Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31993L0097

Richtlijn 93/97/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 houdende aanvulling van Richtlijn 91/263/EEG wat de apparatuur voor satellietgrondstations betreft

OJ L 290, 24.11.1993, p. 1–8 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 13 Volume 025 P. 67 - 74
Special edition in Swedish: Chapter 13 Volume 025 P. 67 - 74

No longer in force, Date of end of validity: 31/03/1998; afgeschaft en vervangen door 398L0013

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1993/97/oj

31993L0097

Richtlijn 93/97/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 houdende aanvulling van Richtlijn 91/263/EEG wat de apparatuur voor satellietgrondstations betreft

Publicatieblad Nr. L 290 van 24/11/1993 blz. 0001 - 0008
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 13 Deel 25 blz. 0067
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 13 Deel 25 blz. 0067


RICHTLIJN 93/97/EEG VAN DE RAAD van 29 oktober 1993 houdende aanvulling van Richtlijn 91/263/EEG wat de apparatuur voor satellietgrondstations betreft

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100 A,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

In samenwerking met het Europees Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

1. Overwegende dat in het Groenboek van de Commissie over een gezamenlijke aanpak op het gebied van satellietcommunicatie in de Gemeenschap wordt voorgesteld over te gaan tot onderlinge erkenning van de typegoedkeuring van apparatuur voor satellietgrondstations als een van de voornaamste vereisten voor, onder meer, een communautaire markt voor apparatuur voor satellietgrondstations;

2. Overwegende dat de Raad in zijn resolutie van 19 december 1991 inzake de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt voor satellietcommunicatiediensten en -apparatuur (4) de harmonisatie en liberalisatie van geschikte apparatuur voor satellietgrondstations, onder voorbehoud met name van de nodige voorwaarden om aan de fundamentele voorschriften te voldoen, als een hoofddoel van het satellietcommunicatiebeleid beschouwt;

3. Overwegende dat de Raad in deze resolutie met belangstelling kennis neemt van het voornemen van de Commissie maatregelen voor te stellen voor de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de geschikte apparatuur voor satellietgrondstations, met inbegrip van de onderlinge erkenning van de conformiteit van die apparatuur, in de lijn van de beginselen die reeds zijn vastgesteld bij Richtlijn 91/263/EEG (5);

4. Overwegende dat de totstandbrenging van een open markt op communautaire schaal voor apparatuur voor satellietgrondstations effectieve en efficiënte geharmoniseerde procedures vereist voor de certificatie, de beproeving, het markeren, de kwaliteitsbewaking en de produktcontrole; dat het alternatief voor een communautaire regelgeving bestaat in een vergelijkbaar stelsel van bepalingen die op basis van onderhandelingen tussen de Lid-Staten tot stand worden gebracht, hetgeen uiteraard problemen met zich zou brengen gezien het grote aantal bij dergelijke veelvoudige bilaterale onderhandelingen betrokken instanties; dat dit ondoenlijk is en niet snel en efficiënt en de doelstellingen van de voorgestelde maatregelen dus niet ten genoegen door de Lid-Staten kunnen worden verwezenlijkt; dat echter de vorm van een communautaire richtlijn reeds bij herhaling en met name in de telecommunicatiesector een werkbaar, snel en efficiënt middel is gebleken; dat de doelstelling van de voorgenomen maatregel derhalve het best op communautair niveau kan worden bereikt;

5. Overwegende dat naar huidig Gemeenschapsrecht, in afwijking van één van de grondregels van de Gemeenschap, namelijk vrijheid van verkeer van goederen, belemmeringen voor het handelsverkeer binnen de Gemeenschap als gevolg van verschillen in de nationale wetgevingen met betrekking tot het in de handel brengen van produkten moeten worden aanvaard voor zover deze noodzakelijk kunnen worden geacht om aan fundamentele voorschriften te voldoen; dat de harmonisatie van de wetgevingen in dit geval dan ook beperkt moet blijven tot die voorschriften die nodig zijn om aan de fundamentele voorschriften inzake apparatuur voor satellietgrondstations te voldoen; dat deze voorschriften, omdat zij van fundamenteel belang zijn, in de plaats van de besbetreffende nationale voorschriften moeten komen;

6. Overwegende dat Richtlijn 73/23/EEG van de Raad van 19 februari 1973 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften der Lid-Staten inzake elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (6) en Richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (7) onder meer van toepassing zijn op het gebied van telecommunicatie en informatietechnologie;

7. Overwegende dat Richtlijn 73/23/EEG ook in het algemeen betrekking heeft op de veiligheid van personen;

8. Overwegende dat Richtlijn 89/336/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake elektromagnetische compatibiliteit (8) geharmoniseerde procedures voor de bescherming van apparatuur tegen elektromagnetische storingen bevat en dat daarin de beschermingseisen alsmede de controlemodaliteiten zijn vastgesteld; dat de algemene voorschriften van genoemde richtlijn tevens van toepassing zijn op apparatuur voor satellietgrondstations; dat de voorschriften inzake elektromagnetische compatibiliteit die specifiek betrekking hebben op apparatuur voor satellietgrondstations, onder de onderhavige richtlijn vallen;

9. Overwegende dat Beschikking 87/95/EEG (9) de maatregelen behelst die ter bevordering van de normalisatie in Europa en de uitwerking en toepassing van normen op het gebied van informatietechnologie en telecommunicatie ten uitvoer moeten worden gelegd;

10. Overwegende dat het, met betrekking tot de fundamentele voorschriften en om voor de fabrikanten het bewijs dat aan die voorschriften is voldaan te vergemakkelijken, wenselijk is dat er op Europees niveau geharmoniseerde normen bestaan om het algemeen belang bij het ontwerp en de fabricage van apparatuur voor satellietgrondstations veilig te stellen en controle op de overeenstemming met deze fundamentele voorschriften mogelijk te maken; dat deze, op Europees niveau geharmoniseerde normen door privaatrechtelijke instellingen worden opgesteld en hun niet-bindende karakter dienen te behouden; dat daartoe de Europese Commissie voor normalisatie (CEN), het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie (Cenelec) en het Europees Instituut voor telecommunicatienormen (ETSI) zijn erkend als de bevoegde instellingen voor de vaststelling van de geharmoniseerde normen;

11. Overwegende dat de voorstellen voor gemeenschappelijke technische voorschriften in het algemeen worden opgesteld op basis van geharmoniseerde normen en, met het oog op een passende technische cooerdinatie op een brede Europese basis, van bijkomend overleg, in het bijzonder met het Comité voor de toepassing van telecommunicatievoorschriften (TRAC);

12. Overwegende dat bij Richtlijn 91/263/EEG de volledige onderlinge erkenning van typegoedkeuringen van eindapparatuur voor telecommunicatie is ingevoerd en het Comité voor de goedkeuring van eindapparatuur (ACTE) is ingesteld, dat uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten is samengesteld en door de vertegenwoordiger van de Commissie wordt voorgezeten, ten einde de Commissie bij te staan bij de uitvoering van de uit die richtlijn voortvloeiende taken;

13. Overwegende dat Richtlijn 91/263/EEG niet expliciet van toepassing is op apparatuur voor satellietgrondstations;

14. Overwegende dat het daarom noodzakelijk is de reeds in die richtlijn ten aanzien van eindapparatuur voor telecommunicatie vastgelegde beginselen uit te breiden tot appartuur voor satellietgrondstations;

15. Overwegende dat het toepassingsgebied van deze richtlijn op een algemene definitie van de term "apparatuur voor satellietgrondstations" moet zijn gebaseerd, zodat de technische ontwikkeling van produkten mogelijk blijft; dat speciaal geconstrueerde apparatuur voor satellietgrondstations bedoeld voor gebruik als deel van de infrastructuur van het openbare aardse telecommunicatienet van het toepassingsgebied is uitgesloten; dat de uitsluiting wordt beoogd van onder meer satellietgrondstations voor grootschalige doorgifte van sterk gebundeld telefoonverkeer in het kader van de infrastructuurvoorziening (zoals stations met grote schoteldiameter) en grondstations voor het opsporen en de controle van satellieten;

16. Overwegende dat deze richtlijn geen afbreuk doet aan de bestaande bijzondere of uitsluitende rechten op het vlak van de satellietcommunicatie welke de Lid-Staten overeenkomstig het Gemeenschapsrecht mogen handhaven;

17. Overwegende dat apparatuur voor satellietgrondstations, wat de interface met het in de ruimte gestationeerde systeem betreft, of wel voor verzending van radiocommunicatiesignalen, of wel zowel verzending als ontvangst van radiocommunicatiesignalen, of wel alleen voor ontvangst van radiocommunicatiesignalen is ontworpen;

18. Overwegende dat apparatuur voor satellietgrondstations, wat de grondinterface betreft, of wel bedoeld is voor, of wel niet bedoeld is voor grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet;

19. Overwegende dat banen (zoals de geostationaire baan, lage omloopbanen en elliptische banen) trajecten in de ruimte zijn die worden beschreven door satellieten of andere in de ruimte gestationeerde systemen en beperkte, door de natuur geboden hulpbronnen vormen;

20. Overwegende dat de beschikbare baanruimte gebruikt wordt in combinatie met het radiofrequentiespectrum, dat eveneens een beperkte, door de natuur geboden hulpbron vormt; dat zendende satellietgrondstations gebruik maken van deze beide hulpbronnen;

21. Overwegende dat het doelmatig gebruik van de beschikbare baanruimte in combinatie met het radiofrequentiespectrum en de voorkoming van storende interferentie tussen ruimte- en grondcommunicatiesystemen en andere technische systemen van belang is voor de ontwikkeling van de satellietcommunicatie in Europa; dat de ITU (International Telecommunications Union) criteria vaststelt voor een doelmatig gebruik van de beschikbare baanruimte en voor radiocooerdinatie zodat ruimte- en grondsystemen zonder ongewenste interferentie naast elkaar kunnen bestaan;

22. Overwegende dat harmonisatie van de voorwaarden voor het in de handel brengen van apparatuur voor satellietgrondstations de voorwaarden zal scheppen voor een open gemeenschappelijke markt en tevens zal leiden tot een doelmatig gebruik van de beschikbare baanruimte en van het radiofrequentiespectrum, en de voorkoming van storende interferentie tussen ruimte- en grondcommunicatiesystemen en andere technische systemen zal vergemakkelijken;

23. Overwegende dat ten aanzien van de fundamentele voorschriften met betrekking tot het doelmatige gebruik van de beschikbare baanruimte en van het radiofreqentiespectrum, en met betrekking tot de voorkoming van storende interferentie tussen ruimte- en grondcommunicatiesystemen en andere technische systemen, over het algemeen aan deze voorschriften niet anders kan worden voldaan dan door de toepassing van speciale technische oplossingen; dat gemeenschappelijke technische voorschriften derhalve geboden zijn;

24. Overwegende dat de parameters voor het frequentiegebruik van zenders opgenomen zijn onder de fundamentele voorschriften van artikel 4, onder c) en e), van Richtlijn 91/263/EEG, aangezien de testmethoden en grenswaarden gespecificeerd worden in samenhang met de technische kenmerken van de specifieke apparatuur;

25. Overwegende dat op apparatuur voor satellietgrondstations die gebruikt kan worden voor verzending of voor verzending en ontvangst van radiocommunicatiesignalen naast de bepalingen van deze richtlijn ook vergunningsvoorwaarden van toepassing kunnen zijn;

26. Overwegende dat op apparatuur voor satellietgrondstations die alleen gebruikt kan worden voor het ontvangen van radiocommunicatiesignalen geen vergunningsvoorwaarden van toepassing kunnen zijn doch uitsluitend de bepalingen van deze richtlijn, tenzij deze apparatuur bedoeld is voor grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet, zoals voorgesteld in het Groenboek over satellietcommunicatie in de Europese Gemeenschap; dat het gebruik van dergelijke apparatuur voor satellietgrondstations in overeenstemming moet zijn met de nationale voorschriften die zich met het Gemeenschapsrecht verdragen;

27. Overwegende dat voor Europese fabrikanten een reële vergelijkbare toegang tot de markten van derde landen, in het bijzonder van de Verenigde Staten van Amerika en van Japan, bij voorkeur tot stand moet worden gebracht via multilaterale onderhandelingen in GATT-verband, hoewel ook bilaterale besprekingen tussen de Gemeenschap en derde landen hiertoe kunnen bijdragen;

28. Overwegende dat de vertegenwoordigers van de telecommunicatieorganisaties, van de gebruikers, van de consumenten, van de fabrikanten, van de dienstaanbieders alsmede van de vakbonden het recht moeten hebben geraadpleegd te worden;

29. Overwegende dat degenen tot wie een in het kader van deze richtlijn genomen besluit is gericht, in kennis moeten worden gesteld van de redenen voor dat besluit en van de hun ter beschikking staande rechtsmiddelen;

30. Overwegende dat overgangsregelingen nodig zijn om de fabrikanten tijd te geven het ontwerp en de produktie van apparatuur voor satellietgrondstations aan te passen aan de gemeenschappelijke technische voorschriften; dat de overgangsregelingen per geval moeten worden uitgewerkt met het oog op de nodige flexibiliteit; dat de nodige overgangsregelingen in de gemeenschappelijke technische voorschriften moeten worden opgenomen;

31. Overwegende dat ACTE een belangrijke rol bij de toepassing van deze richtlijn heeft te vervullen; dat ACTE nauw dient samen te werken met de relevante comités die bevoegd zijn voor de vergunningsprocedures voor satellietnetwerken en satellietdiensten,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Toepassingsgebied, in de handel brengen en vrij verkeer

Artikel 1

1. Deze richtlijn is van toepassing op apparatuur voor satellietgrondstations als omschreven in lid 2.

2. Voor de toepassing van deze richtlijn:

- gelden de begripsomschrijvingen van Richtlijn 91/263/EEG, waar van toepassing;

- wordt verstaan onder "apparatuur voor satellietgrondstations", apparatuur die gebruikt kan worden of wel uitsluitend voor het zenden, of wel voor het zenden en het ontvangen ( "zenders/ontvangers") of uitsluitend voor het ontvangen ( "ontvangers"), van radiocommunicatiesignalen door middel van satellieten of andere in de ruimte gestationeerde systemen, doch met uitsluiting van speciaal geconstrueerde apparatuur voor satellietgrondstations die bedoeld is voor gebruik als onderdeel van het openbare telecommunicatienet van een Lid-Staat;

- wordt verstaan onder "grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet", elke aansluiting op het openbare telecommunicatienet die geen ruimtesegment omvat.

3. De fabrikant of leverancier van apparatuur voor satellietgrondstations geeft aan of de apparatuur of wel bedoeld is voor, of wel niet bedoeld is voor grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet.

Artikel 2

1. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat ontvangapparatuur voor satellietcommunicatie die niet bedoeld is voor grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet, slechts overeenkomstig met de voorschriften van het Gemeenschapsrecht conforme nationale wettelijke voorschriften op hun grondgebied in de handel gebracht en in bedrijf gesteld kan worden, indien deze apparatuur aan de voorschriften van deze richtlijn voldoet wanneer zij op de juiste wijze wordt geïnstalleerd en onderhouden en overeenkomstig haar bestemming wordt gebruikt.

Dit gebruik moet in overeenstemming zijn met de nationale voorschriften die zich met het Gemeenschapsrecht verdragen en die het gebruik beperken tot de ontvangst van diensten die voor de betrokken gebruiker zijn bestemd.

2. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat andere apparatuur voor satellietgrondstations alleen in de handel kan worden gebracht indien die apparatuur aan de voorschriften van deze richtlijn voldoet wanneer zij op de juiste wijze wordt geïnstalleerd en onderhouden en overeenkomstig haar bestemming wordt gebruikt. Het gebruik van deze apparatuur kan onderworpen zijn aan met het Gemeenschapsrecht conforme vergunningsvoorwaarden.

3. De Lid-Staten nemen tevens de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat apparatuur voor satellietgrondstations die niet bedoeld is voor grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet, niet op het openbare telecommunicatienet wordt aangesloten.

4. De Lid-Staten nemen tevens de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat apparatuur voor satellietgrondstations die niet bedoeld is voor grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet, van het openbare telecommunicatienet wordt losgekoppeld.

Voorts nemen de Lid-Staten overeenkomstig hun nationale recht de nodige maatregelen om te voorkomen dat dergelijke apparatuur via een grondaansluiting met het openbare telecommunicatienet wordt verbonden.

Artikel 3

De Lid-Staten mogen het vrije verkeer en het in de handel brengen van apparatuur voor satellietgrondstations die aan de bepalingen van deze richtlijn voldoet, niet belemmeren.

Artikel 4

1. Apparatuur voor satellietgrondstations moet aan dezelfde fundamentele voorschriften voldoen als vermeld in artikel 4 van Richtlijn 91/263/EEG.

2. Voor de toepassing van deze richtlijn, evenals van Richtlijn 91/263/EEG, omvatten de fundamentele voorschriften van artikel 4, onder a), van Richtlijn 91/263/EEG de veiligheid van personen overeenkomstig Richtlijn 73/23/EEG.

3. Ten aanzien van zend- of zend/ontvangapparatuur voor satellietgrondstations is in het fundamentele voorschrift van artikel 4, onder e), van Richtlijn 91/263/EEG betreffende het doelmatig gebruik van het radiofrequentiespectrum, tevens begrepen het doelmatig gebruik van de beschikbare baanruimte en de voorkoming van storende interferentie tussen in de ruimte gestationeerde en grondcommunicatiesystemen en andere technische systemen.

4. Ten aanzien van apparatuur voor satellietgrondstations geldt voor de elektromagnetische compatibiliteitsvoorschriften, voor zover deze voor genoemde apparatuur relevant zijn, het fundamentele voorschrift van artikel 4, onder c), van Richtlijn 91/263/EEG.

5. Apparatuur voor satellietgrondstations moet voldoen aan het fundamentele voorschrift van artikel 4, onder f), van Richtlijn 91/263/EEG voor wat betreft de interactie van apparatuur voor satellietgrondstations met het openbare telecommunicatienet.

6. Apparatuur voor satellietgrondstations moet voldoen aan het fundamentele voorschrift van artikel 4, onder g), van Richtlijn 91/263/EEG voor wat betreft de interactie van apparatuur voor satellietgrondstations via het openbare telecommunicatienet in gerechtvaardigde gevallen.

De gevallen waarin de apparatuur voor satellietgrondstations geschikt en bedoeld is voor ondersteuning van een dienst ten aanzien waarvan de Raad besloten heeft dat deze in de gehele Gemeenschap beschikbaar moet zijn, worden beschouwd als gerechtvaardigde gevallen en de voorschriften inzake deze interactie worden bepaald volgens de procedure van artikel 16 van deze richtlijn.

7. Niettegenstaande de leden 1, 5 en 6 van dit artikel, behoeft apparatuur voor satellietgrondstations die niet bedoeld is voor aansluiting op het openbare telecommunicatienet, niet te voldoen aan de fundamentele voorschriften van artikel 4, onder b), d), f) en g), van Richtlijn 91/263/EEG.

Artikel 5

1. De Lid-Staten gaan ervan uit dat apparatuur voor satellietgrondstations voldoet aan de fundamentele voorschriften van artikel 4, onder a) en b), van Richtlijn 91/263/EEG, indien zij in overeenstemming is met de nationale normen waarin de desbetreffende geharmoniseerde normen waarvan de referenties in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen zijn bekendgemaakt, zijn omgezet. De Lid-Staten maken de referenties van deze nationale normen bekend.

2. De Commissie neemt volgens de procedure van artikel 16 van deze richtlijn aan:

- in een eerste fase, de bepaling waarbij omschreven wordt voor welk type apparatuur voor satellietgrondstations gemeenschappelijke technische voorschriften vereist zijn, alsmede de daarmee samenhangende verklaring betreffende de draagwijdte van deze voorschriften, ten einde deze aan de desbetreffende normalisatie-instanties toe te zenden;

- in een tweede fase, wanneer zij zijn opgesteld door de relevante normalisatie-instanties, de overeenkomstige geharmoniseerde normen, of delen daarvan, ter uitvoering van de in artikel 4, leden 2 tot en met 5, bedoelde fundamentele voorschriften, die worden omgezet in bindende gemeenschappelijke technische voorschriften en waarvan de referenties in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen worden bekendgemaakt.

Artikel 6

Wanneer een Lid-Staat of de Commissie van mening is dat de in artikel 5 van deze richtlijn bedoelde geharmoniseerde normen verder gaan dan of niet geheel voldoen aan de desbetreffende fundamentele voorschriften van artikel 4 van deze richtlijn, zijn dezelfde onderzoek- en kennisgevingsprocedures van toepassing als bepaald in artikel 7 van Richtlijn 91/263/EEG.

Artikel 7

1. Wanneer een Lid-Staat vaststelt dat apparatuur voor satellietgrondstations die is voorzien van de markering bepaald in hoofdstuk III en die overeenkomstig de door de fabrikant beoogde bestemming wordt gebruikt, niet aan de desbetreffende fundamentele voorschriften voldoet, gelden dezelfde maatregelen, kennisgevings- en raadplegingsprocedures als bepaald in artikel 8, leden 1, 2 en 4, van Richtlijn 91/263/EEG.

2. Wanneer apparatuur voor satellietgrondstations die niet met de betrokken fundamentele voorschriften in overeenstemming is, van de markering "CE" is voorzien, neemt de bevoegde Lid-Staat tegen degene die de markering heeft aangebracht de vereiste maatregelen. Dezelfde kennisgevingsprocedures gelden als bepaald in artikel 8, leden 3 en 4, van Richtlijn 91/263/EEG.

HOOFDSTUK II

Conformiteitsbeoordeling

Aritkel 8 1. Alle zend- of zend/ontvangapparatuur voor satellietgrondstations wordt naar keuze van de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde onderworpen aan alle bepalingen van artikel 9, leden 1 en 2, van Richtlijn 91/263/EEG betreffende de conformiteitsbeoordeling.

2. Ten aanzien van de taalvoorschriften zijn dezelfde procedures van toepassing als bepaald in artikel 9, lid 3, van Richtlijn 91/263/EEG.

3. Artikel 10, lid 5, van Richtlijn 89/336/EEG is niet van toepassing op apparatuur die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn of het toepassingsgebied van Richtlijn 91/263/EEG valt.

Artikel 9

Ontvangapparatuur voor satellietgrondstations die bedoeld is voor grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet is, wat de grondinterface betreft, onderworpen aan de bepalingen van artikel 8, lid 1, betreffende de conformiteitsbeoordeling en, wat de overige aspecten betreft, onderworpen aan hetzij de bepalingen van artikel 8, lid 1, hetzij de interne EG-fabricagecontrole als beschreven in de bijlage, voor wat de voorschriften van deze richtlijn betreft.

Artikel 10

Ontvangapparatuur voor satellietgrondstations die niet bedoeld is voor grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet is onderworpen aan hetzij de bepalingen van artikel 8, lid 1, hetzij de interne EG-fabricagecontrole als beschreven in de bijlage, voor wat de voorschriften van deze richtlijn betreft.

Artikel 11

Naast de bepalingen van de artikelen 8, 9 en 10 van deze richtlijn gaat apparatuur voor satellietgrondstations die niet bedoeld is voor grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet, vergezeld van een verklaring van de fabrikant of leverancier, die wordt opgesteld en toegezonden volgens dezelfde procedures als bepaald in artikel 2 en bijlage VIII van Richtlijn 91/263/EEG, met dien verstande dat in de verklaring verwezen wordt naar deze richtlijn in plaats van naar Richtlijn 91/263/EEG.

Artikel 12

Voor apparatuur voor satellietgrondstations zijn ten aanzien van aangemelde instanties en beproevingslaboratoria dezelfde procedures van toepassing als bepaald in artikel 10 en bijlage V van Richtlijn 91/263/EEG.

HOOFDSTUK III

EG-markering van overeenstemming en vermeldingen

Artikel 13

1. Het merken van met deze richtlijn conforme apparatuur voor satellietgrondstations behelst het aanbrengen van de EG-markering, in de vorm van de initialen "CE", gevolgd door het identificatiesymbool van de verantwoordelijke aangemelde instantie en, indien van toepassing, een symbool dat aangeeft dat de apparatuur bedoeld is en geschikt is om via grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet te worden aangesloten. De initialen "CE" en deze twee andere symbolen zijn gelijk aan die welke zijn beschreven in bijlage VI van Richtlijn 91/263/EEG.

2. Het aanbrengen van merktekens die kunnen worden verward met de in lid 1 bedoelde EG-markering is verboden.

3. Op apparatuur voor satellietgrondstations wordt, ter identificatie, door de fabrikant een type-, partij- en/of serienummer aangebracht alsmede de naam van de fabrikant en/of de leverancier die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van de apparatuur.

4. Onverminderd lid 1 wordt ontvangapparatuur voor satellietgrondstations die niet bedoeld is voor grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet en die, wat de voorschriften van de onderhavige richtlijn betreft, is onderworpen aan de procedure van de interne EG-fabricagecontrole van de bijlage, gemarkeerd met de uit de initialen "CE" bestaande EG-markering.

Artikel 14

Indien wordt vastgesteld dat de in artikel 13, lid 1, van deze richtlijn bedoelde markering is aangebracht op apparatuur voor satellietgrondstations die:

- niet met een goedgekeurd type overeenstemt of

- overeenstemt met een goedgekeurd type dat niet aan de daarvoor geldende fundamentele voorschriften voldoet,

of indien de fabrikant niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen in het kader van de desbetreffende EG-verklaring van overeenstemming, zijn dezelfde procedures van toepassing als bepaald in artikel 12 van Richtlijn 91/263/EEG.

HOOFDSTUK IV

Comité

Artikel 15

1. De Commissie wordt bij de uitvoering van deze richtlijn op de hierna beschreven wijze bijgestaan door het krachtens artikel 13, lid 1, van Richtlijn 91/263/EEG ingestelde Comité voor de goedkeuring van eindapparatuur (hierna te noemen "het Comité").

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt binnen een termijn die de voorzitter kan vastellen al naar gelang van de urgentie van de materie, advies uit over dit ontwerp, zo nodig door middel van een stemming.

Het advies wordt in de notulen opgenomen; voorts heeft iedere Lid-Staat het recht te verzoeken dat zijn standpunt in de notulen wordt opgenomen.

De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het door het Comité uitgebrachte advies. Zij brengt het Comité op de hoogte van de wijze waarop zij rekening heeft gehouden met zijn advies.

3. De Commissie raadpleegt op gezette tijden de vertegenwoordigers van de telecommunicatieorganisaties, van de gebruikers, van de consumenten, van de fabrikanten, van de dienstaanbieders alsmede van de vakbonden en deelt het Comité het resultaat van deze raadpleging mede opdat met dit resultaat naar behoren rekening wordt gehouden.

Artikel 16

1. Niettegenstaande artikel 15, leden 1 en 2, is de in de volgende leden bepaalde procedure van toepassing voor aangelegenheden die onder artikel 4, lid 6, en artikel 5, lid 2, vallen.

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen als bedoeld in artikel 4, lid 6, en artikel 5, lid 2. Het Comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen al naar gelang van de urgentie van de materie. Het Comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij de stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

3. De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité.

4. Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. Indien de Raad drie maanden na de indiening van het voorstel bij de Raad geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld.

HOOFDSTUK V

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 17

1. De Commissie brengt verslag uit over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn op hetzelfde tijdstip en op dezelfde wijze als bepaald in artikel 15 van Richtlijn 91/263/EEG.

2. Bij de indiening van de in artikel 5, lid 2, bedoelde ontwerp-maatregelen betreffende gemeenschappelijke technische voorschriften zorgt de Commissie ervoor dat er in voorkomend geval overgangsregelingen in de ontwerp-maatregelen zijn opgenomen.

Artikel 18

1. De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen om uiterlijk op 1 mei 1995 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

2. De Lid-Staten delen de Commissie de voornaamste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 19

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 29 oktober 1993.

Voor de Raad

De Voorzitter

R. URBAIN

(1) PB nr. C 4 van 8. 1. 1993, blz. 3.

(2) PB nr. C 176 van 28. 6. 1993, blz. 74, en

besluit van 27 oktober 1993 (nog niet verschenen in het Publikatieblad).

(3) PB nr. C 161 van 14. 6. 1993, blz. 11.

(4) PB nr. C 8 van 14. 1. 1992, blz. 1.

(5) PB nr. L 128 van 23. 5. 1991, blz. 1.

(6) PB nr. L 77 van 26. 3. 1973, blz. 29.

(7) PB nr. L 109 van 26. 4. 1983, blz. 8. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/400/EEG (PB nr. L 221 van 6. 8. 1992, blz. 55).

(8) PB nr. L 139 van 23. 5. 1989, blz. 19. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/31/EEG (PB nr. L 126 van 12. 5. 1992, blz. 11).

(9) PB nr. L 36 van 7. 2. 1987, blz. 31.

BIJLAGE

Procedure van de interne EG-fabricagecontrole 1. In deze bijlage wordt de procedure beschreven waarbij de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde, die de in punt 2 bedoelde verplichtingen uitvoert, garandeert en verklaart dat de betrokken produkten voldoen aan de voorschriften van de richtlijn die op die produkten van toepassing zijn.

De fabrikant brengt op ieder produkt de EG-markering aan en stelt een schriftelijke verklaring van overeenstemming op.

2. De fabrikant stelt de in punt 3 omschreven technische documentatie op en hij of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde houdt deze gedurende ten minste tien jaar na de vervaardiging van het laatste produkt voor inspectiedoeleinden ter beschikking van de betrokken nationale instanties.

Indien noch de fabrikant noch zijn gemachtigde in de Gemeenschap is gevestigd, is de persoon die het produkt in de Gemeenschap in de handel brengt, degene die de technische documentatie ter beschikking moet houden.

3. Op basis van de technische documentatie moet beoordeeld kunnen worden of het produkt in overeenstemming is met de voorschriften van de richtlijn die op dat produkt van toepassing zijn. Voor zover dit nodig is voor de beoordeling, dient de technische documentatie te omvatten:

- een algemene beschrijving van het produkt;

- ontwerp- en fabricagetekeningen alsmede lijsten van onderdelen, deelsystemen, circuits, enz.;

- beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn voor het begrijpen van genoemde tekeningen en lijsten en van de werking van het produkt;

- een lijst van de geheel of voor zover relevant toegepaste normen als bedoeld in artikel 5, of bij ontstentenis van dergelijke normen het technische constructiedossier en een beschrijving van de oplossingen die zijn gekozen om te voldoen aan de op de produkten toepasselijke voorschriften van deze richtlijn;

- de resultaten van berekeningen, onderzoeken, enz.;

- beproevingsrapporten.

4. De fabrikant of zijn gemachtigde bewaart een afschrift van de verklaring van overeenstemming met de technische documentatie.

5. De fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricageproces waarborgt dat de vervaardigde produkten in overeenstemming zijn met de in punt 2 bedoelde technische documentatie en met de voorschriften van de richtlijn die op die produkten van toepassing zijn.

Top