 272
Special edition in Slovak: Chapter 03 Volume 046 P. 262 - 272
Special edition in Slovene: Chapter 03 Volume 046 P. 262 - 272

No longer in force, Date of end of validity: 31/12/2006

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2004/1590/oj

30.9.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 304/1


VERORDENING (EG) Nr. 1590/2004 VAN DE RAAD

van 26 april 2004

tot vaststelling van een communautair programma inzake de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw en houdende intrekking van Verordening (EG) nr. 1467/94

(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De biologische en de genetische diversiteit in de landbouw zijn essentieel voor de duurzame ontwikkeling van de landbouwproductie en van de plattelandsgebieden. Het is derhalve dienstig de nodige maatregelen te nemen om het potentieel van die diversiteit op duurzame wijze in stand te houden, te karakteriseren, te verzamelen en te gebruiken als bijdrage aan de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

(2)

De instandhouding en het duurzame gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw dragen ook bij tot het verwezenlijken van de doelstellingen van het bij Besluit 93/626/EEG (1) goedgekeurde Verdrag inzake biologische diversiteit en de daarmee samenhangende strategie van de Europese Gemeenschap inzake biodiversiteit, die een actieplan voor de instandhouding van de biodiversiteit en de bescherming van de genetische hulpbronnen in de landbouw bevat. Voorts is het een van de belangrijkste doelstellingen van het mondiaal actieplan voor het behoud en het duurzame gebruik van de plantaardige genetische hulpbronnen voor voeding en landbouw van de FAO en van het Internationaal Verdrag inzake plantgenetische hulpbronnen voor voeding en landbouw, dat de Commissie en de lidstaten op 6 juni 2002 hebben ondertekend.

(3)

De uitlopende activiteiten in de lidstaten (door overheidsinstanties dan wel natuurlijke of rechtspersonen) en van diverse internationale organisaties en programma's zoals de FAO, het Europese samenwerkingsprogramma voor genetische hulpbronnen (ECP/GR), de Adviesgroep internationaal landbouwonderzoek (CGIAR), het Mondiaal forum voor landbouwkundig onderzoek (GFAR), de door de Gemeenschap gesteunde regionale en subregionale organisaties voor landbouwkundig onderzoek ten behoeve van ontwikkeling (ARD), het Europees regionaal contactpunt (ERFP) van nationale coördinatoren voor het beheer van de genetische hulpbronnen van landbouwhuisdieren, het Europees programma voor genetische hulpbronnen in de bosbouw (Euforgen) en de relevante verbintenissen in het kader van de lopende ministeriële conferenties over de bescherming van de bossen in Europa (MCPFE) vereisen een doeltreffende uitwisseling van gegevens en een nauwe coördinatie tussen de belangrijkste actoren in de Europese Gemeenschap en de betrokken organisaties over de hele wereld op het gebied van de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van de genetische hulpbronnen in de landbouw om de positieve gevolgen daarvan voor de landbouw te versterken.

(4)

De activiteiten op het gebied van de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw kunnen bevorderlijk zijn voor het behoud van de biologische diversiteit, voor de verbetering van de kwaliteit van landbouwproducten, voor een grotere diversificatie in plattelandsgebieden en voor een vermindering van de inputs en de productiekosten in de landbouw, doordat ze een duurzame landbouwproductie bevorderen en bijdragen tot de duurzame ontwikkeling van plattelandsgebieden.

(5)

De instandhouding ex situ en in situ van genetische hulpbronnen in de landbouw (inclusief instandhouding en ontwikkeling in situ/op het landbouwbedrijf) moet worden bevorderd. Dit moet alle voor de landbouw en de plattelandsontwikkeling nuttige of potentieel nuttige plantaardige, microbiële en dierlijke genetische hulpbronnen omvatten, inclusief de genetische hulpbronnen van bosbouwgewassen, overeenkomstig de behoeften van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, teneinde de genetische hulpbronnen in stand te houden en de toepassing van te weinig gebruikte variëteiten of rassen in de landbouwproductie te bevorderen.

(6)

De in de Gemeenschap beschikbare kennis over de genetische hulpbronnen en over de oorsprong en kenmerken daarvan is nog steeds voor verbetering vatbaar. Overeenkomstig de internationale verdragen en overeenkomsten zouden relevante gegevens over bestaande faciliteiten en activiteiten op nationaal of regionaal niveau met betrekking tot de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw in elke lidstaat, gebundeld moeten worden en beschikbaar moeten worden gesteld aan de andere lidstaten, alsmede op communautair en internationaal niveau, met name aan de ontwikkelingslanden.

(7)

De ontwikkeling van gedecentraliseerde, permanente en breed toegankelijke inventarissen op internet om dergelijke kennis te verzamelen en om te waarborgen dat deze beschikbaar blijft op communautair en internationaal niveau, zou moeten worden bevorderd, met name als het gaat om de aanhoudende inspanningen voor de ontwikkeling van een inventaris van verzamelingen ex situ in Europese genenbanken („Epgris” — European Plant Genetic Resources Information Infra-Structure „Eurisco”, gefinancierd uit het vijfde kaderprogramma).

(8)

De Gemeenschap zou de inspanningen in de lidstaten voor de instandhouding en het duurzame gebruik van biologische diversiteit in de landbouw moeten aanvullen en bevorderen. Een communautaire meerwaarde moet worden bevorderd door bestaande acties op elkaar af te stemmen en de ontwikkeling van nieuwe grensoverschrijdende initiatieven met betrekking tot de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw te ondersteunen.

(9)

Derhalve moet worden voorzien in maatregelen die een aanvulling vormen op of verder reiken dan het toepassingsgebied (wat betreft de begunstigden en/of de voor financiering in aanmerking komende acties) van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) (2).

(10)

Om bij te dragen tot de verwezenlijking van deze doelstellingen is bij Verordening (EG) nr. 1467/94 van de Raad van 20 juni 1994 inzake de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw (3) een communautair actieprogramma voor een periode van vijf jaar vastgesteld. Dit programma is op 31 december 1999 afgelopen en zou moeten worden vervangen door een nieuw communautair programma. Derhalve moet Verordening (EG) nr. 1467/94 worden ingetrokken.

(11)

Bij de selectie en de uitvoering van de maatregelen in het kader van het nieuwe communautaire programma moet rekening worden gehouden met de activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie die worden gesteund op nationaal niveau of uit hoofde van de kaderprogramma's van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie. Het in de handel brengen van in het kader van het nieuwe programma te gebruiken zaaizaad en plantaardig teeltmateriaal moet gebeuren onverminderd het bepaalde in Richtlijn 66/401/EEG van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van groenvoedergewassen (4), Richtlijn 66/402/EEG van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaigranen (5), Richtlijn 68/193/EEG van de Raad van 9 april 1968 betreffende het in de handel brengen van vegetatief teeltmateriaal voor wijnstokken (6), Richtlijn 92/33/EEG van de Raad van 28 april 1992 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen, met uitzondering van zaad (7), Richtlijn 92/34/EEG van de Raad van 28 april 1992 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van fruitgewassen, alsmede van fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt (8), Richtlijn 98/56/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van siergewassen (9), Richtlijn 1999/105/EG van de Raad van 22 december 1999 betreffende het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal (10), Richtlijn 2002/53/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen (11), Richtlijn 2002/54/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van bietenzaad (12), Richtlijn 2002/55/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van groentezaad (13), Richtlijn 2002/56/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van pootaardappelen (14), Richtlijn 2002/57/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen (15).

(12)

In de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER-overeenkomst) is bepaald dat de landen van de Europese Vrijhandelsassociatie die aan de Europese Economische Ruimte (EVA/EER-landen) deelnemen, onder andere nauwer en op grotere schaal moeten samenwerken in het kader van de communautaire activiteiten op het gebied van de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw.

(13)

Omwille van een betere uitvoering van het communautaire programma moet een werkprogramma voor de periode 2004-2006 worden opgesteld met vermelding van de toe te passen financiële bepalingen.

(14)

Voor de uitvoering van en het toezicht op het communautaire programma moet de Commissie een beroep kunnen doen op de bijstand van wetenschappelijke en technische adviseurs.

(15)

De communautaire bijdrage moet volledig uit rubriek 3 (intern beleid) van de financiële vooruitzichten worden gefinancierd.

(16)

De maatregelen ter uitvoering van deze verordening moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (16),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doelstellingen

Met het oog op het bereiken van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de nakoming van de op internationaal niveau aangegane verbintenissen wordt een communautair programma voor de periode 2004–2006 ingesteld om de in de lidstaten geleverde inspanningen op het gebied van de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van de genetische hulpbronnen in de landbouw op communautair niveau aan te vullen en te stimuleren.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op voor de landbouw nuttige of potentieel nuttige plantaardige, microbiële en dierlijke genetische hulpbronnen.

2.   In het kader van deze verordening mag geen steun worden verleend voor:

a)

uit hoofde van titel II, hoofdstuk VI, van Verordening (EG) nr. 1257/1999 voor steun in aanmerking komende verbintenissen zoals gespecificeerd in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 445/2002 van de Commissie van 26 februari 2002 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) (17),

b)

uit hoofde van het kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie voor steun in aanmerking komende activiteiten.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening moet worden verstaan onder:

a)

„plantaardige genetische hulpbronnen”, de genetische hulpbronnen van landbouwgeassen, tuinbouwgewassen, geneeskrachtige planten en kruiden, fruitgewassen, bosbouwgewassen en voor de landbouw nuttige of potentieel nuttige wilde flora;

b)

„dierlijke genetische hulpbronnen”, de genetische hulpbronnen van (gewervelde en ongewervelde) landbouwhuisdieren en voor de landbouw nuttige of potentieel nuttige wilde fauna;

c)

„genetisch materiaal”, alle materiaal van plantaardige, microbiële en dierlijke oorsprong, waaronder het materiaal voor vermenigvuldiging en plantenvermeerdering, dat functionele eenheden van de erfelijkheid bevat;

d)

„genetische hulpbronnen in de landbouw”, alle materiaal van plantaardige, microbiële en dierlijke oorsprong met een daadwerkelijke of potentiële waarde voor de landbouw;

e)

„instandhouding in situ”, de instandhouding van genetisch materiaal in ecosystemen en natuurlijke habitats en het behoud en herstel van levensvatbare populaties van soorten of wilde rassen in hun natuurlijke omgeving en, in het geval van gedomesticeerde dierenrassen of gecultiveerde plantensoorten, in het agrarische milieu waar zij hun onderscheidende kenmerken hebben ontwikkeld;

f)

„instandhouding in situ/op het landbouwbedrijf”, „instandhouding en ontwikkeling in situ” op het niveau van het landbouwbedrijf;

g)

„instandhouding ex sit” de instandhouding van genetisch materiaal voor de landbouw buiten de natuurlijke habitat;

h)

„verzameling ex situ”, de verzameling van genetisch materiaal voor de landbouw buiten de natuurlijke habitat;

i)

„biogeografisch gebied”, een geografisch gebied met typische kenmerken ten aanzien van de samenstelling en de structuur van fauna en flora.

Artikel 4

Subsidiabele acties

1.   Het in artikel 1 bedoelde communautaire programma omvat gerichte, gecoördineerde en begeleidende acties als omschreven in de artikelen 5, 6 en 7.

2.   Alle acties in het kader van dit programma moeten in overeenstemming zijn met de communautaire wetgeving betreffende het in de handel brengen van zaaizaad en teeltmateriaal en betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst, alsook met de in de Europese Gemeenschap geldende fytosanitaire en zoötechnische regels en de regels betreffende de diergezondheid, waarbij tevens rekening moet worden gehouden met:

a)

andere activiteiten op het niveau van de Gemeenschap;

b)

relevante internationale processen, ontwikkelingen en overeenkomsten, met name in verband met:

het Verdrag inzake biologische diversiteit,

het Internationaal Verdrag inzake plantgenetische hulpbronnen voor voeding en landbouw,

het Mondiaal actieplan voor het behoud en het duurzame gebruik van de plantaardige genetische hulpbronnen voor voeding en landbouw en andere acties van de FAO,

de Europese strategie voor het behoud van planten (EPCS) en de relevante resoluties van de ministeriële conferenties over de bescherming van de bossen in Europa (MCPFE),

de Mondiale strategie voor het beheer van de genetische hulpbronnen van landbouwhuisdieren, en

de programma's in het kader van internationale organisaties zoals het Europese samenwerkingsprogramma voor genetische hulpbronnen (ECP/GR), het Europees regionaal contactpunt (ERFP) van nationale coördinatoren voor het beheer van de genetische hulpbronnen van landbouwhuisdieren, en het Europees programma voor genetische hulpbronnen in de bosbouw (Euforgen) en de Adviesgroep internationaal landbouwonderzoek (CGIAR).

Artikel 5

Gerichte acties

De gerichte acties omvatten:

a)

acties voor de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw ex situ en in situ;

b)

de ontwikkeling van een gedecentraliseerde, permanente en breed toegankelijke inventaris op internet van de genetische hulpbronnen die momenteel in situ worden bewaard, met inbegrip van activiteiten voor de instandhouding van genetische hulpbronnen in situ/op het landbouwbedrijf;

c)

de ontwikkeling van een Europese gedecentraliseerde, permanente en breed toegankelijke inventaris op internet van de verzamelingen ex situ (genenbanken), faciliteiten in situ (hulpbronnen) en databases die momenteel beschikbaar zijn of worden ontwikkeld op basis van nationale inventarissen;

d)

de bevordering van de regelmatige uitwisseling van technische en wetenschappelijke gegevens, met name over de oorsprong en de individuele kenmerken van de beschikbare genetische hulpbronnen, tussen bevoegde organisaties in de lidstaten.

De onder a) bedoelde acties zijn transnationaal, in voorkomend geval rekening houdend met de biogeografische regionale aspecten, en vormen een communautaire ondersteuning van of aanvulling op regionale of nationale activiteiten. In het kader van de acties mag geen steun worden verleend aan de instandhouding van natuurgebieden.

Artikel 6

Gecoördineerde acties

De gecoördineerde acties zijn gericht op de uitwisseling van gegevens over thematische vraagstukken ter verbetering van de coördinatie van acties en programma's met betrekking tot de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw in de Gemeenschap. Deze acties zijn transnationaal.

Artikel 7

Begeleidende acties

De begeleidende acties omvatten voorlichtings-, verspreidings- en adviserende acties, met inbegrip van seminars, technische conferenties, vergaderingen met non-gouvernementele organisaties (NGO's) en andere relevante belanghebbenden, opleidingen en de voorbereiding van technische verslagen.

Artikel 8

Werkprogramma

1.   De Commissie ziet erop toe dat het communautaire programma wordt uitgevoerd op basis van een werkprogramma voor de periode 2004–2006 dat wordt opgesteld volgens de procedure van artikel 15, lid 2, en onder voorbehoud van de beschikbaarheid van begrotingsmiddelen.

2.   De in het kader van het communautaire programma gecofinancierde maatregelen hebben een looptijd van maximaal 4 jaar.

Artikel 9

Selectie van subsidiabele acties

1.   Op basis van het in artikel 8 bedoelde werkprogramma en aan de hand van oproepen tot het indienen van voorstellen voor acties die worden gepubliceerd in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie worden de in het kader van het communautaire programma te financieren acties door de Commissie geselecteerd.

2.   De oproepen tot het indienen van voorstellen hebben betrekking op de in de artikelen 5, 6 en 7 en in bijlage I bedoelde acties. De inhoud van de oproepen tot het indienen van voorstellen wordt vastgesteld volgens de procedure van artikel 15, lid 2, en in overeenstemming met de relevante artikelen van titel VI van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (18).

3.   Voorstellen voor acties als bedoeld in de artikelen 5, 6 en 7 mogen worden ingediend door overheidsinstanties en door iedere natuurlijke of rechtspersoon die onderdaan van een lidstaat is en in de Gemeenschap gevestigd is, met inbegrip van genenbanken, NGO's, kwekers, technische instituten, experimentele landbouwbedrijven, landbouwers en bosbeheerders. Instanties of personen die in een derde land zijn gevestigd mogen met inachtneming van het bepaalde in artikel 10 eveneens voorstellen indienen.

4.   Bij de beoordeling van de voorstellen wordt met de volgende criteria rekening gehouden:

a)

relevantie met betrekking tot de doelstellingen van het programma als bepaald in artikel 1;

b)

technische kwaliteit van het voorgestelde werk;

c)

capaciteit om de werkzaamheden tot een goed einde te brengen en een efficiënt beheer ervan te waarborgen, beoordeeld aan de hand van middelen en competenties, met inbegrip van de door de partijen vastgelegde organisatorische regelingen;

d)

Europese toegevoegde waarde en potentiële bijdrage aan het communautaire beleid.

5.   Voorstellen voor acties die in het kader van het communautaire programma moeten worden gefinancierd, zullen worden geselecteerd op basis van het oordeel van onafhankelijke deskundigen. De onafhankelijke deskundigen zullen hiertoe worden uitgenodigd door de Commissie overeenkomstig het bepaalde in artikel 57, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 en in artikel 178 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (19).

6.   Indien nodig worden uitvoeringsbepalingen voor dit artikel vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 10

Deelname van derde landen

Aan het communautaire programma kan worden deelgenomen door:

a)

de EVA-/EER-landen, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in de EER-overeenkomst;

b)

geassocieerde landen overeenkomstig de voorwaarden van de respectieve bilaterale overeenkomsten tot vaststelling van de algemene beginselen voor hun deelname aan communautaire programma's.

Artikel 11

Subsidieovereenkomst

1.   Na goedkeuring van de geselecteerde acties sluit de Commissie subsidieovereenkomsten met de deelnemers aan deze acties overeenkomstig het bepaalde in de relevante artikelen van titel VI van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002. De subsidieovereenkomsten bevatten nadere uitvoeringsbepalingen inzake verslaglegging over en verspreiding, bescherming en benutting van de resultaten van de acties.

2.   De Commissie neemt de nodige maatregelen, met name door middel van technische, administratieve en boekhoudkundige controles ten kantore van de begunstigden, om te controleren dat de verstrekte informatie en bewijsstukken accuraat zijn en dat aan alle verplichtingen uit hoofde van de subsidieovereenkomst is voldaan.

Artikel 12

Technische bijstand

1.   Overeenkomstig artikel 57, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 mag de Commissie wetenschappelijke en technische deskundigen voor de uitvoering van het communautaire programma verzoeken om bijstand, met inbegrip van technisch advies over de voorbereiding van oproepen tot het indienen van voorstellen, voor de beoordeling van technische en financiële verslagen, en voor toezicht, verslaglegging en voorlichtingsdoeleinden.

2.   Op basis van een inschrijvingsprocedure voor overheidsopdrachten overeenkomstig het bepaalde in de relevante artikelen van titel V van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002, wordt een dienstenovereenkomst gesloten.

Artikel 13

Communautaire financiële bijdrage

1.   De financiële bijdrage van de Gemeenschap aan acties als bedoeld in artikel 5 bedraagt maximaal 50 % van de totale kosten van de actie.

2.   De financiële bijdrage van de Gemeenschap aan acties als bedoeld in de artikelen 6 en 7 bedraagt maximaal 80 % van de totale kosten van de actie.

3.   De Gemeenschap verleent een financiële bijdrage van maximaal 100 % van de totale kosten voor bijstand als bedoeld in artikel 9, lid 5 (beoordeling van voorstellen), artikel 12 (technische bijstand) en artikel 14 (evaluatie van het communautaire programma).

4.   Uit rubriek 3 (intern beleid) van de financiële vooruitzichten wordt bijgedragen in de financiering van de acties en de bijstand in het kader van het communautaire programma op grond van deze verordening.

5.   Een indicatieve verdeling van de voor dit communautaire programma beschikbare middelen is opgenomen in bijlage II.

Artikel 14

Evaluatie van het communautaire programma

Na afloop van het communautaire programma wijst de Commissie een groep onafhankelijke deskundigen aan om verslag uit te brengen over uitvoering van deze verordening, om de resultaten te evalueren en om passende aanbevelingen te doen. Het verslag van deze groep wordt, tezamen met de opmerkingen van de Commissie, bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité ingediend.

Artikel 15

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité voor de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw („het comité”).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op een maand.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

4.   Het comité wordt regelmatig over de uitvoering van het communautaire programma ingelicht.

Artikel 16

Intrekking

Verordening (EG) nr. 1467/94 wordt ingetrokken, onverminderd de contractuele verplichtingen die voortvloeien uit overeenkomsten die partijen op grond van die verordening zijn aangegaan.

Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 26 april 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

J. WALSH


(1)  PB L 309 van 13.12.1993, blz. 1.

(2)  PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1783/2003 (PB L 270 van 21.10.2003, blz. 70).

(3)  PB L 159 van 28.6.1994, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).

(4)  PB 125 van 11.7.1966, blz. 2298/66. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/61/EG (PB L 165 van 3.7.2003, blz. 23).

(5)  PB 125 van 11.7.1966, blz. 2309/66. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/61/EG.

(6)  PB L 93 van 17.4.1968, blz. 15. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1).

(7)  PB L 157 van 10.6.1992, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).

(8)  PB L 157 van 10.6.1992, blz. 10. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003.

(9)  PB L 226 van 13.8.1998, blz. 16. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003.

(10)  PB L 11 van 15.1.2000, blz. 17.

(11)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1829/2003.

(12)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 12. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1829/2003.

(13)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 33. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1829/2003.

(14)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 60. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/61/EG.

(15)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 74. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/61/EG.

(16)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(17)  PB L 74 van 15.3.2002, blz. 2. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 963/2003 (PB L 138 van 5.6.2003, blz. 32).

(18)  PB L 248 van 10.9.2002, blz. 1.

(19)  PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1.


BIJLAGE I

COMMUNAUTAIR PROGRAMMA: IN AANMERKING KOMENDE ACTIES EN GEBIEDEN

1.   In aanmerking komende acties en gebieden

Het communautaire programma heeft betrekking op de instandhouding, de karakterisering, de evaluatie, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen die momenteel op het grondgebied van de Gemeenschap voorkomen. In aanmerking komende organismen zijn: planten (zaadplanten), dieren (gewervelde dieren en sommige ongewervelde dieren) en micro-organismen.

Zowel actief materiaal als materiaal in rusttoestand (zaden, embryo's, sperma en stuifmeel) valt binnen het toepassingsgebied van het programma. Het omvat zowel collecties ex-situ als collecties in-situ en op het landbouwbedrijf („on farm”). Materiaal van alle types komt in aanmerking, zoals cultivars en inheemse rassen, landrassen, kwekersmateriaal, collecties van genotypes en wilde soorten.

Voorrang wordt gegeven aan soorten die belangrijk zijn voor de landbouw, de tuinbouw of de bosbouw in de Gemeenschap, of waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij dat zullen worden.

De voorkeur wordt gegeven aan acties die gericht zijn op het gebruik van genetische hulpbronnen met het oog op:

a)

diversificatie van de landbouwproductie,

b)

verhoging van de productkwaliteit,

c)

duurzaam beheer en gebruik van natuurlijke en agrarische hulpbronnen,

d)

kwalitatieve verbetering van het milieu en het platteland,

e)

ontwikkeling van producten met nieuwe gebruiks- en afzetmogelijkheden.

Bij het inventariseren van collecties en het opzetten van nieuwe collecties wordt er in het kader van het programma naar gestreefd dat specifiek regionale, traditionele kennis en ervaring van de gebruikers (land- en tuinbouwers) over de manier van telen, bijzondere toepassingen, verwerking, smaak en dergelijke mede worden opgenomen. Deze informatie dient niet als lopende tekst, maar moet zoveel mogelijk in gestandaardiseerde vorm geregistreerd worden waardoor de gegevens in een relationele databank opgeslagen en gemakkelijk teruggevonden kunnen worden.

Alle acties in het kader van dit programma moeten in overeenstemming zijn met de communautaire wetgeving betreffende het in de handel brengen van zaaizaad en teeltmateriaal en betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst, alsook met de in de Europese Gemeenschap geldende fytosanitaire en zoötechnische regels en regels betreffende de diergezondheid.

Overeenkomstig de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de internationale verbintenissen van de Gemeenschap moeten de nodige maatregelen worden getroffen met het oog op de verbreiding en verwerking van alle resultaten van de werkzaamheden op het gebied van de instandhouding, de karakterisering, de evaluatie, de verzameling, de documentatie, de ontwikkeling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw die tot het bereiken van deze doelstellingen en tot het nakomen van deze verbintenissen kunnen bijdragen. Hoofddoel is doeltreffende en praktische ondersteuning te geven aan de huidige en toekomstige eindgebruikers van genetische hulpbronnen in de Europese Gemeenschap.

2.   Uitgesloten acties en gebieden

De hiernavolgende activiteiten komen uitdrukkelijk niet in aanmerking voor financiële steun in het kader van dit programma: theoretische studies, studies om hypothesen te toetsen, studies ter ontwikkeling van instrumenten of technieken, werkzaamheden met onbeproefde technieken of „model”-systemen, alle andere onderzoekwerkzaamheden. Dergelijke werkzaamheden kunnen namelijk in aanmerking worden genomen in het raam van de communautaire kaderprogramma's voor onderzoek en technologische ontwikkeling. Wel kan een aanpassing van bestaande methoden met betrekking tot een binnen deze verordening vallende activiteit in aanmerking komen voor steun in het kader van het communautaire programma.

Acties die voor steun in aanmerking komen op grond van het kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie zijn niet subsidiabel.

In het kader van dit programma kan evenmin steun worden toegekend voor verbintenissen die reeds in de lidstaten lopen en/of die subsidiabel zijn op grond van titel II, hoofdstuk VI, van Verordening (EG) nr. 1257/1999, zoals bepaald in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 445/2002. Acties die tot synergie tussen Verordening (EG) nr. 1257/1999 en dit programma leiden, moeten echter worden bevorderd.

Acties met betrekking tot lagere dier- en plantensoorten of micro-organismen, met inbegrip van fungi, komen in het kader van dit programma slechts voor steun in aanmerking wanneer zij op het land zijn geteeld of gekweekt of wanneer ze geschikt zijn om als biologisch bestrijdingsmiddel te worden gebruikt in de landbouw in de ruimste zin van het woord. Op deze regel wordt een uitzondering gemaakt voor het bijzondere geval waarin vaststaat dat er een genspecifieke relatie is tussen parasiet of symbiont en gastheer, en beide organismen in stand moeten worden gehouden. Voor het verzamelen en verkrijgen van materiaal gelden de bovengenoemde prioriteiten.

3.   Soorten acties

De uitvoering van het communautair programma voor de instandhouding, de karakterisering, de evaluatie, de verzameling, de documentatie, de ontwikkeling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw omvat gerichte acties, gecoördineerde acties en begeleidende acties. De volgende acties worden gestimuleerd.

3.1.   Gerichte acties

Deze acties met het oog op de instandhouding, de karakterisering, de evaluatie, de verzameling, de documentatie, de ontwikkeling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw ex situ, in situ en op het landbouwbedrijf („on-farm”) hebben ten doel op Gemeenschapsniveau regionale of nationale activiteiten te ondersteunen of aan te vullen. De acties zijn grensoverschrijdend (waarbij zo nodig ook rekening gehouden wordt met biogeografische regionale aspecten). In het kader van de acties mag geen steun worden verleend voor de instandhouding van natuurgebieden.

De acties moeten een meerwaarde (verbreiding van kennis, toenemend gebruik, verbetering van de methoden, uitwisseling tussen lidstaten) geven aan de agromilieuregelingen in verband met bedreigde soorten, populaties van herkomst, cultivars of rassen waarvoor reeds nationale of regionale steun verleend wordt (bijvoorbeeld karakterisering van genetische verscheidenheid en genetische afstand tussen de respectieve rassen, gebruik van plaatselijke producten, coördinatie en het zoeken naar raakvlakken tussen de beheerders van de verschillende regelingen).

De acties moeten in de regel worden uitgevoerd door in de Gemeenschap gevestigde deelnemers en in het kader van dit programma gefinancierd worden; in voorkomend geval wordt een partnerschap met organisaties uit andere landen aangegaan. Voorrang wordt gegeven aan acties met twee of meer onderling onafhankelijke deelnemers die in verschillende lidstaten gevestigd zijn. De deelname van NGO's en andere betrokkenen bij de instandhouding in situ/op het landbouwbedrijf moet worden bevorderd.

De verspreiding en uitwisseling van Europees genetische hulpbronnen moet worden bevorderd om ervoor te zorgen dat het gebruik van te weinig gebruikte soorten en ook van een grote verscheidenheid aan genetische hulpbronnen in een duurzame landbouwproductie toeneemt.

Voor plantaardige genetische hulpbronnen is nu reeds een Europese gedecentraliseerde, permanente en breed toegankelijke inventaris op internet van de nationale genetische-hulpbronnencollecties ex situ (genenbanken), faciliteiten in situ (hulpbronnen) en op basis van nationale inventarissen opgezette databanken beschikbaar of wordt deze nu ontwikkeld in het kader van Epgris. Er moeten nationale inventarissen van collecties ex situ in Europese landen en een Europese internetcatalogus (Eurisco) worden opgesteld en verder worden verbeterd. Daarnaast moeten inventarissen van hulpbronnen (genenreservaten of eenheden voor de instandhouding van genetisch materiaal) worden ontwikkeld.

Een Europese gedecentraliseerde, permanente en breed toegankelijke inventaris op internet van genetische hulpbronnen voor de bosbouw met inbegrip van hulpbronnen in situ (genenreservaten of eenheden voor instandhouding van genetisch materiaal) en collecties ex situ moet worden opgesteld op basis van nationale inventarissen en met inachtneming van de werkzaamheden van het Euforgen-netwerkprogramma.

Voor op landbouwbedrijven bewaarde dierlijke genetische hulpbronnen moet vooral gestreefd worden naar een Europees netwerk van nationale inventarissen betreffende de administratieve aspecten (financieringsbron en — status, situatie van de rassen en de mate waarin ze bedreigd zijn, plaats waar stamboeken worden gehouden, enz.), dat beheerd moet worden overeenkomstig DAD-IS, het informatiesysteem van de FAO voor de mondiale strategie voor het beheer van de genetische hulpbronnen van landbouwhuisdieren (AnGR).

Voor de instandhouding ex situ van dierlijke genetische hulpbronnen (zaad, embryo's) moet op internet een netwerk van nationale inventarissen en een Europese internetcatalogus voor minimale paspoortgegevens worden ontwikkeld. Het is in de eerste plaats de bedoeling een lijst op te stellen van de voorzieningen (opslag en bewaring) voor in de Gemeenschap verzamelde genetische hulpbronnen in de landbouw en deze regelmatig bij te werken en bekend te maken, alsook van de lopende werkzaamheden in verband met de instandhouding, de karakterisering, de evaluatie, de verzameling, de documentatie, de ontwikkeling en het gebruik van deze genetische hulpbronnen. Daarbij kunnen minimale paspoortgegevens van afzonderlijke aanwinsten worden vermeld.

Voor microbiële genetische hulpbronnen moet op internet een netwerk van nationale inventarissen van hulpbronnen ex situ en in situ worden opgezet in het kader van het Europees netwerk van centra voor biologische hulpbronnen (European Biological Resource Centre Network — EBRCN).

Een regelmatige uitwisseling van gegevens tussen de bevoegde organisaties in de lidstaten, met name over de oorsprong en individuele kenmerken van de beschikbare genetische hulpbronnen, moet worden bevorderd. Dit zal het opzetten van een netwerk van nationale inventarissen vergemakkelijken, dat een overzicht zal bieden van de collecties van bewaarde genetische hulpbronnen en van daarmee verband houdende activiteiten in de Gemeenschap. Het netwerk van nationale inventarissen heeft ten doel de communautaire en nationale werkzaamheden te ondersteunen en een zo ruim mogelijke kennis en aanwending van bewaard genetisch materiaal te bevorderen.

De uitgaven voor de opbouw van de capaciteit van NGO's, de opstelling van en het toezicht op de inventarissen, de regelmatige uitwisselingen van gegevens tussen de bevoegde organisaties in de lidstaten en de opstelling van regelmatig verschijnende publicaties en verslagen moeten worden gefinancierd met de in totaal voor de uitvoering van dit programma uitgetrokken middelen.

3.2.   Gecoördineerde acties

Gecoördineerde acties zijn bedoeld om de coördinatie binnen de Gemeenschap van reeds in de lidstaten uitgevoerde afzonderlijke acties (op nationaal, regionaal of plaatselijk vlak) voor de instandhouding, de karakterisering, de evaluatie, de verzameling, de documentatie, de ontwikkeling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw te verbeteren, vooral door het organiseren van seminars en het voorbereiden van verslagen. Meer in het bijzonder zijn de acties erop gericht de uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie over thematische vraagstukken te bevorderen en de plaatselijke (op het landbouwbedrijf), regionale of nationale acties en programma's (die in opdracht van de lidstaat of door andere instanties uitgevoerd of gepland worden), met inbegrip van de acties die in het kader van Verordening (EG) nr. 1257/1999, Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1) en Verordening (EEG) nr. 2082/92 van de Raad van 14 juli 1992 inzake de specificiteitscertificering voor landbouwproducten en levensmiddelen (2) of Richtlijn 98/95/EG van de Raad van 14 december 1998 houdende wijziging, in het kader van de consolidatie van de interne markt en ten aanzien van genetisch gemodificeerde plantenrassen en plantgenetische hulpbronnen, van de Richtlijnen 66/400/EEG, 66/401/EEG, 66/402/EEG, 66/403/EEG, 69/208/EEG, 70/457/EEG en 70/458/EEG betreffende het in de handel brengen van bietenzaad, zaaizaad van groenvoedergewassen, zaaigranen, pootaardappelen, zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen en groentezaad, en betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen (3) (kunnen) worden uitgevoerd, beter af te stemmen op elkaar, op de in de hele Gemeenschap toe te passen maatregelen en op de desbetreffende internationale werkwijzen, ontwikkelingen en overeenkomsten. Gecoördineerde acties kunnen ook coördinatiewerkzaamheden van gespecialiseerde technische groepen over thematische vraagstukken (specifieke, plantaardige of dierlijke genetische hulpbronnen) omvatten. De gecoördineerde acties zijn transnationaal.

3.3.   Begeleidende acties

Deze specifieke acties omvatten voorlichtings-, verspreidings- en adviserende acties, onder andere:

het organiseren van seminars, technische conferenties, werkvergaderingen, vergaderingen met NGO's en andere betrokken instanties en belanghebbenden;

opleidingen en maatregelen om de mobiliteit van specialisten te bevorderen;

voorbereiding van technische verslagen;

maatregelen om de benutting van de resultaten door de markt (gebruikers) in de hand te werken.

4.   Gerichte acties: nadere gegevens over de in aanmerking komende deelgebieden

4.1.   Genetische hulpbronnen van landbouwgewassen

1.

Uitbouw op internet van een permanent en breed toegankelijk netwerk van nationale inventarissen van genetische hulpbronnen van landbouwgewassen (in situ en ex situ); bijwerking en verdere verbetering van de Eurisco;

2.

uitwisseling van gegevens over methoden, technieken en ervaringen op het gebied van activiteiten op het landbouwbedrijf, met inbegrip van gebruiks- en marketingconcepten die de aanplant van te weinig gebruikte gewassen kunnen bevorderen en die kunnen bijdragen tot diversifiëring van de landbouw;

3.

inventaris en documentatie van in situ-hulpbronnen van verwante wilde gewassen die gebruikt worden of nuttig kunnen zijn voor de voedselproductie en in de landbouw;

4.

het opzetten, bijwerken en verbeteren op internet van de Europese centrale databanken voor landbouwgewassen (European Central Crop Databases — ECCDB's) met karakteriserings- en evaluatiegegevens en met een link naar het netwerk van nationale inventarissen en naar de Eurisco-catalogus voor de paspoortgegevens;

5.

het tot stand brengen en op elkaar afstemmen van permanente Europese collecties ex situ op basis van de bestaande nationale of institutionele collecties ex situ, waarbij concepten voor taakverdeling onder de Europese landen bij de instandhouding van genetische hulpbronnen van landbouwgewassen ten uitvoer worden gelegd;

6.

opbouw en coördinatie van een Europees netwerk van instandhoudings- en demonstratievelden/-tuinen voor bedreigde en te weinig gebruikte genetische hulpbronnen van landbouwgewassen;

7.

karakterisering en evaluatie van genetische hulpbronnen van landbouwgewassen die voor de Europese landbouw van belang kunnen zijn;

8.

verzameling van genetische hulpbronnen van landbouwgewassen die voor de Europese landbouw van belang kunnen zijn, in overeenstemming met internationale voorschriften en verplichtingen.

4.2.   Genetische hulpbronnen van bosbouwgewassen

1.

Het opzetten op internet van een permanent en breed toegankelijk netwerk van nationale inventarissen van genetische hulpbronnen voor de bosbouw die voor duurzaam bosbeheer in Europa gebruikt worden of nuttig kunnen zijn;

2.

Uitwisseling van gegevens over werkwijzen, technieken en ervaringen op het gebied van instandhouding en beheer van geetische hulpbronnen van bosbouwgewassen;

3.

beoordeling en ontwikkeling van de beste operationele beheerspraktijk voor genetisch bosbouwmateriaal en opname van hiermee verband houdende werkzaamheden in nationale bosbouwprogramma's;

4.

totstandbrenging van Europese netwerken van representatieve genenreservaten of eenheden voor de instandhouding van genen ten behoeve van bepaalde doelsoorten om instandhouding en karakterisering op Europees niveau te verbeteren;

5.

evaluatie van genetische bosbouwhulpbronnen op het niveau van soort en herkomst (met inbegrip van de evaluatie van lopende herkomstproeven) die voor een duurzaam bosbeheer in Europa waardevol kunnen zijn;

6.

totstandbrenging en coördinatie van collecties om in de gehele Europese Gemeenschap het gebruik van genetische hulpbronnen voor bebossing, herbebossing, bosherstel en veredeling te bevorderen;

7.

verzameling van genetische bosbouwhulpbronnen die voor Europa van belang kunnen zijn.

4.3.   Dierlijke genetische hulpbronnen

1.

Het opzetten op internet van een permanent en breed toegankelijk Europees netwerk van nationale inventarissen van dierlijke genetische hulpbronnen ex situ en in situ/op het landbouwbedrijf met inachtneming van de werkzaamheden in het kader van het Europese netwerk van nationale coördinatoren voor dierlijke genetische hulpbronnen en met een link naar het DAD-IS-systeem van de FAO;

2.

vaststelling van voor heel Europa geldende genormaliseerde en vergelijkbare criteria voor het vastleggen van nationale prioriteiten op het gebied van duurzame instandhouding en aanwending van dierlijke genetische hulpbronnen en van daarmee verband houdende eisen inzake internationale samenwerking;

3.

totstandbrenging van Europese collecties van gecryoconserveerde dierlijke genetische hulpbronnen op basis van nationale of institutionele gecryoconserveerde collecties;

4.

karakterisering en evaluatie van dierlijke genetische hulpbronnen (soorten en rassen) die voor de voedselproductie en de landbouw gebruikt worden of nuttig kunnen zijn;

5.

vastlegging van een Europees genormaliseerd prestatietoetsensysteem voor dierlijke genetische hulpbronnen in de landbouw en documentatie van de kenmerken van bedreigde rassen en populaties van landbouwhuisdieren;

6)

totstandbrenging en coördinatie van een Europees netwerk van instandhoudingsboerderijen, reddingscentra en dierenparken voor bedreigde Europese rassen van landbouwhuisdieren;

7.

ontwikkeling van gemeenschappelijke grensoverschrijdende fokprogramma's voor bedreigde rassen en populaties. Vaststelling van regels voor de uitwisseling van gegevens, genetisch materiaal en fokdieren;

8.

ontwikkeling van strategieën om de rentabiliteit van landrassen te verhogen en zodoende een nauwere samenhang met de typische producten daarvan tot stand te brengen, en om de waarde van de landrassen wegens hun bijdrage op milieugebied (bv. landschapsbehoud, beheer van landbouwecosystemen) en aan het multifunctionele karakter van de landbouw (bv. instandhouding van de culturele verscheidenheid van het platteland, plattelandsontwikkeling en - toerisme, enz.) te definiëren en te verhogen;

9.

ontwikkeling van strategieën om de aanwending van te weinig gebruikte dierlijke genetische hulpbronnen die voor Europa van belang kunnen zijn, te bevorderen.


(1)  PB L 208 van 24.7.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).

(2)  PB L 208 van 24.7.1992, blz. 9. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003.

(3)  PB L 25 van 1.2.1999, blz. 1.


BIJLAGE II

INDICATIEVE VERDELING VAN DE FINANCIËLE MIDDELEN VOOR HET COMMUNAUTAIRE PROGRAMMA

 

%

Acties

90

Gerichte acties

73

voor de instandhouding, de karakterisering, en verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw ex situ en in situ om op Gemeenschapsniveau regionale of nationale activiteiten te ondersteunen of aan te vullen;

(53)

voor de ontwikkeling van een Europese gedecentraliseerde, permanente en breed toegankelijke inventaris op internet van genetische hulpbronnen in de landbouw (meer in het bijzonder de oorsprong en kenmerken ervan), instandhoudingsactiviteiten, faciliteiten en databanken die momenteel in de Gemeenschap beschikbaar zijn of ontwikkeld worden.

(20)

Gecoördineerde acties

9

Uitwisseling van gegevens over thematische vraagstukken ter verbetering van de coördinatie van nationale acties en programma's, alsook om deze beter af te stemmen op de communautaire maatregelen en op het verloop van de internationale onderhandelingen.

 

Begeleidende acties

8

Voorlichtings-, verspreidings- en adviserende acties, met inbegrip van seminars, technische conferenties, vergaderingen met NGO's en andere relevante belanghebbenden, opleidingen en de voorbereiding van technische verslagen.

 

Technische bijstand en raadpleging van deskundigen (evaluatie)

10 (8 + 2)

Totaal

100


Top