Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31990L0429

Richtlijn 90/429/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften van toepassing op het intracommunautaire handelsverkeer in sperma van varkens en de invoer daarvan

OJ L 224, 18.8.1990, p. 62–73 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 03 Volume 033 P. 180 - 190
Special edition in Swedish: Chapter 03 Volume 033 P. 180 - 190
Special edition in Czech: Chapter 03 Volume 010 P. 172 - 183
Special edition in Estonian: Chapter 03 Volume 010 P. 172 - 183
Special edition in Latvian: Chapter 03 Volume 010 P. 172 - 183
Special edition in Lithuanian: Chapter 03 Volume 010 P. 172 - 183
Special edition in Hungarian Chapter 03 Volume 010 P. 172 - 183
Special edition in Maltese: Chapter 03 Volume 010 P. 172 - 183
Special edition in Polish: Chapter 03 Volume 010 P. 172 - 183
Special edition in Slovak: Chapter 03 Volume 010 P. 172 - 183
Special edition in Slovene: Chapter 03 Volume 010 P. 172 - 183
Special edition in Bulgarian: Chapter 03 Volume 008 P. 87 - 98
Special edition in Romanian: Chapter 03 Volume 008 P. 87 - 98
Special edition in Croatian: Chapter 03 Volume 013 P. 86 - 97

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1990/429/oj

31990L0429

Richtlijn 90/429/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften van toepassing op het intracommunautaire handelsverkeer in sperma van varkens en de invoer daarvan

Publicatieblad Nr. L 224 van 18/08/1990 blz. 0062 - 0072
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 33 blz. 0180
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 33 blz. 0180


RICHTLIJN VAN DE RAAD van 26 juni 1990 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften van toepassing op het intracommunautaire handelsverkeer in sperma van varkens en de invoer daarvan (90/429/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 43,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europese Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat de bepalingen inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens zijn opgenomen in Richtlijn 64/432/EEG (4), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 89/360/EEG (5); dat Richtlijn 72/462/EEG (6), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 89/227/EEG (7), voorts bepalingen bevat inzake veterinairrechtelijke vraagstukken bij de invoer van runderen en varkens uit derde landen;

Overwegende dat het dank zij deze bepalingen, voor wat het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van runderen en varkens uit derde landen betreft, zeker is dat het land van herkomst het in acht nemen van veterinairrechtelijke criteria waarborgt, waardoor het risico van verspreiding van dierziekten bijna volledig kan worden uitgeschakeld; dat er echter een bepaald risico voor verspreiding van deze ziekten bestaat in het geval van handelsverkeer in sperma;

Overwegende dat het in het kader van het beleid van de Gemeenschap tot harmonisatie van de nationale veterinairrechtelijke bepalingen inzake het intracommunautaire handelsverkeer in dieren en de produkten daarvan van nu af aan noodzakelijk is een geharmoniseerde regeling in het leven te roepen voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van sperma van varkens;

Overwegende dat voor het intracommunautaire handelsverkeer in sperma de Lid-Staat waar het sperma wordt gewonnen, gehouden moet zijn te waarborgen dat het sperma wordt gewonnen en behandeld in erkende en onder toezicht staande centra, dat het afkomstig is van dieren met een gezondheids-

status die risico's van verspreiding van dierziekten vermijdt, dat het sperma is gewonnen, behandeld, opgeslagen en vervoerd overeenkomstig normen die het mogelijk maken de gezondheidsstatus te behouden en dat het vergezeld gaat van een gezondheidscertificaat tijdens het vervoer naar het land van bestemming om de naleving van deze waarborgen te verzekeren;

Overwegende dat het uiteenlopende beleid dat in de Gemeenschap wordt gevoerd op het gebied van de vaccinatie tegen bepaalde ziekten, het handhaven rechtvaardigt van de tijdelijke afwijkingen die de Lid-Staten toestaan ten aanzien van bepaalde ziekten een extra bescherming tegen deze ziekten te verlangen;

Overwegende dat met het oog op de invoer in de Gemeenschap van sperma uit derde landen een lijst van derde landen op de grondslag van gezondheidsnormen dient te worden opgesteld; dat, los van het bestaan van deze lijst, de Lid-Staten de invoer van sperma slechts zouden dienen toe te staan indien het sperma afkomstig is van spermacentra die aan bepaalde normen voldoen en die onder officieel toezicht staan; dat bovendien, al naar gelang van de omstandigheden, specifieke veterinairrechtelijke normen voor landen die op de lijst voorkomen dienen te worden vastgesteld; dat voorts, om de naleving van die normen na te gaan, controles ter plaatse gehouden moeten kunnen worden;

Overwegende dat de controlevoorschriften en -procedures van Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (8) in deze richtlijn moeten worden overgenomen;

Overwegende dat, om het overbrengen van bepaalde besmettelijke ziekten te voorkomen, een invoercontrole dient plaats te vinden zodra een partij sperma het grondgebied van de Gemeenschap binnenkomt, behalve indien het gaat om extra douanevervoer;

Overwegende dat een Lid-Staat dient te worden toegestaan spoedmaatregelen te treffen indien zich in een andere Lid-Staat of een derde land besmettelijke ziekten voordoen; dat de gevaren van dergelijke ziekten en de beschermende maatregelen waartoe deze ziekten nopen in de gehele Gemeenschap op dezelfde wijze dienen te worden beoordeeld; dat er te dien einde een communautaire spoedprocedure in het leven dient te worden geroepen, in het kader van het Permanent Veterinair Comité, volgens welke de nodige maatregelen moeten worden getroffen;

Overwegende dat het treffen van bepaalde maatregelen ter uitvoering van deze richtlijn aan de Commissie dient te worden overgelaten; dat daartoe dient te worden voorzien in een procedure waarbij een nauwe en doeltreffende samenwerking tussen de Commissie en de Lid-Staten tot stand wordt gebracht in het kader van het Permanent Veterinair Comité;

Overwegende dat deze richtlijn niet van invloed is op het handelsverkeer in sperma dat is geproduceerd vóór de datum waarop de Lid-Staten aan de richtlijn moeten voldoen,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze richtlijn worden de veterinairrechtelijke voorwaarden vastgesteld waaraan bij het intracommunautaire handelsverkeer in sperma van varkens en de invoer daarvan uit derde landen moet worden voldaan.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze richtlijn zijn, zo nodig, de definities van toepassing die voorkomen in de artikelen 2 van de Richtlijnen 64/432/EEG, 72/462/EEG, 88/407/EEG (9) en 90/425/EEG (10).

Voorts wordt onder "sperma" verstaan: het onbewerkte, bewerkte of verdunde ejaculaat van een als landbouwhuisdier gehouden varken.

HOOFDSTUK II

Intracommunautair handelsverkeer

Artikel 3

Iedere Lid-Staat ziet erop toe dat alleen sperma dat aan de volgende algemene voorwaarden voldoet, voor het handelsverkeer wordt bestemd:

a) het moet verkregen en voor gebruik bij kunstmatige inseminatie behandeld zijn in een overeenkomstig artikel 5, lid 1, voor het intracommunautaire handelsverkeer uit gezondheidsoogpunt erkend spermacentrum;

b)

het moet afkomstig zijn van varkens die qua gezondheidsstatus voldoen aan het bepaalde in bijlage B;

c)

het moet verkregen, behandeld, opgeslagen en vervoerd zijn overeenkomstig het bepaalde in de bijlagen A en C.

Artikel 4

1. Tot en met 31 december 1992 mogen de Lid-Staten waar alle spermacentra uitsluitend dieren bevatten die niet zijn ingeënt tegen de ziekte van Aujeszky en die negatief hebben gereageerd op de serumneutralisatie- of de Elisa-test voor de opsporing van de ziekte van Aujeszky, overeenkomstig deze richtlijn:

- weigeren dat sperma afkomstig van centra die deze status niet bezitten, op hun grondgebied wordt binnengebracht,

- niet weigeren dat sperma afkomstig van beren die in de centra zijn ingeënt met GI-negatief vaccin, wordt toegelaten, op voorwaarde dat:

- deze vaccinatie slechts heeft plaatsgevonden bij beren die voordien seronegatief ten opzichte van het virus van de ziekte van Aujeszky waren, en

- uit uiterlijk drie weken na de vaccinatie op deze beren uitgevoerde serologische tests blijkt dat er geen door het virus van de ziekte opgewekte antistoffen aanwezig zijn.

In dit geval mag een monster van iedere dagelijkse, voor het handelsverkeer bestemde spermagift worden onderworpen aan een virusisolatietest in een erkend laboratorium van de Lid-Staat van bestemming.

Dit lid is alleen van toepassing als de Commissie, volgens de procedure van artikel 18, uiterlijk op 1 juli 1991, met inachtneming van het advies van het Wetenschappelijk Veterinair Comité, protocollen heeft opgesteld voor de voor deze onderzoeken te gebruiken tests, met name wat betreft de frequentie van de in de centra uit te voeren tests, de virusisolatietests en de doelmatigheid en veiligheid van het GI-negatief vaccin.

2. Volgens de procedure van artikel 18 kan worden besloten de toepassing van lid 1 tot een gedeelte van het grondgebied van een Lid-Staat uit te breiden, mits in alle centra binnen dat gedeelte van het grondgebied uitsluitend dieren aanwezig zijn die negatief gereageerd hebben op de serumneutralisatie- of de Elisa-test voor de opsporing van de ziekte van Aujeszky.

3. Vóór 31 december 1992 onderwerpt de Raad dit artikel aan een nieuwe behandeling zulks op basis van een verslag van de Commissie, eventueel vergezeld van voorstellen.

Artikel 5

1. De Lid-Staat op het grondgebied waarvan het spermacentrum gevestigd is, ziet erop toe dat de in artikel 3, onder a), bedoelde erkenning alleen wordt verleend wanneer aan het bepaalde in bijlage A is voldaan en het spermacentrum aan de andere voorschriften van deze richtlijn voldoet.

De Lid-Staat ziet er eveneens op toe dat de officiële dierenarts nagaat of deze voorschriften worden nageleefd. Deze dierenarts stelt voor de erkenning in te trekken indien niet langer aan een of meer van de voorschriften wordt voldaan.

2. Alle erkende spermacentra worden geregistreerd en aan elk centrum wordt een veterinair registratienummer toegekend. Elke Lid-Staat doet de andere Lid-Staten en de Commissie de lijst toekomen van spermacentra met hun veterinaire registratienummer en deelt, in voorkomend geval, mede dat een erkenning is ingetrokken.

3. De algemene voorschriften voor de toepassing van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 18.

Artikel 6

1. De Lid-Staten zien erop toe dat elke partij sperma vergezeld gaat van een door een officiële dierenarts uit de Lid-Staat van herkomst opgesteld gezondheidscertificaat volgens het model in bijlage D.

Dit certificaat moet:

a) zijn opgesteld in ten minste één van de officiële talen van de Lid-Staat van herkomst en in één van de officiële talen van de Lid-Staat van bestemming;

b)

in de oorspronkelijke vorm bij de partij blijven tot de bestemming is bereikt;

c)

slechts uit één blad bestaan;

d)

zijn opgesteld voor één enkele geadresseerde.

2. De Lid-Staat van bestemming kan, afgezien van de in Richtlijn 90/425/EEG bedoelde maatregelen, de nodige maatregelen nemen, afzondering van de partijen daaronder begrepen - mits daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de bruikbaarheid van het sperma -, om met zekerheid te kunnen vaststellen of verdacht sperma al dan niet aangetast is door of besmet is met ziektekiemen.

HOOFDSTUK III

Invoer uit derde landen

Artikel 7

1. De Lid-Staten mogen de invoer van sperma alleen toestaan wanneer dit afkomstig is uit derde landen die voorkomen op een volgens de procedure van artikel 19 vast te stellen lijst. Deze lijst kan overeenkomstig de procedure van artikel 18 worden aangevuld of gewijzigd.

2. Bij de beoordeling of een derde land op de in lid 1 bedoelde lijst mag worden geplaatst, wordt met name rekening gehouden met:

a) de gezondheidsstatus van de veestapel, van andere huisdieren en van het wild in dat land, waarbij met name aandacht moet worden besteed aan exotische dierziekten, alsmede met de gezondheidssituatie in de omgeving van dit land waardoor de diergezondheid in de Lid-Staten in gevaar zou kunnen worden gebracht;

b)

de regelmaat en de snelheid waarmee dit land kennis geeft van de aanwezigheid van door sperma overdraagbare besmettelijke dierziekten op zijn grondgebied, met name ziekten die zijn vermeld in de lijsten A en B van het Internationaal Bureau voor besmettelijke veeziekten;

c)

de voorschriften van dat land met betrekking tot preventie en bestrijding van dierziekten;

d)

de structuur van de veterinaire diensten in dat land en hun bevoegdheden;

e)

de organisatie en de tenuitvoerlegging van preventie en bestrijding van besmettelijke dierziekten;

f)

de waarborgen die dat land ten aanzien van de naleving van deze richtlijn kan geven.

3. De in lid 1 bedoelde lijst en alle daarin aangebrachte wijzigingen worden bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 8

1. Volgens de procedure van artikel 19 wordt een lijst opgesteld van spermacentra van waaruit de Lid-Staten de invoer van sperma uit derde landen kunnen toestaan. Deze lijst kan volgens dezelfde procedure worden gewijzigd of aangevuld.

2. Bij de beoordeling of een spermacentrum in een derde land op de in lid 1 bedoelde lijst mag worden geplaatst, wordt met name rekening gehouden met het in het derde land op de spermawinningssystemen uitgeoefende veterinaire toezicht, met de bevoegdheden van de veterinaire diensten en met het toezicht waaraan de spermacentra zijn onderworpen.

3. Een spermacentrum wordt slechts op de in lid 1 bedoelde lijst geplaatst indien:

a) het gelegen is in een van de landen vermeld op de in artikel 7, lid 1, bedoelde lijst;

b)

het voldoet aan de voorschriften van de hoofdstukken I en II van bijlage A;

c)

het door de veterinaire diensten van het betrokken derde land officieel voor uitvoer naar de Gemeenschap is erkend;

d)

het onder toezicht staat van een dierenarts van het centrum van het betrokken derde land;

e)

het regelmatig en ten minste twee keer per jaar door een officiële dierenarts van het betrokken derde land wordt geïnspecteerd.

Artikel 9

1. Sperma moet afkomstig zijn van dieren die ten minste gedurende de laatste drie maanden voordat het sperma is verkregen, hebben verbleven op het grondgebied van een derde land dat is vermeld in de overeenkomstig artikel 7, lid 1, vastgestelde lijst.

2. Onverminderd artikel 7, lid 1, en lid 1 van het onderhavige artikel, geven de Lid-Staten slechts toestemming voor de invoer van sperma uit een derde land dat in de lijst is vermeld, indien het sperma voldoet aan de veterinairrechtelijke voorschriften die voor de invoer van sperma uit dat land volgens de procedure van artikel 18 zijn vastgesteld.

Bij de vaststelling van de in de eerste alinea bedoelde voorschriften moet rekening worden gehouden met de volgende aspecten:

a) de gezondheidssituatie in het gebied rond het spermacentrum, met een bijzondere verwijzing naar de ziekten die zijn opgenomen in lijst A van het Internationaal Bureau voor besmettelijke ziekten;

b)

de gezondheidsstatus van de dieren in het spermacentrum en de testvoorschriften;

c)

de gezondheidstoestand van het donordier en de testvoorschriften;

d)

de testvoorschriften voor het sperma.

3. Voor de vaststelling van de veterinairrechtelijke eisen worden als referentiebasis de voorschriften gehanteerd die zijn vastgesteld in hoofdstuk II en de overeenkomstige bijlagen. Volgens de procedure van artikel 18 kan voor elk geval afzonderlijk worden besloten om van deze voorschriften af te wijken indien het betrokken derde land soortgelijke gezondheidsgaranties biedt die ten minste gelijkwaardig zijn.

4. Artikel 4 is van toepassing.

Artikel 10

1. De Lid-Staten geven slechts toestemming voor de invoer van sperma tegen overlegging van een gezondheidscertificaat dat is opgesteld en ondertekend door een officiële dierenarts uit het derde land van herkomst.

Dit certificaat moet:

a) zijn opgesteld in ten minste één van de officiële talen van de Lid-Staat van bestemming en in één van de talen van de Lid-Staat waar de in artikel 11 bedoelde invoercontrole wordt verricht;

b)

in de oorspronkelijke vorm bij het sperma blijven tot de bestemming is bereikt;

c)

slechts uit één blad bestaan;

d)

zijn opgesteld voor één enkele geadresseerde.

2. Het gezondheidscertificaat moet overeenkomen met een volgens de procedure van artikel 19 opgesteld model.

Artikel 11

1. De Lid-Staten zien erop toe dat elke partij die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomt, aan een controle wordt onderworpen voordat zij in het vrije verkeer wordt gebracht of onder een douaneregeling wordt geplaatst, en verbieden het binnenbrengen van sperma in de Gemeenschap, indien uit de invoercontrole bij aankomst blijkt dat:

- het sperma niet afkomstig is van het grondgebied van een derde land dat is opgenomen in de overeenkomstig artikel 7, lid 1, opgestelde lijst;

- het sperma niet afkomstig is uit een spermacentrum dat is opgenomen op de in artikel 8, lid 1, bedoelde lijst;

- het sperma afkomstig is van het grondgebied van een derde land van waaruit invoer overeenkomstig artikel 15, lid 2, is verboden;

- het gezondheidscertificaat dat het sperma vergezelt, niet voldoet aan de bij en krachtens artikel 10 gestelde voorwaarden.

Dit lid is niet van toepassing op partijen die het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengekomen en onder een regeling douanevervoer zijn geplaatst om naar een buiten dit gebied gelegen plaats van bestemming te worden gebracht.

Het is echter wel van toepassing indien tijdens het vervoer over het grondgebied van de Gemeenschap van het douanevervoer wordt afgezien.

2. De Lid-Staat van bestemming mag de nodige maatregelen nemen, afzondering van de partijen daaronder begrepen, mits daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de bruikbaarheid van het sperma, om met zekerheid na te gaan of verdacht sperma al dan niet is besmet met ziektekiemen.

3. Indien het binnenbrengen van het sperma om één van de in de leden 1 en 2 aangegeven redenen verboden is en het derde land van uitvoer niet, binnen 30 dagen in geval van diepgevroren, of onmiddellijk in geval van vers sperma, toestemming verleent voor terugzending, mag de bevoegde veterinaire instantie van de Lid-Staat van bestemming opdracht geven het sperma te vernietigen.

Artikel 12

Wanneer een partij sperma waarvoor een Lid-Staat op grond van de in artikel 11, lid 1, bedoelde controle machtiging tot binnenbrengen in de Gemeenschap heeft verleend, naar het grondgebied van een andere Lid-Staat wordt verzonden, moet zij vergezeld gaan van het originele certificaat of een voor echt gewaarmerkte kopie ervan, in beide gevallen naar behoren geviseerd door de bevoegde instantie die voor de overeenkomstig artikel 11 verrichte controle verantwoordelijk was.

Artikel 13

Indien krachtens artikel 11, lid 3, tot vernietigingsmaatregelen wordt besloten, komen de daaraan verbonden kosten ten laste van de verzender, de geadresseerde of van hun lasthebber, zonder vergoeding van staatswege.

HOOFDSTUK IV

Vrijwarings- en controlemaatregelen

Artikel 14

De voorschriften van Richtlijn 90/425/EEG zijn van toepassing, inzonderheid ten aanzien van de controles op de oorsprong, de organisatie van de door de Lid-Staat van bestemming te verrichten controles en het gevolg dat daaraan moet worden gegeven.

Artikel 15

1. Ten aanzien van het intracommunautaire handelsverkeer zijn de vrijwaringsmaatregelen van artikel 10 van Richtlijn 90/425/EEG van toepassing.

2. Indien in een derde land een besmettelijke dierziekte uitbreekt of zich verspreidt die door sperma kan worden overgedragen en waardoor de gezondheid van de veestapel in één van de Lid-Staten in gevaar kan worden gebracht, of indien dit om andere redenen in verband met de diergezondheidssituatie verantwoord zou zijn, verbiedt de Lid-Staat van bestemming, onverminderd het bepaalde in de artikelen 8, 9 en 10, de invoer van sperma, ongeacht of het rechtstreeks dan wel indirect via een andere Lid-Staat wordt ingevoerd en uit het gehele grondgebied van dat derde land of slechts een deel daarvan afkomstig is.

De door de Lid-Staten uit hoofde van de eerste alinea genomen maatregelen en de intrekking daarvan moeten onverwijld ter kennis van de overige Lid-Staten en van de Commissie worden gebracht met vermelding van de gronden waarop die maatregelen berusten.

Volgens de procedure van artikel 18 kan worden besloten dat deze maatregelen moeten worden gewijzigd, inzonderheid met het oog op de cooerdinatie ervan met de door de andere Lid-Staten getroffen maatregelen, dan wel moeten worden ingetrokken.

Indien de in de eerste alinea bedoelde toestand zich voordoet en indien het noodzakelijk blijkt dat ook andere Lid-Staten de uit hoofde van die alinea getroffen en in voorkomend geval overeenkomstig de derde alinea gewijzigde maatregelen toepassen, wordt volgens de procedure van artikel 18 tot de betreffende maatregelen besloten.

Machtiging om de invoer uit het betrokken derde land te hervatten wordt verleend volgens de procedure van artikel 18.

Artikel 16

1. Veterinaire deskundigen van de Commissie kunnen, voor zover de uniforme toepassing van de richtlijn dit vereist, in samenwerking met de bevoegde instanties van de Lid-Staten en van derde landen controles ter plaatse uitvoeren.

Het land van herkomst op het grondgebied waarvan een controle wordt verricht, geeft de deskundigen alle nodige steun voor de uitvoering van hun taak. De Commissie brengt

de Lid-Staat of het betrokken land van herkomst op de hoogte van de uitslag van de verrichte controles.

Het betrokken land van herkomst treft de maatregelen die eventueel noodzakelijk kunnen blijken om met de uitkomst van deze controle rekening te houden. Indien het land van herkomst bovengenoemde maatregelen niet neemt, kan de Commissie, na bestudering van de situatie in het Permanent Veterinair Comité, artikel 6, lid 2, derde alinea, en artikel 5 toepassen.

2. De algemene uitvoeringsbepalingen van dit artikel, met name inzake de frequentie en de wijze van uitvoering van de in lid 1, eerste alinea, bedoelde controles, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 19.

HOOFDSTUK V

Slotbepalingen

Artikel 17

De bijlagen van deze richtlijn worden volgens de procedure van artikel 18 gewijzigd met het oog op de aanpassing aan de ontwikkeling van de techniek.

Artikel 18

1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, leidt de voorzitter deze procedure hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een Lid-Staat onverwijld in bij het bij Besluit 68/361/EEG (11) ingestelde Permanent Veterinair Comité, hierna het "Comité" genoemd.

2. In het Comité worden de stemmen van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig artikel 148, lid 2, van het Verdrag. De voorzitter neemt niet deel aan de stemming.

3. De vertegenwoordiger van de Commissie legt een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt over deze maatregelen advies uit binnen een termijn die de voorzitter kan bepalen naar gelang van de urgentie van de materie. Het spreekt zich uit met een meerderheid van 54 stemmen.

4. De Commissie stelt de maatregelen vast en legt deze, wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité, onmiddellijk ten uitvoer. Wanneer zij niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of bij gebreke van een advies, doet de Commissie onverwijld een voorstel aan de Raad betreffende de te nemen maatregelen. De Raad stelt de maatregelen vast met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien na verloop van een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de datum van indiening van het voorstel bij de Raad, deze geen maatregelen heeft vastgesteld, stelt de

Commissie de voorgestelde maatregelen vast en legt zij deze onmiddellijk ten uitvoer, behalve wanneer de Raad zich met eenvoudige meerderheid van stemmen heeft uitgesproken tegen genoemde maatregelen.

Artikel 19

1. In de gevallen waarin wordt verwezen naar de in dit artikel omschreven procedure, leidt de voorzitter deze procedure, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een Lid-Staat, onverwijld in bij het Comité.

2. In het Comité worden de stemmen van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig artikel 148, lid 2, van het Verdrag. De voorzitter neemt niet deel aan de stemming.

3. De vertegenwoordiger van de Commissie dient een ontwerp in van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt over deze maatregelen advies uit binnen een termijn van twee dagen. Het Comité spreekt zich uit met een meerderheid van 54 stemmen.

4. De Commissie stelt de maatregelen vast en legt deze, wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité, onmiddellijk ten uitvoer. Wanneer zij niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of bij gebreke van een advies, doet de Commissie onverwijld een voorstel aan de Raad betreffende de te nemen maatregelen. De Raad stelt de maatregelen vast met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien na verloop van een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de datum van indiening van het voorstel bij de Raad, deze geen maatregelen heeft vastgesteld, stelt de Commissie de voorgestelde maatregelen vast en legt zij deze onmiddellijk ten uitvoer, behalve wanneer de Raad zich met eenvoudige meerderheid van stemmen heeft uitgesproken tegen genoemde maatregelen.

Artikel 20

1. Deze richtlijn is niet van toepassing op sperma dat vóór 31 december 1991 in een Lid-Staat is verkregen en behandeld.

2. Tot de datum waarop de krachtens de artikelen 8, 9 en 10 genomen besluiten in werking treden, passen de Lid-Staten bij de invoer van sperma uit derde landen geen gunstiger voorwaarden toe dan die welke uit de toepassing van hoofdstuk II voortvloeien.

Artikel 21

De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 1991 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 22

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Luxemburg, 26 juni 1990.

Voor de Raad

De Voorzitter

M. O'KENNEDY

(1) PB nr. C 267 van 6. 10. 1983, blz. 5.

(2) PB nr. C 342 van 19. 12. 1983, blz. 11.

(3) PB nr. C 140 van 28. 5. 1984, blz. 6.

(4) PB nr. 121 van 29. 7. 1964, blz. 1977/64.

(5) PB nr. L 153 van 6. 6. 1989, blz. 29.

(6) PB nr. L 302 van 31. 12. 1972, blz. 28.

(7) PB nr. L 93 van 6. 4. 1989, blz. 25.(8) PB nr. L 395 van 31. 12. 1989, blz. 13.(9) PB nr. L 194 van 22. 7. 1988, blz. 10.

(10) Zie bladzijde 29 van dit Publikatieblad.(11) PB nr. L 255 van 18. 10. 1968, blz. 23.

BIJLAGE A HOOFDSTUK I Voorwaarden voor de erkenning van spermacentra

Spermacentra moeten:

a) onder voortdurend toezicht van een dierenarts van het centrum staan;

b)

de beschikking hebben over ten minste:

iii) stalruimte voor huisvesting en afzondering van de dieren;

iii) voorzieningen voor het verkrijgen van het sperma, een afzonderlijk lokaal voor reiniging en ontsmetting of sterilisatie van de apparatuur daaronder begrepen;

iii) een lokaal voor de behandeling van het sperma, dat zich niet noodzakelijkerwijs op dezelfde plaats dient te bevinden;

iv) een lokaal voor de opslag van het sperma, dat zich niet noodzakelijkerwijs op dezelfde plaats dient te bevinden;

c)

zo zijn gebouwd of geïsoleerd dat contact met dieren buiten het centrum onmogelijk is;

d)

zo zijn gebouwd dat de stalruimte en de voorzieningen voor het verkrijgen, behandelen en opslaan van het sperma gemakkelijk kunnen worden schoongemaakt en ontsmet;

e)

voor de huisvesting van af te zonderen dieren beschikken over voorzieningen die geen rechtstreekse toegang geven tot de gewone stalruimte;

f)

zo zijn ontworpen dat de stalruimte voor huisvesting daadwerkelijk gescheiden is van de ruimte voor de behandeling van het sperma en dat beide ruimten gescheiden zijn van de ruimte voor de spermaopslag.

HOOFDSTUK II Voorschriften inzake het toezicht op de spermacentra

In de spermacentra:

a) moet erop worden toegezien dat daar alleen mannelijke dieren kunnen verblijven van de soorten waarvan sperma wordt verkregen;

b)

moet erop worden toegezien dat er een register, steekkaarten of een andere informatiedrager wordt c.q. worden bijgehouden van alle in de inrichting aanwezige varkens met details over ras, geboortedatum en identificatie van elk dier, en een register, steekkaarten of een andere informatiedrager van alle controles op ziekten en van alle vaccinaties die zijn uitgevoerd, alsmede met gegevens uit het ziekte-/gezondheidsdossier van elk dier;

c)

moet regelmatig en ten minste twee keer per jaar, in het kader van de permanente controle op de naleving van de eisen inzake erkenning en toezicht, een controle worden verricht door een officiële dierenarts;

d)

moet erop worden toegezien dat er geen personen worden toegelaten die daartoe niet gemachtigd zijn. Bovendien moet toegang worden verleend aan daartoe gemachtigde bezoekers op de door de dierenarts van het centrum vastgestelde voorwaarden;

e)

moet technisch bevoegd personeel werkzaam zijn dat een toereikende opleiding heeft gekregen inzake methoden van ontsmetting en gezondheidszorg, om verspreiding van ziekten tegen te gaan;

f)

moet erop worden toegezien dat

iiii) alleen in een erkend centrum verkregen sperma in de erkende centra wordt behandeld en opgeslagen zonder dat het daarbij in contact komt met andere partijen sperma;

iiii)

het verkrijgen, behandelen en opslaan van sperma alleen geschiedt in speciaal daarvoor bestemde ruimten en met inachtneming van de meest stringente gezondheidsvoorschriften;

iiii)

vóór gebruik ieder stuk gereedschap dat bij het verkrijgen en behandelen in contact komt met het sperma of met het donordier, op adequate wijze wordt ontsmet of gesteriliseerd;

iiv)

produkten van dierlijke oorsprong die worden gebruikt bij de behandeling van sperma, toevoegingen of verdunningsmiddelen inbegrepen, van zodanige oorsprong zijn dat zij geen gevaar opleveren voor de gezondheid of vóór gebruik op zodanige wijze worden behandeld dat een dergelijk risico wordt voorkomen;

iiv)

recipiënten voor opslag en transport op adequate wijze worden ontsmet of gesteriliseerd, voordat met het vullen wordt begonnen;

ivi)

het cryogene middel voordien nog niet voor andere produkten van dierlijke oorsprong is gebruikt;

vii)

iedere, al dan niet in afzonderlijke doses verdeelde, spermagift op zodanige wijze wordt gemerkt dat de datum van verkrijging, het ras en de identificatie van het donordier en de naam en het registratienummer van het centrum, voorafgegaan door de naam van het land van oorsprong, in voorkomend geval in de vorm van een code, gemakkelijk zijn vast te stellen; de kenmerken en het model van dit merk worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 19.

BIJLAGE B HOOFDSTUK I Voorwaarden voor het toelaten van dieren in een erkend spermacentrum 1. Voor alle beren die tot een spermacentrum worden toegelaten gelden de volgende eisen:

a) sedert ten minste 30 dagen afgezonderd zijn in ruimten die daarvoor speciaal door de bevoegde instantie van de Lid-Staat zijn erkend en waarin zich slechts beren met ten minste dezelfde gezondheidsstatus bevinden;

b)

vóór het verblijf in de onder a) bedoelde afzonderingsruimten deel hebben uitgemaakt van beslagen of bedrijven

iii) die officieel vrij zijn van klassieke varkenspest,

iii)

die brucellosevrij zijn,

iii)

waarvan in de voorgaande 12 maanden geen tegen mond- en klauwzeer ingeënte dieren deel hebben uitgemaakt,

iv)

die, wat de ziekte van Aujeszky betreft, in de voorgaande 12 maanden geen klinische, serologische of biologische ziektesymptomen hebben vertoond,

iv)

ten aanzien waarvan geen enkel verbod geldt, overeenkomstig de eisen van Richtlijn 64/432/EEG met betrekking tot Afrikaanse varkenspest, vesiculaire varkensziekte, alsmede de ziekte van Teschen en mond- en klauwzeer.

De dieren mogen van tevoren geen deel hebben uitgemaakt van andere beslagen met een mindere gezondheidsstatus;

c)

voor de onder a) genoemde afzonderingsperiode en in de voorafgaande 30 dagen negatief hebben gereageerd op de volgende tests:

iii) een complementbindingsreactie overeenkomstig bijlage C bij Richtlijn 64/432/EEG, voor wat betreft brucellose;

iii)

- een serumneutralisatie- of een Elisa-test met gebruikmaking van alle virale antigenen in geval van niet-ingeënte varkens;

- een Elisa-test voor GI-antigenen in geval van varkens die zijn ingeënt met een GI-negatief vaccin;

iii)

totdat er een communautair beleid inzake de bestrijding van mond- en klauwzeer is ingevoerd, een Elisa-test voor de opsporing van mond- en klauwzeer;

iv)

een Elisa-test of een serumneutralisatietest voor de opsporing van klassieke varkenspest.

De bevoegde instantie kan toestaan dat de onder c) bedoelde controle plaatsvindt in de afzonderingsruimte voor zover de resultaten bekend zijn voordat de onder d) bedoelde afzonderingsperiode van 30 dagen aanvangt;

d)

gedurende de laatste 15 dagen van de onder a) bedoelde afzonderingsperiode van ten minste 30 dagen negatief hebben gereageerd op de volgende tests:

iii) een serumagglutinatietest overeenkomstig de in bijlage C bij Richtlijn 64/432/EEG beschreven procedure, waarbij een brucellatiter van minder dan 30 internationale agglutinatie-eenheden (IU) per milliliter moet blijken en een complementbindingsreactie waarbij een brucellatiter van minder dan 20 EEG-eenheden per milliliter (20 ICFT-eenheden) moet blijken;

iii)

- een serumneutralisatie- of Elisa-test met gebruikmaking van alle virale antigenen in geval van niet-ingeënte varkens;

- een Elisa-test voor GI-antigenen in geval van varkens die zijn ingeënt met een GI-negatief vaccin;

iii)

totdat er een communautair beleid inzake bestrijding van mond- en klauwzeer is ingevoerd, een Elisa-test voor de opsporing van mond- en klauwzeer;

iv)

een microscopische agglutinatietest voor het opsporen van leptospirose (pomona-, grippotyphosa-, tarassovi-, hardjo-, bratislava- en ballum-serumvirussen) of een behandeling tegen leptospirose hebben ondergaan met twee injecties streptomycine met een interval van 14 dagen (25 mg per kilogram levend gewicht).

Blijkt een van bovengenoemde tests positief, dan moet het dier, onverminderd de bepalingen die van toepassing zijn bij het uitbreken van mond- en klauwzeer of varkenspest, onmiddellijk uit de afzonderingsruimte worden verwijderd. Bij collectieve afzondering moet de bevoegde instantie de nodige maatregelen nemen om het mogelijk te maken dat de overblijvende dieren in het spermacentrum worden binnengebracht overeenkomstig het bepaalde in deze bijlage.

2. Alle tests worden verricht in een door de Lid-Staat erkend laboratorium.

3. De dieren mogen slechts tot een spermacentrum worden toegelaten met de uitdrukkelijke toestemming van de dierenarts van het centrum. Al het verkeer van dieren, zowel in- als uitgaand, moet worden geregistreerd.

4. Dieren die in een spermacentrum worden toegelaten, mogen op de dag van toelating geen klinische ziektesymptomen vertonen en moeten, onverminderd punt 5, afkomstig zijn uit in punt 1, onder a), bedoelde afzonderingsruimten die op de dag van verzending officieel aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) zij moeten gelegen zijn in het centrum van een gebied met een straal van 10 km, waar zich sedert ten minste 30 dagen geen enkel geval van mond- en klauwzeer of varkenspest heeft voorgedaan;

b) zij moeten sedert ten minste drie maanden vrij zijn van mond- en klauwzeer en van brucellose;

c)

zij moeten sedert ten minste 30 dagen vrij zijn van de ziekte van Aujeszky alsmede van varkensziekten ten aanzien waarvan overeenkomstig bijlage E bij Richtlijn 64/432/EEG een aangifteplicht geldt.

5. Indien aan de in punt 4 omschreven voorwaarden is voldaan en indien de in hoofdstuk II bedoelde routinetests in de voorafgaande 12 maanden zijn verricht, mogen dieren vanuit een erkend spermacentrum naar een ander centrum met dezelfde gezondheidsstatus worden overgebracht zonder afzondering en zonder tests, voor zover de overbrenging rechtstreeks gebeurt. Het betrokken dier mag niet rechtstreeks of indirect in contact komen met tweehoevige dieren met een mindere gezondheidsstatus en de gebruikte transportmiddelen moeten vóór gebruik zijn ontsmet. Indien de overbrenging van het ene spermacentrum naar het andere tussen Lid-Staten plaatsvindt, geschiedt dit overeenkomstig Richtlijn 64/432/EEG.

HOOFDSTUK II Bij beren in een erkend spermacentrum uit te voeren routinetests 1. Alle beren die in een goedgekeurd spermacentrum verblijven, moeten bij het verlaten van het centrum de onderstaande tests met negatieve resultaten ondergaan:

iii) - een serumneutralisatie- of Elisa-test met gebruikmaking van alle virale antigenen in geval van niet-ingeënte varkens;

- een Elisa-test voor GI-antigenen in geval van varkens die zijn ingeënt met een GI-negatief vaccin;

iii)

totdat er een communautair beleid inzake de bestrijding van mond- en klauwzeer is ingevoerd, een Elisa-test voor de opsporing van mond- en klauwzeer;

iii)

een complementbindingsreactie overeenkomstig bijlage C van Richtlijn 64/432/EEG met betrekking tot brucellose;

iv)

een Elisa-test of een serumneutralisatietest voor de opsporing van klassieke varkenspest.

Bovendien moeten beren die langer dan 12 maanden in het centrum verblijven, uiterlijk 18 maanden na hun toelating worden onderworpen aan de onder i) en iii) bedoelde tests.

2. Alle tests worden verricht in een door de Lid-Staat erkend laboratorium.

3. Indien een van bovengenoemde tests positief uitvalt moet het dier, onverminderd de bepalingen die van toepassing zijn bij het uitbreken van mond- en klauwzeer of varkenspest, worden afgezonderd en mag sinds de laatste negatieve test verkregen sperma niet in het intracommunautaire handelsverkeer worden gebracht.

Sperma van alle andere dieren die in het centrum verblijven sinds de datum waarop de test met het positieve resultaat werd uitgevoerd, moet afzonderlijk worden opgeslagen en mag niet tot het intracommunautaire handelsverkeer worden toegelaten totdat de gezondheidsstatus van het centrum is hersteld.

BIJLAGE C Voorwaarden waaraan in erkende spermacentra verkregen sperma moet voldoen om in het intracommunautaire handelsverkeer te mogen worden gebracht 1. Sperma moet afkomstig zijn van dieren die:

a) geen klinische ziektesymptomen vertonen op de dag waarop het sperma wordt verkregen;

b)

niet tegen mond- en klauwzeer zijn ingeënt;

c)

voldoen aan de eisen van hoofdstuk I van bijlage B;

d)

niet mogen worden gebruikt voor natuurlijke dekking;

e)

verblijven in spermacentra die sedert ten minste drie maanden vóór de distributie vrij zijn geweest van mond- en klauwzeer en die gelegen zijn in het centrum van een gebied met een straal van 10 km waarin zich in ten minste 30 dagen geen geval van mond- en klauwzeer heeft voorgedaan en die bovendien niet gelegen zijn in een verboden gebied dat is afgebakend overeenkomstig het bepaalde in de richtlijnen inzake besmettelijke varkensziekten;

f)

verblijven in spermacentra die in de periode van 30 dagen onmiddellijk voordat het sperma wordt verkregen vrij zijn van varkensziekten ten aanzien waarvan overeenkomstig bijlage E bij Richtlijn 64/432/EEG een aangifteplicht geldt, en van de ziekte van Aujeszky.

2. Een combinatie van efficiënte antibiotica, met name tegen leptospiren en mycoplasmen, moet aan het uiteindelijke verdunde sperma worden toegevoegd. Deze combinatie moet een effect hebben dat tenminste gelijkwaardig is aan de volgende verdunningen:

minimaal 500 IU streptomycine per ml

500 IU penicilline per ml

150 mg lincomycine per ml

300 mg spectinomycine per ml.

Onmiddellijk na de toevoeging van deze antibiotica moet het verdunde sperma minimaal 45 minuten op een temperatuur van ten minste 15 gC worden gehouden.

3. Sperma voor het intracommunautaire handelsverkeer moet aan de volgende voorwaarden voldoen:

ii) het moet vóór verzending overeenkomstig het bepaalde in de hoofdstukken I en II van bijlage A worden opgeslagen;

ii) het moet naar de Lid-Staat van bestemming worden vervoerd in recipiënten die vóór gebruik zijn schoongemaakt, ontsmet of gesteriliseerd en die vóór verzending uit de erkende opslagruimten op adequate wijze zijn verzegeld.

BIJLAGE D

1. Afzender (naam en volledig adres)

3. Geadresseerde (naam en volledig adres)

OPMERKING

a) Voor elke partij sperma wordt een apart certificaat afgegeven

b)

Het origineel van dit certificaat vergezelt de partij tot op de plaats van bestemming

6. Plaats van lading

8. Transportmiddel

9. Plaats en Lid-Staat van bestemming

11. Aantal en codemerk van de spermarecipiënten

GEZONDHEIDSCERTIFICAAT

Nr.ORIGINEEL

2. Lid-Staat van herkomst

4. Bevoegde instantie

5. Bevoegde plaatselijke instantie

7. Naam en adres van het spermacentrum

10. Registratienummer van het spermacentrum

12. Identificatie van het sperma

a) Aantal doses

d) Identificatie van het donordier

b) Datum(a) van verzameling

c) Ras

13. Ondergetekende, officieel dierenarts, verklaart dat:

a) het hierboven omschreven sperma is verzameld, behandeld en opgeslagen onder voorwaarden die voldoen aan de bij Richtlijn 90/429/EEG vastgestelde normen;

b)

het hierboven omschreven sperma van beren is verzameld:

ii) in een spermacentrum waar zich slechts dieren bevinden die niet zijn ingeënt tegen de ziekte van Aujeszky en, overeenkomstig Richtlijn 90/429/EEG, negatief hebben gereageerd op de serumagglutinatietest of de Elisa-test voor de opsporing van de ziekte van Aujeszky (¹),

of

ii)

in een spermacentrum waar bepaalde of alle beren tegen de ziekte van Aujeszky zijn ingeënt met een GI-negatief vaccin, met dien verstande dat deze beren vóór de vaccinatie seronegatief zijn geweest ten opzichte van de ziekte van Aujeszky en die later wederom zijn onderworpen aan een serologisch onderzoek waaruit niet is gebleken dat er antilichamen, veroorzaakt door het virus van de ziekte, aanwezig zijn; in dat geval is het sperma van elke partij onderworpen geweest aan een virusisolatietest van de ziekte van Aujeszky in laboratorium .......................................................................................................... (²), met een negatieve reactie (¹);

c)

het hierboven omschreven sperma is verzonden naar de plaats van inlading in verzegelde recipiënten onder voorwaarden die voldoen aan Richtlijn 90/429/EEG.

Gedaan te .........................................................................................................................., op .

Handtekening: .

Naam en functie (in drukletters): .

.

.

(¹) Zonodig doorhalen.

(²) Naam van het laboratorium overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Richtlijn 90/429/EEG.

Stempel

Top