EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52023XC0609(03)

Mededeling van de Commissie Kennisgeving aan belanghebbenden betreffende de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk en EU-regels op het gebied van staatssteun 2023/C 202/04

C/2023/3680

OJ C 202, 9.6.2023, p. 25–29 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

9.6.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 202/25


MEDEDELING VAN DE COMMISSIE

Kennisgeving aan belanghebbenden betreffende de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk en EU-regels op het gebied van staatssteun

(2023/C 202/04)

Het Verenigd Koninkrijk heeft zich op 1 februari 2020 uit de Europese Unie teruggetrokken en is daarmee een “derde land” geworden (1). Het terugtrekkingsakkoord (2) voorzag in een overgangsperiode die afliep op 31 december 2020. Het terugtrekkingsakkoord voorzag ook, in sommige gevallen, in scheidingsbepalingen aan het eind van de overgangsperiode.

Alle belanghebbenden worden gewezen op de juridische situatie die is ontstaan na het eind van de overgangsperiode (deel A hierna). In deze mededeling worden ook de regels uiteengezet die na het einde van de overgangsperiode (deel B) met betrekking tot Noord-Ierland van toepassing zijn.

A.   Juridische situatie na het eind van de overgangsperiode

1.   Staatssteunprocedures

Sinds het einde van de overgangsperiode is het EU-staatssteuntoezicht niet langer van toepassing op staatssteun die vanaf die datum door het Verenigd Koninkrijk wordt toegekend, tenzij deze invloed heeft op de handel tussen Noord-Ierland en de Europese Unie waarop het Protocol inzake Ierland/Noord-Ierland (“het protocol”) (3)/“Windsor-kader” (4)) van toepassing is. Buiten de specifieke bepalingen van het Windsor-kader (zie hieronder) is de Europese Commissie dus niet langer bevoegd om mogelijke staatssteunmaatregelen die na die datum door het Verenigd Koninkrijk zijn toegekend, te onderzoeken en daarover besluiten te nemen. Bijgevolg zullen belanghebbenden over dergelijke maatregelen geen formele klachten meer kunnen indienen bij de Europese Commissie.

Wat betreft staatssteun die door het Verenigd Koninkrijk is toegekend vóór het eind van de overgangsperiode, zijn de volgende regels van toepassing:

Overeenkomstig artikel 92, lid 1, van het terugtrekkingsakkoord zal de Europese Commissie bevoegd blijven voor lopende procedures (5) ten aanzien van staatssteun die door het Verenigd Koninkrijk is toegekend.

Overeenkomstig artikel 93, lid 1, van het terugtrekkingsakkoord zal de Europese Commissie ook bevoegd blijven om nieuwe administratieve procedures in te leiden ten aanzien van staatsteun die vóór het eind van de overgangsperiode door het Verenigd Koninkrijk is toegekend, indien die procedures van start zijn gegaan binnen vier jaar na het eind van de overgangsperiode.

Overeenkomstig artikel 95, lid 1, van het terugtrekkingsakkoord zijn de besluiten van de Europese Commissie in die gevallen bindend en uitvoerbaar voor het Verenigd Koninkrijk.

Voorts behoudt de Europese Commissie het recht om een zaak voor het Hof van Justitie van de Europese Unie te brengen wegens niet-nakoming van die besluiten gedurende een periode van vier jaar na het eind van de overgangsperiode of, indien dat later is, na de datum van het besluit (6). De arresten van het Hof van Justitie in deze zaken blijven bindend en uitvoerbaar voor het Verenigd Koninkrijk.

Bijgevolg kunnen belanghebbenden de Europese Commissie blijven informeren – met formele klachten of anderszins – over mogelijk onrechtmatige staatssteun die door het Verenigd Koninkrijk is toegekend vóór het eind van de overgangsperiode. Dit geldt ook voor zaken waar die steun pas in een later stadium wordt betaald of anderszins verleend, mits het juridische recht om de steun te ontvangen, aan de begunstigde is verleend vóór het eind van de overgangsperiode.

2.   Materiële staatssteunvoorschriften

Bij wijze van uitzondering is in bepaalde verenigbaarheidscriteria in de staatssteunrichtsnoeren van de Europese Commissie sprake van samenwerking tussen EU-lidstaten en/of een bepaalde EU- of EER-dimensie (7). Sinds het eind van de overgangsperiode wordt het Verenigd Koninkrijk niet langer meegeteld voor die criteria en moeten de lidstaten hiermee terdege rekening houden wanneer op grond van de betrokken bepalingen nieuwe steun wordt toegekend.

B.   regels die van toepassing zijn ten aanzien van Noord-Ierland

1.   Toepassing van de staatssteunregels op grond van artikel 10 van het Windsor-kader

Sinds het einde van de overgangsperiode is het protocol, dat nu bekend staat als het “Windsor-kader”, van toepassing (8). De toepassing van het Windsor-kader is afhankelijk van de periodieke instemming van de Noord-Ierse wetgevende Assemblee, waarbij de initiële periode vier jaar na het einde van de overgangsperiode afloopt (9).

Artikel 10, lid 1, van het Windsor-kader bepaalt het volgende: “De in bijlage 5 bij dit protocol vermelde bepalingen van het recht van de Unie zijn op het Verenigd Koninkrijk van toepassing, onder meer waar het gaat om maatregelen ter ondersteuning van de productie van en handel in landbouwproducten in Noord-Ierland, ten aanzien van maatregelen die van invloed zijn op de handel tussen Noord-Ierland en de Unie waarop dit protocol van toepassing is.”.

Dit betekent dat EU-staatssteunregels van toepassing zullen blijven op de EU-lidstaten en op het Verenigd Koninkrijk wat betreft steun die van invloed is op de handel tussen Noord-Ierland en de Europese Unie waarop het Windsor-kader van toepassing is. Uit andere bepalingen van het Windsor-kader, en met name uit de artikelen 5 en 9 ervan, volgt dat de handel in goederen en op de groothandelsmarkten voor elektriciteit onder het Windsor-kader valt (10).

Wat betreft de productie van en handel in landbouw- en visserijproducten in Noord-Ierland, voorziet artikel 10, lid 2, van het Windsor-kader in een vrijstelling van de toepassing van het Unierecht tot een bepaald maximaal totaal jaarlijks steunniveau, mits een bepaald minimumpercentage van die vrijgestelde steun voldoet aan de bepalingen van bijlage 2 bij de landbouwovereenkomst van de WTO. Dat maximale niveau en minimumpercentage zijn door het Gemengd Comité (Europese Unie en Verenigd Koninkrijk) bepaald bij Besluit nr. 5/2020 van 17 december 2020 (11). Alle maatregelen die worden genomen ter ondersteuning van de productie van en handel in landbouw- en visserijproducten die niet binnen het toepassingsgebied van de vrijstelling vallen en die van invloed zijn op de betrokken handel tussen Noord-Ierland en de Unie, vallen binnen het toepassingsgebied van artikel 10, lid 1, van het het Windsor-kader.

De Europese Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Gerecht (de “rechterlijke instanties van de Unie”) blijven bevoegd voor steun die binnen het toepassingsgebied van artikel 10, lid 1, van het Windsor-kader valt (12).

Op 17 december 2020 heeft de EU een unilaterale verklaring afgelegd in het Gemengd Comité dat belast is met het toezicht op de uitvoering van het terugtrekkingsakkoord. De verklaring luidt als volgt: “Bij het toepassen van artikel 107 VWEU op in artikel 10, lid 1, van het protocol bedoelde situaties zal de Europese Commissie terdege rekening houden met de integrerende plaats van Noord-Ierland in de interne markt van het Verenigd Koninkrijk. De Europese Unie beklemtoont dat een beïnvloeding van het handelsverkeer tussen Noord-Ierland en de Unie waarop dit protocol van toepassing is, hoe dan ook niet louter hypothetisch, vermoed of zonder reëel en rechtstreeks verband met Noord-Ierland kan zijn. Aangetoond moet worden waarom de maatregel die invloed op het handelsverkeer tussen Noord-Ierland en de Unie dreigt te hebben, op basis van de reële voorzienbare effecten van de maatregel.”

Deze verklaring verduidelijkt de toepassing van artikel 10, lid 1, van het protocol, thans het “Windsor-kader” genoemd. De verklaring laat de uitlegging van het begrip “beïnvloeding van het handelsverkeer” door de Unierechter echter onverlet.

De voorwaarden voor het bestaan van een reëel en rechtstreeks verband met Noord-Ierland, op basis van de reële voorzienbare effecten van de maatregel, zijn nader toegelicht in een gezamenlijke verklaring van de Unie en het Verenigd Koninkrijk in het Gemengd Comité van het terugtrekkingsakkoord van 24 maart 2023 over de toepassing van artikel 10, lid 1, van het Windsor-kader:

Deze gezamenlijke verklaring over de toepassing van artikel 10, lid 1, van het Windsor-kader bouwt voort op de unilaterale verklaring van de Unie, waarbij de plaats van Noord-Ierland op de interne markt van het Verenigd Koninkrijk wordt bevestigd en er tegelijkertijd voor wordt gezorgd dat de interne markt van de Unie wordt beschermd. Zij verduidelijkt de toepassingsvoorwaarden van artikel 10, lid 1, van het Windsor-kader door de specifieke omstandigheden te benoemen waarin dat artikel waarschijnlijk zal worden geactiveerd als er in het Verenigd Koninkrijk subsidies worden toegekend, en kan worden gebruikt om die bepaling uit te leggen.

Om een reëel en rechtstreeks verband met Noord-Ierland te kunnen aannemen en zodoende de onder het Windsor-kader vallende handel tussen Noord-Ierland en de Unie te beïnvloeden, moet een maatregel reële voorzienbare gevolgen voor het handelsverkeer hebben. De relevante reële voorzienbare gevolgen moeten materieel zijn en niet louter hypothetisch of vermoed.

Voor maatregelen die worden toegekend aan een begunstigde die in Groot-Brittannië is gevestigd, kunnen factoren die voor de materialiteit van belang zijn, onder meer betrekking hebben op de omvang van de onderneming, de omvang van de subsidie en de aanwezigheid van de onderneming op de relevante markt in Noord-Ierland. Het louter in de handel brengen van goederen op de Noord-Ierse markt volstaat op zichzelf niet als reëel en rechtstreeks verband in de zin van artikel 10, lid 1, van het Windsor-kader, maar maatregelen die aan in Noord-Ierland gevestigde begunstigden worden toegekend, hebben waarschijnlijk eerder materiële gevolgen.

Voor maatregelen die aan in Groot-Brittannië gevestigde begunstigden worden toegekend en die materiële gevolgen hebben, moet verder worden aangetoond dat het economische voordeel van de subsidie geheel of gedeeltelijk zou worden doorgegeven aan een onderneming in Noord-Ierland of via het in de handel brengen van de desbetreffende goederen in Noord-Ierland, bijvoorbeeld door verkoop onder de marktprijs, wil er een rechtstreeks en reëel verband zijn in de zin van artikel 10, lid 1, van het Windsor-kader.”

Zoals bevestigd in de gezamenlijke verklaring, is artikel 10, lid 1, van het Windsor-kader van toepassing op maatregelen die van invloed zijn op de relevante handel tussen Noord-Ierland en de Unie, ongeacht of een begunstigde in Noord-Ierland is gevestigd en/of zelf betrokken is bij de desbetreffende handel.

Het is aan de Europese Commissie om aan te tonen dat een maatregel, op basis van de reële voorzienbare effecten ervan, een voldoende reëel en rechtstreeks verband met Noord-Ierland heeft om binnen de werkingssfeer van artikel 10, lid 1, van het Windsor-kader te vallen. In dit verband zal de Europese Commissie rekening houden met de volgende overwegingen:

Maatregelen die aan in Noord-Ierland gevestigde begunstigden worden toegekend, zullen eerder een reëel en rechtstreeks verband met Noord-Ierland vormen en derhalve artikel 10, lid 1, van het Windsor-kader activeren.

Voor maatregelen die worden toegekend aan begunstigden die in andere delen van het Verenigd Koninkrijk dan Noord-Ierland zijn gevestigd, moet de Europese Commissie aantonen dat er sprake is van een reëel en rechtstreeks verband met Noord-Ierland op basis van de reële voorzienbare effecten van de maatregel:

De Europese Commissie is van mening dat de eventuele gevolgen van een maatregel voldoende materieel moeten zijn om dergelijke reële voorzienbare effecten op de relevante handel tussen Noord-Ierland en de Unie aan te tonen. Om te beoordelen of dit het geval is, zal de Europese Commissie zich baseren op een reeks indicatoren, die met name gebaseerd zijn op de omvang van de onderneming, de omvang van de subsidie en de aanwezigheid van de onderneming op de markt in Noord-Ierland.

De Europese Commissie moet verder aantonen dat een economisch voordeel van de maatregel geheel of gedeeltelijk zou worden doorgegeven aan een onderneming in Noord-Ierlandof via het in de handel brengen van de desbetreffende goederen in Noord-Ierland, bijvoorbeeld door verkoop onder de marktprijs. In dit verband zal de Europese Commissie ook rekening houden met eventuele voorwaarden of kenmerken van de maatregel die moeten voorkomen dat een economisch voordeel wordt doorgegeven.

In het geval van maatregelen ten gunste van dienstverleners moet de Europese Commissie vaststellen dat een voordeel wordt doorgegeven aan ondernemingen die betrokken zijn bij de relevante handel in goederen tussen Noord-Ierland en de Unie. Van eendergelijk indirect voordeel is normaalgezien enkel sprake indien de maatregel zodanig is vormgegeven dat de secundaire effecten daarvan worden doorgeleid naar duidelijk te onderscheiden ondernemingen of groepen van ondernemingen (13).

Ter verduidelijking van het bovenstaande aan de hand van voorbeelden:

Een subsidieregeling die bedoeld is om steun te verlenen aan fabrikanten van goederen die zich in Noord-Ierland bevinden, valt normaal gesproken onder de toepassing van artikel 10, lid 1, van het Windsor-kader, voor zover deze als staatssteun kan worden aangemerkt.

Een subsidie van beperkte omvang die wordt verstrekt aan een kleine onderneming die buiten Noord-Ierland is gevestigd en die op de markt van Noord-Ierland geen significante aanwezigheid heeft, zou normaal gesproken geen effecten hebben die materieel genoeg zijn om aan te geven dat er sprake is van een reëel en rechtstreeks verband met Noord-Ierland op basis van reële voorzienbare effecten.

Voor aanzienlijke subsidies aan grote fabrikanten die in andere delen van het Verenigd Koninkrijk dan Noord-Ierland zijn gevestigd, zal de Europese Commissie beoordelen of er sprake is van een materieel effect op de handel met Noord-Ierland, op basis van een reeks parameters, zoals de aanwezigheid van de begunstigde op de markt in Noord-Ierland. Indien er bovendien een reëel risico bestaat dat een economisch voordeel wordt doorgegeven om de markt in Noord-Ierland te beïnvloeden, is de Europese Commissie waarschijnlijk van oordeel dat artikel 10, lid 1, van het Windsor-kader van toepassing is. De Europese Commissie komt normaal gesproken niet tot deze conclusie als door het ontwerp van de maatregel wordt vermeden dat er een reëel risico bestaat dat het economische voordeel wordt doorgegeven om de markt in Noord-Ierland te beïnvloeden.

Een subsidieregeling ter dekking van bepaalde opleidingskosten van dienstverleners zou normaal gesproken niet onder de toepassing van artikel 10, lid 1, van het Windsor-kader vallen, aangezien zij niet bedoeld is om secundaire effecten te kanaliseren naar identificeerbare ondernemingen of groepen van ondernemingen die betrokken zijn bij de relevante handel tussen Noord-Ierland en de Unie. Een subsidieregeling die bedoeld is om dienstverleners (bv. in de financiële sector) financiële stimulansen te bieden om de kosten van diensten te verlagen voor in Noord-Ierland gevestigde ondernemingen die actief zijn in de handel in goederen tussen Noord-Ierland en de Unie, kan echter leiden tot een indirect voordeel dat aan laatstgenoemden wordt doorgegeven.

2.   Artikel 5, lid 6, van het Windsor-kader

Door het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 5, lid 3, van het Windsor-kader geheven douanerechten worden niet aan de Unie overgemaakt. In artikel 5, lid 6, van het Windsor-kader is bepaald dat het Verenigd Koninkrijk onder bepaalde omstandigheden vrijstelling van tariefschuld kan verlenen of handelaren kan terugbetalen (14). Voor zover deze maatregelen staatssteun vormen en van invloed zijn op het relevante handelsverkeer tussen Noord-Ierland en de Unie, vallen zij onder de bepalingen van artikel 10 van het Windsor-kader inzake staatssteun. Indien de Europese Commissie is aangezocht de verenigbaarheid van dergelijke steunmaatregelen te beoordelen, zal zij in voorkomend geval met de omstandigheden in Noord-Ierland rekening houden (15).

De hier verstrekte toelichting maakt geen aanspraak op volledigheid. Zij hebben tot doel de rechterlijke instanties en de steuntoekennende autoriteiten van de EU-lidstaten en van het Verenigd Koninkrijk houvast te bieden wat betreft de toepassing van het begrip “invloed op de handel tussen Noord-Ierland en de Unie”. Deze mededeling vervangt de vorige kennisgeving aan belanghebbenden, die op 10 februari 2021 is bekendgemaakt.

De website van de Commissie over EU-staatssteunvoorschriften (https://ec.europa.eu/competition/state_aid/overview/index_en.html) bevat algemene informatie over de wet- en regelgeving van de Unie op het gebied van staatssteun. Deze pagina’s zullen zo nodig worden geactualiseerd.


(1)  Een derde land is een land dat geen lid is van de Europese Unie.

(2)  Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB L 29 van 31.1.2020, blz. 7) (hierna “het terugtrekkingsakkoord” genoemd).

(3)  Zie, voor meer details over de staatssteunbepalingen van het Windsor-kader, deel B van deze kennisgeving.

(4)  Overeenkomstig gezamenlijke verklaring nr. 1/2023 van de Unie en het Verenigd Koninkrijk in het Gemengd Comité van het terugtrekkingsakkoord van 24 maart 2023, waarin de regelingen van Besluit nr. 1/2023 van het Gemengd Comité zijn verwerkt, moet het protocol, zoals gewijzigd bij dat besluit van het Gemengd Comité, nu het “Windsor-kader” worden genoemd. Daarom zal, waar van toepassing in de betrekkingen tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk in het kader van het terugtrekkingsakkoord, het protocol, zoals gewijzigd bij Besluit nr. 1/2023 van het Gemengd Comité, conform de vereisten van rechtszekerheid worden aangeduid als het “Windsor-kader”. Het protocol, zoals gewijzigd bij Besluit nr. 1/2023 van het Gemengd Comité, kan ook in het intern recht van de Unie en het Verenigd Koninkrijk als het “Windsor-kader” worden aangeduid.

(5)  Met de term “lopende procedures” worden procedures bedoeld die vóór het eind van de overgangsperiode een intern zaaknummer hebben gekregen (zie artikel 92, lid 3, punt a), van het terugtrekkingsakkoord).

(6)  Zie, onderscheidenlijk, artikel 87, lid 1, en artikel 87, lid 2, van het terugtrekkingsakkoord.

(7)  Zo voorzien bepaalde instrumenten in hogere steunintensiteiten in het geval van grensoverschrijdende samenwerking tussen EU-lidstaten en/of met de Overeenkomstsluitende Partijen bij de EER-Overeenkomst.

(8)  Artikel 185 van het terugtrekkingsakkoord.

(9)  Artikel 18 van het Windsor-kader.

(10)  Zie de artikelen 5 tot en met 9 voor een gedetailleerde toelichting over welke handel onder het Windsor-kader valt. Voor de toepassing van deze mededeling zal een verwijzing naar goederen ook de elektriciteitsmarkt omvatten, voor zover van toepassing.

(11)  Besluit nr. 5/2020 van het Gemengd Comité dat is ingesteld bij het Akkoord over de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van 17 december 2020 tot vaststelling van het initiële maximale vrijgestelde totale jaarlijkse niveau van de steun en het initiële minimumpercentage als bedoeld in artikel 10, lid 2, van het protocol inzake Ierland en Noord-Ierland bij het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB L 443 van 30.12.2020, blz. 13).

(12)  Zie artikel 12, lid 4, van het Windsor-kader.

(13)  Voor het begrip “indirect voordeel” wordt verwezen naar de punten 115 en 116 van de mededeling van de Commissie betreffende het begrip “staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB C 262 van 19.7.2016, blz. 1).

(14)  Het Verenigd Koninkrijk dat rechten geheven ten aanzien van naar Noord-Ierland gebrachte goederen terugbetaalt; het verlenen van vrijstelling (door het Verenigd Koninkrijk) voor douaneschulden ten aanzien van naar Noord-Ierland gebrachte goederen; het vaststellen (door het Verenigd Koninkrijk) van voorwaarden waarop douanerechten worden terugbetaald ten aanzien van goederen “waarvan kan worden aangetoond dat deze niet de Unie zijn binnengekomen”; en het compenseren van ondernemingen om de gevolgen op te vangen van de toepassing van deze bepaling (door het Verenigd Koninkrijk).

(15)  Artikel 5, lid 6, van het Windsor-kader.


Top