EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31995D0438

95/438/EG: Beschikking van de Commissie van 14 maart 1995 betreffende de door Spanje ten behoeve van de onderneming Piezas y Rodajes SA, een in de provincie Teruel, Aragón, Spanje, gevestigde staalgieterij, toegekende investeringssteun (Slechts de tekst in de Spaanse taal is authentiek) (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 257, 27.10.1995, p. 45–50 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/1995/438/oj

31995D0438

95/438/EG: Beschikking van de Commissie van 14 maart 1995 betreffende de door Spanje ten behoeve van de onderneming Piezas y Rodajes SA, een in de provincie Teruel, Aragón, Spanje, gevestigde staalgieterij, toegekende investeringssteun (Slechts de tekst in de Spaanse taal is authentiek) (Voor de EER relevante tekst)

Publicatieblad Nr. L 257 van 27/10/1995 blz. 0045 - 0050


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 14 maart 1995 betreffende de door Spanje ten behoeve van de onderneming Piezas y Rodajes SA, een in de provincie Teruel, Aragón, Spanje, gevestigde staalgieterij, toegekende investeringssteun (Slechts de tekst in de Spaanse taal is authentiek) (Voor de EER relevante tekst) (95/438/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 93, lid 2, eerste alinea,

Na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen kenbaar te maken, overeenkomstig het bepaalde in genoemd artikel 93, en rekening houdend met die opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

I

Op 24 april 1991 besloot de Commissie bij Beschikking NN 12/91 geen bezwaar aan te tekenen tegen de investeringssteun die is verleend aan de Spaanse onderneming Piezas y Rodajes SA, hierna "Pyrsa" genoemd, door bepaalde Spaanse regionale en gemeentelijke publiekrechtelijke lichamen.

Het in september 1988 opgerichte Pyrsa is werkzaam in de staalgieterijsector en fabriceert tandwielen en GET-uitrusting.

Op 30 juli 1991 stelde de Britse onderneming Cook, die werkzaam is in dezelfde sector als Pyrsa, bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een vordering in tot nietigverklaring van de genoemde beschikking van de Commissie.

In zijn arrest van 19 mei 1993 (1) vernietigde het Hof van Justitie Beschikking NN 12/91 van de Commissie om "geen bezwaar aan te tekenen" ten aanzien van de onderscheiden steunmaatregelen van de Staten welke aan Pyrsa zijn verleend, voor zover het andere steun betreft dan de subsidie van 975 905 000 pta, die de Spaanse Regering in het kader van een door de Commissie goedgekeurde regionale steunregeling heeft verleend.

Het arrest van het Hof van Justitie waarbij Beschikking NN 12/91 werd vernietigd, is voornamelijk gebaseerd op het feit dat de Commissie de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag had moeten inleiden teneinde na inwinning van alle noodzakelijke opmerkingen te kunnen vaststellen of haar beoordeling correct was, aangezien zij had getracht haar besluit te baseren op een gebrek aan overcapaciteit in de subsector tandwielen en GET-uitrusting zonder zulks te kunnen bewijzen.

II

Overeenkomstig het arrest van het Hof van Justitie besloot de Commissie op 28 juli 1993 de procedure van artikel 93, lid 2, in te leiden ten aanzien van de onderstaande steunmaatregelen ten behoeve van Pyrsa.

1. een subsidie van 182 miljoen pta zonder terugbetalingsplicht;

2. een garantie voor een lening van 490 miljoen pta gedurende elf jaar (beide toegekend door de Comunidad Autónoma de Aragón);

3. een rentesubsidie van zeven percentpunten gedurende vijf jaar met betrekking tot de genoemde lening van 490 miljoen pta (toegekend door de Diputación Provincial de Teruel);

4. een bedrag van 2,3 miljoen pta in de vorm van een schenking van terreinen; (toegekend door het gemeentebestuur van Monreal del Campo).

Het besluit om de procedure in te leiden werd bij schrijven van 6 augustus 1993 de Spaanse autoriteiten medegedeeld. Deze brief werd bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen (2) teneinde de andere Lid-Staten en belanghebbenden van de steunmaatregelen in kennis te stellen. In dit schrijven wees de Commissie erop dat de betrokken steunmaatregelen niet in aanmerking kwamen voor één van de uitzonderingen van artikel 92, lid 3, en derhalve niet verenigbaar waren met de gemeenschappelijke markt bij gebrek aan gevolgen voor de sector. Derhalve verzocht de Commissie de Spaanse Regering haar haar opmerkingen kenbaar te maken en met name alle noodzakelijke gegevens ter beschikking te stellen met het oog op een analyse van de sector.

Het uitblijven van een eindbeslissing inzake de steunmaatregelen is te wijten aan de ingewikkeldheid van de zaak en de aanzienlijke hoeveelheid gegevens die dienden te worden ingezonden. Na onderzoek van alle relevante beschikbare informatie in het licht van de procedure van artikel 93, lid 2, kwam de Commissie tevens tot de slotsom dat een onafhankelijke deskundige met het verrichten van een marktstudie diende te worden belast, teneinde de relevante sector te kunnen vaststellen.

III

In het kader van deze procedure ontving de Commissie rechtstreeks opmerkingen van vier ondernemingen welke in respectievelijk Frankrijk, Italië, Duitsland en Spanje (de steunontvangende onderneming) gevestigd zijn en twee brieven van een advocatenkantoor, waarvan één namens een onderneming (in Spanje) en de andere de opmerkingen van 14 ondernemingen (uit Engeland, Frankrijk en Duitsland) behelsde. Voorts ontving de Commissie een tabel met gegevens van het "Comité des associations européennes de fonderie" (CAEF) inzake de staalgieterijcapaciteit in verscheidene Europese landen.

Behalve Pyrsa wijzen alle ondernemingen die geantwoord hebben, erop dat er geen sprake is van een duidelijk afgebakende deelsector tandwielen en GET-uitrusting, aangezien de staalgieterijtechniek overal dezelfde is en de gieterijen zich slechts specialiseren op grond van bij die gieterijen beschikbare ervaring en technische deskundigheid. Derhalve is de onderzochte sector de staalgieterijsector in het algemeen. Voorts bevestigen alle ondernemingen dat er in 1990 overcapaciteit in deze sector bestond, welke overcapaciteit sindsdien is toegenomen, en dat de situatie vermoedelijk verder zal verslechteren tot het jaar 2000.

De toegezonden gegevens hebben betrekking op capaciteit en produktie, omzet en winst met betrekking tot gieterijprodukten in het algemeen en in enkele gevallen met betrekking tot GET-uitrusting en/of tandwielen. De gegevens hebben betrekking op de jaren 1990, 1991, 1992 en 1993.

Wat 1990 en de staalgieterij in het algemeen betreft, legden drie van de 18 ondernemingen (de begunstigde onderneming niet inbegrepen) die hebben geantwoord, onvoldoende duidelijke cijfers inzake overcapaciteit voor om in aanmerking genomen te worden, acht ervan hadden een duidelijke overcapaciteit (1) (tussen 26,6 % en 194 %) en de overige zeven legden cijfers voor die op een normale bedrijvigheid wijzen (tussen 3,1 % en 17,6 %). Alle (zeven) ondernemingen die afzonderlijke gegevens voorlegden inzake tandwielen en/of GET-uitrusting, bevinden zich met betrekking tot deze produkten in een slechtere situatie dan de sector in het algemeen, met aanzienlijk meer overcapaciteit (slechts één onderneming heeft een overcapaciteit van 30 %, bij alle andere bedraagt de overcapaciteit meer dan 100 %).

Met betrekking tot 1990 en de staalgieterij in het algemeen blijkt voorts uit de door de CAEF vestrekte tabel welke betrekking heeft op de Europese producentenlanden, dat de overcapaciteit per land van een gangbaar cijfer van 11,5 % in Duitsland varieert tot een reële overcapaciteit van 42,9 % in Spanje. De gemiddelde overcapaciteit van de vijf belangrijkste producentenlanden van de Gemeenschap (Duitsland, Spanje, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk) bedraagt 22,1 %.

Wat de jaren na 1990 betreft melden alle ondernemingen een ernstige verslechtering van de situatie aangezien zij alle te kampen hebben met zeer hoge overcapaciteit. Voor 1991 melden slechts drie ondernemingen overcapaciteitscijfers welke lager liggen dan 25 %. Voor 1992 maken slechts twee ondernemingen van dusdanige cijfers gewag. Een ervan zette haar activiteiten stop in 1992. Het gewone rekenkundige gemiddelde van de door de ondernemingen welke hebben geantwoord, gemelde cijfers ging van 36,9 % in 1990 tot 59,1 % in 1991 en tot 82,3 % in 1992. In de tabel van de CAEF is eveneens minstens tot 1995 in een ernstige verslechtering van de sector voorzien.

IV

De Spaanse autoriteiten hebben geen eigen opmerkingen en evenmin de gevraagde gegevens medegedeeld. Zij dienden evenwel opmerkingen in welke betrekking hadden op de antwoorden van de belanghebbenden. Deze opmerkingen kunnen als volgt worden samengevat:

- de ondernemingen die hebben geantwoord, zijn niet representatief voor de sector aangezien zij slechts 4 % van de Europese produktie in 1990 vertegenwoordigen;

- de ondernemingen die hebben geantwoord, hebben gegevens toegestuurd betreffende de jaren 1990, 1991, 1992 en 1993 welke niet de referentiejaren zijn aangezien de steunmaatregelen in mei 1988 door de Spaanse autoriteiten werden goedgekeurd. Bij de vaststelling van het besluit waren de vooruitzichten voor de periode 1987-1990 gunstig zowel wat de vraag als wat de produktie betreft;

- de sector tandwielen en GET-uitrusting is de referentiesector. De afbakening van subsectoren in de sector staalgieterij is geschied in functie van de omvang en het type van de installaties. Om te kunnen overschakelen van de huidige specialisatie naar een andere zou Pyrsa omvangrijke investeringen moeten verrichten (400 miljoen pta);

- de ondernemingen die hebben geantwoord, bevestigden dat er sprake is van overcapaciteit in de sector staalgieterij zonder concreet aan te geven dat zulks eveneens het geval is in de sector tandwielen en GET-uitrusting die de referentiesector is;

- de ondernemingen die hebben geantwoord, wezen erop dat de marktsituatie nog verslechterd is door laaggeprijsde nieuwe invoer uit India, uit China en uit de Oosteuropese landen. Niettemin was Pyrsa in staat om deze invoer te beconcurreren dank zij haar voor de produktie adequate specialisering (en niet wegens het voordeel dat de toekenning van steun deze onderneming bood);

- een van de steunmaatregelen waarop de procedure betrekking heeft, meer bepaald de garantie die is verleend door de Comunidad Autónoma de Aragón, betrof geen kwantificeerbare steun ten minste tot het ogenblik van de tenuitvoerlegging ervan;

- tenslotte merken de Spaanse autoriteiten nogmaals op dat vooral rekening dient te worden gehouden met de algemene intensiteit van de aan Pyrsa toegekende steun die ver onder het plafond van 75 % blijft dat in de regio waarin de onderneming is gevestigd, maximaal is toegestaan.

V

De Commissie kan de bewering van de Spaanse autoriteiten als zouden de ondernemingen die hebben geantwoord, voor de sector niet representatief zijn, niet aanvaarden. De zeventien ondernemingen zijn gevestigd in de vijf Lid-Staten die de belangrijkste producenten zijn op het gebied van de staalgieterij. Bovendien heeft de door CAEF verstrekte informatie betrekking op alle landen en behelst gegevens welke door de ondernemingen elk afzonderlijk met betrekking tot de vraag inzake overcapaciteit in de sector zijn verstrekt.

De Commissie zet tevens vraagtekens bij het cijfer van 4 % dat door de Spaanse autoriteiten is genoemd met betrekking tot het aandeel in de produktie van 1990 van de ondernemingen die hebben geantwoord. Een benaderende raming van de Commissie van het aandeel van deze ondernemingen in de staalgieterijsector van de Gemeenschap in 1990 komt uit op een cijfer dat hoger is dan 15 %.

Bovendien kan het argument inzake de negatieve gevolgen van de steun voor het handelsverkeer in de sector evenmin worden aanvaard omdat, zelfs indien de steun slechts nadelige gevolgen zou hebben voor een andere onderneming voor zover daarmee de mededinging op de gemeenschappelijke markt wordt vervalst, deze negatieve gevolgen volstaan om de steun onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren.

De door de onderscheiden ondernemingen verstrekte cijfers hebben betrekking op het jaar 1990 en volgende. De Spaanse autoriteiten zijn van mening dat met deze cijfers geen rekening dient te worden gehouden, aangezien de steunmaatregelen door de Spaanse autoriteiten in mei 1988 zijn goedgekeurd. Dit is echter in tegenspraak met de informatie die door diezelfde autoriteiten eerder is verstrekt bij schrijven van 13 mei 1993. Daarin is medegedeeld dat de steunmaatregelen waarop de procedure betrekking heeft, in 1989 en in 1990 zijn goedgekeurd. De garantie voor een lening van 490 miljoen pta werd goedgekeurd in april 1990. De subsidie van 182 miljoen pta werd goedgekeurd in juni 1990 en uitgekeerd tussen 1990 en 1992. Voorts werden in Beschikking NN 12/91 en in de latere behandeling van de zaak voor het Hof van Justitie gegevens gebruikt die betrekking hadden op 1990.

Bij de vaststelling van Beschikking NN 12/91 beschikte de Commissie niet over precieze gegevens inzake de bezettingsgraad in de deelsector tandwielen en GET-uitrusting. Derhalve besloot zij bij de beoordeling van de toestand van de sector zich te baseren op de beschikbare produktiegegevens bij gebrek aan betere indicatoren. Het Hof van Justitie verklaarde evenwel dat de cijfers in deze statistieken onvolledig zijn. Zij staan volgens het Hof niet toe de produktiecapaciteit te boordelen of deze te toetsen aan de produktie en de vraag van de markt. Op grond hiervan besloot het Hof van Justitie dat de Commissie de procedure van artikel 93, lid 2, had moeten inleiden teneinde na inwinning van de noodzakelijke opmerkingen vast te stellen of er al dan niet van overcapaciteit in de sector sprake was.

De in het kader van de procedure ingekomen informatie lijkt met het standpunt van de Commissie dat de door Pyrsa gefabriceerde produkten deel uitmaken van een specifieke deelsector, in tegenspraak te zijn. Alle ondernemingen die hebben geantwoord, zijn van mening dat een dusdanige indeling in deelsectoren niet realistisch is en dat de sector waarop de procedure betrekking heeft, de totale staalgieterijsector is.

Op enkele uitzonderingen na zijn de capaciteiten van de staalgieterijen volledig flexibel wat het type componenten betreft dat zij fabriceren. De enige beperkingen die bepaalde gieterijen beletten om de produkten ervan op bepaalde markten af te zetten, houden verband met de ervaring en technische know-how ervan of met de eigen produktiecapaciteit doch niet met de bestaande technologie. Een gieterij die GET-uitrusting en tandwielen produceert, kan een zeer gevarieerd produktengamma aanbieden. Bij de overschakeling naar een ander produkt draagt een gieterij alleen kosten welke te maken hebben met de voor de fabricage van de nieuwe componenten noodzakelijke gietvormen welke normalerwijze niet opnieuw kunnen worden gebruikt en die ongeveer 20 % van de totale produktiekosten van een kilogram produkt vertegenwoordigen. Aangezien deze overschakeling geen grote investeringen vergt, hebben bepaalde gieterijen de laatste jaren deze flexibiliteit in de produktie gebruikt om te kunnen overleven.

Met het oog op het inwinnen van een onafhankelijk oordeel heeft de Commissie een externe deskundige verzocht om de referentiesector vast te stellen en na te gaan of er al dan niet van overcapaciteit sprake is. De deskundige is tot de slotsom gekomen dat er geen deelsector tandwielen en GET-uitrusting bestaat en dat de staalgieterijen een bezettingsgraad hadden van 69,3 % in 1991, 62 % in 1992 en 58 % in 1993 ondanks de capaciteitsverminderingen van 965 miljoen ton in 1991, 910 miljoen ton in 1992 en 862 miljoen ton in 1993.

In het licht van deze nieuwe ingekomen gegevens is de Commissie van mening dat de referentiesector waaraan de gevolgen van de steunmaatregelen voor het handelsverkeer moeten worden getoetst, in deze zaak de gieterijsector in zijn geheel is in tegenstelling tot het eerder ingenomen standpunt. De Commissie wijst niettemin erop dat bij afzonderlijke cijfers voor tandwielen en GET-uitrusting of voor beide produkten uit de aanwoorden van de ondernemingen een nog grotere overcapaciteit blijkt dan voor het totale gamma van gieterijprodukten van de ondernemingen.

Op grond van de informatie die bepaalde ondernemingen en de CAEF aan de Commissie in de loop van de procedure hebben verstrekt en die in hoofdstuk III is onderzocht, is de Commissie van oordeel dat reeds in 1990 van overcapaciteit in de sector staalgieterij sprake was zonder in dit geval te onderscheiden tussen tandwielen en GET-uitrusting.

Voor de jaren 1988 en 1989 die eveneens relevant kunnen zijn voor deze zaak, hebben de ondernemingen geen bijkomende gegevens verstrekt. Indien ervan uit wordt gegaan dat de capaciteit in deze jaren vergelijkbaar was met die in 1990, wijzen de produktiecijfers van CAEF voor deze jaren op een nog grotere overcapaciteit in de vijf grootste producentenlanden van de Gemeenschap dan in 1990.

Het feit dat Pyrsa zich in een betere positie bevindt dan andere staalgieterijen om de import tegen lage prijzen te beconcurreren, bewijst niets wat de verenigbaarheid van de steun betreft, aangezien de positie van Pyrsa toegeschreven kan worden aan het voordeel welke voor de onderneming uit de steun voortvloeit en niet aan haar adequate specialisatie.

Het staat buiten kijf dat de waarborg als staatssteun dient te worden aangemerkt. De Commissie was in haar Beschikking NN 12/91 van oordeel dat de waarborg overeenkwam met een rentesubsidie van 3 % op de lening van 490 miljoen pta op grond van het feit dat die rentevoet de marktpremie is voor dergelijke waarborgen. Zoals alle vormen van steun wordt deze berekend vanaf de toekenning en niet vanaf de eventuele tenuitvoerlegging.

Overeenkomstig de mededeling inzake de inleiding van de procedure moeten de steunmaatregelen beoordeeld worden in het licht van de sectoriële gevolgen ervan. In haar mededeling inzake de wijze van toepassing van artikel 92, lid 3, onder a) en c), op regionale steunmaatregelen (1) specificeerde de Commissie dat de steun, om voor ontheffing krachtens artikel 92, lid 3, onder a), in aanmerking te komen, niet tot sectoriële overcapaciteit op communautair niveau mag leiden tengevolge waarvan het communautaire sectoriële probleem ernstiger zou zijn dan het oorspronkelijke regionale probleem. Aangezien het een ad hoc-steumaatregel betreft, dient deze beoordeling te geschieden met betrekking tot de specifieke steunmaatregel en de bevindingen van het onderzoek worden niet beïnvloed door het feit dat de totale steunintensiteit onder het voor de betrokken regio geldende plafond blijft.

VI

De betrokken maatregelen zijn duidelijk aangemerkt als staatssteunmaatregelen zowel in Beschikking NN 12/91 als in het arrest van het Hof van Justitie. De steun bestaat uit de subsidie zonder terugbetalingsplicht van 182 miljoen pta, de schenking van terreinen ter waarde van 2,3 miljoen pta, het bedrag dat overeenstemt met de jaarlijkse premie van 3 % (premie tegen marktvoorwaarden die momenteel normalerwijze door de banken voor vergelijkbare leningen gebruikt wordt) met betrekking tot de staatsgarantie voor een lening van 490 miljoen pta en het bedrag dat overeenstemt met de rentesubsidie van zeven percentpunten met betrekking tot de genoemde lening. Op grond hiervan en rekening houdend met het intense intracommunautaire handelsverkeer inzake gieterijprodukten, komt de Commissie tot de slotsom dat de verleende steun het handelsverkeer nadelig beïnvloedt en de mededinging vervalst. Derhalve voldoet de steun aan de voorwaarden van artikel 92, lid 1, van het Verdrag waarin is bepaald dat elke steun die voldoet aan de bepalingen van dit artikel in beginsel onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.

De uitzonderingen van artikel 92, lid 2, op dit beginsel zijn in deze zaak niet van toepassing gezien de aard en de doelstellingen van de betrokken steun. Bovendien heeft de Spaanse Regering niet om de toepassing van deze uitzondering verzocht.

In artikel 92, lid 3, zijn de categorieën steunmaatregelen genoemd welke verenigbaar kunnen worden geacht met de gemeenschappelijke markt. De verenigbaarheid van de steun met het Verdrag dient te worden beoordeeld in de gehele communautaire context en niet in die van slechts één Lid-Staat. Teneinde de goede werking van de gemeenschappelijke markt en de naleving van artikel 3, onder g), van het Verdrag te garanderen, dienen de uitzonderingen op het beginsel van artikel 92, lid 1, welke in lid 3 van laatstgenoemd artikel zijn opgesomd bij het onderzoek van elk steunvoornemen of van de daadwerkelijke toekenning van steun strikt te worden geïnterpreteerd.

De uitzonderingen zijn namelijk slechts van toepassing voor zover de Commissie kan bewijzen dat, indien geen steun wordt toegekend, het spel van de markt alléén de eventuele begunstigde niet ertoe zal aanzetten zich op een wijze te gedragen die tot de verwezenlijking van één van de genoemde doelstellingen bijdraagt.

Het toestaan van uitzonderingen ten aanzien van steunmaatregelen die geenszins tot de verwezenlijking van dergelijke doelstellingen bijdragen of daartoe niet noodzakelijk zijn, zou bedrijfstakken en ondernemingen in bepaalde Lid-Staten een ongerechtvaardigd voordeel verschaffen, daar zulks hun financiële positie zou verbeteren en het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig zou kunnen beïnvloeden en de mededinging vervalsen op een wijze die met het gemeenschappelijk belang onverenigbaar is.

Wat de uitzondering van artikel 92, lid 3, onder a), betreft, wordt de betrokken steun niet automatisch goedgekeurd, zelfs indien deze verleend is aan een onderneming die gevestigd is in een gebied dat voor dusdanige steun in aanmerking kan komen, daar de steun immers niet in het kader van een door de Commissie goedgekeurde algemene regionale steunregeling is verleend. Een dusdanige regeling wordt slechts goedgekeurd wanneer de voordelen van de in het kader van de regeling verleende steun opwegen tegen een eventuele vervalsing van de mededinging die door de steun wordt veroorzaakt. In een concreet geval moeten deze effecten voor de betrokken steunmaatregelen worden nagegaan. Dit standpunt is bevestigd door het Hof van Justitie in zijn arrest van 14 september 1994 (Hytasa) (1) waarin het Hof duidelijk aanvaardde dat op grond van een ad hoc-besluit verleende steun beschouwd kan worden als regionale steun die verenigbaar is met artikel 92, lid 3, onder a), indien de steun in feite bijdraagt tot de ontwikkeling van het gebied op lange termijn zonder het gemeenschappelijk belang en de mededingingsvoorwaarden binnen de Gemeenschap ongunstig te beïnvloeden.

Zoals in uiteengezet in de hoofdstukken III en V, blijkt uit de door de Commissie in het kader van de procedure van artikel 93, lid 2, ontvangen informatie dat de steunontvangende onderneming werkzaam is in een sector die met overcapaciteit op communautair niveau te kampen heeft. Aangezien de investeringssteun is verleend aan een onderneming die nieuwe produktiecapaciteit van 5 000 ton per jaar heeft geschapen, draagt de bedoelde steun bij tot een nieuwe toename van de overcapaciteit op de markt. Dientengevolge moet de slotsom luiden dat de steun niet aan de voorwaarden van de uitzondering van artikel 92, lid 3, onder a), beantwoordt.

Wat de uitzondering van artikel 92, lid 3, onder b), betreft, is het duidelijk dat de steunmaatregelen niet bestemd zijn om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen of een ernstige verstoring van de economie in Spanje op te heffen.

Tenslotte kan de steun als verenigbaar worden beschouwd met de uitzondering van artikel 92, lid 3, onder c), die steunmaatregelen betreft om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, voorzover de steun de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, niet zodanig verandert dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Zoals reeds gezegd in verband met de uitzondering van artikel 92, lid 3, onder a), doet de steun in de sector waarin de onderneming werkzaam is, de overcapaciteit op communautair niveau toenemen. Derhalve moet worden geconcludeerd dat de betrokken steunmaatregelen de voorwaarden waaronder het handelsverkeer in de Gemeenschap plaatsvindt, zodanig veranderen dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Derhalve kunnen zij niet worden gerechtvaardigd op grond van artikel 92, lid 3, onder c).

De betrokken steunmaatregelen komen voor geen van de uitzonderingen van het Verdrag in aanmerking. Derhalve dient de Commissie deze steunmaatregelen onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren.

VII

De specifieke, aan Pyrsa toegekende steunmaatregelen, welke in hoofdstuk II zijn genoemd, zijn onrechtmatig toegekend, omdat zij strijdig zijn met artikel 93, lid 3, waarin de voorafgaande aanmelding van die steunmaatregelen bij de Commissie is voorgeschreven.

Aangezien de steunmaatregelen onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt zijn, moeten zij worden terugbetaald. Bovendien moeten de economische gevolgen ervan worden opgeheven teneinde de status quo te herstellen. Derhalve wordt het totale uitgekeerde steunbedrag verhoogd met de vanaf de datum van de uitkering van de steun vervallen rente. Deze terugbetaling dient te geschieden met inachtneming van de procedures en de bepalingen van de Spaanse wetgeving, inzonderheid die met betrekking tot de aan de Staat verschuldigde moratoire interesten die berekend worden vanaf de datum van de uitkering van de steun en tot de datum van de daadwerkelijke terugbetaling (brief van de Commissie aan de Lid-Staten van 4 maart 1991 (SG(91)D/4571)),

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De onderstaande steunmaatregelen die Spanje aan de onderneming Piezas y Rodajes, SA (Pyrsa) heeft verleend, zijn onrechtmatig aangezien zij zijn verleend in strijd met het bepaalde in artikel 93, lid 3, van het EG-Verdrag. Bovendien zijn zij op grond van artikel 92 van het EG-Verdrag onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt. Het betreft:

1. een subsidie van 182 miljoen pta zonder terugbetalingsplicht; (toegekend door de Comunidad Autónoma de Aragón) 2. een garantie ter dekking van een lening van 490 miljoen pta met een looptijd van elf jaar; deze garantie houdt een steun in voor een bedrag van 3 % per jaar van de lening; (toegekend door de Comunidad Autónoma de Aragón) 3. een rentesubsidie van zeven procent over vijf jaar met een maximum van 150 miljoen pta met betrekking tot de genoemde lening van 490 miljoen pta; (toegekend door de Diputación Provincial de Teruel) 4. 2,3 miljoen pta in de vorm van een schenking van terreinen; (toegekend door het gemeentebestuur van Monreal del Campo)

Artikel 2

Spanje moet de steun ten behoeve van Piezas y Rodajes SA (Pyrsa) onverwijld stopzetten, door met betrekking tot de garantie ten aanzien van de lening van 490 miljoen pta een premie tegen normale marktvoorwaarden aan te rekenen en elke betaling van rentesubsidie ten aanzien van de genoemde lening te beëindigen.

Artikel 3

De uitgekeerde steun bestaat uit:

1. een subsidie van 182 miljoen pta zonder terugbetalingsplicht;

2. een bedrag dat overeenstemt met een jaarlijkse premie van 3 % ingevolge de staatsgarantie ter dekking van de lening van 490 miljoen pta dat is uitgekeerd vanaf april 1990 tot de datum van de opheffing van de steun waarnaar in artikel 2 is verwezen;

3. het reeds uitgekeerde gedeelte van het bedrag van 150 miljoen pta dat overeenstemt met een rentesubsidie van zeven percentpunten ten aanzien van de genoemde lening;

en 4. de schenking van terreinen ter waarde van een op 2,3 miljoen pta geraamd bedrag.

Deze bedragen moeten worden terugbetaald overeenkomstig de procedures en bepalingen van de Spaanse wetgeving inzonderheid die met betrekking tot de moratoire interesten welke aan de Staat zijn verschuldigd en worden berekend over de periode vanaf de datum van uitkering van de steun tot die van de daadwerkelijke terugbetaling ervan.

Artikel 4

Spanje deelt de Commissie uiterlijk twee maanden na de kennisgeving van deze beschikking mede welke maatregelen getroffen zijn om aan het hier bepaalde te voldoen.

Artikel 5

Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk Spanje.

Gedaan te Brussel, 14 maart 1995.

Voor de Commissie Karel VAN MIERT Lid van de Commissie

(1) PB nr. C 212 van 12. 8. 1988, blz. 2.

(1) Gevoegde zaken C-278/92, C-279/92 en C-280/92, Spanje tegen Commissie, Jurisprudentie 1994, blz. I-4103

Top