Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31991L0068

Richtlijn 91/68/EEG van de Raad van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten

OJ L 46, 19.2.1991, p. 19–36 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 03 Volume 036 P. 155 - 172
Special edition in Swedish: Chapter 03 Volume 036 P. 155 - 172
Special edition in Czech: Chapter 03 Volume 011 P. 146 - 164
Special edition in Estonian: Chapter 03 Volume 011 P. 146 - 164
Special edition in Latvian: Chapter 03 Volume 011 P. 146 - 164
Special edition in Lithuanian: Chapter 03 Volume 011 P. 146 - 164
Special edition in Hungarian Chapter 03 Volume 011 P. 146 - 164
Special edition in Maltese: Chapter 03 Volume 011 P. 146 - 164
Special edition in Polish: Chapter 03 Volume 011 P. 146 - 164
Special edition in Slovak: Chapter 03 Volume 011 P. 146 - 164
Special edition in Slovene: Chapter 03 Volume 011 P. 146 - 164
Special edition in Bulgarian: Chapter 03 Volume 009 P. 144 - 162
Special edition in Romanian: Chapter 03 Volume 009 P. 144 - 162
Special edition in Croatian: Chapter 03 Volume 016 P. 13 - 30

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1991/68/oj

31991L0068

Richtlijn 91/68/EEG van de Raad van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten

Publicatieblad Nr. L 046 van 19/02/1991 blz. 0019 - 0036
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 36 blz. 0155
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 36 blz. 0155


RICHTLIJN VAN DE RAAD van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (91/68/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 43,

Gezien het voorstel van de Commissie (1).

Gezien het advies van het Europese Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat de harmonische werking van de gemeenschappelijke marktordening in de sector schapen en geiten niet het verwachte effect zal sorteren zolang het intracommunautaire handelsverkeer wordt belemmerd door verschillen tussen de Lid-Staten op het gebied van de diergezondheid;

Overwegende dat, om dit handelsverkeer te stimuleren, de bestaande verschillen uit de weg moeten worden geruimd en voor dit handelsverkeer in die dieren op communautair niveau voorschriften moeten worden vastgesteld; dat daardoor terzelfder tijd tot de totstandbrenging van de interne markt wordt bijgedragen;

Overwegende dat schapen en geiten slechts in het intracommunautaire handelsverkeer mogen worden gebracht, indien zij aan bepaalde veterinairrechtelijke eisen voldoen, ten einde de verspreiding van besmettelijke ziekten te voorkomen;

Overwegende dat moet worden voorzien in veterinairrechtelijke eisen die verschillen al naar gelang van het commerciële doel waarvoor deze dieren zijn bestemd;

Overwegende dat de gezondheidstoestand van de schapen en geiten niet op het gehele grondgebied van de Gemeenschap dezelfde is; dat voor de betrokken delen van het grondgebied moet worden verwezen naar het begrip "gebied'` als omschreven in Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (4), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 90/425/EEG (5);

Overwegende dat het handelsverkeer tussen gebieden die uit gezondheidsoogpunt gelijkwaardige kenmerken vertonen, niet mag worden belemmerd;

Overwegende dat moet worden bepaald dat de Commissie, met inachtneming van de vooruitgang die bij de uitroeiing van bepaalde dierziekten in een bepaalde Lid-Staat is gemaakt, kan toestaan dat bijkomende garanties worden gevraagd die niet strenger mogen zijn dan de garanties die de Lid-Staat in nationaal verband toepast;

Overwegende dat, om verspreiding van besmettelijke ziekten te voorkomen, voorschriften moeten worden vastgesteld voor het vervoer van de dieren naar de plaats van bestemming;

Overwegende dat, om de inachtneming van de vastgestelde eisen te garanderen, moet worden bepaald dat door een officiële dierenarts een gezondheidscertificaat moet worden afgegeven dat de schapen en geiten tot de plaats van bestemming moet vergezellen;

Overwegende dat, met betrekking tot de organisatie en de consequenties van de door de Lid-Staten te verrichten controles en de toe te passen vrijwaringsmaatregelen, dient te worden verwezen naar de algemene voorschriften van Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zooetechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en produkten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt;

Overwegende dat moet worden voorzien in de mogelijkheid dat de Commissie controles verricht;

Overwegende dat moet worden voorzien in een procedure waarbij tussen de Lid-Staten en de Commissie een nauwe en doelmatige samenwerking tot stand wordt gebracht in het kader van het Permanent Veterinair Comité,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bij deze richtlijn worden veterinairrechtelijke voorschriften vastgesteld voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de definities van artikel 2 van Richtlijn 64/432/EEG. Tevens wordt verstaan onder:

1. slachtschapen en -geiten: schapen en geiten die bestemd zijn om hetzij rechtstreeks hetzij via een markt of een erkend verzamelcentrum naar een slachthuis te worden

geleid om daar, onder de in artikel 6 van Richtlijn 64/432/EEG vastgestelde voorwaarden, te worden geslacht;

2. fok- en mestschapen en fok- en mestgeiten: andere dan de in punt 1 genoemde schapen en geiten, bestemd om hetzij rechtstreeks hetzij via een markt of een erkend verzamelcentrum te worden vervoerd naar de plaats van bestemming;

3. bedrijf: een bedrijf zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 4, van Richtlijn 90/425/EEG;

4. officieel brucellosevrije schapenhouderij of geitenhouderij: een bedrijf dat aan de in bijlage A, hoofdstuk 1, rubriek I, vastgestelde voorwaarden voldoet;

5. brucellosevrije schapenhouderij of geitenhouderij: een bedrijf dat aan de in bijlage A, hoofdstuk 2, vastgestelde voorwaarden voldoet;

6. handelsverkeer: handelsverkeer tussen Lid-Staten in de zin van artikel 9, lid 2, van het Verdrag;

7. ziekten waarvoor een aangifteplicht bestaat: ziekten genoemd in bijlage B, rubrieken I en II, hoofdstuk I, waarvan, indien de aanwezigheid ervan wordt vermoed of wordt vastgesteld, bij de bevoegde centrale autoriteit van de Lid-Staat aangifte moet worden gedaan;

8. officiële dierenarts: door de bevoegde centrale autoriteit van de Lid-Staat aangewezen dierenarts;

9. markt of erkend verzamelcentrum: elke andere plaats dan het bedrijf, waar schapen en geiten worden verkocht of gekocht, verzameld of ingeladen, die voldoet aan het bepaalde in artikel 3, lid 7, van Richtlijn 64/432/EEG en aan de in artikel 5, lid 1, onder b), punt i), van Richtlijn 90/425/EEG gestelde eisen voor erkende markten of verzamelcentra;

10. gebied: gedeelte van het grondgebied van de Gemeenschap als omschreven in artikel 2, onder o), van Richtlijn 64/432/EEG.

Artikel 3

1. Slachtschapen en -geiten mogen slechts voor het handelsverkeer worden bestemd indien zij aan de in artikel 4 vastgestelde voorwaarden voldoen.

2. Fok- en mestschapen en fok- en mestgeiten mogen slechts voor het handelsverkeer worden bestemd indien zij aan de in de artikelen 4, 5 en 6 vastgestelde voorwaarden voldoen, onverminderd eventuele aanvullende garanties op grond van de artikelen 7 en 8.

De bevoegde instanties van de Lid-Staten van bestemming kunnen echter algemene of beperkte afwijkingen toestaan voor het verkeer van fok- en mestschapen en fok- en mestgeiten die tijdelijk in de nabijheid van de binnengrenzen van de Gemeenschap uitsluitend worden geweid. De Lid-Staten die van deze mogelijkheid gebruik maken, stellen de Commissie op de hoogte van de inhoud van de toegestane afwijkingen.

Artikel 4

1. Schapen en geiten:

a) moeten geïdentificeerd en geregistreerd zijn overeenkomstig de eisen van artikel 3, lid 1, onder c), van Richtlijn 90/425/EEG; de termijn voor de aanmelding van de nationale systemen inzake identificatie en registratie van schapen en geiten begint te lopen met ingang van de datum waarop de onderhavige richtlijn wordt aangenomen;

b) mogen bij de inspectie door een officieel dierenarts geen enkel klinisch ziekteverschijnsel vertonen; deze inspectie moet plaatsvinden tijdens de 48 uur die voorafgaan aan het laden van de schapen en geiten;

c) mogen niet zijn aangekocht op een bedrijf waarop om veterinairrechtelijke redenen een verbod rust noch in contact zijn geweest met dieren van een dergelijk bedrijf, met dien verstande dat:

ii) het verbod verband moet houden met het uitbreken van één van de volgende ziekten waarvoor de dieren vatbaar zijn:

- brucellose,

- rabiës,

- miltvuur;

ii) na de ruiming van het laatste besmette of vermoedelijk besmette dier het verbod een geldigheidsduur moet hebben van ten minste:

- 42 dagen in geval van brucellose,

- 30 dagen in geval van rabiës,

- 15 dagen in geval van miltvuur;

en mogen niet afkomstig zijn van een bedrijf of in contact zijn geweest met dieren van een bedrijf dat is gelegen in een beschermingszone die is vastgesteld en die de dieren op grond van artikel 3, lid 2, onder b) ii), van Richtlijn 64/432/EEG niet mogen verlaten;

d) mogen niet onderworpen zijn aan veterinairrechtelijke maatregelen op grond van Richtlijn 85/511/EEG van de Raad van 18 november 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding van mond- en klauwzeer (1), gewijzigd bij Richtlijn 90/423/EEG (2).

Voorts is artikel 4 bis van Richtlijn 64/432/EEG van toepassing.

2. De Lid-Staten dragen er bovendien zorg voor dat van het handelsverkeer worden uitgesloten schapen en geiten

- die in het kader van een nationaal programma tot uitroeiing van niet in bijlage C van Richtlijn 90/425/EEG of in bijlage B, rubriek I, van de onderhavige richtlijn vermelde ziekten dienen te worden geruimd;

- die om redenen van gezondheid of om veterinairrechtelijke redenen die door artikel 36 van het Verdrag gerechtvaardigd worden, niet op hun eigen grondgebied in de handel mogen worden gebracht.

3. Schapen en geiten moeten daarenboven

- hetzij op het grondgebied van de Gemeenschap zijn geboren en sedert hun geboorte aldaar zijn gehouden,

- hetzij, indien zij zijn ingevoerd, afkomstig zijn van een derde land dat voorkomt op de overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 72/462/EEG van de Raad van 12 december 1972 inzake gezondheidsvraagstukken en veterinairrechtelijke vraagstukken bij de invoer van runderen en varkens en van vers vlees en vleesprodukten uit derde landen (1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 90/425/EEG, opgestelde lijst en daarnaast

ii) hetzij voldoen aan de overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 72/462/EEG vastgestelde veterinairrechtelijke voorwaarden;

ii) hetzij, indien deze voorwaarden niet worden gesteld, voldoen aan de voorwaarden van artikel 7, lid 2, tweede, derde en vierde alinea, van Richtlijn

90/425/EEG.

Artikel 5

Onverminderd de aanvullende garanties die overeenkomstig de artikelen 7 en 8 kunnen worden geëist, moeten fok- en mestschapen en fok- en mestgeiten niet alleen voldoen aan de voorwaarden van artikel 4, maar - om in een officieel brucellosevrije of brucellosevrije schapenhouderij of geitenhouderij te worden opgenomen - ook aan de voorwaarden van bijlage A, hoofdstuk 1, punt D, respectievelijk bijlage A, hoofdstuk 2, punt D.

Artikel 6

Onverminderd de aanvullende garanties die overeenkomstig de artikelen 7 en 8 kunnen worden geëist, moeten fokdieren bovendien voldoen aan de volgende eisen:

a) Zij moeten zijn verworven op een bedrijf en slechts in contact zijn geweest met dieren van een bedrijf:

iii) waar de volgende ziekten niet klinisch zijn vastgesteld:

- in de laatste zes maanden, besmettelijke agalactie van het schaap (Mycoplasma agalactiae) en besmettelijke agalactie van de geit (Mycoplasma agalactiae, M. capricolum, M. mycoïdes subsp. mycoïdes "Large Colony'`),

- in de laatste twaalf maanden, paratuberculose of kaasachtige lymfadenitis,

- tijdens de laatste drie jaar, longadenomatose, zwoegerziekte of caprine artritis-encefalitis. Deze termijn wordt evenwel tot twaalf maanden verkort indien dieren die zijn besmet met zwoegerziekte of caprine artritis-encefalitis, zijn geslacht en de overgebleven dieren negatief

hebben gereageerd op twee tests die zijn erkend volgens de procedure van artikel 15;

of dat, onverminderd de naleving van de voor andere ziekten gestelde eisen, voor een of meer van de voornoemde ziekten, in het kader van een overeenkomstig de artikelen 7 en 8 goedgekeurd programma, aanvullende gezondheidsgaranties biedt voor die ziekte of ziekten;

iii) waar geen enkel feit op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat niet aan het bepaalde onder i) is voldaan, ter kennis is gebracht van de officiële dierenarts die het gezondheidscertificaat moet afgeven;

iii) waarvan de eigenaar heeft verklaard niet op de hoogte te zijn geweest van een dergelijk feit en bovendien schriftelijk heeft verklaard dat het (de) voor het intracommunautaire handelsverkeer bestemde dier(en) voldoet (voldoen) aan de onder i) bedoelde criteria.

b) Zij moeten voorts, wat scrapie betreft:

iii) afkomstig zijn van een bedrijf dat voldoet aan de volgende eisen:

- het bedrijf staat onder officieel toezicht overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder b), van Richtlijn 90/425/EEG;

- de dieren moeten zijn gemerkt;

- sedert ten minste twee jaar is geen enkel geval van scrapie bevestigd;

- er moet een steekproefsgewijze controle worden verricht op voor de uitstoot bestemde oudere ooien die afkomstig zijn van dit bedrijf, voor zover dit niet is gelegen in een gebied of een Lid-Staat dat/die in aanmerking komt voor de overeenkomstig artikel 8 vast te stellen voorwaarden;

- vrouwelijke dieren mogen slechts op het bedrijf worden binnengebracht als zij afkomstig zijn van een bedrijf dat aan dezelfde voorwaarden voldoet;

iii) permanent zijn gehouden op een bedrijf of bedrijven die sedert de geboorte van de dieren of de laatste twee jaar voldoen aan de onder i bedoelde eisen;

iii) wanneer de dieren zijn bestemd voor een Lid-Staat die voor zijn grondgebied of een deel daarvan in aanmerking komt voor het bepaalde in artikel 7 of 8, voldoen aan de garanties die uit hoofde van die artikelen zijn gesteld.

c) Wat besmettelijke epidydimitis van de ram (B. ovis) betreft, moeten niet gecastreerde fokrammen:

- afkomstig zijn van een bedrijf waar in de laatste twaalf maanden geen gevallen van besmettelijke epidydimitis van de ram (B. ovis) is vastgesteld;

- gedurende 60 dagen voorafgaande aan de verzending permanent op dit bedrijf zijn gehouden;

- tijdens de 30 dagen voorafgaande aan de verzending met negatief resultaat onderworpen zijn geweest aan een serologisch onderzoek overeenkomstig bijlage D of voldoen aan gelijkwaardige gezondheidseisen die volgens de procedure van artikel 15 moeten worden erkend.

d) Op een certificaat dat conform is aan model III van bijlage E, moet worden vermeld dat aan deze eisen is voldaan.

Artikel 7

1. Een Lid-Staat die een verplicht of vrijwillig nationaal bestrijdingsprogramma of een nationaal bewakingsprogramma heeft voor een van de in bijlage B, rubrieken II en III, opgenomen besmettelijke ziekten, welk programma voor zijn gehele grondgebied of een gedeelte daarvan geldt, kan aan de Commissie mededeling doen van dat programma, met vermelding van met name:

- de situatie op het gebied van die ziekte op zijn grondgebied,

- de gronden voor de rechtvaardiging van het programma, met name de belangrijkheid van de ziekte en de kosten-batenanalyse,

- het geografische gebied waar het programma zal worden toegepast,

- de diverse aan de inrichtingen toegekende gezondheidsstatussen, de normen waaraan in elke categorie moet worden voldaan en de testprocedures,

- de controleprocedures waarin in het kader van het programma is voorzien,

- de consequenties die moeten worden getrokken wanneer een bedrijf om een of andere reden zijn status verliest,

- de maatregelen die moeten worden genomen wanneer bij overeenkomstig het programma verrichte controles de resultaten positief blijken.

2. De Commissie onderzoekt de door de Lid-Staten medegedeelde programma's. Zij worden met inachtneming van de criteria van lid 1 goedgekeurd volgens de procedure van artikel 15. Volgens deze zelfde procedure kunnen terzelfder tijd of uiterlijk drie maanden na goedkeuring van de programma's ook de algemene of beperkte aanvullende garanties worden vastgesteld die in het intracommunautaire handelsverkeer kunnen worden geëist. Deze garanties mogen niet strenger zijn dan die welke de Lid-Staat in nationaal verband hanteert.

3. De door de Lid-Staat ingediende programma's kunnen worden gewijzigd of aangevuld volgens de procedure van artikel 15. Volgens deze zelfde procedure kunnen wijzigingen of aanvullingen op een eerder goedgekeurd programma en op de overeenkomstig lid 2 vastgestelde garanties worden goedgekeurd.

4. De overeenkomstig dit artikel goedgekeurde programma's komen in aanmerking voor de communautaire financiering bedoeld in artikel 24 van Beschikking 90/424/EEG

van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (1) voor de aldaar bedoelde ziekten en onder de aldaar gestelde voorwaarden.

Artikel 8

1. Wanneer een Lid-Staat van oordeel is dat hij geheel of gedeeltelijk vrij is van een van de in bijlage B, rubrieken II en III, vermelde ziekten waarvoor schapen en geiten vatbaar zijn, stelt hij de Commissie in het bezit van de nodige bewijsstukken. Die betreffen met name:

- de aard van de ziekte en de wijze waarop de ziekte zich op zijn grondgebied heeft gemanifesteerd,

- de resultaten van de in het kader van een bewakingsprogramma uitgevoerde tests, gebaseerd op een serologisch, microbiologisch of pathologisch en epidemiologisch onderzoek en op het feit dat bij de bevoegde instanties verplicht aangifte van die ziekte moet worden gedaan,

- de looptijd van het bewakingsprogramma,

- eventueel de periode waarin inenting tegen de ziekte is verboden en het geografische gebied waarvoor dat verbod geldt,

- de voorschriften voor de controle op de afwezigheid van de ziekte.

2. De Commissie onderzoekt de door de Lid-Staat ingediende bewijsstukken. De algemene of beperkte aanvullende garanties die in het intracommunautaire handelsverkeer kunnen worden geëist, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 15. Deze garanties mogen niet strenger zijn dan die welke de Lid-Staat in nationaal verband hanteert. Indien de bewijsstukken vóór 1 januari 1992 zijn ingediend, moeten besluiten betreffende de aanvullende garanties vóór 1 juli 1992 worden genomen.

3. De betrokken Lid-Staat stelt de Commissie in kennis van elke wijziging van de in lid 1 genoemde bewijsstukken met betrekking tot de ziekte. In het licht van de medegedeelde informatie kunnen de overeenkomstig lid 2 vastgestelde garanties volgens de procedure van artikel 15 worden gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 9

Schapen en geiten die zich in het handelsverkeer tussen Lid-Staten bevinden, moeten tijdens hun vervoer naar de plaats van bestemming vergezeld gaan van een door een officiële dierenarts ondertekend certificaat overeenkomstig bijlage E (modellen I, II en III) dat op de dag van de in artikel 4, lid 1, onder b), bedoelde inspectie moet zijn opgesteld in ten minste één van de officiële talen van de Lid-Staat van bestemming; de geldigheidsduur van het certificaat bedraagt tien dagen. Het certificaat moet uit één enkel blad bestaan.

Artikel 10

1. De voorschriften van Richtlijn 90/425/EEG zijn met name van toepassing voor wat betreft de controles bij de

oorsprong, de organisatie van de door de Lid-Staat van bestemming te verrichten controles, de aan deze controles te verbinden gevolgen en de tenuitvoerlegging van de vrijwaringsmaatregelen.

2. In bijlage A, rubriek I, van Richtlijn 90/425/EEG wordt de volgende verwijzing toegevoegd:

"Richtlijn 91/68/EEG van de Raad van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten

PB nr. L 46 van 19. 2. 1991, blz. 19.''.

3. In bijlage B, punt A, van Richtlijn 90/425/EEG wordt het eerste streepje geschrapt.

Artikel 11

1. Voor zover dit voor de uniforme toepassing van deze richtlijn nodig is, voeren veterinaire deskundigen van de Commissie in samenwerking met de bevoegde nationale instanties ter plaatse controles uit. De Lid-Staat op het grondgebied waarvan een dergelijke controle wordt uitgevoerd, verleent de deskundigen alle bijstand die nodig is voor het vervullen van hun taak. De Commissie stelt de Lid-Staten in kennis van de resultaten van de verrichte controles.

2. De algemene uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 15.

Volgens dezelfde procedure worden de voorschriften vastgesteld die bij de in dit artikel genoemde controles in acht moeten worden genomen.

Artikel 12

De Lid-Staten die een alternatief controlesysteem toepassen dat voor het verkeer op hun grondgebied van schapen en geiten waarborgen biedt die gelijkwaardig zijn aan die welke in artikel 5 en artikel 6, onder a) en c), worden genoemd, kunnen elkaar, op basis van wederkerigheid, een afwijking toestaan van de in artikel 4, lid 1, onder b), bedoelde inspectie en van de in artikel 9 bedoelde verplichting om een certificaat over te leggen. Zij stellen de Commissie hiervan op de hoogte.

Artikel 13

Vóór 1 januari 1993 worden de bepalingen van deze richtlijn opnieuw bezien in het kader van de voorstellen om de voltooiing van de interne markt te waarborgen, waarover de Raad met gekwalificeerde meerderheid een besluit zal nemen.

Artikel 14

Bijlage A wordt op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen door de Raad gewijzigd.

De bijlagen B, C en D worden volgens de procedure van artikel 15 gewijzigd.

Artikel 15

1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, leidt de voorzitter van het bij Besluit 68/361/EEG (1) ingestelde Permanent Veterinair Comité, hierna "Comité'' genoemd, deze procedure hetzij op eigen initiatief hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van een Lid-Staat, onverwijld in bij het Comité.

2. a) De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt over dat ontwerp advies uit binnen een termijn die door de voorzitter naar gelang van de urgentie wordt vastgesteld. Het advies wordt uitgebracht met de meerderheid die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij de stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité.

b) Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad na verloop van drie maanden na indiening van het voorstel bij de Raad, geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld, behalve in de gevallen waarin de Raad zich met eenvoudige meerderheid van stemmen tegen genoemde maatregelen heeft uitgesproken.

Artikel 16

Volgens de procedure van artikel 15 kan de Commissie voor een periode van drie jaar de overgangsmaatregelen vaststellen die nodig zijn om de overgang naar de bij deze richtlijn ingestelde nieuwe regeling te vergemakkelijken.

Artikel 17

1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om:

ii) twee maanden na de datum van kennisgeving van deze richtlijn te voldoen aan de artikelen 7 en 8, met dien

verstande dat de overeenkomstige nationale bepalingen van toepassing blijven tot de goedkeuring van de programma's en, bij ontstentenis van programma's, tot de onder ii) bedoelde datum;

ii) uiterlijk op 31 december 1992 te voldoen aan de overige bepalingen van deze richtlijn.

2. Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

Artikel 18

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 28 januari 1991.

Voor de Raad

De Voorzitter

J.-C. JUNCKER

(1) PB nr. C 48 van 27. 2. 1989, blz. 21.

(2) PB nr. C 96 van 17. 4. 1989, blz. 187.

(3) PB nr. C 194 van 31. 7. 1989, blz. 9.

(4) PB nr. 121 van 29. 7. 1964, blz. 1977/64.

(5) PB nr. L 224 van 18. 8. 1990, blz. 29.

(1) PB nr. L 315 van 26. 11. 1985, blz. 11.

(2) PB nr. L 224 van 18. 8. 1990, blz. 13.

(1) PB nr. L 302 van 31. 12. 1972, blz. 28.

(1) PB nr. L 224 van 18. 8. 1990, blz. 19.

(1) PB nr. L 255 van 18. 10. 1968, blz. 23.

BIJLAGE A

HOOFDSTUK 1

II. Officieel brucellose (B. melitensis) vrije schapenhouderij of geitenhouderij

A. Verlening van de status

Als officieel brucellose(B. melitensis)vrije schapenhouderij of geitenhouderij wordt beschouwd

1. een bedrijf

a) waarvan alle dieren van de voor brucellose(B. melitensis) vatbare soorten sedert ten minste twaalf maanden vrij zijn van klinische of andere symptomen van brucellose (B. melitensis);

b) waar zich geen schapen of geiten bevinden die tegen brucellose (B. melitensis) zijn ingeënt, tenzij het dieren betreft die ten minste twee jaar geleden voor het laatst zijn ingeënt met het Rev. 1-vaccin of een ander vaccin dat volgens de procedure van artikel 15 van de onderhavige richtlijn is erkend;

c) waar overeenkomstig bijlage C met een tussenpoos van ten minste zes maanden met negatief resultaat twee tests zijn verricht bij alle schapen en geiten op het bedrijf die op het tijdstip van de test ouder waren dan zes maanden; en

d) waar zich na beëindiging van de onder c) bedoelde tests nog slechts schapen of geiten bevinden die op het bedrijf zijn geboren of die afkomstig zijn van een bedrijf dat officieel brucellosevrij is of van een bedrijf dat brucellosevrij is, onder de voorwaarden van punt D,

en waar, nadat de status is verkregen, nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden van punt B;

2. een in een overeenkomstig punt II officieel als brucellosevrij erkende Lid-Staat of een officieel brucellosevrij erkend gebied gelegen bedrijf.

B. Behoud van de status

1. Op de officieel brucellose(B. melitensis)vrije schapenhouderijen en geitenhouderijen die niet gelegen zijn op een gedeelte van het grondgebied dat als officieel brucellose(B. melitensis)vrij is erkend, en waar na de toekenning van de status de dieren worden binnengebracht overeenkomstig het bepaalde onder D, wordt jaarlijks een representatief deel van alle schapen en geiten op dat bedrijf die ouder zijn dan zes maanden, gecontroleerd. Het bedrijf behoudt zijn status indien de tests een negatief resultaat opleveren.

Op elk bedrijf bestaat het representatieve deel van de dieren dat moet worden gecontroleerd, uit:

- alle niet gecastreerde mannelijke dieren, ouder dan zes maanden,

- alle dieren die sedert de vorige controle in het bedrijf zijn opgenomen,

- 25 % van alle geslachtsrijpe en alle melkgevende vrouwelijke dieren, met een minimum van 50 dieren per bedrijf, behalve op bedrijven met minder dan 50 van deze vrouwelijke dieren, waar alle vrouwelijke dieren moeten worden gecontroleerd.

2. Voor een gebied dat niet officieel brucellosevrij is maar waar 99 % van de schapen- of geitenhouderijen officieel brucellose(B. melitensis)vrij zijn verklaard, kan de frequentie van de controle van officieel brucellosevrije bedrijven op drie jaar worden gebracht, mits de bedrijven die niet officieel brucellosevrij zijn, onder officiële controle worden geplaatst of aan een uitroeiingsprogramma worden onderworpen.

C. Vermoeden of uitbraak van brucellose

1. Indien op een officieel brucellosevrije schapenhouderij of geitenhouderij

a) bij een of meer schapen of geiten een vermoedelijke besmetting met brucellose (B. melitensis) wordt geconstateerd, wordt de status van dat bedrijf door de bevoegde instantie ingetrokken. De status kan evenwel voorlopig worden opgeschort indien het dier of de dieren onmiddellijk wordt (worden) geruimd of geïsoleerd, in afwachting van een officiële bevestiging van het bestaan of het niet bestaan van de ziekte;

b) de besmetting met brucellose (B. melitensis) wordt bevestigd, wordt de voorlopige opschorting door de bevoegde instantie slechts ingetrokken indien alle besmette of voor besmetting vatbare dieren worden geslacht en indien twee tests, die overeenkomstig het bepaalde in bijlage C met een tussenpoos van ten minste drie maanden worden verricht bij alle dieren van meer dan zes maanden op het bedrijf, een negatief resultaat opleveren.

2. Indien het in punt 1 bedoelde bedrijf gelegen is in een gebied dat als officieel brucellose

(B. melitensis)vrij is erkend, brengt de betrokken Lid-Staat de Commissie en de andere Lid-Staten onmiddellijk op de hoogte.

De bevoegde instantie van de betrokken Lid-Staat ziet erop toe dat:

a) op het betrokken bedrijf alle besmette en alle voor besmetting vatbare dieren worden geslacht. De betrokken Lid-Staat houdt de Commissie en de andere Lid-Staten op de hoogte van de verdere ontwikkeling van de situatie;

b) een epidemiologisch onderzoek wordt ingesteld en de beslagen die vanuit epidemiologisch oogpunt in verband kunnen worden gebracht met het besmette bestand aan de in punt 1, onder b), bedoelde tests dienen te worden onderworpen.

3. Wanneer de brucellose overeenkomstig punt 2 wordt bevestigd, neemt de Commissie, nadat zij zich een oordeel heeft gevormd over de omstandigheden met betrekking tot de wederuitbraak van brucellose (B. melitensis), indien nodig, volgens de procedure van artikel 15 een besluit tot schorsing of intrekking van de status van dat gebied. Indien de status wordt ingetrokken, is een nieuwe erkenning slechts mogelijk volgens dezelfde procedure.

D. Het opnemen van dieren in een officieel brucellose(B. melitensis)vrije schapenhouderij of geitenhouderij

In een officieel brucellosevrije schapenhouderij of geitenhouderij mogen slechts schapen en geiten worden opgenomen die aan de volgende voorwaarden voldoen. Zij moeten

1. of wel afkomstig zijn uit een officieel brucellosevrije schapenhouderij of geitenhouderij,

2. of wel

- afkomstig zijn uit een brucellosevrij bedrijf,

- individueel zijn geïdentificeerd overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), van deze richtlijn,

- nooit tegen brucellose ingeënt zijn. Indien zij wel ingeënt zijn moet dat meer dan twee jaar geleden zijn. Vrouwelijke dieren die ouder zijn dan twee jaar en die zijn ingeënt voordat zij zeven maanden oud waren, mogen eveneens worden opgenomen, en

- op het bedrijf van oorsprong onder officiële controle zijn geïsoleerd en in die periode overeenkomstig bijlage C met ten minste zes weken tussenpoos twee tests hebben ondergaan met negatief resultaat.

II. Een Lid-Staat of een gebied die (dat) officieel brucellosevrij is

Volgens de procedure van artikel 15 van deze richtlijn kunnen als officieel brucellosevrij worden erkend alle Lid-Staten of gebieden in de zin van artikel 2, punt 10:

1. a) waar ten minste 99,8 % van de schapenhouderijen of geitenhouderijen als officieel brucellosevrij zijn erkend of

b) die voldoen aan de volgende voorwaarden:

iii) de schapen- of geitenbrucellose is sedert ten minste vijf jaar een ziekte die verplicht moet worden aangemeld;

iii) sedert ten minste vijf jaar zijn officieel geen gevallen van schapen- of geitenbrucellose bevestigd;

iii) vaccinatie is sedert ten minste drie jaar verboden; en

c) waarvoor de naleving van deze voorwaarden is geconstateerd volgens de procedure van artikel 15 van de onderhavige richtlijn;

2. waar, wanneer aan de in punt 1 bedoelde voorwaarden is voldaan,

ii) jaarlijks door aselecte controles die hetzij op het bedrijf hetzij in het slachthuis worden uitgevoerd, met een betrouwbaarheid van ten minste 99 % is aangetoond dat minder dan 0,2 % van de bedrijven is geïnfecteerd, dan wel ten minste 10 % van de schapen en de geiten ouder dan zes maanden negatief heeft gereageerd op een van de overeenkomstig bijlage C uitgevoerde tests;

ii) nog altijd wordt voldaan aan de voorwaarden voor erkenning.

HOOFDSTUK 2 Brucellose(B. melitensis)vrije schapenhouderij of geitenhouderij

A. Verlening van de status

Een schapenhouderij of geitenhouderij wordt als brucellose(B.melitensis)vrij beschouwd:

1. indien

a) alle dieren van de voor brucellose (B. melitensis) vatbare soorten op het bedrijf sedert ten minste twaalf maanden vrij zijn van klinische of andere symptomen van brucellose (B. melitensis);

b) alle of sommige schapen en geiten op het bedrijf zijn ingeënt met het Rev. 1-vaccin of met een ander volgens de procedure van artikel 15 van de onderhavige richtlijn erkend vaccin; de ingeënte dieren moeten zijn ingeënt vóórdat zij zeven maanden oud waren;

c) op het bedrijf overeenkomstig bijlage C, met een tussenpoos van ten minste zes maanden, met negatief resultaat twee tests zijn verricht bij alle ingeënte schapen en geiten die op het tijdstip van de test ouder waren dan 18 maanden;

d) op het bedrijf overeenkomstig bijlage C, met een tussenpoos van ten minste zes maanden met een negatief resultaat twee tests zijn verricht bij alle niet ingeënte schapen en geiten die op het tijdstip van de test ouder waren dan zes maanden; en

e) zich op het bedrijf na beëindiging van de onder c) of d) bedoelde tests nog slechts schapen of geiten bevinden die op het bedrijf zijn geboren of die afkomstig zijn van een bedrijf dat officieel brucellosevrij is, onder de voorwaarden van punt D; en

2. waar, nadat de status is verkregen, nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden van punt B.

B. Behoud van de status

Bij een representatief deel van alle schapen en geiten op elk bedrijf wordt jaarlijks een test verricht. Het bedrijf behoudt zijn status alleen indien deze tests een negatief resultaat opleveren.

Op elk bedrijf bestaat het representatieve deel van de dieren dat moet worden gecontroleerd, uit:

- alle niet gecastreerde en niet ingeënte mannelijke dieren ouder dan zes maanden,

- alle niet gecastreerde en ingeënte mannelijke dieren ouder dan 18 maanden,

- alle dieren die sedert de vorige controle in het bedrijf zijn opgenomen,

- 25 % van alle geslachtsrijpe en alle melkgevende vrouwelijke dieren, met een minimum van 50 dieren per bedrijf, behalve op bedrijven met minder dan 50 van deze vrouwelijke dieren; daar moeten alle vrouwelijke dieren worden gecontroleerd.

C. Vermoeden of uitbraak van brucellose

1. Indien op een brucellose(B. melitensis)vrije schapenhouderij of geitenhouderij bij een of meer schapen of geiten een vermoedelijke besmetting met brucellose (B. melitensis) wordt geconstateerd, wordt de status van dat bedrijf opgeschort indien het dier of de dieren onmiddellijk wordt (worden) geruimd of geïsoleerd, in afwachting dat het bestaan of het niet bestaan van de ziekte officieel wordt bevestigd.

2. Indien de besmetting met brucellose (B. melitensis) wordt bevestigd, wordt de voorlopige opschorting slechts ingetrokken indien alle besmette of voor besmetting vatbare dieren worden geslacht en indien, overeenkomstig bijlage C, met een tussenpoos van ten minste drie maanden met negatief resultaat twee tests worden verricht

- bij alle ingeënte dieren ouder dan 18 maanden,

- bij alle niet ingeënte dieren ouder dan zes maanden.

D. Het opnemen van dieren in een brucellose(B. melitensis)vrije schapenhouderij of geitenhouderij

In een brucellose (B. melitensis) vrije schapenhouderij of geitenhouderij mogen slechts de volgende schapen of geiten worden opgenomen:

1. of wel schapen en geiten afkomstig uit een officieel brucellose(B. melitensis)vrije of brucellose(B. melitensis)vrije schapenhouderij of geitenhouderij,

2. of wel, tot het tijdstip van de erkenning van de status van de bedrijven in het kader van de overeenkomstig Beschikking 90/242/EEG (;) goedgekeurde uitroeiingsprogramma's, schapen en geiten afkomstig uit een ander bedrijf dan bedoeld in punt 1, die aan de volgende voorwaarden voldoen. Zij moeten

a) individueel zijn geïdentificeerd overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), van de onderhavige richtlijn;

b) van oorsprong zijn uit een bedrijf waar alle dieren van de voor brucellose (B. melitensis) vatbare soorten sedert ten minste twaalf maanden vrij zijn van klinische of andere symptomen van brucellose (B. melitensis);

c) ii) - in de laatste twee jaar niet zijn ingeënt,

- op het bedrijf van oorsprong oder veterinaire controle zijn geïsoleerd en in die periode, met een tussenpoos van ten minste zes weken, met negatief resultaat twee tests hebben ondergaan overeenkomstig bijlage C, of

ii) met het Rev. 1-vaccin of een ander volgens de procedure van artikel 15 van de onderhavige richtlijn erkend vaccin zijn ingeënt voordat zij zeven maanden oud waren, doch uiterlijk 15 dagen voordat zij in het bedrijf van bestemming worden opgenomen,

E. Wijziging van de status

Een schapenhouderij of geitenhouderij die brucellose(B. melitensis)vrij is kan, na afloop van een termijn van ten minste twee jaar, de status van officieel brucellose(B. melitensis)vrij verkrijgen indien:

a) sedert ten minste twee jaar geen enkel dier op het bedrijf tegen brucellose (B. melitensis) is ingeënt;

b) zonder ond erbreking gedure nde die periode aan de voorwaarden van punt D, onder 2, is voldaan;

c) de dieren ouder dan zes maanden na afloop van het tweede jaar met negatief resultaat een test overeenkomstig bijlage C hebben ondergaan.

(;) PB nr. L 140 van 1. 6. 1990, blz. 123.

BIJLAGE B

I (1)

- Mond- en klauwzeer

- Brucellose (B. melitensis)

- Besmettelijke epidydimitis van de ram (B. ovis)

- Miltvuur

- Rabiës

II (1)

- Scrapie

III

- Agalactie

- Paratuberculose

- Kaasachtige lymfadenitis

- Longadenomatose

- Zwoegerziekte (Maedi Visna)

- Virale caprine artritis encefalitis (CAE)

BIJLAGE C

Tests op brucellose (B. melitensis)

Met het oog op de erkenning van een bedrijf geschiedt de opsporing van brucellose (B. melitensis) door middel van de Bengaals-roodtest of door middel van de in de bijlage bij Beschikking 90/242/EEG beschreven complementbindingsreactie of door middel van elke andere volgens de procedure van artikel 15 van de onderhavige richtlijn erkende methode. De complementbindingsreactie mag alleen worden gebruikt voor tests op individuele dieren.

Wanneer bij deze opsporing door middel van de Bengaals-roodtest meer dan 5 % van de dieren op het bedrijf positief op deze test reageert, wordt op ieder dier van het bedrijf een aanvullende test uitgevoerd door middel van een complementbindingsreactie.

Voor de complementbindingsreactie moet serum dat ten minste 20 ICFT-eenheden per ml bevat als positief worden beschouwd.

De gebruikte antigenen moeten door het nationale laboratorium zijn erkend en moeten zijn geijkt ten opzichte van het tweede internationale standaardserum tegen Brucella abortus.

BIJLAGE D

Officiële test op besmettelijke epidydimitis van de ram (B. ovis)

Complementbindingstest

Het gebruikte specifieke antigeen moet door het nationale laboratorium zijn erkend en moet zijn geijkt ten opzichte van het internationale standaardserum tegen Brucella ovis.

Het te onderzoeken serum (voor dagelijkse controle) moet worden geijkt ten opzichte van het internationale standaardserum tegen Brucella ovis dat is bereid door het Central Veterinary Laboratory te Weybridge, Surrey, Verenigd Koninkrijk.

Indien het serum ten minste 50 internationale eenheden per ml bevat, moet het resultaat als positief worden beschouwd.

BIJLAGE E

MODEL I

GEZONDHEIDSCERTIFICAAT (¹)

voor het handelsverkeer tussen de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap in slachtschapen en slachtgeiten

Land van verzending: .

Bevoegd ministerie: .

Bevoegde gewestelijke dienst: .

III. Aantal dieren: .

III. Identificatie van de dieren

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

III. Herkomst

De dieren

a) zijn geboren op het grondgebied van de Gemeenschap en sedertdien aldaar gefokt, of

b) zijn ingevoerd uit een derde land dat voorkomt op de lijst die is opgesteld overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 72/462/EEG, en voldoen

- aan de veterinairrechtelijke voorwaarden die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 72/462/EEG (2);

- aan de voorwaarden van artikel 7, lid 2, van Richtlijn 90/425/EEG (2).

IV. Bestemming van de dieren

De dieren worden verzonden uit .

(Plaats van verzending)

naar

.

(Plaats van bestemming)

per spoorwagon, vrachtwagen, vliegtuig, schip (2): . (3)

Naam en adres van de afzender: .

.

Naam en adres van de geadresseerde: .

.

IV. Gegevens met betrekking tot de gezondheid

Ondergetekende verklaart dat de hierboven omschreven dieren voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) Zij zijn heden onderzocht en vertonen geen klinische ziekteverschijnselen.

b) Het gaat niet om dieren die in het kader van een programma voor de uitroeiing van een besmettelijke ziekte moeten worden geruimd.

c) Zij zijn niet aangekocht op een bedrijf noch in contact geweest met dieren van een bedrijf waarop om veterinairrechtelijke redenen een verbod rust uit hoofde van artikel 4, lid 1, onder c), van Richtlijn 91/68/EEG.

d) Zij zijn niet onder worpen aan veterinairrechtelijke maatregelen uit hoofde van Richtlijn 85/511/EEG en voldoen aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder d), van Richtlijn 91/68/EEG.

e) Zij zijn aangekocht:

- op een bedrijf (2): . (4);

- op een erkende markt (2): . (4);

- in een derde land (2): . (4).

f) Zij zijn zonder/na (2) in een verzamelcentrum (2), een plaats van inlading (2), een handelaarsstal (2), een erkende grensinspectiepost (2) te hebben verbleven, rechtstreeks vervoerd van

- het bedrijf (2), het bedrijf naar de markt en van de markt (2)

- naar de definitieve plaats van inlading in vervoermiddelen en met bevestigingsvoorzieningen die vooraf zijn gereinigd en met een officieel erkend ontsmettingsmiddel zijn ontsmet en die een doeltreffende bescherming van de gezondheidsstatus van de dieren garanderen.

VI. Dit certificaat is vanaf de datum van inspectie tien dagen geldig.

Gedaan te .,

de .

(Dag van inspectie)

.

(Handtekening van de officiële dierenarts)

Stempel

(Naam in blokletters en functie van de ondertekenaar)

MODEL II

GEZONDHEIDSCERTIFICAAT (¹)

voor het handelsverkeer tussen de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap in mestschapen en mestgeiten

Land van verzending: .

Bevoegd ministerie: .

Bevoegde gewestelijke dienst: .

III. Aantal dieren: .

III. Identificatie van de dieren

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

III. Herkomst

De dieren

a) zijn op het grondgebied van de Gemeenschap geboren en sedertdien aldaar gefokt, of

b) zijn ingevoerd uit een derde land dat voorkomt op de lijst die is opgesteld overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 72/462/EEG, en voldoen

- aan de veterinairrechtelijke voorwaarden die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 72/462/EEG (2),

- aan de voorwaarden van artikel 7, lid 2, van Richtlijn 90/425/EEG (2).

IV. Bestemming van de dieren

De dieren worden verzonden

uit .

(Plaats van verzending)

naar

.

(Plaats van bestemming)

per spoorwagon, vrachtwagen, vliegtuig, schip (2): . (3)

Naam en adres van de afzender: .

.

Naam en adres van de geadresseerde: .

.

IV. Gegevens met betrekking tot de gezondheid

Ondergetekende verklaart dat de hierboven omschreven dieren voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) Zij zijn heden onderzocht en vertonen geen klinische ziekteverschijnselen.

b) Het gaat niet om dieren die in het kader van een nationaal programma voor de uitroeiing van een besmettelijke ziekte moeten worden geruimd.

c) Zij zijn niet aangekocht op een bedrijf noch in contact geweest met dieren van een bedrijf waarop om veterinairrechtelijke redenen een verbod rust uit hoofde van artikel 4, lid 1, onder c), van Richtlijn 91/68/EEG.

d) Zij zijn niet onderworpen aan veterinairrechtlijke maatregelen uit hoofde van Richtlijn 85/511/EEG en voldoen aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder d), van Richtlijn 91/68/EEG.

e) Zij mogen worden opgenomen in een schapenhouderij of geitenhouderij die officieel brucellosevrij, brucellosevrij (2) is overeenkomstig bijlage A, hoofdstuk 1 of 2, punt D, van Richtlijn 91/68/EEG;

f) Zij zijn aangekocht:

- op een bedrijf (2): . (4);

- op een erkende markt (2): . (4);

- in een derde land (2): . (4).

g) Zij zijn zonder/na (2) in een verzamelcentrum (2), een plaats van inlading (2), een handelaarsstal (2), een erkende grensinspectiepost (2) te hebben verbleven, rechtstreeks vervoerd van

- het bedrijf (2), het bedrijf naar de markt en van de markt (2)

- naar de definitieve plaats van inlading in vervoermiddelen en met bevestingsvoorzieningen die vooraf zijn gereinigd en met een officieel erkend ontsmettingsmiddel zijn ontsmet en die een doeltreffende bescherming van de gezondheidsstatus van de dieren garanderen.

VI. Dit certificaat is vanaf de datum van inspectie tien dagen geldig.

Gedaan te .,

de .

(Dag van inspectie)

.

(Handtekening van de officiële dierenarts)

Stempel

(Naam in blokletters en functie van de ondertekenaar)

.

MODEL III

GEZONDHEIDSCERTIFICAAT (¹)

voor het handelsverkeer tussen de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap in fok- of

gebruiksschapen en fok- of gebruiksgeiten

Land van verzending: .

Bevoegd ministerie: .

Bevoegde gewestelijke dienst: .

III. Aantal dieren .

III. Identificatie van de dieren

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

III. Herkomst

De dieren

a) zijn geboren op het grondgebied van de Gemeenschap en sedertdien aldaar gefokt, of

b) zijn ingevoerd uit een derde land dat voorkomt op de lijst die is opgesteld overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 72/42/EEG, en voldoen

- aan de veterinairrechtelijke voorwaarden die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 72/42/EEG (2);

- aan de voorwaarden van artikel 7, lid 2, van Richtlijn 90/425/EEG (2).

IV. Bestemming van de dieren

De dieren worden verzonden uit .

(Plaats van verzending)

naar

.

(Plaats van bestemming)

per spoorwagon, vrachtwagen, vliegtuig, schip (2): . (3)

Naam en adres van de afzender: .

.

Naam en adres van de geadresseerde: .

.

IV. Gegevens met betrekking tot de gezondheid

Ondergetekende verklaart dat de hierboven omschreven dieren voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) Zij zijn heden onderzocht en vertonen geen klinische ziekteverschijnselen.

b) Het gaat niet om dieren die in het kader van een programma door de uitroeiing van een besmettelijke ziekte moeten worden geruimd.

c) Zij zijn niet aangekocht op een bedrijf noch in contact geweest met dieren van een bedrijf waarop om veterinairrechtelijke redenen een verbod rust uit hoofde van artikel 4, lid 1, onder c), van Richtlijn 91/68/EEG.

d) Zij zijn niet onderworpen aan veterinairrechtelijke maatregelen uit hoofde van Richtlijn 85/511/EEG en voldoen aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder d), van Richtlijn 91/68/EEG.

e) Zij voldoen aan de eisen van artikel 6, onder b), van Richtlijn 91/68/EEG wat scrapie betreft.

f) Zij mogen worden opgenomen in een schapenhouderij of geitenhouderij die officieel brucellosevrij, brucellosevrij (2) is overeenkomstig bijlage A, hoofdstuk 1 of 2, punt D, van Richtlijn 91/68/EEG.

g) Indien het niet gecastreerde rammen betreft voldoen zij/voldoen zij niet (2) aan de eisen van artikel 6, onder c), van Richtlijn 91/68/EEG.

h) Voor zover zulks ondergetekende bekend is en volgens de schriftlijke verklaring van de eigenaar zijn zij niet aangekocht op een bedrijf noch in contact geweest met dieren van een bedrijf waar de in artikel 6, onder a), van Richtlijn 91/68/EEG omschreven ziekte in de in dat artikel aangegeven perioden klinisch zijn vastgesteld.

i) Zij zijn aangekocht:

- op een bedrijf (2): . (4);

- op een erkende markt (2): . (4);

- in een derde land (2): . (4).

j) Zij zijn zonder/na (2) in een verzamelcentrum (2), een plaats van inlading (2), een handelaarsstal (2), een erkende grensinspectiepost (2) te hebben verbleven, rechtstreeks vervoerd van

- het bedrijf (2), het bedrijf naar de markt en van de markt (2)

- naar de definitieve plaats van inlading in vervoermiddelen en met bevestigingsvoorzieningen die vooraf zijn gereinigd en met een officieel erkend ontsmettigsmiddel zijn ontsmet en die een doeltreffende bescherming van de gezondheidsstatus van de dieren garanderen.

VI. Dit certificaat is vanaf de datum van inspectie tien dagen geldig.

Gedaan te .,

de .

(Dag van inspectie)

.

(Handtekening van de officiële dierenarts)

Stempel

(1) Een gezondheidscertificaat mag slechts worden afgegeven voor het aantal dieren dat in een zelfde spoorwagon, vrachtwagen, vliegtuig of schip wordt vervoerd en dezelfde bestemming heeft.

(²) Doorhalen indien de vermelding niet van toepassing is.

(3) Bij verzending per spoorwagon of vrachtwagen dient het kenteken te worden vermeld; bij verzending per vliegtuig dient het nummer van de vlucht te worden aangegeven en bij verzending per schip de naam van het schip.

(%) In voorkomend geval de naam van de markt vermelden.

(1) Een gezondheidscertificaat mag slechts worden afgegeven voor het aantal dieren dat in een zelfde spoorwagon, vrachtwagen, vliegtuig of schip wordt vervoerd, afkomstig is van hetzelfde bedrijf en dezelfde bestemming heeft.

(²) Doorhalen indien de vermelding niet van toepassing is.

(3) Bij verzending per spoorwagon of vrachtwagen dient het kenteken te worden vermeld; bij verzending per vliegtuig dient het nummer van de vlucht te worden aangegeven en bij verzending per schip de naam van het schip.

(%) In voorkomend geval de naam van de markt vermelden.

(1) Een gezondheidscertificaat mag slechts worden afgegeven voor het aantal dieren dat in een zelfde spoorwagon, vrachtwagen, vliegtuig of schip wordt vervoerd, afkomstig is van hetzelfde bedrijf en dezelfde bestemming heeft.

(²) Doorhalen indien de vermelding niet van toepassing is.

(3) Bij verzending per spoorwagon of vrachtwagen dient het kenteken te worden vermeld; bij verzending per vliegtuig dient het nummer van de vlucht te worden aangegeven en bij verzending per schip de naam van het schip.

(%) In voorkomend geval de naam van de markt vermelden.

Top