Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32004D0212

2004/212/EG: Beschikking van de Commissie van 6 januari 2004 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften van de Gemeenschap voor de invoer van dieren en van vers vlees, met inbegrip van gehakt vlees, uit derde landen en tot wijziging van de Beschikkingen 79/542/EEG, 2000/572/EG en 2000/585/EG (Kennisgeving geschied onder nummer C(2003) 5248) (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 73, 11.3.2004, p. 11–95 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 03 Volume 043 P. 104 - 189
Special edition in Estonian: Chapter 03 Volume 043 P. 104 - 189
Special edition in Latvian: Chapter 03 Volume 043 P. 104 - 188
Special edition in Lithuanian: Chapter 03 Volume 043 P. 104 - 189
Special edition in Hungarian Chapter 03 Volume 043 P. 104 - 188
Special edition in Maltese: Chapter 03 Volume 043 P. 104 - 189
Special edition in Polish: Chapter 03 Volume 043 P. 104 - 189
Special edition in Slovak: Chapter 03 Volume 043 P. 104 - 189
Special edition in Slovene: Chapter 03 Volume 043 P. 104 - 189
Special edition in Bulgarian: Chapter 03 Volume 054 P. 78 - 162
Special edition in Romanian: Chapter 03 Volume 054 P. 78 - 162
Special edition in Croatian: Chapter 03 Volume 039 P. 14 - 98

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2004/212/oj

32004D0212

2004/212/EG: Beschikking van de Commissie van 6 januari 2004 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften van de Gemeenschap voor de invoer van dieren en van vers vlees, met inbegrip van gehakt vlees, uit derde landen en tot wijziging van de Beschikkingen 79/542/EEG, 2000/572/EG en 2000/585/EG (Kennisgeving geschied onder nummer C(2003) 5248) (Voor de EER relevante tekst)

Publicatieblad Nr. L 073 van 11/03/2004 blz. 0011 - 0095


Beschikking van de Commissie

van 6 januari 2004

tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften van de Gemeenschap voor de invoer van dieren en van vers vlees, met inbegrip van gehakt vlees, uit derde landen en tot wijziging van de Beschikkingen 79/542/EEG, 2000/572/EG en 2000/585/EG

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2003) 5248)

(Voor de EER relevante tekst)

(2004/212/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Richtlijn 72/462/EEG van de Raad van 12 december 1972 inzake gezondheidsvraagstukken en veterinairrechtelijke vraagstukken bij de invoer van runderen, varkens, schapen en geiten, van vers vlees of van vleesproducten uit derde landen(1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2003(2), en met name op artikel 3, lid 1, artikel 6, lid 3, artikel 7, artikel 8, artikel 11, lid 2, artikel 14, lid 3, onder c) en d), artikel 15, artikel 16, lid 1, artikel 17, lid 2, onder b) en d), en artikel 22, lid 2,

Gelet op Richtlijn 91/496/EEG van de Raad van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG(3), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 96/43/EG(4), en met name op artikel 8, punt B,

Gelet op Richtlijn 92/45/EEG van de Raad van 16 juni 1992 betreffende de gezondheidsvoorschriften en veterinairrechtelijke voorschriften voor het doden van vrij wild en het in de handel brengen van vlees van vrij wild(5), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003(6), en met name op artikel 16, lid 2, onder c), en artikel 16, lid 3,

Gelet op Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo's waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt(7), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1398/2003 van de Commissie(8), en met name op artikel 6, punt A.1, onder e), artikel 17, leden 2 en 3, artikel 18, lid 1, en artikel 19,

Gelet op Richtlijn 92/118/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke en de gezondheidsvoorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van producten waarvoor ten aanzien van deze voorschriften een specifieke communautaire regelgeving geldt als bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, van Richtlijn 89/662/EEG, en, wat ziekteverwekkers betreft, van Richtlijn 90/425/EEG(9), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/721/EG van de Commissie(10), en met name op artikel 10,

Gelet op Richtlijn 94/65/EG van de Raad van 14 december 1994 tot vaststelling van voorschriften voor de productie en het in de handel brengen van gehakt vlees en vleesbereidingen(11), gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003, en met name op de artikelen 13 en 14,

Gelet op Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën(12), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2245/2003 van de Commissie(13), en met name op artikel 15, lid 3, artikel 16, lid 7, en artikel 23,

Gelet op Richtlijn 2002/99/EG van de Raad van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong(14), en met name op artikel 8 en artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In de communautaire bepalingen betreffende de veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer uit derde landen van levende dieren, vers vlees en vleesproducten, is in het algemeen bepaald i) dat deze invoer alleen is toegestaan uit een derde land of deel daarvan dat is opgenomen in de desbetreffende lijst van derde landen en ii) dat deze dieren en producten moeten voldoen aan de gezondheidsvoorschriften, ten bewijze waarvan een officiële dierenarts van het land van uitvoer een certificaat moet afgeven.

(2) Om de communautaire regelgeving gemakkelijker te kunnen aanpassen in verband met wijzigingen inzake de veterinairrechtelijke situatie in een derde land, moeten alle invoervoorschriften, met name de lijst van derde landen en de modelcertificaten voor de invoer in de Gemeenschap van alle Artiodactyla en Proboscidea, alsmede vers vlees van deze dieren en van paardachtigen, in één enkel wetsbesluit worden vastgesteld.

(3) Bij Beschikking 79/542/EEG van de Raad(15) is een lijst vastgesteld van derde landen waaruit de lidstaten de invoer van runderen, varkens, paardachtigen, schapen en geiten, vers vlees en vleesproducten toestaan, overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 72/462/EEG. Deze beschikking is altijd al de belangrijkste referentie geweest voor de vaststelling van communautaire procedures met het oog op het toestaan van de uitvoer uit derde landen van een hele reeks dieren en dierlijke producten; voor vers vlees, met inbegrip van gehakt vlees, zijn deze bepalingen vervangen door Richtlijn 2002/99/EG van de Raad; derhalve moet Beschikking 79/542/EEG worden bijgewerkt met het oog op de huidige consolidering.

(4) In artikel 12 van Richtlijn 90/426/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen en de invoer van paardachtigen uit derde landen(16) is bepaald dat de invoer van paardachtigen alleen is toegestaan uit derde landen of delen van derde landen die voorkomen op een lijst welke moet worden opgenomen in een speciale kolom die in de overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 72/462/EEG opgestelde lijst moet worden ingevoegd. De lijsten van derde landen die paardachtigen naar de Gemeenschap mogen uitvoeren, zijn evenwel vastgesteld in de op grond van Richtlijn 90/426/EEG vastgestelde beschikkingen van de Commissie inzake gezondheidsvoorschriften voor de invoer van paardachtigen.

(5) De bepalingen die betrekking hebben op de veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer van levende dieren op grond van Richtlijn 72/462/EEG, met name artikel 3 inzake een lijst van derde landen die levende dieren mogen uitvoeren, worden vervangen door een richtlijn van de Raad tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer in de Gemeenschap van bepaalde levende dieren en tot wijziging van de Richtlijnen 72/462/EEG, 90/426/EEG, 92/65/EEG en 97/78/EG(17). In dit verband zal artikel 12 van Richtlijn 90/426/EEG worden aangepast om daarin te bepalen dat de beginselen voor het opstellen van een specifieke lijst van derde landen die gemachtigd zijn gebruik te maken van de specifieke modellen van de gezondheidscertificaten voor de uitvoer van paardachtigen naar de Gemeenschap, worden gewijzigd. Bovendien zal deze richtlijn specifieke voorschriften bevatten voor dieren die in de Gemeenschap worden ingevoerd in het kader van bepaalde niet-commerciële transacties.

(6) Om bovenstaande redenen en gelet op het specifieke karakter van de handel in dieren die in het kader van niet-commerciële transacties worden ingevoerd, moeten paardachtigen, evenals dieren die bestemd zijn voor shows, voor tentoonstellingen, voor wetenschappelijke doeleinden, inclusief instandhouding en proeven, en voor circussen, buiten de werkingssfeer van Beschikking 79/542/EEG worden gehouden.

(7) Wat de invoer van vleesproducten op basis van de Richtlijnen 72/462/EEG, 77/99/EEG en 92/118/EEG betreft, zijn bij Beschikking 97/221/EG(18) en Beschikking 97/222/EG(19) van de Commissie de veterinairrechtelijke voorschriften en het model van de veterinaire certificaten, respectievelijk de lijst van derde landen waaruit de lidstaten de invoer toestaan van vleesproducten, afkomstig van een hele reeks dieren, vastgesteld. De twee beschikkingen voorzien reeds in geharmoniseerde bepalingen betreffende de veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer van vleesproducten uit derde landen. Om duplicatie van lijsten van derde landen die deze producten mogen uitvoeren, te voorkomen, moeten vleesproducten derhalve buiten de werkingssfeer van Beschikking 79/542/EEG worden geplaatst.

(8) Met betrekking tot de inrichtingen waar levende dieren op regelmatige basis worden gehouden of gefokt, is in Richtlijn 72/462/EEG een definitie gegeven van "een bedrijf" voor als huisdier gehouden runderen, schapen, geiten en varkens, en in Richtlijn 92/65/EEG een definitie van "een erkende instelling, een erkend instituut of een erkend centrum" voor andere diersoorten. Met het oog op harmonisatie en vereenvoudiging van de terminologie die in het kader van deze beschikking wordt gebruikt, is het dienstig één enkele definitie vast te stellen voor alle bedrijven waar normaliter Artiodactyla en Proboscidea worden gehouden of gefokt.

(9) Bij Beschikking 2000/572/EG van de Commissie(20) zijn veterinairrechtelijke voorschriften, gezondheidsvoorschriften en voorschriften inzake veterinaire certificering vastgesteld voor de invoer van gehakt vlees en van vleesbereidingen. Diepgevroren gehakt vlees mag alleen worden vervaardigd met vlees van als huisdier gehouden runderen, schapen, geiten en varkens, en met betrekking tot dierziekten en veterinairrechtelijke voorschriften gelden dezelfde bepalingen als voor vers vlees van die dieren. Vleesbereidingen kunnen evenwel ook vlees bevatten van andere dieren dan zoogdieren. Beschikking 2000/572/EG dient derhalve niet meer van toepassing te zijn op gehakt vlees van als huisdier gehouden evenhoevigen, aangezien dat vlees beter kan worden opgenomen in de werkingssfeer van Beschikking 79/542/EEG, terwijl de voorschriften voor de invoer van vleesbereidingen in een aparte beschikking worden vastgelegd.

(10) Bij Beschikking 2000/585/EG van de Commissie(21) zijn de veterinairrechtelijke voorschriften, de gezondheidsvoorschriften en de voorschriften inzake veterinaire certificering vastgesteld voor de invoer van vlees van vrij wild, vlees van gekweekt wild en konijnenvlees uit derde landen die zijn opgenomen in de bij die beschikking vastgestelde lijst. Voor vlees van gekweekt of vrij evenhoevig wild en van paardachtigen gelden met betrekking tot dierziekten en veterinairrechtelijke voorschriften dezelfde bepalingen als voor vers vlees van als huisdier gehouden runderen, varkens, paardachtigen, schapen en geiten. Beschikking 2000/585/EG hoeft bijgevolg geen voorschriften meer te bevatten voor de invoer van vlees van gekweekt en vrij evenhoevig wild en vlees van paardachtigen, aangezien die voorschriften moeten worden opgenomen in Beschikking 79/542/EEG overeenkomstig Richtlijn 2002/99/EG.

(11) Beschikking 84/390/EEG van de Commissie(22) is vastgesteld op grond van Richtlijn 72/462/EEG en bevat bepalingen inzake de erkenning van grensinspectieposten voor de invoer van levende runderen en varkens en van vers vlees daarvan. Sedert de inwerkingtreding van de Richtlijnen 90/675/EEG(23) en 91/496/EEG van de Raad en de beschikkingen van de Commissie ter uitvoering daarvan, zijn de bepalingen van Beschikking 84/390/EEG niet langer van toepassing, en de beschikking moet derhalve worden ingetrokken.

(12) Bij Beschikking 91/189/EEG van de Commissie(24) zijn de voorschriften vastgesteld voor de standaardisatie van materialen en methoden voor de veterinaire tests, alsmede de voorwaarden voor de erkenning van de markten in het kader van de invoer van als huisdier gehouden runderen en varkens uit derde landen. De bepalingen inzake de erkenning van markten voor de handel in dieren die bestemd zijn voor uitvoer naar de Europese Gemeenschap, zijn niet langer van toepassing. Deze beschikking moet derhalve worden ingetrokken en de bepalingen betreffende de voorschriften voor de standaardisatie van materialen en methoden voor de veterinaire tests moeten worden opgenomen in Beschikking 79/542/EEG.

(13) De Beschikkingen 93/198/EG(25) en 97/232/EG(26) van de Commissie betreffen de vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften en voorschriften inzake veterinaire certificering voor de invoer van schapen en geiten uit derde landen, respectievelijk de vaststelling van de lijsten van derde landen waaruit de lidstaten de invoer van schapen en geiten toestaan. Bij Beschikking 2002/199/EG van de Commissie(27) zijn veterinairrechtelijke voorschriften en voorschriften inzake veterinaire certificering vastgesteld voor de invoer van levende runderen en varkens uit bepaalde derde landen, alsmede de lijst van derde landen waaruit de lidstaten de invoer van levende runderen en varkens toestaan. Met betrekking tot evenhoevige dieren die onder de werkingssfeer vallen van Richtlijn 92/65/EEG, moeten de gezondheidsvoorschriften, de veterinaire certificering en de lijst van derde landen die deze dieren naar de Gemeenschap mogen uitvoeren, op communautair niveau worden geharmoniseerd. Voor al deze dieren gelden dezelfde bepalingen met betrekking tot dierziekten en veterinairrechtelijke voorschriften. Bijgevolg moeten de Beschikkingen 93/198/EG, 97/232/EG en 2002/199/EG worden ingetrokken en moeten de bepalingen daarvan worden opgenomen in Beschikking 79/542/EEG. Bovendien moeten specifieke voorschriften worden vastgesteld om erop toe te zien dat dieren die uit een derde land naar de Gemeenschap worden geëxporteerd, tijdens het vervoer hun gezondheidsstatus behouden.

(14) Bij Beschikking 93/52/EEG van de Commissie(28) wordt geconstateerd dat bepaalde lidstaten of gebieden aan de voorwaarden voldoen om te worden erkend als officieel brucellosevrij (Br. melitensis); op grond daarvan mogen die lidstaten aanvullende garanties eisen, die in het certificaat moeten worden gegeven.

(15) De Beschikkingen 80/801/EEG(29), 80/804/EEG(30), 81/526/EEG(31), 81/887/EEG(32), 82/414/EEG(33), 82/426/EEG(34), 83/84/EEG(35), 83/380/EEG(36), 84/292/EEG(37), 84/294/EEG(38), 86/63/EEG(39), 86/72/EEG(40), 86/117/EEG(41), 86/463/EEG(42), 89/197/EEG(43), 89/221/EEG(44), 90/445/EEG(45), 91/73/EEG(46), 91/445/EEG(47), 91/446/EEG(48), 92/280/EEG(49), 93/402/EG(50), 98/371/EG(51), 98/625/EG(52), 1999/283/EG(53) en 2001/745/EG(54) van de Commissie voorzien in veterinairrechtelijke voorschriften en veterinaire certificering voor de invoer van vers vlees van als huisdier gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen uit verschillende derde landen. Bijgevolg moeten deze beschikkingen worden ingetrokken en moeten de bepalingen worden opgenomen in Beschikking 79/542/EEG.

(16) Het Internationaal Bureau voor Besmettelijke Veeziekten (OIE) en de Codex Alimentarius hebben richtsnoeren vastgesteld betreffende de principes die in acht moeten worden genomen door de certificerende dierenartsen. In die principes staat dat de certificerende dierenarts alleen die dingen mag certificeren die hij op het moment waarop hij het certificaat ondertekent, persoonlijk weet, of die zijn vastgelegd in een aparte verklaring van een ambtenaar van een andere bevoegde autoriteit. Bovendien is in Richtlijn 96/93/EG van de Raad(55) bepaald aan welke normen moet worden voldaan om geldig te kunnen certificeren en om fraude te voorkomen. Daarom moet erop worden toegezien dat de voorschriften en principes die worden gevolgd door certificerende ambtenaren in derde landen, garanties bieden die evenwaardig zijn aan die welke zijn vastgelegd in Richtlijn 96/93/EG en dat de modellen van het gezondheidscertificaat die zijn vastgesteld in Beschikking 79/542/EEG, uitsluitend gegevens bevatten die op het moment waarop het certificaat wordt afgegeven, aan de hand van documenten kunnen worden gestaafd.

(17) Ter informatie van de certificerende dierenarts, de importeurs en de bevoegde autoriteiten in de lidstaat waar de certificaten worden overgelegd, moeten aanvullende gegevens worden vermeld in de opmerkingen betreffende de geldigheidsduur van het certificaat, de datum waarop het is ingevuld en de werkingssfeer ervan. Om dezelfde redenen moet elk modelcertificaat vergezeld gaan van toelichtingen inzake bepaalde definities, inzake aanvullende garanties onder specifieke omstandigheden en inzake de gezondheidseisen voor bedrijven, gebouwen en dieren.

(18) De Verenigde Naties hebben richtsnoeren opgesteld betreffende het gebruik van een gemeenschappelijk kader en een gemeenschappelijke lay-out voor het opstellen van handelsdocumenten. Dankzij de inspanningen van diverse internationale organisaties die zich toeleggen op de vereenvoudiging van de procedures in het internationale handelsverkeer, zijn nieuwe principes en voorschriften vastgesteld voor het afgeven van certificaten in het kader van internationale transacties. Met betrekking tot certificeringsprocedures hebben het Internationaal Bureau voor Besmettelijke Veeziekten (OIE) en de Codex Alimentarius richtsnoeren vastgesteld betreffende het gebruik van elektronische certificering.

(19) Met het oog op de harmonisatie van de lay-out van veterinaire certificaten die moeten worden opgesteld en afgegeven door de officiële dierenarts van het land van uitvoer, en om het elektronisch doorsturen van certificaten te vergemakkelijken, moeten de bij Beschikking 79/542/EEG vastgestelde modellen voor de veterinaire certificaten, evenals de opmerkingen die betrekking hebben op het opstellen van de certificaten in het land van uitvoer, een daarop afgestelde vorm hebben.

(20) In bijlage A bij Richtlijn 72/462/EEG van de Raad is een model vastgesteld voor het gezondheidscertificaat voor de invoer uit derde landen van vers vlees van als huisdier gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen, bestemd voor menselijke consumptie. Voor vlees van gekweekt en vrij wild zijn de voorschriften inzake de verklaringen betreffende de diergezondheid, de volksgezondheid en het welzijn van de dieren bij Beschikking 2000/585/EG verwerkt in de modelcertificaten voor elke categorie vlees. Nieuwe maatregelen van de Gemeenschap worden vastgesteld met betrekking tot het dierenwelzijn en de volksgezondheid, voorzover die betrekking hebben op de invoer van levende dieren en vers vlees daarvan.

(21) Om de invoervoorschriften te harmoniseren, de transparantie van de communautaire voorschriften te garanderen en de regelgevingsprocedure voor het bijwerken van de communautaire regelgeving te vereenvoudigen, moeten in alle modellen van de gezondheidscertificaten die zijn vastgesteld bij Beschikking 79/542/EEG, de desbetreffende eisen worden opgenomen die noodzakelijk zijn voor de uitvoer naar de Gemeenschap van elke categorie dieren of vlees. Andere gezondheidsvoorschriften van een meer algemene strekking die op communautair niveau zijn vastgesteld, zijn evenwel nog steeds belangrijk om te bepalen of invoer in de Gemeenschap van de betrokken goederen uiteindelijk wordt toegestaan. Deze voorschriften zijn vastgesteld in Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in producten daarvan(56), en in Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden(57). Zij kunnen ook voortvloeien uit de vrijwaringsmaatregelen die zijn vastgesteld in de Richtlijnen 91/496/EEG en 97/78/EG.

(22) Voor douanedoeleinden en voor statistisch gebruik geldt in heel de wereld een nomenclatuur waarbij levende dieren, vlees daarvan en andere daarvan afgeleide producten worden ingedeeld in verschillende categorieën met gebruikmaking van specifieke codes en definities. Wanneer dergelijke goederen door de invoerders worden aangegeven bij de douaneautoriteit, moet rekening worden gehouden met deze categorieën dieren en producten. De Richtlijnen 91/496/EEG en 97/78/EG met betrekking tot de veterinaire controles aan de grenzen van de Gemeenschap, vereisen een nauwe samenwerking tussen de grensinspectiepost en het douanekantoor waar dieren en producten van dierlijke oorsprong van buiten de Gemeenschap toekomen.

(23) Om de invoerprocedures aan de grenzen van de Gemeenschap te harmoniseren en te vergemakkelijken, is het passend dat elke zending die voor invoer wordt aangeboden, vergezeld gaat van het vereiste veterinaire certificaat.

(24) Aangezien bovendien uit Australië alleen de invoer van levend pluimvee en van vers vlees van pluimvee, en met name van loopvogels en van vlees van loopvogels, is toegestaan op voorwaarde dat specifieke testvoorschriften in acht worden genomen in verband met het gebruik van vaccin tegen Newcastle disease dat niet voldoet aan de regelgeving van de EG, moet de invoer van vlees van vrij en gekweekt wild worden geschorst totdat de situatie voor de betrokken categorieën vogels beter kan worden geëvalueerd.

(25) Beschikking 79/542/EEG van de Raad en Beschikking 2000/585/EG van de Commissie worden dienovereenkomstig gewijzigd.

(26) In de communautaire voorschriften voor de invoer van bepaalde producten van dierlijke oorsprong wordt verwezen naar de lijst van derde landen die is vastgesteld in de bijlage bij Beschikking 79/542/EEG. Nadat Beschikking 79/542/EEG is gewijzigd, moeten die verwijzingen worden gelezen als verwijzingen naar de lijst van derde landen of delen daarvan die is opgenomen in deel 1 van bijlage II bij de gewijzigde Beschikking 79/542/EEG.

(27) Op grond van Richtlijn 72/462/EEG zijn de Beschikkingen 89/18/EEG(58), 92/183/EEG(59) en 92/187/EEG van de Commissie(60) vastgesteld met het oog op de harmonisatie van de veterinairrechtelijke voorschriften, de veterinaire certificering en de voorschriften voor de invoer uit derde landen van grondstoffen voor de verwerkende industrie en van vers vlees van als huisdier gehouden runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen voor ander gebruik dan voor menselijke consumptie. Voorts zijn in de in overweging 14 genoemde beschikkingen van de Commissie, die bij dit besluit worden ingetrokken, bepalingen vastgesteld betreffende veterinairrechtelijke voorschriften en certificering voor de invoer van dat verse vlees wanneer het bestemd is voor de vervaardiging van voeder voor gezelschapsdieren. Bij Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad(61) zijn gezondheidsvoorschriften vastgesteld voor niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten, waaronder die grondstoffen. De certificeringsvoorschriften moeten worden herzien en toegepast tegen 1 mei 2004, datum waarop Verordening (EG) nr. 1774/2002 onverkort van toepassing wordt. Ondertussen blijven de veterinairrechtelijke voorschriften en de modelcertificaten die zijn vastgesteld in bovengenoemde beschikkingen voor deze producten van toepassing, doordat wordt voorzien in een overgangsperiode waarin de oude modelcertificaten nog mogen worden gebruikt.

(28) De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Beschikking 79/542/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1. De titel wordt vervangen door:

"Beschikking 79/542/EEG van de Raad van 21 december 1976 tot vaststelling van een lijst van derde landen of delen van derde landen, alsmede tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften, gezondheidsvoorschriften en voorschriften inzake de veterinaire certificering voor de invoer in de Gemeenschap van levende dieren en vers vlees daarvan".

2. De artikelen 1, 2 en 3 worden vervangen door:

"Artikel 1

Onderwerp en werkingssfeer

Bij deze beschikking worden gezondheidsvoorschriften vastgesteld voor de invoer in de Gemeenschap van levende dieren, met uitzondering van paardachtigen, en voor de invoer van vers vlees en vleesproducten van die dieren, met inbegrip van paardachtigen, doch met uitsluiting van vleesbereidingen.

Deze beschikking is niet van toepassing op de invoer van niet-gedomesticeerde dieren voor shows of tentoonstellingen, wanneer die dieren niet regelmatig worden gehouden of gefokt, noch op niet-gedomesticeerde dieren die deel uitmaken van circussen of die bestemd zijn voor wetenschappelijke doeleinden, met inbegrip van instandhouding of proeven, in een instelling, instituut of centrum die/dat is erkend overeenkomstig bijlage C bij Richtlijn 92/65/EEG.

Voor de invoer van dieren en vers vlees overeenkomstig deze beschikking blijven de in de Europese levensmiddelenregelgeving vastgestelde voorschriften van toepassing.

Artikel 2

Definities

In het kader van deze beschikking zijn de volgende definities van toepassing:

a) dieren: landzoogdieren van alle soorten die behoren tot de taxa Proboscidea en Artiodactyla, alsmede kruisingen daarvan;

b) bedrijf: een landbouwbedrijf of een andere onder officieel toezicht staande agrarische, industriële of commerciële onderneming, met inbegrip van dierentuinen, pretparken, wildparken en jachtgebieden waar normaliter dieren worden gehouden of gefokt;

c) opgemaakte slachtafvallen: afvallen waaruit de beenderen, het kraakbeen, de trachea en de belangrijkste bronchiën, de lymfeklieren en het daaraan vastzittende bindweefsel, het vet en de mucus volledig zijn verwijderd; wanneer het gaat om vlees van als huisdier gehouden runderen, worden ook de hele kauwspieren, ingesneden overeenkomstig hoofdstuk VIII, punt 41, onder a), van bijlage I bij Richtlijn 64/433/EEG van de Raad als opgemaakte slachtafvallen beschouwd.

Artikel 3

Voorwaarden voor de invoer van levende dieren in de Gemeenschap

Levende dieren mogen in de Gemeenschap alleen worden ingevoerd wanneer zij voldoen aan het bepaalde in de artikelen 4, 5 en 6.

Artikel 4

Plaats van herkomst van levende dieren

De dieren moeten komen van het grondgebied van een derde land of een deel daarvan dat is vermeld in de kolommen 1, 2 en 3 van de tabel in deel 1 van bijlage I en waarvoor, in de overeenkomstige kolom 4, is aangegeven welk specifiek model van het veterinair certificaat voor deze dieren moet worden gebruikt.

Artikel 5

Specifieke voorwaarden

De dieren moeten voldoen aan de eisen die zijn vastgesteld in het certificaat volgens het desbetreffende in deel 2 van bijlage I vastgestelde model, met inachtneming van de specifieke voorwaarden die zijn vermeld in kolom 6 van de tabel in deel 1 van bijlage I, en zij moeten, wanneer dat is aangegeven in kolom 5 van de tabel, ook voldoen aan de aanvullende garanties die eventueel in dat certificaat zijn opgenomen.

Indien zulks door de lidstaat van bestemming wordt gevraagd, moeten de betrokken dieren ook voldoen aan de aanvullende certificeringseisen die met betrekking tot deze lidstaat zijn vastgesteld in het certificaat volgens het desbetreffende in deel 2 van bijlage I vastgestelde model.

Artikel 6

Vervoer van levende dieren bij invoer in de Gemeenschap

1. De dieren mogen niet worden geladen in een vervoermiddel waarmee ook andere dieren worden vervoerd die niet bestemd zijn voor de Gemeenschap of die een lagere gezondheidsstatus hebben.

2. Tijdens het vervoer naar de Gemeenschap mogen de dieren niet worden afgeladen op het grondgebied van een derde land of een deel daarvan, dat niet is erkend om die dieren in de Gemeenschap in te voeren.

3. Tijdens het vervoer naar de Gemeenschap mogen de dieren niet over de weg, per spoor of op eigen kracht worden verplaatst via het grondgebied van een derde land of een deel daarvan, dat niet is erkend om die dieren in de Gemeenschap in te voeren.

4. De dieren moeten in de grensinspectiepost van de Gemeenschap aankomen binnen tien dagen na de datum van lading in het derde land van verzending en zij moeten vergezeld gaan van een veterinair certificaat dat is opgesteld volgens het desbetreffende model en dat is ingevuld en ondertekend door een officiële dierenarts van het derde land van uitvoer.

Bij vervoer over zee mag de periode van tien dagen worden verlengd met de duur van de zeereis. Daartoe moet het originele exemplaar van de verklaring van de kapitein van het schip, opgesteld overeenkomstig het addendum in deel 3.A van bijlage I, bij het veterinair certificaat worden gevoegd.

Artikel 7

Na invoer toe te passen voorschriften

Na invoer moeten, overeenkomstig Richtlijn 91/496/EEG:

i) dieren die bestemd zijn om onmiddellijk te worden geslacht, onverwijld worden overgebracht naar het slachthuis van bestemming, waar zij binnen vijf werkdagen moeten worden geslacht;

ii) dieren die bestemd zijn voor fok-, gebruiks- of mestdoeleinden, en dieren die bestemd zijn voor dierentuinen, pretparken en wildparken of jachtgebieden, onverwijld worden overgebracht naar het bedrijf van bestemming waar zij ten minste 30 dagen moeten blijven voordat zij dat bedrijf weer mogen verlaten, behoudens om rechtstreeks naar een slachthuis te worden gevoerd.

Artikel 8

Voorschriften voor de invoer van vers vlees in de Gemeenschap

Invoer in de Gemeenschap van vers vlees voor menselijke consumptie, afkomstig van de in artikel 2 omschreven dieren en van paardachtigen, mag alleen worden toegestaan indien het vlees voldoet aan het bepaalde in de artikelen 9, 10 en 11.

Artikel 9

Plaats van herkomst van vers vlees

Vers vlees moet komen van het grondgebied van een derde land of een deel daarvan dat is vermeld in de kolommen 1, 2 en 3 van de tabel in deel 1 van bijlage II en waarvoor, in de overeenkomstige kolom 4, is aangegeven welk specifiek model van het veterinair certificaat voor dat vlees moet worden gebruikt.

Artikel 10

Specifieke voorwaarden

Vers vlees moet voldoen aan de eisen die zijn vastgesteld in het certificaat volgens het desbetreffende, in deel 2 van bijlage II vastgestelde model, met inachtneming van de specifieke voorwaarden die zijn vermeld in kolom 6 van de tabel in deel 1 van bijlage II, en moet, wanneer dat is aangegeven in kolom 5 van de tabel, ook voldoen aan de aanvullende garanties die eventueel in dat certificaat zijn opgenomen.

Artikel 11

Het aanbieden van vers vlees in een grensinspectiepost van de Gemeenschap

Wanneer vers vlees wordt aangeboden in een grensinspectiepost van de Gemeenschap, moet het vergezeld gaan van een veterinair certificaat dat is opgesteld volgens het desbetreffende model en dat is ingevuld en ondertekend door een officiële dierenarts van het derde land van uitvoer.

Artikel 12

Na invoer geldende voorschriften

1. De onderstaande categorieën vers vlees moeten na invoer onverwijld worden overgebracht naar de verwerkingsinrichting van bestemming, overeenkomstig Richtlijn 97/78/EG:

a) niet-onthuide karkassen van vrij evenhoevig wild, bestemd voor menselijke consumptie na verdere verwerking;

b) opgemaakte slachtafvallen van als huisdier gehouden runderen, bestemd voor menselijke consumptie als vleesproduct na verdere hittebehandeling in de vorm van koken tot een kerntemperatuur van ten minste 80 °C of sterilisatie in hermetisch gesloten recipiënten tot een Fo-waarde van ten minste 3.

2. Voor de in lid 1, onder b), bedoelde categorieën producten moet de inrichting van bestemming door de lidstaat waar zij is gevestigd, speciaal zijn erkend en geregistreerd voor het verwerken van dergelijke producten.

3. Volgens de bij Beschikking 2001/106/EG vastgestelde procedures melden de lidstaten aan elkaar en aan de Commissie:

a) de naam en het adres van de inrichtingen als bedoeld in lid 2, en van de plaatselijke bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op deze inrichtingen alsmede

b) de categorieën producten waarvoor deze inrichtingen zijn erkend en geregistreerd.

Artikel 13

Certificering

De voor de invoer van levende dieren en van vers vlees in de Gemeenschap vereiste veterinaire certificaten als bedoeld in deze beschikking, worden opgesteld met inachtneming van de opmerkingen in deel 2 van de bijlagen I en II. Dit sluit evenwel niet uit dat gebruik kan worden gemaakt van een elektronisch certificeringssysteem of een ander overeengekomen systeem, voorzover het op communautair niveau is geharmoniseerd."

3. Artikel 4 wordt artikel 14.

4. De bijlage wordt vervangen door bijlage A bij de onderhavige beschikking.

Artikel 2

Wijzigingen van Beschikking 2000/572/EG

Beschikking 2000/572/EG wordt als volgt gewijzigd:

1. De titel wordt vervangen door:

"Beschikking 2000/572/EG van de Commissie van 8 september 2000 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften, gezondheidsvoorschriften en voorschriften inzake de veterinaire certificering voor de invoer in de Gemeenschap van vleesbereidingen uit derde landen".

2. Artikel 1 wordt vervangen door:

"Artikel 1

Bij deze beschikking worden veterinairrechtelijke voorschriften, gezondheidsvoorschriften en voorschriften inzake de veterinaire certificering vastgesteld voor de invoer van vleesbereidingen."

3. Artikel 2 wordt geschrapt.

4. Artikel 4, lid 1, wordt geschrapt.

5. Artikel 6 wordt geschrapt.

6. Bijlage I wordt geschrapt.

Artikel 3

Wijzigingen van Beschikking 2000/585/EG

Beschikking 2000/585/EG wordt als volgt gewijzigd:

1. De titel wordt vervangen door:

"Beschikking 2000/585/EG van de Commissie van 7 september 2000 houdende vaststelling van een lijst van derde landen waaruit de lidstaten de invoer toestaan van konijnenvlees en van bepaalde soorten vlees van vrij en van gekweekt wild, en houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften, gezondheidsvoorschriften en voorschriften inzake de veterinaire certificering voor die invoer".

2. Artikel 2 wordt vervangen door:

"Artikel 2

De lidstaten staan de invoer toe van de volgende soorten vlees:

- vlees van vrij vederwild, zonder de slachtafvallen, tenzij het gaat om ongeplukt en niet van de ingewanden ontdaan vederwild;

- vlees van gekweekt vederwild;

- vlees van wilde leporidae, gedefinieerd als konijnen en hazen, zonder de slachtafvallen, tenzij het gaat om niet-onthuide en niet van de ingewanden ontdane leporidae;

- vlees van gekweekte konijnen;

- vlees van niet-gedomesticeerde landzoogdieren, met uitzondering van hoefdieren en van leporidae, zonder de slachtafvallen.

Het vlees moet komen uit derde landen of delen van derde landen die zijn vermeld in bijlage I, en het moet voldoen aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in het op grond van bijlage II bij deze beschikking vereiste veterinaire certificaat volgens het in bijlage III vastgestelde model.

Het derde land van uitvoer moet voldoen aan de in bijlage II voorgeschreven en in bijlage IV omschreven specifieke eisen en de desbetreffende verklaring moet worden opgenomen in deel V van elk gezondheidscertificaat volgens het in bijlage III vastgestelde model."

3. De bijlagen I en II worden vervangen door bijlage B bij de onderhavige beschikking.

4. In bijlage III worden de modellen A, B, F, G en J geschrapt.

5. In bijlage IV worden de punten 1, 2, 5 en 7 geschrapt.

Artikel 4

Intrekking

De Beschikkingen 80/801/EEG, 80/804/EEG, 81/526/EEG, 81/887/EEG, 82/414/EEG, 82/426/EEG, 83/84/EEG, 83/380/EEG, 84/292/EEG, 84/294/EEG, 84/390/EEG, 86/63/EEG, 86/72/EEG, 86/117/EEG, 86/463/EEG, 89/197/EEG, 89/221/EEG, 90/445/EEG, 91/73/EEG, 91/189/EEG, 91/445/EEG, 91/446/EEG, 92/280/EEG, 93/198/EEG, 93/402/EEG, 97/232/EG, 98/371/EG, 98/625/EG, 1999/283/EG, 2001/745/EG en 2002/199/EG worden ingetrokken.

Artikel 5

Overgangs- en slotbepalingen

1. Deze beschikking is van toepassing met ingang van 1 mei 2004.

2. In de communautaire regelgeving vervatte verwijzingen naar de lijst van derde landen in deel 1 van de bijlage bij Beschikking 79/542/EEG, in de versie die gold vóór de invoering van de bij de onderhavige beschikking vastgestelde wijzigingen, moeten worden gelezen als verwijzingen naar de lijst van derde landen die is opgenomen in deel 1 van bijlage II bij Beschikking 79/542/EEG, na wijziging door de onderhavige beschikking.

3. Invoer in de Gemeenschap van levende dieren die zijn gecertificeerd vóór de in lid 1 vastgestelde datum en van vers vlees van dieren die zijn geslacht vóór de in lid 1 vastgestelde datum, met gebruikmaking van een veterinair certificaat volgens een van de modellen die zijn vastgesteld in de in artikel 4 genoemde beschikkingen, wordt toegestaan gedurende een periode van 60 dagen na de datum waarop deze beschikking van toepassing is geworden.

Artikel 6

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 6 januari 2004.

Voor de Commissie

David Byrne

Lid van de Commissie

(1) PB L 302 van 31.12.1972, blz. 28.

(2) PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36.

(3) PB L 268 van 24.9.1991, blz. 56.

(4) PB L 162 van 1.7.1996, blz. 1.

(5) PB L 268 van 14.9.1992, blz. 35.

(6) PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1.

(7) PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54.

(8) PB L 198 van 6.8.2003, blz. 3.

(9) PB L 62 van 15.3.1993, blz. 49.

(10) PB L 260 van 11.10.2003, blz. 21.

(11) PB L 368 van 31.12.1994, blz. 10.

(12) PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1.

(13) PB L 333 van 20.12.2003, blz. 28.

(14) PB L 18 van 23.1.2003, blz. 11.

(15) PB L 146 van 14.6.1979, blz. 15.

(16) PB L 224 van 18.10.1990, blz. 42.

(17) COM(2003) 570 definitief.

(18) PB L 89 van 4.4.1997, blz. 32.

(19) PB L 89 van 4.4.1997, blz. 39.

(20) PB L 240 van 23.9.2000, blz. 9.

(21) PB L 251 van 6.10.2000, blz. 1.

(22) PB L 211 van 8.8.1984, blz. 20.

(23) PB L 373 van 31.12.1990, blz. 1.

(24) PB L 96 van 17.4.1991, blz. 1

(25) PB L 86 van 6.4.1993, blz. 34.

(26) PB L 93 van 8.4.1997, blz. 43.

(27) PB L 71 van 13.3.2002, blz. 1.

(28) PB L 13 van 21.1.1993, blz. 14.

(29) PB L 234 van 5.9.1980, blz. 41.

(30) PB L 236 van 9.9.1980, blz. 25.

(31) PB L 196 van 18.7.1981, blz. 19.

(32) PB L 324 van 12.11.1981, blz. 25.

(33) PB L 182 van 26.6.1982, blz. 27.

(34) PB L 186 van 30.6.1982, blz. 54.

(35) PB L 56 van 3.3.1983, blz. 26.

(36) PB L 222 van 13.8.1983, blz. 27.

(37) PB L 144 van 30.5.1984, blz. 10.

(38) PB L 144 van 30.5.1984, blz. 17.

(39) PB L 72 van 15.3.1986, blz. 36.

(40) PB L 76 van 21.3.1986, blz. 47.

(41) PB L 99 van 15.4.1986, blz. 26.

(42) PB L 271 van 23.9.1986, blz. 23.

(43) PB L 73 van 17.3.1989, blz. 53.

(44) PB L 92 van 5.4.1989, blz. 16.

(45) PB L 228 van 22.8.1990, blz. 28.

(46) PB L 43 van 16.2.1991, blz. 45.

(47) PB L 239 van 28.8.1991, blz. 17.

(48) PB L 239 van 28.8.1991, blz. 18.

(49) PB L 144 van 26.5.1992, blz. 21.

(50) PB L 179 van 22.7.1993, blz. 11.

(51) PB L 170 van 16.6.1998, blz. 16.

(52) PB L 299 van 10.11.1998, blz. 30.

(53) PB L 110 van 28.4.1999, blz. 16.

(54) PB L 278 van 23.10.2001, blz. 37.

(55) PB L 13 van 16.1.1997, blz. 28.

(56) PB L 125 van 23.5.1996, blz. 10.

(57) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.

(58) PB L 8 van 11.1.1989, blz. 17.

(59) PB L 84 van 31.3.1992, blz. 37.

(60) PB L 87 van 2.4.1992, blz. 20.

(61) PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1.

BIJLAGE A

"BIJLAGE 1 (LEVENDE DIEREN)

DEEL 1

Lijst van derde landen of delen daarvan

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Specifieke voorwaarden: (zie de voetnoten in elk certificaat):

"I": gebied waar de aanwezigheid van BSE bij inheemse runderen zeer onwaarschijnlijk wordt geacht in het kader van de uitvoer naar de Europese Gemeenschap van dieren die zijn gecertificeerd volgens de modelcertificaten BOV-X en BOV-Y.

"II": gebied dat als officieel tuberculosevrij is erkend in het kader van de uitvoer naar de Europese Gemeenschap van dieren die zijn gecertificeerd volgens het modelcertificaat BOV-X.

"III": gebied dat als officeel brucellosevrij is erkend in het kader van de uitvoer naar de Europese Gemeenschap van dieren die zijn gecertificeerd volgens het modelcertificaat BOV-X.

"IVa": gebied dat als officieel vrij van enzoötische boviene leukose (EBL) is erkend in het kader van de uitvoer naar de Europese Gemeenschap van dieren die zijn gecertificeerd volgens het modelcertificaat BOV-X.

"IVb": gebied met bedrijven die als officieel vrij van enzoötische boviene leukose (EBL) zijn erkend in het kader van de uitvoer naar de Europese Gemeenschap van dieren die zijn gecertificeerd volgens het modelcertificaat BOV-X.

"V": gebied dat als officeel brucellosevrij is erkend in het kader van de uitvoer naar de Europese Gemeenschap van dieren die zijn gecertificeerd volgens het modelcertificaat OVI-X.

"VI": geografische beperkingen:

Voor Bulgarije, gebiedscode BG-1, mogen dieren die zijn gecertificeerd volgens de modelcertificaten BOV-X, BOV-Y, RUM, OVI-X en OVI-Y, alleen worden ingevoerd in die delen van het grondgebied van een lidstaat die zijn opgenomen in bijlage II bij Beschikking 2001/138/EG van 9 februari 2001, indien die lidstaat dat toestaat.

"VII": gebied dat als officeel tuberculosevrij is erkend in het kader van de uitvoer naar de Europese Gemeenschap van dieren die zijn gecertificeerd volgens het modelcertificaat RUM.

"VIII": gebied dat als officieel brucellosevrij is erkend in het kader van de uitvoer naar de Europese Gemeenschap van dieren die zijn gecertificeerd volgens het modelcertificaat RUM.

"IX": gebied dat als officieel vrij van de ziekte van Aujeszky is erkend in het kader van de uitvoer naar de Europese Gemeenschap van dieren die zijn gecertificeerd volgens het modelcertificaat POR-X.

DEEL 2

Modellen van veterinaire certificaten

Modellen:

"BOV-X": Veterinair certificaat voor als huisdier gehouden fok- en/of gebruiksrunderen (Bos taurus, Bison bison, Bubalus bubalis en kruisingen daarvan).

"BOV-Y": Veterinair certificaat voor als huisdier gehouden runderen (Bos taurus, Bison bison, Bubalus bubalis en kruisingen daarvan) bestemd om na invoer onmiddellijk te worden geslacht.

"OVI-X": Model veterinair certificaat voor als huisdier gehouden fok- en/of gebruiksschapen (Ovis aries) en fok- en/of gebruiksgeiten (Capra hircus).

"OVI-Y": Veterinair certificaat voor als huisdier gehouden schapen (Ovis aries) en geiten (Capra hircus) bestemd om na invoer onmiddellijk te worden geslacht.

"POR-X": Veterinair certificaat voor als huisdier gehouden fok- en/of gebruiksvarkens (Sus scrofa).

"POR-Y": Veterinair certificaat voor als huisdier gehouden varkens (Sus scrofa) bestemd om na invoer onmiddellijk te worden geslacht.

"RUM": Veterinair certificaat voor andere niet als huisdier gehouden dieren dan Suidae.

"SUI": Veterinair certificaat voor niet als huisdier gehouden Suidae.

AG (aanvullende garanties):

"A": garanties inzake tests op bluetongue en epizoötische hemorragische ziekte bij dieren waarvoor een certificaat is afgegeven volgens model BOV-X (punt 10.8 bis), OVI-X (punt 10.6 bis) en RUM (punt 10.7 bis).

"B": garanties inzake tests op vesiculaire varkensziekte en klassieke varkenspest bij dieren waarvoor een certificaat is afgegeven volgens model POR-X (punt 10.4 bis) en SUI (punt 10.4 bis).

"C": garanties inzake een test op brucellose bij dieren waarvoor een certificaat is afgegeven volgens model POR-X (punt 10.4 bis) en SUI (punt 10.4 bis).

Opmerkingen

a) Het land van uitvoer stelt een veterinair certificaat op overeenkomstig het in deel 2 van bijlage I vastgestelde model, naar gelang van de betrokken diersoort. Op elk certificaat worden, in de in het model aangegeven volgorde, de verklaringen opgenomen die voor elk derde land zijn vereist en, naar gelang van het geval, ook de aanvullende garanties die zijn vereist voor het derde land van uitvoer of een deel daarvan.

Indien de EU-lidstaat van bestemming dat vereist, worden de aanvullende certificeringsvoorschriften voor de betrokken dieren opgenomen in het origineel van het veterinair certificaat.

b) Een apart en uniek certificaat moet worden opgesteld voor dieren die afkomstig zijn uit één enkel gebied als vermeld in de kolommen 2 en 3 van deel 1 van bijlage I, die verzonden worden naar dezelfde bestemming en vervoerd worden in dezelfde spoorwegwagon, dezelfde vrachtwagen, hetzelfde vliegtuig of hetzelfde schip.

c) Het originele exemplaar van elk certificaat bestaat uit één enkel blad waarvan de beide zijden worden gebruikt, of het moet een zodanige vorm hebben dat alle bladzijden één enkel ondeelbaar geheel vormen.

d) Het wordt opgesteld in ten minste één van de officiële talen van de EU-lidstaat waar de controle in de grensinspectiepost zal worden uitgevoerd en van de EU-lidstaat van bestemming. Deze lidstaten kunnen evenwel toestaan dat in plaats van de eigen taal een andere communautaire taal wordt gebruikt, indien nodig vergezeld van een officiële vertaling.

e) Indien voor de identificatie van de bestanddelen van de zending (zie punt 8.2 van het modelcertificaat) extra bladen aan het certificaat worden gehecht, worden deze bladen beschouwd als deel uitmakend van het originele certificaat en moeten op elke bladzijde de handtekening en het stempel van de certificerende officiële dierenarts worden aangebracht.

f) Wanneer het certificaat, inclusief de onder e) bedoelde aanvullingen, uit meer dan één bladzijde beslaat, wordt elke bladzijde onderaan genummerd - (bladzijdenummer) van (totaal aantal bladzijden) - en wordt elke bladzijde bovenaan ook voorzien van het codenummer van het certificaat dat door de bevoegde autoriteit is toegekend.

g) Het originele exemplaar van het certificaat moet door een officiële dierenarts worden ingevuld en ondertekend in de laatste 24 uur vóór het laden van de zending voor uitvoer naar de Gemeenschap. De bevoegde autoriteiten van het land van uitvoer moeten er daarbij op toezien dat beginselen van certificering worden toegepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan die van Richtlijn 96/93/EG van de Raad.

De kleur van de handtekening moet verschillen van die van de gedrukte tekst. Dat geldt ook voor andere stempels dan reliëfstempels of watermerken.

h) Het originele exemplaar van het certificaat vergezelt de zending tot in de EU-grensinspectiepost.

i) Het certificaat is 10 dagen geldig vanaf de datum van afgifte.

Bij vervoer per schip wordt de geldigheidsduur verlengd met de duur van de zeereis. Daartoe wordt een verklaring van de kapitein van het schip, opgesteld overeenkomstig het addendum in deel 3 van bijlage I bij deze beschikking, aan het originele formulier van het veterinair certificaat vastgehecht.

j) Dieren mogen niet samen worden vervoerd met andere dieren die niet bestemd zijn voor de Europese Gemeenschap of die een lagere gezondheidsstatus hebben.

k) Tijdens het vervoer naar de Europese Gemeenschap mogen de dieren niet worden afgeladen op het grondgebied van een land of een deel van een land dat niet erkend is voor invoer in de Gemeenschap van de betrokken dieren.

>PIC FILE= "L_2004073NL.002301.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.002401.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.002501.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.002601.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.002701.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.002801.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.002901.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.003001.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.003101.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.003201.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.003301.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.003401.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.003501.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.003601.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.003701.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.003801.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.003901.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.004001.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.004101.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.004201.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.004301.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.004401.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.004501.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.004601.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.004701.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.004801.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.004901.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.005001.TIF">

DEEL 3

A - Addendum in geval van vervoer van dieren over zee

(In te vullen en aan het veterinair certificaat te hechten indien het transport tot aan de grens van de Europese Gemeenschap, ook indien slecht voor een deel, plaatsvindt per schip)

>PIC FILE= "L_2004073NL.005101.TIF">

B - Voorwaarden voor de erkenning van verzamelcentra

Erkende verzamelcentra moeten aan de volgende eisen voldoen:

I. zij moeten onder toezicht staan van een officiële dierenarts;

II. zij moeten gelegen zijn in het centrum van een gebied met een diameter van 20 km waar zich, volgens de officiële bevindingen, in de laatste 30 dagen vóór het gebruik als erkend centrum, geen enkel geval van mond- en klauwzeer heeft voorgedaan;

III. zij moeten vóór het gebruik als erkend centrum worden gereinigd en ontsmet met een ontsmettingsmiddel dat in het land van uitvoer is erkend als doeltreffend bij de bestrijding van de in punt II genoemde ziekten;

IV. zij moeten, rekening houdend met de capaciteit, beschikken over: a) voorzieningen die uitsluitend als verzamelcentrum worden gebruikt; b) adequate voorzieningen, die gemakkelijk te reinigen en te ontsmetten zijn, om de dieren in en uit te laden, naar behoren te huisvesten, te drenken en te voederen en de eventueel noodzakelijke behandelingen te verstrekken; c) adequate voorzieningen voor inspectie en afzondering; d) adequate apparatuur voor het reinigen en ontsmetten van lokalen en vrachtwagens; e) adequate ruimte voor de opslag van voeder, van strooisel en van mest; f) een adequaat systeem voor het verzamelen en afvoeren van afvalwater; g) een kantoor voor de officiële dierenarts;

V. wanneer de centra in gebruik zijn, moeten er voldoende dierenartsen zijn om alle taken te vervullen;

VI. zij mogen uitsluitend dieren toelaten die individueel zijn geïdentificeerd om de traceerbaarheid te garanderen. Daartoe moet, wanneer dieren worden toegelaten, de eigenaar van het centrum of de voor het centrum verantwoordelijke persoon erop toezien dat alle dieren naar behoren zijn geïdentificeerd en vergezeld gaan van de voor de betrokken soort en categorie vereiste gezondheidsdocumenten of certificaten. Bovendien moet deze persoon de naam van de eigenaar, de oorsprong, de datum van aankomst en van vertrek, het aantal en de identificatie van de dieren of het registratienummer van het beslag van herkomst en de bestemming van de dieren, alsmede het registratienummer van de vervoerder en het kentekennummer van de vrachtwagen waarmee de dieren bij het centrum worden afgeleverd of opgehaald, in een register of een gegevensbank registreren en gedurende ten minste drie jaar bewaren;

VII. alle dieren die via het centrum passeren, moeten voldoen aan de gezondheidsvoorschriften die zijn vastgesteld voor de invoer van de betrokken categorie dieren in de Europese Gemeenschap;

VIII. naar de Europese Gemeenschap uit te voeren dieren die via een centrum passeren, moeten binnen zes dagen na aankomst worden ingeladen en rechtstreeks naar de grens van het land van uitvoer worden verzonden: a) zonder in contact te komen met evenhoevige dieren die niet aan de gezondheidsvoorschriften voor de invoer van de betrokken categorie dieren in de Europese Gemeenschap voldoen; b) na te zijn verdeeld over zodanige zendingen dat geen enkele zending bestaat uit zowel fok- of gebruiksdieren als dieren die onmiddellijk moeten worden geslacht; c) in transportvoertuigen of containers die vooraf zijn gereinigd en ontsmet met een ontsmettingsmiddel dat in het land van uitvoer officieel is goedgekeurd als doeltreffend bij de bestrijding van de onder punt II genoemde ziekte, en die zo zijn gebouwd dat uitwerpselen, urine, strooisel of voeder tijdens het vervoer niet uit het voertuig kunnen stromen of vallen;

IX. wanneer op grond van de voorwaarden voor de uitvoer van dieren naar de Gemeenschap een test moet worden verricht binnen een bepaalde periode vóór het laden, omvat die periode de periode van ten hoogste zes dagen die volgt op de aankomst van de dieren in het verzamelcentrum;

X. het land van uitvoer duidt aan welke centra erkend zijn voor fok- en gebruiksdieren en welke voor dieren die onmiddellijk moeten worden geslacht, en stelt de Commissie en de bevoegde centrale autoriteiten van de lidstaten in kennis van de naam en het adres van de betrokken inrichtingen en van elke wijziging in de gegevens;

XI. het land van uitvoer stelt de procedure vast voor het officiële toezicht op de erkende centra en ziet erop toe dat dat toezicht ook wordt uitgeoefend;

XII. de centra worden regelmatig geïnspecteerd om na te gaan of nog steeds aan de eisen voor erkenning wordt voldaan. Wanneer niet meer aan de eisen wordt voldaan en de erkenning derhalve wordt geschorst, kan zij pas opnieuw worden verleend wanneer de bevoegde autoriteit heeft geconstateerd dat het centrum waar aan alle voorwaarden voldoet.

C - Protocols voor de standaardisatie van testmateriaal en -methoden

Tuberculose (TBL)

De enkelvoudige intradermale tuberculinetest met boviene tuberculine wordt uitgevoerd overeenkomstig bijlage B bij Richtlijn 64/432/EEG. Bij Suidae wordt de enkelvoudige intradermale tuberculinetest met aviaire tuberculine uitgevoerd overeenkomstig bijlage B bij Richtlijn 64/432/EEG met die uitzondering dat de injectie wordt gegeven in de losse huid aan de oorbasis.

Brucellose (Brucella abortus) (BRL)

De serumagglutinatietest, de complementbindingsreactie, de gebufferde brucella-antigeentest en de enzyme linked immuno-absorbent assay (ELISA) worden uitgevoerd overeenkomstig bijlage C bij Richtlijn 64/432/EEG.

Brucellose (Brucella melitensis) (BRL)

De test wordt verricht overeenkomstig bijlage C bij Richtlijn 91/68/EEG.

Enzoötische boviene leukose

De agargel immunodiffusietest en de enzyme linked immuno-absorbent assay (ELISA) worden uitgevoerd overeenkomstig hoofdstuk II, de punten A en C, van bijlage D bij Richtlijn 64/432/EEG van de Raad.

Bluetongue (BTG)

A. De "blocking" of "competitie-Elisa" wordt uitgevoerd overeenkomstig de onderstaande voorschriften.

Met de competitie-Elisa met gebruikmaking van monoklonaal antilichaam 3-17-A3 kunnen antilichamen tegen alle bekende serotypen van het bluetonguevirus (BTV) worden opgespoord.

Het principe van de test is de onderbreking van de reactie tussen BTV-antigeen en een groepspecifiek monoklonaal antilichaam (3-17-A3) door toevoeging van testserum. De in het testserum aanwezige antilichamen tegen BTV blokkeren de reactiviteit van het monoklonale antilichaam (MAL) en leiden tot een vermindering van de verwachte kleurontwikkeling na toevoeging van met een enzyme gelabeld antimuis antilichaam en chromogeen/substraat. De sera kunnen worden getest bij één enkele verdunning 1:5 (spot test - aanhangsel 1) of kunnen worden getitreerd (serumtitratie - aanhangsel 2) totdat de eindpuntverdunning wordt verkregen. Inhibitiewaarden van meer dan 50 % worden als positief beschouwd.

Materiaal en reagentia

1. Adequate ELISA microtitreerplaatjes.

2. Antigeen: geleverd in de vorm van een concentraat waaruit de cellen zijn geëxtraheerd, bereid als hierboven beschreven, en opgeslagen bij -20 °C of -70 °C.

3. Blokkeerbuffer: PBS bestaande uit 0,3 % BTV negatief serum van een volwassen rund, 0,1 % (v/v) Tween-20 (geleverd als polyoxyethyleen sorbiton monolauraat siroop) in PBS.

4. Monoklonaal antilichaam: 3-17-A3 (geleverd in de vorm van supernatant van hybridoma-weefselcultuur) gericht tegen het groepspecifieke polypeptide p7, opgeslagen bij -20 °C of gevriesdroogd, en vóór gebruik verdund tot 1/100 met een blokkeerbuffer.

5. Conjugaat: konijn-antimuis-globuline (geadsorbeerd en geëlueerd) geconjugeerd met mierikswortelperoxidase en in het donker bewaard bij 4 °C.

6. Chromogeen en substraat: Orthofenyleendiamine (OPD-chromogeen) in een uiteindelijke verdunning van 0,4 mg/ml in steriel gedistilleerd water. Waterstofperoxide (30 % m/v-substraat) 0,05 % v/v toegevoegd onmiddellijk vóór gebruik (5 μl H2 O2 per 10 ml OPD). (Voorzichtig met OPD - gebruik rubberen handschoenen - vermoedelijk mutageen.)

7. 1 M zwavelzuur: 26,6 ml zuur toegevoegd aan 473,4 ml gedistilleerd water. (Let op! Steeds zuur toevoegen aan water, nooit water aan zuur.)

8. Rondschudapparaat.

9. Elisa-afleesapparaat (de test kan ook visueel worden afgelezen).

Proefopstelling

Cc: conjugaat controle (geen serum/geen monoklonaal antilichaam); C++: sterk positief controleserum; C+: zwak positief controleserum; C-: negatief controleserum; Cm: controle monoklonaal antilichaam (geen serum).

Aanhangsel 1: Proefopstelling spottest verdunning (1:5) (40 sera/plaatje)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Aanhangsel 2: Proefopstelling serumtitrering (10 sera/plaatje)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Protocol

Conjugaatcontrole (Cc): De putjes 1A en 1B zijn een blancocontrole, bestaande uit BTV-antigeen en conjugaat. Deze kan worden gebruikt om de nulwaarde in te stellen op het Elisa-afleesapparaat.

MAL-controle (Cm): De kolommen 1 en 2, rijen G en H, zijn de monoclonale antilichaamcontrole en bestaan uit BTV-antigeen, monoklonale antilichamen en conjugaat. Deze putjes zijn maximaal gekleurd. Het gemiddelde van de gemeten optische dichtheid van deze controlerij is de 0 %-inhibitiewaarde.

Positieve controle (C++, C+): De kolommen 1 en 2, rijen C-D-E-F. Deze putjes bevatten BTV-antigeen, sterk positief antiserum tegen BTV, zwak positief antiserum tegen BTV, monoclonaal antilichaam en conjugaat.

Negatieve controle (C-): De putjes 2A en 2B zijn de negatieve controles en bevatten BTV-antigeen, negatief antiserum tegen BTV, monoklonaal antilichaam en conjugaat.

Testsera: Voor grootschalig serologisch onderzoek en snelle screening kunnen sera worden getest in een enkele verdunning 1:5 (aanhangsel 1). Anderzijds kunnen 10 sera worden getest in een verdunningsreeks van 1:5 tot en met 1:640 (aanhangsel 2). Dit geeft een indicatie van de antilichaamtiter in de testsera.

Procedure

1. Verdun BTV-antigeen tot een vooraf bepaalde concentratie in PBS, bewerk kort met ultrasone trillingen ten einde samengekit virus te scheiden (indien geen ultrasoonapparaat beschikbaar is, moet krachtig worden gepipetteerd) en voeg 50 μl toe aan alle putjes van de Elisa-plaat. Tik tegen de zijkanten van de plaat om het antigeen te verspreiden.

2. Incubeer bij 37 °C gedurende 60 minuten op een rondschudapparaat. Spoel de platen driemaal door de putjes met niet-steriele PBS te vullen en weer te ledigen en dep de plaatjes droog op absorberend papier.

3. Controleputjes: Voeg 100 μl blokkeerbuffer toe aan de Cc-putjes. Voeg 50 μl van de positieve en van de negatieve controlesera toe, in een verdunning 1:5 (10 μl sera + 40 μl blokkeerbuffer), respectievelijk aan de putjes C-, C+ en C++. Voeg 50 μl blokkeerbuffer toe aan de MAL-controleputjes.

Spottitreringsmethode: Pipetteer een verdunning (1:5) van elk testserum in blokkeerbuffer in telkens twee putjes van de kolommen 3 tot en met 12 (10 μl serum + 40 μl blokkeerbuffer),

of

Serumtitreringsmethode: bereid een tweevoudige verdunningsreeks van elk testserum (1:5 tot 1:640) in blokkeerbuffer en pipetteer in de acht putjes van de kolommen 3 tot en met 12.

4. Dilueer MAL (1:100) in de blokkeerbuffer onmiddellijk nadat de testsera zijn toegevoegd; breng vervolgens 50 μl daarvan over in alle putjes in de plaat, behalve in de blanco controle.

5. Incubeer bij 37 °C gedurende 60 minuten op een rondschudapparaat. Spoel driemaal met PBS en dep de plaatjes droog.

6. Verdun konijn-antimuis-concentraat tot 1/5000 in de blokkeerbuffer en breng 50 μl over in alle putjes van de plaat.

7. Incubeer bij 37 °C gedurende 60 minuten op een rondschudapparaat. Spoel driemaal met PBS en dep de plaatjes droog.

8. Ontdooi de OPD en voeg onmiddellijk vóór gebruik 5 μl 30 %-ige waterstofperoxide-oplossing toe per 10 ml OPD. Breng 50 μl daarvan over in alle putjes van de plaat. Laat de kleur ontwikkelen gedurende ongeveer tien minuten en stop de reactie met 1 M zwavelzuur (50 μl per putje). Kleurontwikkeling zou moeten plaatsvinden in de controleputjes met MAL en in de putjes met serum zonder antilichamen tegen BTV.

9. Onderzoek de platen en registreer de resultaten hetzij visueel hetzij met behulp van een spectrofotometer.

Analyse van de resultaten

Print de OD-waarden en het inhibitiepercentage (IP) voor de test en de controlesera, gebaseerd op de gemiddelde waarde voor de antigeencontroleputjes, uit met gebruikmaking van een speciaal softwarepakket. De verkregen OD- en IP-waarden worden gebruikt om te bepalen of de testresultaten binnen aanvaardbare grenzen liggen. De bovenste controlegrens en de laagste controlegrens voor de MAL-controle (antigeen plus MAL zonder testsera) liggen tussen OD-waarden 0,4 en 1,4. Elk plaatje dat niet aan bovenstaande criteria voldoet, moet worden afgewezen.

Indien geen softwarepakket beschikbaar is, dienen de OD-waarden te worden uitgeprint met de ELISA-printer. Bereken de gemiddelde OD-waarde voor de antigeencontroleputjes, die gelijk is aan de 100 %-waarde. Bepaal de 50 % OD-waarde en bereken manueel de positieve en de negatieve waarde van elk monster.

Inhibitiepercentage (IP)-waarde = 100 - (OD van elke testcontrole/gemiddelde OD van Cm) × 100.

De in duplo aangelegde putjes met negatief controleserum en de in duplo aangelegde blanco's moeten IP-waarden te zien geven tussen + 25 % en - 25 %, respectievelijk tussen + 95 % en + 105 %. Wanneer deze waarden niet in acht worden genomen, betekent dat niet dat het plaatje onbruikbaar is, maar ontstaat de suggestie dat zich achtergrondkleuring ontwikkelt. De sterk positieve en de zwak positieve controlesera moeten IP-waarden te zien geven tussen + 81 % en + 100 %, respectievelijk tussen + 51 % en + 80 %.

De diagnostische drempel voor testsera bedraagt 50 % (IP 50 % of OD 50 %). Monsters die een IP-waarde te zien geven van meer dan 50 % worden als negatief beschouwd. Monsters met IP-waarden boven en beneden de drempel voor de in duplo aangelegde putjes, worden als twijfelachtig beschouwd; deze monsters mogen opnieuw worden getest met de spottest en/of door titrering. Positieve monsters mogen ook worden getitreerd om een indicatie te geven van de graad van positiviteit.

Visuele aflezing: positieve en negatieve monsters kunnen gemakkelijk met het blote oog worden geïnterpreteerd; zwak positieve of sterk negatieve monsters zijn eventueel moeilijker af te lezen met het blote oog.

Bereiding van het BTV-Elisa-antigeen

1. Spoel 40 à 60 rouxkolven die confluente BHK-21-celcultures bevatten, driemaal met een serumvrij Eagle's medium en besmet deze met bluetonguevirus serotype 1 in serumvrij Eagle's medium.

2. Incubeer bij 37 °C en onderzoek dagelijks op cytopathogeen effect (cpe).

3. Wanneer 90-100 % van de cellaag in elke rouxkolf duidelijk een cpe vertoont, verzamel dan het virus door mogelijk nog aan het glas vastgehechte cellen los te schudden.

4. Centrifugeer bij 2000-3000 omwentelingen per minuut ten einde de cellen neer te slaan.

5. Verwijder het supernatant en resuspendeer de cellen in ongeveer 30 ml PBS, met 1 % "Sarkosyl" en 2 ml fenolmethylsulfonylfluoride (lysis-buffermengsel). Dat kan ertoe leiden dat de cellen een gel vormen en om dit effect tegen te gaan kan meer lysis-buffermengsel worden toegevoegd. (NB: fenylmethylsulfonylfluoride is schadelijk - hanteer met uiterste voorzichtigheid.)

6. Breek de cellen gedurende 60 seconden met een ultrosoonprobe bij een amplitude van 30 micron.

7. Centrifugeer bij 10000 omwentelingen per minuut gedurende tien minuten.

8. Bewaar het supernatant bij +4 °C en resuspendeer de resterende celpellet in 10-20 ml lysis-buffermengsel.

9. Bewerk met ultrasone trillingen en laat uitklaren, waarbij het supernatant in elk stadium wordt opgeslagen, in totaal driemaal.

10. Voeg de supernatants samen en centrifugeer bij 24000 omwentelingen per minuut gedurende 120 minuten bij +4 °C op een 5 ml-kussen van 40 %-ige sucrose (m/v in PBS), met gebruikmaking van Beckmann-centrifugeerbuisjes van 30 ml en een SW 28-rotor.

11. Giet het supernatant weg, verwijder de vloeistof grondig uit de buisjes en resuspendeer de pellet in PBS met het ultrasoonapparaat. Sla het antigeen op in gelijke fracties bij -20 °C.

Titrering van BTV-Elisa-antigeen

Bluetongue Elisa-antigeen wordt getitreerd met de indirecte Elisa. Duplo verdunningen van het antigeen worden getitreerd tegen een constante verdunning (1/100) van monoklonaal antilichaam 3-17-A3. Voor de test gelden de onderstaande voorschriften.

1. Verdun BTV-antigeen in PBS (1:20) over de volledige microtiterplaat met een meerkanaalspipet; leg de verdunningsreeks aan in duplo (50 μl per putje).

2. Incubeer gedurende één uur bij 37 °C op een rondschudapparaat.

3. Spoel de platen driemaal met PBS.

4. Voeg 50 μl monoklonaal antilichaam 3-17-A3 (in een verdunning 1/100) toe aan elk putje van de microtiterplaat.

5. Incubeer gedurende één uur bij 37 °C op een rondschudapparaat.

6. Spoel de platen driemaal met PBS.

7. Breng 50 µl konijn-antimuis-globuline, geconjugeerd met mierikswortelperoxidase en verdund tot een vooraf bepaalde optimale concentratie, over in elk putje van de microtiterplaat.

8. Incubeer gedurende één uur bij 37 °C op een rondschudapparaat.

9. Voeg substraat en chromogeen toe zoals hierboven beschreven. Zet de reactie stop na tien minuten door toevoeging van 1 M zwavelzuur (50 µl per putje).

Bij de competitietest dient een teveel aan monoklonaal aanwezig te zijn; daarom wordt een verdunning van het antigeen gekozen die ligt op de titratiecurve (niet op het horizontale gedeelte), wat ongeveer 0,8 OD geeft na tien minuten.

B. De agargel-immunodiffusietest wordt uitgevoerd overeenkomstig de onderstaande voorschriften.

Antigeen:

Precipiterend antigeen wordt bereid in een celcultuur die geschikt is voor de snelle vermeerdering van een referentiestam van het bluetonguevirus. Bij voorkeur wordt hiervoor gebruik gemaakt van BHK- of Vero-cellen. Het antigeen bevindt zich in het aan het einde van de virusgroei verkregen supernatant, maar moet 50 tot 100 keer worden geconcentreerd om effectief te zijn. Daartoe kan om het even welke gestandaardiseerde methode voor eiwitconcentratie worden gebruikt; het virus in het antigeen kan worden geïnactiveerd door toevoeging van 0,3 % (v/v) beta-propiolacton.

Positief controleserum:

Met gebruikmaking van het internationale referentie-antiserum en -antigeen wordt een nationaal standaardserum geproduceerd, dat voor een optimale verhouding wordt gestandaardiseerd ten opzichte van het internationale referentieserum; vervolgens wordt het gevriesdroogd en bij iedere test als positief controleserum gebruikt.

Testserum

Procedure: 1 % agar, in boraat- of natriumbarbituraatbuffer, pH 8,5 à 9,0, wordt in een petrischaaltje gegoten, en wel zo dat het laagje agar een dikte heeft van ten minste 3 mm. In de agar worden zeven vochtvrije putjes gemaakt, met een diameter van elk 5 mm. Eén putje ligt centraal en de zes anderen liggen er omheen in een cirkel met een straal van 3 cm. Het centrale putje wordt gevuld met het standaard antigeen. De perifere putjes 2, 4 en 6 worden gevuld met het positieve controleserum en de putjes 1, 3 en 5 met het testserum. Het geheel wordt gedurende 72 uur bij kamertemperatuur geïncubeerd in een gesloten vochtige kamer.

Interpretatie: Een testserum is positief indien het een specifieke precipitatielijn vormt met het antigeen en een volledig identieke lijn met het controleserum. Een testserum is negatief indien het geen specifieke lijn vormt met het antigeen en indien het de lijn van het controleserum niet buigt. De petrischaaltjes moeten worden bekeken bij donkerveldbelichting met indirect licht.

Epizoötische hemorragische ziekte

De agargel-immunodiffusietest wordt uitgevoerd overeenkomstig de onderstaande voorschriften.

Antigeen:

Precipiterend antigeen wordt bereid in een celcultuur die geschikt is voor de snelle vermeerdering van het passende serotype van het virus van epizoötische hemorragische ziekte. Bij voorkeur wordt hiervoor gebruik gemaakt van BHK- of Vero-cellen. Het antigeen bevindt zich in het aan het einde van de virusgroei verkregen supernatant, maar moet 50 tot 100 keer worden geconcentreerd om effectief te zijn. Daartoe kan om het even welke gestandaardiseerde methode voor eiwitconcentratie worden gebruikt; het virus in het antigeen kan worden geïnactiveerd door toevoeging van 0,3 % (v/v) beta-propiolacton.

Positief controleserum

Met gebruikmaking van het internationale referentie-antiserum en -antigeen wordt een nationaal standaardserum geproduceerd, dat voor een optimale verhouding wordt gestandaardiseerd ten opzichte van het internationale referentieserum; vervolgens wordt het gevriesdroogd en bij iedere test als positief controleserum gebruikt.

Testserum

Procedure: 1 % agar, in boraat- of natriumbarbituraatbuffer, pH 8,5 à 9,0, wordt in een petrischaaltje gegoten, en wel zo dat het laagje agar een dikte heeft van ten minste 3 cm. In de agar worden zeven vochtvrije putjes gemaakt, met een diameter van elk 5 mm. Eén putje ligt centraal en de zes anderen liggen er omheen in een cirkel met een straal van 3 cm. Het centrale putje wordt gevuld met het standaard antigeen. De perifere putjes 2, 4 en 6 worden gevuld met het positieve controleserum en de putjes 1, 3 en 5 met het testserum. Het geheel wordt gedurende 72 uur bij kamertemperatuur geïncubeerd in een gesloten vochtige kamer.

Interpretatie: Een testserum is positief indien het een specifieke precipitatielijn vormt met het antigeen en een volledig identieke lijn met het controleserum. Een testserum is negatief indien het geen specifieke lijn vormt met het antigeen en indien het de lijn van het controleserum niet buigt. De petrischaaltjes moeten worden bekeken bij donkerveldbelichting met indirect licht.

Infectieuze boviene rhinotracheïtis (IBR) / infectieuze pustuleuze vulvo-vaginitis (IPV)

A. De serumneutralisatietest wordt uitgevoerd overeenkomstig de onderstaande voorschriften.

Serum: Vóór gebruik worden de sera geïnactiveerd door blootstelling aan een temperatuur van 56 °C gedurende 30 minuten.

Procedure: De neutralisatietest met constant virus tegenover wisselende serumverdunningen wordt uitgevoerd door microtitrering, waarbij gebruik wordt gemaakt van MDBK of andere gevoelige cellen. De Colorado-, de Oxford- of een andere referentiestam van het virus wordt gebruikt in een concentratie van 100 TCID50 per 0,025 ml; geïnactiveerde onverdunde serummonsters worden vermengd met een gelijke hoeveelheid (0,025 ml) virussuspensie. De virus/serummengsels worden gedurende één uur bij 37 °C geïncubeerd in microtiterplaatjes voordat de MDBK-cellen worden toegevoegd. De cellen worden gebruikt in een zodanige concentratie dat na 24 uur een volledige monolayer wordt gevormd.

Controles: (i) bepaling van het infectievermogen van het virus, (ii) controles op de toxiciteit van het serum, (iii) controles van niet-geïnoculeerde celcultures, (iv) referentie-antisera.

Interpretatie: De resultaten van de neutralisatietest en de titer van het bij de test gebruikte virus worden afgelezen na een incubatieperiode van drie tot zes dagen bij 37 °C. De serumtiters worden als negatief beschouwd indien er geen neutralisatie is bij een verdunning van 1/2 (onverdund serum).

B. Elke andere test die is erkend in het kader van Beschikking 93/42/EG van de Commissie betreffende aanvullende garanties ten aanzien van IBR voor runderen die bestemd zijn voor lidstaten of gebieden daarvan die vrij zijn van deze ziekte.

Mond- en klauwzeer (MKZ)

A. Het verzamelen van monsters uit oesophagus en pharynx en het onderzoeken daarvan vinden plaats overeenkomstig de onderstaande voorschriften.

Reagentia: Voordat met de bemonstering wordt begonnen, wordt het transportmedium bereid. 2 ml daarvan wordt overgebracht in evenveel containers als er dieren zijn die moeten worden bemonsterd. De gebruikte containers moeten bestand zijn tegen invriezing over CO2 in vaste vorm of over vloeibare stikstof. Voor de bemonstering moet gebruik worden gemaakt van een speciaal ontworpen sputumvanger of "probang". Om het monster te nemen wordt het probanglepeltje via de mond over het dorsale gedeelte van de tong tot in het bovenste deel van de slokdarm gebracht. Via lateraal en dorsaal gerichte bewegingen wordt getracht het oppervlakte-epitheel van het bovenste gedeelte van de slokdarm af te schrapen. Vervolgens wordt de probang teruggetrokken, bij voorkeur nadat het dier heeft geslikt. Het lepeltje moet gevuld zijn en een mengsel bevatten van slijm, speeksel, slokdarmvocht en celresten. Er dient evenwel voor te worden gezorgd dat elk monster zichtbaar celmateriaal bevat. Elke ruwe beweging die bloedingen kan veroorzaken, moet worden vermeden. De monsters van sommige dieren kunnen zwaar verontreinigd zijn met resten van het herkauwde voeder. Dergelijke monsters moeten worden weggegooid en de bek van het betrokken dier moet worden gespoeld met water, of beter nog met een fysiologische zoutoplossing, voordat een nieuw monster wordt genomen.

Behandeling van de monsters: Elk in het probanglepeltje genomen monster wordt op zijn kwaliteit onderzocht en 2 ml ervan wordt toegevoegd aan dezelfde hoeveelheid transportmedium in een vriesbestendige container. De containers worden stevig gesloten, verzegeld, ontsmet en van een etiket voorzien. De monsters worden koel bewaard (+ 4 °C) en binnen drie à vier uur onderzocht ofwel op droog ijs (-69 °C) of vloeibare stikstof geplaatst en bevroren gehouden totdat zij worden onderzocht. Na elke monstername moet de probang worden ontsmet en driemaal gespoeld, telkens in schoon water.

Onderzoek op MKZ-virus: De monsters worden geïnoculeerd op cultures van primaire boviene schildkliercelkweken, waarbij per monster ten minste drie buisjes worden gebruikt. Andere gevoelige cellen, bijvoorbeeld primaire runder- of varkensniercellen, kunnen eveneens worden gebruikt, maar daarbij mag niet worden vergeten dat zij voor bepaalde stammen van het MKZ-virus minder gevoelig zijn. De buisjes worden geïncubeerd bij 37 °C op een rollerbank en gedurende 48 uur dagelijks onderzocht op de aanwezigheid van cytopathogeen effect (CPE). Indien de uitkomst negatief is, worden de cultures blind gepasseerd op nieuwe cultures en opnieuw onderzocht gedurende 48 uur. De specificiteit van elk CPE moet worden bevestigd.

Aanbevolen transportmedia:

1. 0,08M fosfaatbuffer pH 7,2 met 0,01 % bovien serumalbumine, 0,002 % fenolrood en antibiotica.

2. Weefselcultuurmedium (bijvoorbeeld Eagle's MEM) met 0,04 M Hepes-buffer, 0,01 % bovien serumalbumine en antibiotica, pH 7,2.

3. Aan het transportmedium moeten antibiotica worden toegevoegd (per ml uiteindelijk medium), bijv. penicilline 1000 IE, neomycine sulfaat 100 IE, polymyxine B-sulfaat 50 IE, mycostatine 100 IE.

B. De virusneutralisatietest wordt uitgevoerd overeenkomstig de volgende voorschriften.

Reagentia: Het stamantigeen van het mond- en klauwzeervirus wordt aangemaakt in celcultures of op rundertongen en wordt vervolgens opgeslagen bij ten hoogste -70 °C of bij -20 °C indien 50 % glycerol is toegevoegd. Dit is het stam- of bewaarantigeen. Het MKZ-virus is onder deze omstandigheden stabiel en de titers variëren slechts in geringe mate in de loop van een aantal maanden.

Procedure: De test wordt uitgevoerd op gegradueerde, voor weefselkweek bestemde microtiterplaatjes met vlakke bodem, met gebruikmaking van gevoelige cellen, bij voorbeeld IB-RS-2, BHK-21 of kalfsniercellen. De testsera worden verdund in een verhouding 1/4 in een serumvrij celkweekmedium, waaraan vervolgens 100 IE per ml neomycine of een ander daartoe geschikt antibioticum wordt toegevoegd. De sera worden geïnactiveerd bij 56 °C gedurende 30 minuten en 0,05 ml ervan wordt gebruikt voor de aanleg, in duplo, van een verdunningsreeks op microtiterplaatjes met behulp van verdunningscapillairen met een inhoud van 0,05 ml. Vooraf getitreerd virus, dat eveneens in serumvrij cultuurmedium is verdund en in een concentratie van 100 TCID50 per 0,05 ml, wordt vervolgens aan elk putje toegevoegd. Na incubatie bij 37 °C gedurende één uur, om het neutralisatieproces te doen plaatsvinden, wordt 0,05 ml celsuspensie, met 0,5 - 1,0 × 106 cellen per 1 ml in celkweekmedium dat een serum bevat dat vrij is van antilichamen tegen MKZ, toegevoegd aan elk putje en worden de platen verzegeld. De plaatsjes worden geïncubeerd bij 37 °C. De daarbij gevormde monolayers zijn normaal binnen 24 uur confluent. Na 48 uur is er gewoonlijk voldoende CPE om de test microscopisch af te lezen. Op dat ogenblik kan een definitieve microscopische aflezing plaatsvinden of kunnen de plaatjes worden gefixeerd en gemerkt met het oog op macroscopische aflezing, bijvoorbeeld met behulp van 10 %-ige formol-zoutoplossing en 0,05 %-ig methylethyleenblauw.

Controles: De controles bij elke test omvatten een homoloog antiserum met bekende titer, een celcontrole, een controle op de toxiciteit van het serum, een controle van het medium en een virustitratie aan de hand waarvan de juiste hoeveelheid virus in de test wordt berekend.

Interpretatie: Putjes die CPE vertonen, worden als besmet beschouwd en de neutralisatietiters worden uitgedrukt als de reciproke van de uiteindelijke verdunning van het in het serum/virusmengsel aanwezige serum bij het 50 % eindpunt, berekend aan de hand van de methode van Spearman-Karber (Karber, G., 1931, Archiv fuer Experimentelle Pathologie und Pharmokologie, 162, 480.). Een test wordt als geldig beschouwd wanneer de werkelijke hoeveelheid virus per putje in de test tussen 101,5 en 102,5 TCID50 ligt en wanneer de titer van het referentieserum minder bedraagt dan het dubbele van de verwachte titer, berekend op basis van voorafgaande titreringen. Wanneer bij de controles waarden worden gevonden buiten deze limieten, worden de tests overgedaan. Een eindpunttiter van 1/11 of minder wordt als negatief beschouwd.

C. De opsporing en kwantificering van antilichamen met behulp van de Elisa worden uitgevoerd overeenkomstig de onderstaande voorschriften.

Reagentia: Konijnantiserum tegen 146S-antigeen van zeven typen van mond- en klauwzeervirus (MKZ-virus), gebruikt bij een vooraf vastgestelde optimale concentratie in carbonaat/bicarbonaat-bufferoplossing, pH 9,6. Antigeen wordt bereid uit geselecteerde virusstammen, gekweekt op monolayers van BHK-21-cellen. Niet-gezuiverd supernatant wordt vooraf getitreerd overeenkomstig de voorschriften, maar zonder serum, en dan gebruikt voor het aanleggen van een verdunning die na toevoeging van een gelijk volume PBST (met fosfaat gebufferde zoutoplossing die 0,05 % Tween-20 en fenolrood bevat) bij aflezing een optische densiteit oplevert tussen 1,2 en 1,5. De virussen mogen vóór gebruik worden geïnactiveerd. PBST wordt gebruikt als diluent. Cavia-antiserum wordt bereid door cavia's te enten met 146S-antigeen van elk serotype. Een vooraf bepaalde optimale concentratie in PBST dat 10 % normaal runderserum en 5 % normaal konijnenserum bevat. Konijn-anticavia-immunoglobuline, geconjugeerd met mierikswortelperoxidase, wordt gebruikt in een vooraf bepaalde optimale concentratie in PBST dat 10 % normaal runderserum en 5 % normaal konijnenserum bevat. De testsera worden verdund in PBST.

Procedure:

1. Elisa-plaatjes worden gecoat met 50 µl konijn-antivirusserum en worden daarbij gedurende één nacht in een vochtige kamer bij kamertemperatuur bewaard.

2. Van elk teststerum wordt in duplo een tweevoudige verdunningsreeks aangelegd van telkens 50 µl, te beginnen bij een verdunning 1/4, in plaatjes met diverse putjes en met een U-vormige bodem (dragerplaatjes). Aan elk putje wordt 50 µl van een constante antigeendosis toegevoegd en de mengsels worden gedurende één nacht bij 4 °C bewaard. Door de toevoeging van het antigeen wordt de oorspronkelijke serumverdunning op 1/8 gebracht.

3. De Elisa-plaatjes worden vijf keer met PBST gespoeld.

4. Vervolgens wordt 50 µl van de serum/antigeenmengsels overgebracht van de dragerplaatjes naar de met konijnenserum gecoate Elisa-plaatjes en bij 37 °C gedurende één uur geïncubeerd op een rondschudapparaat.

5. Na het spoelen wordt aan elk putje 50 µl van een tegen het in punt 4 gebruikte antigeen gericht cavia-antiserum toegevoegd. De plaatjes worden bij 37 °C gedurende één uur geïncubeerd op een rondschudapparaat.

6. De plaatjes worden gespoeld en aan elk putje wordt 50 µl van met mierikswortelperoxidase geconjugeerd konijn-anticavia-immunoglobuline toegevoegd. De plaatjes worden bij 37 °C gedurende één uur geïncubeerd op een rondschudapparaat.

7. De plaatjes worden gespoeld en aan elk putje wordt 50 µ orthofenyleendiamine met 0,05 % H2O2 (30 %) m/v toegevoegd.

8. De reactie wordt na 15 minuten stopgezet met 1,25 M H2SO4.

De plaatjes worden spectrofotometrisch afgelezen bij 492 nm op een Elisa-afleesapparaat dat met een microcomputer is verbonden.

Controles: Voor elk gebruikt antigeen zijn er 40 putjes die geen serum bevatten maar antigeen verdund in PBST. Een in duplo aangelegde tweevoudige verdunningsreeks van homoloog bovien referentie-antiserum. Een in duplo aangelegde tweevoudige verdunningsreeks van negatief runderserum.

Interpretatie: Antilichaamtiters worden uitgedrukt als de uiteindelijke verdunning van het testserum dat 50 % oplevert van de gemiddelde OD-waarde die is geregistreerd in de viruscontroleputjes zonder testserum. Titers boven 1/40 worden als positief beschouwd.

Referenties: Hamblin C, Barnett ITR and Hedger RS (1986) - A new enzyme-linked immunosorbent assay (Elisa) for the detection of antibodies against foot-and-mouth disease virus. I. Development and method of Elisa. Journal of Immunological Methods, 93, 115 to 121.11.

Ziekte van Aujeszky

A. De serumneutralisatietest wordt uitgevoerd overeenkomstig de onderstaande voorschriften.

Serum: Vóór gebruik worden de sera geïnactiveerd door blootstelling aan een temperatuur van 56 °C gedurende 30 minuten.

Procedure: De neutralisatietest met constant virus tegenover wisselende serumverdunningen wordt uitgevoerd op microtiterplaatjes, waarbij gebruik wordt gemaakt van Vero-cellen of andere gevoelige cellen. Het virus van de ziekte van Aujeszky wordt gebruikt in een concentratie van 100 TCID50 per 0,025 ml; geïnactiveerde onverdunde serummonsters worden vermengd met een gelijke hoeveelheid (0,025 ml) virussuspensie. De virus/serummengsels worden gedurende twee uur bij 37 °C geïncubeerd in de microtiterplaatjes voordat de nodige cellen worden toegevoegd. De cellen worden gebruikt in een zodanige concentratie dat na 24 uur een volledige monolayer wordt gevormd.

Controles: (i) bepaling van het infectievermogen van het virus, (ii) controles op de toxiciteit van het serum, (iii) controles van niet-geïnoculeerde celcultures, (iv) referentie-antisera.

Interpretatie: De resultaten van de neutralisatietest en de titer van het bij de test gebruikte virus worden afgelezen na een incubatieperiode van drie tot zeven dagen bij 37 °C. Een serumtiter van minder dan 1/2 (onverdund serum) wordt als negatief beschouwd.

B. Elke andere test die is erkend in het kader van Beschikking 93/42/EG van de Commissie betreffende aanvullende garanties ten aanzien van IBR voor runderen die bestemd zijn voor lidstaten of gebieden daarvan die vrij zijn van deze ziekte.

Overdraagbare gastro-enteritis (TGE)

De serumneutralisatietest wordt uitgevoerd overeenkomstig de onderstaande voorschriften.

Serum: Vóór gebruik worden de sera geïnactiveerd door blootstelling aan een temperatuur van 56 °C gedurende 30 minuten.

Procedure: De neutralisatietest met constant virus tegenover wisselende serumverdunningen wordt uitgevoerd op microtiterplaatjes, met gebruikmaking van A72 (hondentumor)-cellen of andere gevoelige cellen. Het TGE-virus wordt gebruikt in een concentratie van 100 TCID50 per 0,025 ml; geïnactiveerde onverdunde serummonsters worden vermengd met een gelijke hoeveelheid (0,025 ml) virussuspensie. De virus/serummengsels worden in de microtiterplaatjes gedurende 30 à 60 minuten bij 37 °C geïncubeerd voordat de nodige cellen worden toegevoegd. De cellen worden gebruikt in een zodanige concentratie dat na 24 uur een volledige monolayer wordt gevormd. In ieder putje wordt 0,1 ml celsuspensie aangebracht.

Controles: (i) bepaling van het infectievermogen van het virus, (ii) controle op de toxiciteit van het serum, (iii) controle van niet-geïnoculeerde celcultures, (iv) referentie-antisera.

Interpretatie: De resultaten van de neutralisatietest en de titer van het bij de test gebruikte virus worden afgelezen na een incubatieperiode van drie tot vijf dagen bij 37 °C. Serumtiters van minder dan 1/2 (in de uiteindelijke verdunning) worden als negatief beschouwd. Indien onverdunde serummonsters toxisch zijn voor de weefselcultures, worden deze sera verdund in de verhouding 1/2 voordat zij bij de test worden gebruikt. Dat geeft een uiteindelijke serumverdunning van 1/4. In deze gevallen worden serumtiters van minder dan 1/4 (in de uiteindelijke verdunning) als negatief beschouwd.

Vesiculaire varkensziekte

De tests op vesiculaire varkensziekte (SVD) worden uitgevoerd overeenkomstig Beschikking 2000/428/EG van de Commissie.

Klassieke varkenspest (KVP)

De tests op klassieke varkenspest (KVP) worden uitgevoerd overeenkomstig Beschikking 2002/106/EG van de Commissie.

Bij het uitvoeren van de tests op KVP worden de richtsnoeren gevolgd die zijn vastgesteld in het Handboek inzake normen voor diagnostische tests en vaccins van het OIE - Hoofdstuk 2.1.13.

De gevoeligheid en specificiteit van de serologische tests op KVP moeten worden bepaald door een nationaal laboratorium met een kwaliteitsborgingsprogramma. Daaruit moet blijken dat de gebruikte tests geschikt zijn voor de herkenning van een hele reeks zwak positieve en sterk positieve referentiesera en dat aan de hand daarvan antilichamen kunnen worden aangetoond in de vroege fase en in de herstelperiode.

BIJLAGE II

VERS VLEES

DEEL 1

Lijst van derde landen of delen daarvan

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Specifieke voorwaarden als bedoeld in kolom 6

"1": Beperkingen in tijd en plaats

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

"2": Beperkingen in categorie

Slachtafvallen niet toegestaan (met uitzondering van diafragma en kauwspieren van runderen).

DEEL 2

Modellen van de veterinaire certificaten

Modellen:

"BOV": Veterinair certificaat voor vers vlees van als huisdier gehouden runderen (Bos taurus, Bison bison, Bubalus bubalis en kruisingen daarvan);

"POR": Veterinair certificaat voor vers vlees van als huisdier gehouden varkens (Sus scrofa);

"OVI": Veterinair certificaat voor vers vlees van als huisdier gehouden schapen (Ovis aries) en geiten (Capra hircus);

"EQU": Veterinair certificaat voor vers vlees van als huisdier gehouden paardachtigen (Equus caballus, Equus asinus en kruisingen daarvan);

"RUF": Veterinair certificaat voor vers vlees van gekweekte niet-gedomesticeerde dieren, met uitzondering van Suidae en eenhoevigen;

"RUW": Veterinair certificaat voor vers vlees van vrije niet-gedomesticeerde dieren, met uitzondering van Suidae en eenhoevigen;

"SUF": Veterinair certificaat voor vers vlees van gekweekte niet-domesticeerde Suidae;

"SUW": Veterinair certificaat voor vers vlees van vrije niet-gedomesticeerde Suidae;

"EQW": Veterinair certificaat voor vers vlees van vrije niet-gedomesticeerde eenhoevigen.

AG (Aanvullende garanties):

"A": garanties ten aanzien van rijping, pH-meting en ontbening van vers vlees, met uitzondering van slachtafvallen, gecertificeerd overeenkomstig een certificaat volgens model BOV (punt 10.6), OVI (punt 10.6), RUF (punt 10.7) en RUW (punt 10.4).

"B": garanties ten aanzien van gerijpte opgemaakte slachtafvallen als omschreven in het certificaat volgens model BOV (punt 10.6).

"C": garanties ten aanzien van laboratoriumtests op klassieke varkenspest bij karkassen waarvan het verse vlees is gecertificeerd met een certificaat volgens model SUW (punt 10.3 bis).

"D": garanties ten aanzien van spoeling in bedrijven met dieren waarvan het verse vlees is gecertificeerd met een certificaat volgen model POR (punt 10.3 d)).

"E": garanties ten aanzien van tuberculinatie bij dieren waarvan het verse vlees is gecertificeerd met een certificaat volgens model BOV (punt 10.4 d)).

"F": garanties ten aanzien van rijping en ontbening van vers vlees, met uitzondering van slachtafvallen, gecertificeerd overeenkomstig een certificaat volgens model BOV (punt 10.6), OVI (punt 10.6), RUF (punt 10.7) en RUW (punt 10.4).

Opmerkingen

a) Het land van uitvoer stelt een veterinair certificaat op overeenkomstig het in deel 2 van bijlage II vastgestelde model, naar gelang van de betrokken soort vlees. Op elk certificaat worden, in de in het model aangegeven volgorde, de verklaringen opgenomen die voor elk derde land zijn vereist en, naar gelang van het geval, ook de aanvullende garanties die zijn vereist voor het derde land van uitvoer of een deel daarvan.

b) Een apart en uniek certificaat moet worden opgesteld voor vlees dat afkomstig is uit één enkel gebied als vermeld in de kolommen 2 en 3 van deel 1 van bijlage II, die verzonden worden naar dezelfde bestemming en vervoerd worden in dezelfde spoorwegwagon, dezelfde vrachtwagen, hetzelfde vliegtuig of hetzelfde schip.

c) Het originele exemplaar van elk certificaat bestaat uit één enkel blad waarvan de beide zijden worden gebruikt, of het moet een zodanige vorm hebben dat alle bladzijden één enkel ondeelbaar geheel vormen.

d) Het wordt opgesteld in ten minste één van de officiële talen van de EU-lidstaat waar de controle in de grensinspectiepost zal worden uitgevoerd en van de EU-lidstaat van bestemming. Deze lidstaten kunnen evenwel toestaan dat in plaats van de eigen taal een andere communautaire taal wordt gebruikt, indien nodig vergezeld van een officiële vertaling.

e) Indien voor de identificatie van de bestanddelen van de zending (zie punt 8.3 van het modelcertificaat) extra bladen aan het certificaat worden gehecht, worden deze bladen beschouwd als deel uitmakend van het originele certificaat en moeten op elke bladzijde de handtekening en het stempel van de certificerende officiële dierenarts worden aangebracht.

f) Wanneer het certificaat, inclusief de onder e) bedoelde aanvullingen, uit meer dan één bladzijde beslaat, wordt elke bladzijde onderaan genummerd - (bladzijdenummer) van (totaal aantal bladzijden) - en wordt elke bladzijde bovenaan voorzien van het codenummer van het certificaat dat door de bevoegde autoriteit is toegekend.

g) Het originele exemplaar van het certificaat moet door een officiële dierenarts worden ingevuld en ondertekend. De bevoegde autoriteiten van het land van uitvoer moeten er daarbij op toezien dat beginselen van certificering worden toegepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan die van Richtlijn 96/93/EG van de Raad.

De kleur van de handtekening moet verschillen van die van de gedrukte tekst. Dat geldt ook voor andere stempels dan reliëfstempels of watermerken.

h) Het originele exemplaar van het certificaat vergezelt de zending tot in de EU-grensinspectiepost.

>PIC FILE= "L_2004073NL.006701.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.006801.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.006901.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.007001.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.007101.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.007201.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.007301.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.007401.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.007501.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.007601.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.007701.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.007801.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.007901.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.008001.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.008101.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.008201.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.008301.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.008401.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.008501.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.008601.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.008701.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.008801.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.008901.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.009001.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.009101.TIF">

>PIC FILE= "L_2004073NL.009201.TIF">"

BIJLAGE B

"BIJLAGE I

Omschrijving van het grondgebied van derde landen waaruit uitvoer naar de Gemeenschap is toegestaan

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE II

In het vereiste veterinaire certificaat op te nemen veterinairrechtelijke voorschriften en gezondheidsvoorschriften

>RUIMTE VOOR DE TABEL>"

Top