EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31993R1722

Verordening (EEG) nr. 1722/93 van de Commissie van 30 juni 1993 tot vaststelling van de toepassingsbepalingen van de Verordeningen (EEG) nr. 1766/92 en (EEG) nr. 1418/76 van de Raad wat de regelingen inzake de produktierestituties in de sector granen respectievelijk rijst betreft

OJ L 159, 1.7.1993, p. 112–122 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 03 Volume 050 P. 151 - 161
Special edition in Swedish: Chapter 03 Volume 050 P. 151 - 161
Special edition in Czech: Chapter 03 Volume 014 P. 267 - 277
Special edition in Estonian: Chapter 03 Volume 014 P. 267 - 277
Special edition in Latvian: Chapter 03 Volume 014 P. 267 - 277
Special edition in Lithuanian: Chapter 03 Volume 014 P. 267 - 277
Special edition in Hungarian Chapter 03 Volume 014 P. 267 - 277
Special edition in Maltese: Chapter 03 Volume 014 P. 267 - 277
Special edition in Polish: Chapter 03 Volume 014 P. 267 - 277
Special edition in Slovak: Chapter 03 Volume 014 P. 267 - 277
Special edition in Slovene: Chapter 03 Volume 014 P. 267 - 277
Special edition in Bulgarian: Chapter 03 Volume 013 P. 17 - 27
Special edition in Romanian: Chapter 03 Volume 013 P. 17 - 27

No longer in force, Date of end of validity: 30/06/2008; opgeheven door 32008R0491 . Latest consolidated version: 01/01/2007

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1993/1722/oj

31993R1722

Verordening (EEG) nr. 1722/93 van de Commissie van 30 juni 1993 tot vaststelling van de toepassingsbepalingen van de Verordeningen (EEG) nr. 1766/92 en (EEG) nr. 1418/76 van de Raad wat de regelingen inzake de produktierestituties in de sector granen respectievelijk rijst betreft

Publicatieblad Nr. L 159 van 01/07/1993 blz. 0112 - 0122
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 50 blz. 0151
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 50 blz. 0151


VERORDENING (EEG) Nr. 1722/93 VAN DE COMMISSIE van 30 juni 1993 tot vaststelling van de toepassingsbepalingen van de Verordeningen (EEG) nr. 1766/92 en (EEG) nr. 1418/76 van de Raad wat de regelingen inzake de produktierestituties in de sector granen respectievelijk rijst betreft

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad van 30 juni 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (1), en met name op artikel 7,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 1418/76 van de Raad van 21 juni 1976 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (2), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1544/93 (3), en met name op artikel 9,

Overwegende dat, gezien de bijzondere situatie op de markt voor zet- en aardappelmeel en met name de noodzaak om concurrerende prijzen te handhaven ten opzichte van in derde landen geproduceert zet- en aardappelmeel dat wordt ingevoerd in de vorm van goederen tegen de invoer waarvan de communautaire produkten niet voldoende door de invoerregeling worden beschermd, op grond van de Verordeningen (EEG) nr. 1766/92 en (EEG) nr. 1418/76 een produktierestitutie wordt toegekend zodat de betrokken verwerkende industrie zet- en aardappelmeel en sommige afgeleide produkten tegen lagere prijzen kan aanschaffen dan het geval zou zijn bij toepassing van de regels van de gemeenschappelijke marktordening voor de betrokken produkten;

Overwegende dat op grond van artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 1766/92 en artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 1418/76 nadere voorschriften inzake de toekenning van de produktierestituties, waaronder ook die met betrekking tot controle en betaling, dienen te worden vastgesteld, zodat in alle Lid-Staten dezelfde voorschriften worden toegepast;

Overwegende dat op grond van die verordeningen een lijst moet worden opgesteld van goederen waarvoor de restitutie wordt toegekend voor het bij de vervaardiging ervan gebruikte zet- en aardappelmeel; dat deze lijst aan de hand van bepaalde criteria moet kunnen worden gewijzigd;

Overwegende dat met het oog op doeltreffender controlemaatregelen dient te worden bepaald dat de begunstigden van de restitutie door de Lid-Staat op het grondgebied waarvan bovenbedoelde goederen worden vervaardigd, vooraf moeten worden erkend;

Overwegende dat de wijze van berekening en de frequentie van vaststelling van de produktierestitutie dienen te worden bepaald; dat de thans meest bevredigende berekeningswijze die is welke is gebaseerd op het verschil tussen de interventieprijs voor maïs en de prijs die als grondslag dient voor de berekening van de invoerheffing voor maïs; dat, met het oog op stabiliteit, de produktierestitutie in de regel elke maand dient te worden vastgesteld; dat om te controleren of de hoogte van de produktierestitutie adequaat is, de ontwikkeling van de prijzen van maïs en tarwe op de wereldmarkt en op de markt van de Gemeenschap dienen te worden gevolgd;

Overwegende dat de produktierestitutie voor het gebruik van zet- of aardappelmeel en van sommige daarvan afgeleide produkten die in bepaalde goederen zijn verwerkt, moeten worden uitgekeerd; dat gedetailleerde gegevens vereist zijn om zowel een passende controle op de produktierestituties als de betaling ervan aan de aanvragers te vergemakkelijken; dat de bevoegde autoriteiten van de betrokken Lid-Staat behoren te worden gemachtigd om van de aanvragers te eisen dat zij hun, met het oog op deze controles, alle gegevens ter beschikking stellen en hun toestaan alle nodige verificaties of inspecties te verrichten;

Overwegende dat de fabrikant van het produkt geen basiszet- of -aardappelmeel kan gebruiken; dat derhalve een lijst dient te worden opgesteld van de zet- of aardappelmeelderivaten bij gebruik waarvan de fabrikanten voor de produktierestitutie in aanmerking komen;

Overwegende dat de oorsprong van de grondstof van het zet- of aardappelmeel dat voor de vervaardiging van voor de produktierestitutie in aanmerking komende produkten wordt gebruikt, dient te worden gepreciseerd;

Overwegende dat er voor veresterd of veretherd zetmeel vanwege de bijzondere aard van dit produkt een zekere speculatieve verwerking kan gebeuren om voor eenzelfde produkt meer dan eenmaal voor de restitutie in aanmerking te komen; dat, om deze speculatie te voorkomen, maatregelen dienen te worden vastgesteld waarmee kan worden gewaarborgd dat veresterd of veretherd zetmeel niet meer opnieuw wordt verwerkt tot een grondstof voor het gebruik waarvan een restitutie kan worden gevraagd;

Overwegende dat de produktierestitutie niet mag worden betaald alvorens de verwerking is geschied; dat, indien de verwerking wel is geschied, de betaling evenwel zou moeten gebeuren binnen vijf maanden na de datum waarop de bevoegde autoriteit de kennisgeving van de verwerking van het zet- of het aardappelmeel heeft ontvangen; dat de fabrikant evenwel een voorschot dient te kunnen verkrijgen voordat de controles zijn beëindigd;

Overwegende dat de landbouwomrekeningskoers, in nationale valuta, van de restitutie dient te worden bepaald, zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid van vaststelling vooraf overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 13 tot en met 17 van Verordening (EEG) nr. 1068/93 van de Commissie (4);

Overwegende dat Verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwprodukten (5), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3745/89 (6), van toepassing is op de bij deze verordening vervatte regeling; dat derhalve de primaire eisen dienen te worden vastgesteld inzake de verplichtingen waaraan de fabrikanten moeten voldoen en waarvan naleving met een zekerheid wordt gewaarborgd;

Overwegende dat in de onderhavige verordening de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2169/86 van de Commissie (7), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1398/91 (8), zijn overgenomen, waarbij deze aan de huidige marktsituatie zijn aangepast; dat Verordening (EEG) nr. 2169/86 derhalve dient te worden ingetrokken;

Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Een produktierestitutie, hierna "restitutie" genoemd, kan worden toegekend aan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die uit tarwe, maïs, rijst of breukrijst verkregen zetmeel, aardappelmeel of sommige derivaten van zet- of aardappelmeel voor de vervaardiging van in de lijst in bijlage I vermelde goederen gebruikt.

2. De in lid 1 bedoelde lijst kan worden gewijzigd naargelang van de door de regelingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het gemeenschappelijk douanetarief of andere regelingen geboden concurrentiemogelijkheden ten opzichte van derde landen en de mate van bescherming tegen de concurrentie van die landen.

3. Bij het nemen van een besluit over de toekenning van een restitutie worden ook andere elementen in aanmerking genomen, met name:

- de ontwikkeling van de techniek wat de fabricage en het gebruik van aardappelmeel en zetmeel betreft,

- de in het eindprodukt verwerkte hoeveelheid aardappelmeel of zetmeel en/of de relatieve waarde van het aardappelmeel of zetmeel in het eindprodukt en/of het belang van het produkt voor de afzet van zet- en aardappelmeel, in het licht van de concurrentie met andere produkten.

4. De eventuele toekenning van een produktierestitutie voor een produkt mag niet tot concurrentiedistorsies ten opzichte van andere, niet voor deze restitutie in aanmerking komende produkten leiden.

5. Als concurrentiedistorsie tengevolge van de toekenning van een restitutie wordt geconstateerd, wordt deze restitutie of wel afgeschaft of wel gewijzigd in de mate die nodig is om de concurrentiedistorie weg te nemen.

6. Het in de Gemeenschap, in het raam van een invoerregeling die tot een vermindering van de heffing leidt, ingevoerde zet- en aardappelmeel mag geen produktierestitutie meebrengen.

7. De besluiten op grond van dit artikel worden door de Commissie vastgesteld overeenkomstig de procedure van, respectievelijk, artikel 23 van Verordening (EEG) nr. 1766/92 en artikel 27 van Verordening (EEG) nr. 1418/76.

Artikel 2

In deze verordening wordt verstaan onder:

- "zet- of aardappelmeel", basiszetmeel of -aardappelmeel of een in de bijlage genoemd zet- of aardappelmeelderivaat,

- "goedgekeurde produkten", alle produkten van de lijst in bijlage I;

- "de fabrikant", de gebruiker van zet- of aardappelmeel met het oog op de vervaardiging van goedgekeurde produkten.

Artikel 3

1. Wanneer een restitutie wordt toegekend, wordt zij eenmaal per maand vastgesteld.

2. De restitutie, per ton zet- of aardappelmeel, wordt berekend op basis van het verschil tussen

i) de gedurende de betrokken maand geldende interventieprijs voor granen, waarbij rekening wordt gehouden met de voor de marktprijzen voor maïs vastgestelde verschillen, en

ii) het gemiddelde van de voor de berekening van de invoerheffing op maïs gehanteerde cif-prijzen tijdens de eerste 25 dagen van de aan de maand van toepassing voorafgaande maand, vermenigvuldigd met coëfficiënt 1,60.

3. Wanneer de marktprijzen voor maïs en/of tarwe in de Gemeenschap of op de wereldmarkt tijdens de in lid 1 bedoelde periode een significante verandering te zien geven, kan de overeenkomstig lid 2 berekende restitutie worden gewijzigd ten einde met deze verandering rekening te houden.

4. De te betalen restitutie is de overeenkomstig lid 2 berekende en, in voorkomend geval, overeenkomstig lid 3 gewijzigde restitutie, vermenigvuldigd met de coëfficiënt die in bijlage II is vermeld voor de GN-code van het voor de vervaardiging van het betrokken goedgekeurd produkt gebruikt zet- of aardappelmeel.

5. De overeenkomstig de leden 1 tot en met 4 vastgestelde restitutie wordt in voorkomend geval gecorrigeerd met het voor het betrokken zetmeel en voor het aardappelmeel geldende compenserende bedrag toetreding.

6. De besluiten op grond van dit artikel worden door de Commissie vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 23 van, respectievelijk, Verordening (EEG) nr. 1766/92 en artikel 27 van Verordening (EEG) nr. 1418/76.

Artikel 4

1. Fabrikanten die voornemens zijn restituties aan te vragen, dienen zich daarvoor te richten tot de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waar het zet- of het aardappelmeel zal worden gebruikt, waarbij de volgende gegevens dienen te worden verstrekt:

a) naam en adres van de fabrikant,

b) het uit zet- of aardappelmeel verkregen produktengamma, waaronder zowel de op de lijst in bijlage I vermelde produkten als die welke niet daarop voorkomen, met een volledige omschrijving en de GN-codes,

c) het adres van de plaats(en) waar het zet- of het aardappelmeel tot een goedgekeurd produkt zal worden verwerkt, wanneer dit adres van dat onder a) verschilt.

De Lid-Staten kunnen de fabrikant om aanvullende inlichtingen verzoeken.

2. De fabrikanten dienen bij de bevoegde autoriteit een schriftelijke verbintenis in waarin zij de bevoegde autoriteiten toestaan alle controles op het gebruik van het zet- of het aardappelmeel uit te oefenen en verklaren dat zij alle vereiste inlichtingen zullen verstrekken.

3. De bevoegde autoriteit neemt maatregelen om zich ervan te vergewissen dat de fabrikant een in de Lid-Staat gevestigde en officieel erkende onderneming is.

4. Aan de hand van de in de leden 1 en 2 bedoelde gegevens stelt de bevoegde autoriteit een lijst van erkende fabrikanten op, die regelmatig wordt bijgewerkt. Slechts erkende fabrikanten kunnen overeenkomstig artikel 5 een restitutie-aanvraag indienen.

Artikel 5

1. Indien een fabrikant een restitutie wenst aan te vragen, moet bij schriftelijk bij de voor hem bevoegde autoriteit een restitutiecertificaat aanvragen.

2. In de aanvraag dienen te worden vermeld:

a) naam en adres van de fabrikant,

b) de hoeveelheid te gebruiken zet- of aardappelmeel,

c) in geval van vervaardiging van een produkt van GN-code 3503 10 50: de hoeveelheid zet- of aardappelmeel die zal worden gebruikt,

d) de plaats(en) waar het zet- of het aardappelmeel zal worden gebruikt,

e) de voor de verwerkingsverrichtingen geplande data.

3. De aanvraag moeten vergezeld gaan van:

- een zekerheidstelling overeenkomstig artikel 8;

- een verklaring van de leverancier van het zet- of het aardappelmeel waarin wordt bevestigd dat het te gebruiken produkt overeenkomstig voetnoot 4 van bijlage II is verkregen.

4. De Lid-Staten kunnen aanvullende inlichtingen verlangen.

Artikel 6

1. Nadat zij de overeenkomstig artikel 5 ingediende aanvraag onverwijld na de ontvangst heeft geverifieerd, geeft de bevoegde autoriteit meteen het restitutiecertificaat af.

2. De Lid-Staten gebruiken nationale formulieren voor het restitutiecertificaat, dat, onverminderd de bepalingen elders in de communautaire wetgeving, ten minste de in lid 3 bedoelde gegevens moet bevatten.

3. Het restitutiecertificaat bevat de in artikel 5, lid 2, bedoeld gegevens en bovendien het bedrag van de restitutie en de datum waarop de geldigheid van het certificaat afloopt, namelijk op de laatste dag van de vijfde maand volgende op die van de certificaatafgifte.

In de maanden juli en augustus van de verkoopseizoenen 1993/1994, 1994/1995 en 1995/1996 loopt de geldigheidsduur van de certificaten evenwel af op de laatste dag van de maand waarin het certificaat is afgegeven.

4. Het te betalen, op het certificaat te vermelden restitutiebedrag is het op de dag van ontvangst van de aanvraag geldende bedrag.

Wanneer echter een deel van de op het certificaat vermelde hoeveelheid zet- of aardappelmeel wordt verwerkt in het verkoopseizoen voor granen na dat waarin de aanvraag is ontvangen, wordt de restitutie voor het zet- of het aardappelmeel dat in het nieuwe verkoopseizoen wordt verwerkt, aangepast op basis van het met coëfficiënt 1,60 vermenigvuldigde verschil tussen de voor de berekening van de restitutie gebruikte interventieprijs als bedoeld in artikel 3, lid 2, en de in de maand van verwerking geldende interventieprijs.

De restitutie wordt aan de hand van de koers die geldt op de dag waarop het zet- of het aardappelmeel wordt verwerkt, in nationale valuta omgerekend.

Artikel 7

1. Fabrikanten die in het bezit zijn van een overeenkomstig artikel 6 afgegeven restitutiecertificaat kunnen, voor zover aan alle in deze verordening vastgestelde eisen is voldaan, om betaling van de in het certificaat vermelde restitutie verzoeken nadat het zet- of het aardappelmeel tot de betrokken goedgekeurde produkten is verwerkt.

2. De uit het certificaat voortvloeiende rechten zijn niet overdraagbaar.

Artikel 8

1. Het certificaat wordt afgegeven op voorwaarde dat de fabrikant bij de bevoegde autoriteit een zekerheid stelt van 15 ecu per ton basiszetmeel of -aardappelmeel, in voorkomend geval vermenigvuldigd met de in bijlage II vermelde coëfficiënt voor de te gebruiken soort zet- of aardappelmeel.

2. De zekerheid wordt overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2220/85 vrijgegeven. Als primaire eis in de zin van artikel 20 van genoemde verordening geldt de verwerking, binnen de geldigheidsduur van het certificaat, van de in de aanvraag vermelde hoeveelheid zet- of aardappelmeel tot goedgekeurde produkten. Wanneer een fabrikant evenwel ten minste 90 % van de in de aanvraag vermelde hoeveelheid zet- of aardappelmeel heeft verwerkt, wordt aangenomen dat hij aan de bovenbedoelde primaire eis heeft voldaan.

Artikel 9

1. De restitutie mag eerst definitief worden betaald nadat de fabrikant aan de bevoegde autoriteit de volgende gegevens heeft meegedeeld:

a) de datum, respectievelijk data van aankoop en levering van het zet- of het aardappelmeel;

b) de naam en het adres van de leveranciers van het zet- of het aardappelmeel;

c) de naam en het adres van de producent van het zet- of het aardappelmeel;

d) de datum, respectievelijk data waarop het zet- of het aardappelmeel is verwerkt;

e) de hoeveelheid en de soort van het gebruikte zetmeel of aardappelmeel, met de GN-codes;

f) de uit het zet- of het aardappelmeel vervaardigde hoeveelheid van het goedgekeurde produkt dat op het certificaat is vermeld.

2. Valt het in het certificaat vermelde produkt onder GN-code 3505 10 50, dan moet bij indiening van de in lid 1 bedoelde mededeling een zekerheid worden gesteld die gelijk is aan de restitutie voor de vervaardiging van het betrokken produkt.

3. Alvorens te betalen, vergewist de bevoegde autoriteit zich ervan dat het zet- of het aardappelmeel voor de vervaardiging van de goedgekeurde produkten is gebruikt overeenkomstig de in het certificaat vermelde gegevens. Normaal moeten daartoe administratieve controles worden verricht, indien nodig aangevuld met fysieke controles.

4. De bij deze verordening voorgeschreven controles moeten volledig zijn uitgevoerd binnen vijf maanden na de datum waarop de bevoegde autoriteit de in lid 1 bedoelde inlichtingen heeft ontvangen.

5. Wanneer de verwerkte hoeveelheid zet- of aardappelmeel groter is dan de in het restitutiecertificaat vermelde hoeveelheid, wordt deze extra hoeveelheid, tot maximaal 5 % van de in het certificaat vermelde hoeveelheid, geacht op basis van dit document te zijn verwerkt en geeft zij recht op toekenning van de in het certificaat vermelde restitutie.

Artikel 10

1. De in artikel 9, lid 2, bedoelde zekerheid wordt pas vrijgegeven nadat ten genoegen van de bevoegde autoriteit is aangetoond dat het produkt van GN-code 3505 10 50

a) is gebruikt voor de vervaardiging, binnen het douanegebied van de Gemeenschap, van andere dan de in bijlage II vermelde produkten, of

b) is uitgevoerd naar derde landen. Bij rechtstreekse uitvoer uit de Gemeenschap naar derde landen wordt de zekerheid eerst vrijgegeven nadat de bevoegde autoriteit het bewijs heeft ontvangen dat het betrokken produkt het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten.

2. Het in lid 1, onder a), bedoelde bewijs wordt geleverd door indiening van een verklaring door de fabrikant bij de bevoegde autoriteit.

In deze verklaring wordt aangegeven:

- of het betrokken produkt een verwerking moet ondergaan;

- dat het produkt slechts voor de vervaardiging van andere dan de in bijlage II vermelde produkten zal worden gebruikt;

- dat het produkt slechts zal worden verkocht aan een persoon die de in het tweede streepje bedoelde verbintenis aangaat, welke is vastgelegd in een daartoe in het verkoopcontract opgenomen bepaling of in een bijzondere, op de verkoopfactuur vermelde voorwaarde; de fabrikant moet een kopie van het aldus opgestelde verkoopcontract, respectievelijk van de aldus opgestelde factuur ter beschikking van de bevoegde autoriteit houden;

- dat de fabrikant kennis heeft genomen van het bepaalde in lid 7;

- de naam en het adres van de ontvanger ingeval voor het produkt een transactie wordt gesloten en de ontvangen hoeveelheid;

- het nummer van het controle-exemplaar T5, indien de koper van het produkt in een andere Lid-Staat is gevestigd.

3. Na elk kalenderkwartaal moet de fabrikant bij de bevoegde autoriteit waaronder hij ressorteert, de kopie, respectievelijk de kopieën van de in lid 2 bedoelde verklaring binnen 20 werkdagen indienen.

De bevoegde autoriteit waaronder de fabrikant ressorteert, deelt de betrokken gegevens, binnen 20 werkdagen na de ontvangst ervan, mede aan de bevoegde autoriteit waaronder de koper ressorteert.

4. De fabrikanten en de kopers van het onder GN-code 3505 10 50 vallende produkt moeten over een door de Lid-Staten erkende voorraadboekhouding beschikken aan de hand waarvan kan worden nagetrokken of de verbintenissen en de vermeldingen in de in lid 2 bedoelde verklaring van de fabrikant in acht zijn genomen.

5. a) De in lid 4 bedoelde verificatie wordt door de bevoegde autoriteit waaronder de fabrikant ressorteert en die waaronder de koper ressorteert, na afloop van elk kalenderkwartaal verricht. Zij heeft betrekking op de totale hoeveelheden voor die periode voor elke betrokken fabrikant en koper en op ten minste 10 % van alle transacties en alle gebruik in de Lid-Staat respectievelijk in de Lid-Staten. De bevoegde autoriteiten bepalen op basis van een risicoanalyse welke controles zij met het oog op deze verificatie verrichten.

Elke verificatie moet binnen vijf maanden na elk kalenderkwartaal worden beëindigd.

De bevoegde autoriteit waaronder de fabrikant ressorteert, moet binnen 20 werkdagen na het einde van de verificatie in het bezit zijn van de resultaten ervan.

Ingeval de verificatie in twee of meer Lid-Staten wordt verricht, delen de betrokken autoriteiten elkaar de resultaten mee in het kader van de procedures als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 1468/81 van de Raad (9), betreffende de wederzijdse bijstand.

b) Wanneer bij ten minste 3 % van de onder a) bedoelde controles onregelmatigheden worden ontdekt, worden deze controles door de bevoegde autoriteiten verscherpt.

c) Op basis van de resultaten van de verificaties legt de autoriteit die de zekerheid heeft vrijgegeven, aan de betrokken fabrikant eventueel de in lid 7 bedoelde sanctie op.

6. Wanneer het betrokken produkt naar een andere Lid-Staat wordt verzonden of over het grondgebied van een andere Lid-Staat naar derde landen wordt uitgevoerd, wordt overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3566/92 van de Commissie (10) een controle-exemplaar T5 afgegeven.

In vak 104 van dit controle-exemplaar wordt in de rubriek "Andere" een van de volgende vermeldingen aangebracht:

Se utilizará para la transformación o la entrega, de conformidad con el artículo 10 del Reglamento (CEE) no 1722/93 o para la exportación a partir del territorio aduanero de la Comunidad.

Til forarbejdning eller levering i overensstemmelse med artikel 10 i forordning (EOEF) nr. 1722/93 eller til udfoersel fra Faellesskabets toldomraade.

Zur Verarbeitung oder Lieferung gemaess Artikel 10 der Verordnung (EWG) Nr. 1722/93 oder zur Ausfuhr aus dem Zollgebiet der Gemeinschaft bestimmt.

Pros chrisi gia metapoiisi i paradosi symfona me to arthro 10 toy kanonismoy (EOK) arith. 1722/93 i gia exagogi apo to teloneiako edafos tis Koinotitas.

To be used for processing or delivery in accordance with Article 10 of Commission Regulation (EEC) No 1722/93 or for export from the customs territory of the Community.

A utiliser pour la transformation ou la livraison, conformément à l'article 10 du règlement (CEE) no 1722/93 ou pour l'exportation à partir du territoire douanier de la Communauté.

Da utilizzare per la trasformazione o la consegna, conformemente all'articolo 10 del regolamento (CEE) n. 1722/93 o per l'esportazione dal territorio doganale della Comunità.

Bestemd voor verwerking of levering overeenkomstig artikel 10, van Verordening (EEG) nr. 1722/93 of voor uitvoer uit het douanegebied van de Gemeenschap.

A utilizar para transformaçao ou entrega, em conformidade com o disposto no artigo 10o do Regulamento (CEE) no 1722/93, ou para exportaçao a partir do território aduaneiro da Comunidade.

7. Indien wordt geconstateerd dat de fabrikant niet aan de in de leden 1 tot en met 6 vastgestelde voorwaarden voldoet, vordert de bevoegde autoriteit van de betrokken Lid-Staat van hem, onverminderd in de nationale wetgeving voorziene sancties, een bedrag dat overeenkomt met 150 % van de hoogste restitutie die in de voorafgaande twaalf maanden voor het betrokken produkt heeft gegolden.

Artikel 11

1. De in het certificaat vermelde restitutie wordt slechts betaald voor de bij de verwerking werkelijk gebruikte hoeveelheid zet- of aardappelmeel. Parallel daarmee wordt de in artikel 8, lid 1, bedoelde zekerheid overeenkomstig titel V van Verordening (EEG) nr. 2220/85 vrijgegeven.

2. De restitutie moet binnen vijf maanden na het einde van de in artikel 9, lid 3, bedoelde controle worden betaald. Op verzoek van de fabrikant kan de bevoegde autoriteit hem evenwel dertig dagen na ontvangst van de bovenbedoelde inlichtingen een met de restitutie overeenkomend voorschot toekennen. Behoudens indien het produkt onder GN-code 3505 10 50 valt, wordt dit voorschot slechts betaald nadat de fabrikant een zekerheid heeft gesteld die gelijk is aan 115 % van het voorschot. De zekerheid wordt overeenkomstig artikel 19, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2220/85 vrijgegeven.

Artikel 12

Binnen drie maanden na het einde van iedere, in artikel 3, lid 1, bepaalde periode stellen de Lid-Staten de Commissie in kennis van de soort, de hoeveelheden en de oorsprong van het zet- respectievelijk aardappelzetmeel (uit maïs, tarwe, aardappelen of rijst) waarvoor restituties zijn betaald en van de soort en de hoeveelheden van de produkten waarvoor het zet- of is het aardappelzetmeel gebruikt.

Artikel 13

Verordening (EEG) nr. 2169/86 wordt ingetrokken.

Artikel 14

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 1993.

Met het oog op de vrijgeving van de zekerheid op grond van artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 2169/86 zijn de bepalingen van artikel 10 van toepassing op de dossiers die bij de inwerkingtreding van deze verordening nog in behandeling zijn.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 30 juni 1993.

Voor de Commissie

René STEICHEN

Lid van de Commissie

(1) PB nr. L 181 van 1. 7. 1992, blz. 21.

(2) PB nr. L 166 van 25. 6. 1976, blz. 1.

(3) PB nr. L 154 van 25. 6. 1993, blz. 5.

(4) PB nr. L 108 van 1. 5. 1993, blz. 106.

(5) PB nr. L 205 van 3. 8. 1985, blz. 5.

(6) PB nr. L 364 van 14. 12. 1989, blz. 54.

(7) PB nr. L 189 van 11. 7. 1986, blz. 12.

(8) PB nr. L 134 van 29. 5. 1991, blz. 19.

(9) PB nr. L 144 van 2. 6. 1981, blz. 1.

(10) PB nr. L 362 van 11. 12. 1992, blz. 11.

BIJLAGE I

Produkten waarvoor gebruik gemaakt is van graanzetmeel of aardappelzetmeel en/of derivaten die voorkomen in de volgende nummers en hoofdstukken van de gecombineerde nomenclatuur

/* Tabellen: zie PB */

BIJLAGE II

/* Tabellen: zie PB */

(1) De aangegeven coëfficient geldt voor zetmeel met een drogestofgehalte van ten minste 87 % voor maïs-, rijst- en tarwezetmeel en ten minste 80 % voor aardappelzetmeel.

De produktierestitutie voor basiszetmeel met een lager drogestofgehalte wordt aangepast volgens de volgende formule:

1) maïs-, rijst- of tarwezetmeel:

% drogestofgehalte

87 × produktierestitutie

2) aardappelzetmeel:

drogestofgehalte

80 × produktierestitutie

Het drogestofgehalte van zetmeel wordt bepaald volgens de methode die is vastgesteld in de bijlage bij verordening (EEG) nr. 1908/84 van de Commissie (PB nr. L 178 van 5. 7. 1984, blz. 22). Als de produktierestitutie wordt betaald voor het gebruik van zetmeel van GN-code 1108 moet de zuiverheid van het zetmeel in de droge stof ten minste 97 % bedragen.

Voor de bepalilng van de zuiverheid van het zetmeel moet de in bijlage II bij deze verordening genoemde methode worden gebruikt.

(2) De produktierestitutie wordt betaald voor produkten van deze GN-codes met een drogestofgehalte van ten minste 78 %. De produktierestitutie voor produkten van deze GN-codes met een drogestofgehalte van minder dan 78 % wordt aangepast volgens de volgende formule:

% drogestofgehalte

78 × produktierestitutie

(3) De produktierestitutie wordt betaald voor D-glucitol (sorbitol) in waterige oplossing dat een drogestofgehalte heeft van ten minste 70 %. Als het drogestofgehalte lager is dan 70 %, wordt de produktierestitutie aangepast volgens de formule:

% drogestofgehalte

70 × produktierestitutie

(4) Rechtstreeks vervaardigd uit maïs, tarwe, rijst of aardappelen, met uitsluiting van elk gebruik van bij de vervaardiging van andere landbouwprodukten of goederen verkregen bijprodukten.

(5) De produktierestitutie wordt betaald voor het werkelijke drogestofgehalte van zetmeel of dextrine.

BIJLAGE III

De zuiverheid van zetmeel in de droge stof wordt bepaald met gebruikmaking van de gewijzigde polarimetrische methode Ewers die in bijlage I bij de Derde Richtlijn 72/199/EEG van de Commissie (1) betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke analysemethoden voor de officiële controle van veevoeders is bekendgemaakt.

(1) PB nr. L 123 van 29. 5. 1972, blz. 6.

Top