Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31992R2077

Verordening (EEG) nr. 2077/92 van de Raad van 30 juni 1992 inzake brancheorganisaties en overeenkomsten in de sector tabak

OJ L 215, 30.7.1992, p. 80–84 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 03 Volume 043 P. 224 - 228
Special edition in Swedish: Chapter 03 Volume 043 P. 224 - 228
Special edition in Czech: Chapter 03 Volume 013 P. 36 - 40
Special edition in Estonian: Chapter 03 Volume 013 P. 36 - 40
Special edition in Latvian: Chapter 03 Volume 013 P. 36 - 40
Special edition in Lithuanian: Chapter 03 Volume 013 P. 36 - 40
Special edition in Hungarian Chapter 03 Volume 013 P. 36 - 40
Special edition in Maltese: Chapter 03 Volume 013 P. 36 - 40
Special edition in Polish: Chapter 03 Volume 013 P. 36 - 40
Special edition in Slovak: Chapter 03 Volume 013 P. 36 - 40
Special edition in Slovene: Chapter 03 Volume 013 P. 36 - 40
Special edition in Bulgarian: Chapter 03 Volume 011 P. 84 - 88
Special edition in Romanian: Chapter 03 Volume 011 P. 84 - 88

No longer in force, Date of end of validity: 30/06/2008; opgeheven door 32007R1234

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1992/2077/oj

31992R2077

Verordening (EEG) nr. 2077/92 van de Raad van 30 juni 1992 inzake brancheorganisaties en overeenkomsten in de sector tabak

Publicatieblad Nr. L 215 van 30/07/1992 blz. 0080 - 0084
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 43 blz. 0224
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 43 blz. 0224


VERORDENING (EEG) Nr. 2077/92 VAN DE RAAD van 30 juni 1992 inzake brancheorganisaties en overeenkomsten in de sector tabak

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 42 en 43,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europese Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat, gezien de marktvooruitzichten voor de landbouw op middellange en lange termijn, zowel in de Gemeenschap als op wereldniveau, sommige instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid dienen te worden aangepast met het oog op het herstel van het marktevenwicht; dat deze aanpassing, die met name leidt tot een flexibeler gebruik van de institutionele instrumenten voor marktondersteuning, de betrokken ondernemers ertoe noopt hun economisch gedrag beter op de marktrealiteit af te stemmen;

Overwegende dat brancheorganisaties die zijn opgericht op initiatief van individuele ondernemers of verenigingen van ondernemers en die representatief zijn voor de verschillende beroepsgroepen die betrokken zijn bij de produktie, de verwerking en de afzet in de sector tabak, kunnen bijdragen tot een meer marktgericht handelen en een wijziging in het economisch gedrag die gericht is op een beter inzicht in of zelfs een betere organisatie van produktie, verwerking en afzet, en dat sommige van hun activiteiten kunnen bijdragen tot een beter marktevenwicht en derhalve de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag kunnen helpen verwezenlijken; dat de activiteiten waardoor de sectorale organisaties een dergelijke bijdrage kunnen leveren, nader dienen te worden omschreven;

Overwegende dat het in dat perspectief dienstig lijkt een specifieke erkenning te verlenen aan organisaties die op regionaal, interregionaal of zelfs communautair niveau het bewijs leveren dat zij voldoende representatief zijn en activiteiten ontplooien die de verwezenlijking van voornoemde doelstellingen ten goede komen; dat, al naar het werkterrein van de brancheorganisatie, het verlenen van deze erkenning tot de bevoegdheid van de Lid-Staat dan wel de Commissie moet behoren;

Overwegende dat, om ervoor te zorgen dat bepaalde activiteiten die de brancheorganisaties ondernemen en die uit een oogpunt van de bestaande wetgeving in het kader van de gemeenschappelijke marktordening in de sector tabak van bijzonder belang zijn, een groter effect hebben, dient te worden voorzien in de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden de voor de leden van de brancheorganisatie vastgestelde regels ook verbindend te verklaren voor alle niet-aangesloten telers en telersverenigingen in één of meer regio's; dat het eveneens dienstig is te bepalen dat ook niet-leden het volle bedrag van de bijdrage die nodig is om die niet-administratieve kosten van die activiteiten te dekken of een gedeelte van dat bedrag moeten betalen; dat van de betrokken mogelijkheid gebruik moet worden gemaakt via een procedure die naleving van de rechten van de betrokken sociaal-economische kringen, en met name de inachtneming van de belangen van de consumenten garandeert;

Overwegende dat bepaalde andere activiteiten van de erkende brancheorganisaties van algemeen economisch of technisch belang kunnen zijn voor de sector tabak en derhalve in het voordeel kunnen zijn van alle ondernemers van de betrokken beroepsgroepen, ook al zijn zij niet bij de organisatie aangesloten; dat het voor dat geval verantwoord lijkt te bepalen dat ook niet-leden de bijdragen moeten betalen die bestemd zijn ter dekking van de niet-administratieve kosten die rechtstreeks verband houden met deze activiteiten;

Overwegende dat, met het oog op een correcte toepassing van deze regeling, moet worden voorzien in een nauwe samenwerking tussen de Lid-Staten en de Commissie en aan deze laatste bovendien een permanente controlebevoegdheid moet worden gegeven, met name inzake de erkenning van brancheorganisaties die werkzaam zijn op regionaal of interregionaal niveau en inzake de door deze organisaties goedgekeurde overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen;

Overwegende dat het met het oog op de informatie van de Lid-Staten en van alle belanghebbenden nuttig is om te bepalen dat aan het begin van elk jaar de lijst van organisaties die in de loop van het voorafgaande jaar zijn erkend, de lijst van organisaties waarvan de erkenning in diezelfde periode is ingetrokken, alsmede de regels die algemeen verbindend zijn verklaard en de werkingssfeer daarvan, worden bekendgemaakt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bij deze verordening worden de voorwaarden vastgesteld voor de erkenning en de activiteiten van de brancheorganisaties die werkzaam zijn in het kader van de gemeenschappelijke marktordening voor tabak.

Artikel 2

In het kader van deze verordening worden erkend brancheorganisaties:

1. die bestaan uit vertegenwoordigers van een aantal van de verschillende beroepsgroepen die betrokken zijn bij de produktie, verwerking en afzet van tabak,

2. die zijn opgericht op initiatief van alle of een gedeelte van de aangesloten groeperingen of verenigingen,

3. en die op het niveau van een regio, van meerdere regio's binnen de Gemeenschap of van de hele Gemeenschap, een aantal van de volgende activiteiten ontplooien, waarbij zij, indien nodig, rekening houden met de belangen van de consumenten:

a) bijdragen tot een betere cooerdinatie bij het op de markt brengen van tabaksbladeren of verpakte tabak,

b) de opstelling van standaardcontracten die verenigbaar zijn met de communautaire wetgeving,

c) de verbetering van het inzicht in en de doorzichtigheid van de markt,

d) een betere valorisatie van het produkt, met name via maatregelen op het gebied van marketing en onderzoek naar nieuwe gebruiksmogelijkheden die de volksgezondheid niet in gevaar brengen,

e) de oriëntatie van de sector op produkten die beter beantwoorden aan de marktbehoeften en de eisen inzake volksgezondheid,

f) het onderzoek naar methoden om het gebruik van gewasbeschermingsprodukten te verminderen en om het bodembehoud en de kwaliteit van het produkt te garanderen,

g) het ontwikkelen van methoden en materieel om de kwaliteit van het produkt te verbeteren in het stadium van produktie en bewerking,

h) het gebruik van gecertificeerd zaaizaad en de controle op de kwaliteit van de produkten.

Artikel 3

1. De Lid-Staten erkennen de op hun grondgebied gevestigde brancheorganisaties die daarom verzoeken en die

a) hun activiteiten ontplooien in één of meer regio's binnen dat grondgebied,

b) voor de betrokken activiteitssector en beroepsgroep een significant aandeel in de produktie en/of de handel hebben; ingeval de brancheorganisatie actief is in meer dan één regio, moet zij het bewijs leveren van een bepaalde minimumrepresentativiteit voor elke beroepsgroep in elke van de betrokken regio's.

c) meer dan één van de in artikel 2, punt 3, genoemde activiteiten ontplooien,

d) niet zelf werkzaamheden verrichten op het gebied van produktie, verwerking of afzet van produkten die onder de in artikel 1 genoemde marktordening vallen.

2. Vóór de erkenning delen de Lid-Staten de Commissie mee welke brancheorganisaties een aanvraag om erkenning hebben ingediend en verstrekken zij alle dienstige inlichtingen inzake de categorieën van economische activiteit waarop zij betrekking hebben, hun representativiteit, hun activiteiten, alsmede alle andere gegevens die zij nodig heeft om haar oordeel te kunnen geven.

De Commissie kan binnen 60 dagen na deze kennisgeving verzet aantekenen tegen de erkenning.

3. De Lid-Staten trekken de erkenning in

a) indien niet meer aan de in deze verordening vastgestelde voorwaarden wordt voldaan,

b) indien de brancheorganisatie één van de in artikel 7, lid 3, vastgestelde verbodsbepalingen overtreedt, onverminderd strafrechtelijke vervolging op grond van de nationale wetgeving,

c) indien de brancheorganisatie de in artikel 7, lid 2, genoemde verplichting tot kennisgeving niet naleeft.

De Lid-Staten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de besluiten tot intrekking van de erkenning.

Artikel 4

1. De Commissie erkent de brancheorganisaties die daarom verzoeken en die

a) hun activiteiten ontplooien op al dan niet het gehele grondgebied van verschillende Lid-Staten of in communautair verband,

b) gelidg zijn opgericht overeenkomstig de wetgeving van een Lid-Staat of het Gemeenschapsrecht,

c) voldoen aan artikel 3, lid 1, onder b), c), en d).

2. De Commissie deelt de erkenningsaanvraag mede aan de Lid-Staten op het grondgebied waarvan de brancheorganisatie is gevestigd en waarin deze organisatie haar activiteiten ontplooit. De Lid-Staten kunnen hun opmerkingen kenbaar maken binnen twee maanden vanaf de verzending van de mededeling.

De Commissie beslist over de erkenning binnen drie maanden vanaf de ontvangst van de aanvraag met alle dienstige inlichtingen.

3. In de in artikel 3, lid 3, genoemde gevallen trekt de Commissie de erkenning van de in lid 1 bedoelde organisaties in.

Artikel 5

De Commissie maakt in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekend welke brancheorganisaties zijn erkend, met vermelding van de economische sector of het gebied waarbinnen elke organisatie werkzaam is, en van haar activiteiten als bedoeld in artikel 2. Zij maakt ook bekend welke erkenningen zijn ingetrokken.

Artikel 6

De erkenning van de brancheorganisaties geldt als machtiging om overeenkomstig deze verordening de in artikel 2, punt 3, vermelde activiteiten te ontplooien.

Artikel 7

1. In afwijking van artikel 1 van Verordening nr. 26 (4), is artikel 85, lid 1, van het Verdrag niet van toepassing op de overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen die door erkende brancheorganisaties worden toegepast ter uitvoering van de in artikel 2, punt 3, vermelde activiteiten.

2. Lid 1 is alleen van toepassing op voorwaarde dat:

- de overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen ter kennis van de Commissie zijn gebracht en

- de Commissie binnen drie maanden vanaf de kennisgeving van alle gegevens die nodig zijn voor de beoordeling, niet heeft verklaard dat deze overeenkomsten of onderling afgestemde gedragingen strijdig zijn met de communautaire wetgeving.

Deze overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen mogen niet vóór het verstrijken van deze termijn worden toegepast.

3. Overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen worden in ieder geval strijdig met de communautaire wetgeving verklaard, indien zij:

- kunnen leiden tot compartimentering van de markten binnen de Gemeenschap, ongeacht in welke vorm,

- de gemeenschappelijke marktordening kunnen doorkruisen,

- concurrentiedistorsies kunnen teweegbrengen die niet volstrekt noodzakelijk zijn voor het bereiken van de met de sectorale actie nagestreefde doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid,

- de vaststelling van prijzen of quota omvatten, onverminderd maatregelen die de brancheorganisaties treffen ter uitvoering van specifieke bepalingen van de communautaire wetgeving.

- discriminaties kunnen doen ontstaan of de concurrentie voor een aanzienlijk deel van de betrokken produkten kunnen beknotten.

4. Als de Commissie na het verstrijken van de in lid 2, tweede streepje, bedoelde termijn van drie maanden vaststelt dat niet aan de voorwaarden voor toepassing van deze verordening is voldaan, geeft zij een beschikking waarin zij verklaart dat artikel 85, lid 1, van het Verdrag van toepassing is op de betrokken overeenkomst of onderling afgestemde gedraging.

Deze beschikking kan niet eerder van kracht worden dan op de dag van de kennisgeving ervan aan de betrokken brancheorganisatie, tenzij deze laatste onjuiste gegevens heeft verschaft of misbruik heeft gemaakt van de in lid 1 bedoelde uitzondering.

Artikel 8

1. De brancheorganisaties kunnen verzoeken om in de zone waarbinnen zij hun activiteit uitoefenen bepaalde van hun overeenkomsten of onderling afgestemde gedragingen voor een beperkte periode verbindend te verklaren voor de individuele ondernemers en de verenigingen in de betrokken economische sector die niet zijn aangesloten bij de in de brancheorganisatie bijeengebrachte beroepsgroepen.

Om de regels algemeen verbindend te kunnen verklaren moeten de brancheorganisaties een aandeel van ten minste twee derde hebben in de betrokken produktie en/of de betrokken handel. Ingeval de voorgenomen algemeenverbindendverklaring betrekking heeft op meer dan één regio, moeten de brancheorganisaties het bewijs leveren van een bepaalde minimumrepresentativiteit voor elke beroepsgroep in elke van de betrokken regio's.

2. De regels waarvoor de algemeenverbindendverklaring kan worden gevraagd, moeten sedert ten minste één jaar gelden en dienen betrekking te hebben op een van de volgende punten:

a) de kennis van de produktie en van de markt,

b) de definitie van de minimumkwaliteit per soort,

c) het gebruik van milieuvriendelijke produktiemethoden,

d) de definitie van de minimumnormen inzake de verpakking en het marktklaar maken van de produkten,

e) het gebruik van gecertificeerd zaaizaad en de controle op de kwaliteit van de produkten.

3. De regels kunnen pas algemeen verbindend worden verklaard nadat zij volgens de procedure van artikel 9 door de Commissie zijn goedgekeurd.

Artikel 9

1. Met betrekking tot de regels die worden uitgevaardigd door de brancheorganisaties die door de Lid-Staten zijn erkend, dragen de Lid-Staten ten behoeve van de belanghebbende sociaal-economische kringen zorg voor de bekendmaking van de overeenkomsten of onderling afgestemde gedragingen waarvoor wordt overwogen deze verbindend te verklaren voor de niet-aangsloten individuele ondernemers of verenigingen in een regio of een groep van regio's.

In deze bekendmaking moet de belanghebbende kringen een termijn van twee maanden worden gegeven om hun opmerkingen kenbaar te maken.

2. Na afloop van deze termijn en voordat zij een besluit nemen, stellen de Lid-Staten de Commissie in kennis van de regels die zij algemeen verbindend willen verklaren en verstrekken daarbij alle dienstige inlichtingen. In deze kennisgeving worden alle ten gevolge van de in lid 1 bedoelde bekendmaking ontvangen opmerkingen opgenomen en wordt een oordeel gegeven over het verzoek om algemeenverbindendverklaring.

3. De regels waarvoor een algemeenverbindendverklaring wordt gevraagd door een brancheorganisatie die de Commissie overeenkomstig artikel 4 heeft erkend, worden door de Commissie zelf bekendgemaakt in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. In deze bekendmaking wordt de Lid-Staten en de belanghebbende sociaal-economische kringen een termijn van twee maanden gegeven om hun opmerkingen kenbaar te maken.

4. Indien de regels waarvoor een algemeenverbindendverklaring wordt gevraagd technische voorschriften in de zin van Richtlijn 83/189/EEG (5) zijn, worden deze laatste overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn tegelijk met de in lid 2 bedoelde kennisgeving aan de Commissie medegedeeld.

Onverminderd de toepassing van lid 5, weigert de Commissie haar goedkeuring te hechten aan regels waarvoor een algemeenverbindendverklaring wordt overwogen, indien er voldoende grond is om overeenkomstig artikel 9 van voornoemde richtlijn een uitvoerig gemotiveerde mening te kennen te geven.

5. De Commissie beslist binnen drie maanden vanaf de kennisgeving door de Lid-Staat krachtens lid 2, en binnen vijf maanden vanaf de bekendmaking van het verzoek om algemeenverbindendverklaring van de regels in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen in geval van toepassing van lid 3.

De Commissie neemt in elk geval een negatief besluit indien zij vaststelt dat door de algemeenverbindendverklaring:

- voor een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt de mededinging zou worden uitgeschakeld,

- de vrijheid van het handelsverkeer zou worden aangetast, of

- de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of van welke andere communautaire wetgeving dan ook in gevaar zouden komen.

6. De regels die algemeen verbindend zijn verklaard, worden bekendgemaakt in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

7. Wanneer regels krachtens dit artikel verbindend worden verklaard voor niet-leden van een brancheorganisatie, kan al naar het geval de betrokken Lid-Staat of de Commissie bepalen dat de bijdragen die aan deze brancheorganisatie moeten worden betaald door de leden, voor het volle bedrag of een gedeelte daarvan ook aan deze organisatie moeten worden betaald door de niet-aangesloten individuele ondernemers of verenigingen, voor zover deze bijdragen niet bestemd zijn voor de administratiekosten die aan de toepassing van deze regels of onderling afgestemde gedragingen zijn verbonden.

Artikel 10

1. Wanneer één of meer van de in lid 2 bedoelde activiteiten van een erkende brancheorganisatie van algemeen economisch belang zijn voor de ondernemers wier activiteiten met dit produkt of deze produkten verband houden, kan de Lid-Staat die de erkenning heeft verleend, of de Commissie indien de erkenning overeenkomstig artikel 4 heeft plaatsgevonden, bepalen dat ook de niet bij de brancheorganisatie aangesloten individuele ondernemers of verenigingen die voordeel hebben bij deze activiteiten, de volle bijdrage die de leden betalen of een gedeelte daarvan aan de brancheorganisatie moeten betalen, voor zover de bijdragen bestemd zijn voor de kosten die rechtstreeks uit de betrokken activiteiten voortvloeien, met uitsluiting van alle administratiekosten.

2. De in dit artikel bedoelde activiteiten betreffen één of meer van de volgende punten:

- onderzoek met het oog op valorisatie van de produkten, met name via nieuwe gebruiksmogelijkheden die de volksgezondheid niet in gevaar brengen,

- onderzoek met het oog op verbetering van de kwaliteit van de tabaksbladeren of de verpakte tabak,

- onderzoek naar teeltmethoden die een geringer gebruik van gewasbeschermingsmiddelen mogelijk maken en stroken met de eisen van bodem- en milieubehoud.

3. De betrokken Lid-Staten delen de Commissie mede welke besluiten zij voornemens zijn vast te stellen op grond van het bepaalde in lid 1. Deze besluiten kunnen pas na een termijn van drie maanden vanaf de datum van kennisgeving aan de Commissie van kracht worden. In deze periode kan de Commissie herroeping vragen van het ontwerp-besluit of een gedeelte daarvan, als het beroep op het algemeen economisch belang niet gegrond lijkt.

4. Wanneer activiteiten van een brancheorganisatie die overeenkomstig artikel 4 door de Commissie is erkend, het algemene economische belang dienen, deelt de Commissie haar ontwerp-besluit aan de betrokken Lid-Staten mede. De Lid-Staten maken hun opmerkingen kenbaar binnen twee maanden vanaf de verzending van de mededeling.

Artikel 11

Elk besluit van de Lid-Staten of de Commissie waarbij een bijdrage wordt opgelegd aan individuele ondernemers of verenigingen die niet bij een brancheorganisatie zijn aangesloten, wordt bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Het betrokken besluit kan pas na een termijn van twee maanden vanaf de bekendmaking van kracht worden.

Artikel 12

De bepalingen ter uitvoering van deze verordening worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 23 van Verordening (EEG) nr. 2075/92 (6).

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Luxemburg, 30 juni 1992.

Voor de Raad

De Voorzitter

Arlindo MARQUES CUNHA

(1) PB nr. C 295 van 14. 11. 1991, blz. 5.(2) PB nr. C 94 van 13. 4. 1992.(3) PB nr. C 98 van 21. 4. 1992, blz. 31.(4) Verordening nr. 26 van de Raad van 4 april 1962 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwprodukten (PB nr. 30 van 20. 4. 1962, blz. 993/62). Verordening gewijzigd bij Verordening nr. 49 (PB nr. L 53 van 1. 7. 1962, blz. 1571/62).(5) PB nr. L 109 van 26. 4. 1983, blz. 8. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 90/230/EEG (PB nr. L 128 van 18. 5. 1990, blz. 15).(6) Zie bladzijde 70 van dit Publikatieblad.

Top