Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52019IR0965

Advies van het Europees Comité van de Regio’s — “Naar een duurzaam Europa in 2030 — Follow-up van de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, ecologische omschakeling en de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering”

OJ C 39, 5.2.2020, p. 27–32 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

5.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 39/27


Advies van het Europees Comité van de Regio’s — “Naar een duurzaam Europa in 2030 — Follow-up van de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, ecologische omschakeling en de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering”

(2020/C 39/06)

Rapporteur

:

Sirpa Hertell (FI/EVP), gemeenteraadslid van Espoo

Referentie(s)

:

Discussienota “Naar een duurzaam Europa in 2030” (COM(2019) 22 final)

BELEIDSAANBEVELINGEN

Naar een duurzaam Europa in 2030 — “Er is geen planeet B”

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO’S

1.

wijst op de conclusies van de Raad (1) over het belang van duurzame ontwikkeling en op zijn eigen grote belangstelling om een leidende rol te blijven spelen in de uitvoering van de Agenda 2030, als overkoepelende prioriteit, ten behoeve van de EU-burgers en hun welzijn, en als essentiële factor om de geloofwaardigheid van de EU in Europa en in de wereld te herstellen en verder te versterken.

2.

Het CvdR is verheugd over de hernieuwde dynamiek van het debat over een ambitieus EU-klimaatbeleid en het voorstel voor de “Europese Green Deal”, met aangescherpte EU-doelstellingen voor 2030, aangekondigd door de nieuwe voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen; verder roept het de nieuwe Europese Commissie op om de lokale en regionale overheden als echte partners voor duurzaamheid en klimaatactie te betrekken bij de ontwikkeling van de Green Deal, met als doelstelling klimaatneutraliteit in 2050.

3.

Het is van belang dat er een nieuwe Europese strategie “Naar een duurzaam Europa tegen 2030” wordt vastgesteld, als uitgangspunt voor de toekomst van Europa op lange termijn. Europa is nu al een voorloper op het gebied van duurzaamheid, maar staat voor complexe mondiale uitdagingen, die de Europese Unie moet aanpakken. Het CvdR is ervan overtuigd dat de verwezenlijking van een duurzame Europese Unie, met inbegrip van de doelstelling om tegen 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, fundamentele veranderingen vereist die bewerkstelligd moeten worden door samen te werken op alle bestuursniveaus en met alle delen van onze samenlevingen.

4.

Benadrukt zij dat de belangrijkste grondslagen voor een beleid voor een duurzame en veerkrachtige toekomst onder meer een beslissende overgang naar een circulaire economie omvatten, met inbegrip van niet-toxische materiaalcycli, een vastberaden keuze voor klimaatneutraliteit en aanpassing aan de klimaatverandering, de bescherming van het natuurlijk erfgoed, de biodiversiteit en ecosystemen, duurzame landbouw- en voedselsystemen, coherent en consistent landbouw- en milieubeleid en milieu- en klimaatbeleid, alsook veilige en duurzame koolstofarme energie, gebouwen en mobiliteit, en dat deze transitie wereldwijd naar schatting meer dan 200 miljoen nieuwe banen zal opleveren, voor een waarde van ruim 4 biljoen EUR tegen 2030.

5.

Van belang zijn tevens mensen, nieuwe technologieën, producten, diensten, bedrijfsmodellen en steun voor bedrijven en openbare en particuliere financiering — en alle door de EC gedefinieerde “horizontale” maatregelen die het mogelijk maken om tegen 2030 een duurzaam en veerkrachtig Europa tot stand te brengen.

6.

Gewezen zij op de belangrijke aanbevelingen van het CvdR met betrekking tot de langetermijnstrategie van de EU voor een duurzaam Europa tegen 2030 (2) en de suggesties van de Europese Commissie voor versterking van de rechtsstaat, verbetering van het bestuur van de EU, verbetering van de beleidscoherentie voor duurzame ontwikkeling (PCSD) en het verband tussen de aanpak van betere regelgeving en duurzaamheid.

7.

Agenda 2030 bestaat uit vijf pijlers: vrede, planeet, mensen, welvaart en partnerschap. Dit advies zal zich echter toespitsen op de pijler “planeet”, waarin de strategische visie uiteen wordt gezet om de weg te effenen voor duurzame Europese steden en regio’s in 2030.

Naar een duurzaam Europa in 2030 — Traject voor steden en regio’s

8.

Het CvdR verwelkomt de overgang naar een hulpbronnenefficiënte, koolstofarme, klimaatneutrale en biodiverse economie en benadrukt dat er dringend maatregelen moeten worden genomen en dat regeringen op alle niveaus, economische actoren, universiteiten, onderzoekscentra, het maatschappelijk middenveld en burgers hierbij betrokken moeten worden.

9.

Het Comité roept alle besluitvormers, op alle bestuursniveaus, op om de actieve en vaak innovatieve rol van lokale en regionale overheden, elk met hun eigen bevoegdheden, in het bereiken van de doelstellingen te erkennen, aangezien zij zich in de frontlinie bevinden en verantwoordelijk zijn voor 65 % van de uitvoering van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s) in Europa.

10.

Het Comité onderschrijft het bestaande bewijs dat de SDG-doelstellingen en -implementatie niet via een top-downbenadering alleen kunnen worden bereikt, maar dat vooral bottom-up-activiteiten geboden zijn. Alle regio’s, steden en burgers moeten hierbij worden betrokken als actieve actoren van verandering.

11.

De uitvoering van de SDG’s in heel Europa vergt een alomvattende en systemische aanpak om beleidscoherentie tussen de verschillende dimensies van de SDG’s te waarborgen; alle SDG’s zijn immers onderling met elkaar verbonden en transversaal, en de vier aspecten van duurzame ontwikkeling, dat wil zeggen het economische, ecologische, sociale en culturele element, hangen nauw met elkaar samen en zullen zorgvuldig afgewogen moeten worden.

12.

Benadrukt zij dat zeven van de 17 SDG’s (3) gekoppeld kunnen worden aan de ecologische en de klimaattransitie. SDG 11, met betrekking tot duurzame steden en gemeenschappen, is rechtstreeks gericht tot de lokale en regionale overheden en omvat een aantal belangrijke streefcijfers die politiek optreden op alle niveaus vergen.

13.

Opgemerkt zij dat 70 % van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen is toe te schrijven aan steden en meer dan 70 % van de maatregelen ter beperking van de klimaatverandering en tot 90 % van de klimaataanpassingsmaatregelen wordt door lokale overheden genomen.

14.

Regio’s en steden vervullen een voortrekkersrol op klimaatgebied; samenwerking op verschillende niveaus en meer decentralisatie zijn geboden. Het CvdR roept de EU op om officieel te erkennen dat lokale en regionale overheden een actieve rol spelen bij de uitwerking van beleid en regelgeving voor het tegengaan van en de aanpassing aan de klimaatverandering. Het herhaalt daarom zijn oproep aan de lidstaten om de LRO volledig te betrekken bij het opstellen van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen (NECP’s).

15.

Het is van essentieel belang dat beleidsmaatregelen voor duurzame ontwikkeling op het gebied van klimaat, energie en milieu “gelokaliseerd” en “geterritorialiseerd” worden teneinde de doelstellingen van de Agenda 2030 te realiseren. Europese partnerschappen (4), netwerken van steden en regio’s (5), zoals de “Under2Coalition”, en grensoverschrijdende samenwerking (6) en platforms moeten dan ook worden uitgebouwd om gemeenschappelijke strategieën te ontwikkelen, acties te coördineren, efficiëntere strategieën uit te voeren en middelen te bundelen, met name op het gebied van aanpassing aan en matiging van de klimaatverandering, milieumaatregelen en behoud van biodiversiteit.

Een duurzaam Europa 2030: een circulaire, koolstofarme, klimaatneutrale en biodiverse economie

16.

Het CvdR wil een EU-klimaatveranderingsbeleid dat holistisch is, uitgaande van een systemische aanpak; het EU- beleid is vaak versnipperd over verschillende sectoren en over stedelijke en plattelandsgebieden, en in verschillende categorieën, zoals de handel in emissierechten (ETS), de sector die niet onder de ETS valt, landgebruik, veranderingen in landgebruik en de bosbouw (LULUCF). Het CvdR moedigt de regio’s en steden aan om vóór 2030 de geleidelijke overgang naar een nieuw systemisch model te bevorderen en nieuwe, meer alomvattende oplossingen uit te testen.

17.

Het CvdR steunt de oproep van het Europees Parlement aan de lidstaten om passende beleidsmaatregelen en financiering in te voeren om de emissies op doeltreffende wijze te verminderen. Het wijst erop dat met EU-bijdragen uit de relevante fondsen waar gepast aanvullende steun kan worden geboden. (7)

18.

Nodig zijn een combinatie van passende marktmechanismen, wijzigingen in de belastingheffing, steunmaatregelen, wetgeving en overheidstoezeggingen op het niveau van de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten om voor de niet-ETS-sector klimaatveranderingsinvesteringen aan te trekken die op een kosteneffectieve manier emissiereducties tot stand kunnen brengen. Het CvdR ziet in dit verband uit naar de voorstellen van de nieuwe voorzitter van de Commissie, Ursula von der Leyen, voor een Europese Green Deal en een Europese klimaatbank.

19.

Het CvdR is er echter van overtuigd dat naast het ETS doeltreffende maatregelen om geleidelijk een einde te maken aan directe en indirecte subsidies voor fossiele brandstoffen (zoals de bestaande belastingvrijstellingen voor vliegtuigbrandstof) noodzakelijk zijn om gelijke concurrentievoorwaarden voor hernieuwbare energieën te creëren, gedragsverandering aan te moedigen en de nodige middelen te genereren om een rechtvaardige transitie te ondersteunen. Het is in dit verband ingenomen met de discussie die de nieuwe voorzitter van de Commissie, Ursula von der Leyen, op gang heeft gebracht over koolstofbeprijzing en grenstarieven voor koolstof.

20.

Sterke marktprikkels om de ontwikkeling van nieuwe koolstofputten en duurzame vervangers van materiaal met een grote CO2-voetafdruk door materiaal met een kleine afdruk aan te trekken, zouden een goed idee zijn, alsmede extra inspanningen ter ondersteuning van onderzoek & ontwikkeling om nieuwe CO2-beperkende technologieën en meetmethoden verder te ontwikkelen.

21.

Het CvdR dringt erop aan dat de klimaatdoelstellingen van de EU worden aangescherpt tot een uitvoerbaar niveau overeenkomstig de door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering vastgestelde doelstelling van 1,5 °C en stelt voor een koolstofbudget en andere mechanismen in te voeren om de resterende broeikasgasemissies terug te dringen, alsook om de streefcijfers voor 2030 en 2040 te herzien en af te stemmen op de doelstelling om in 2050 koolstofneutraliteit te bereiken. Daarbij moet de sociale rechtvaardigheid worden gewaarborgd en mag de productiviteit van de lidstaten, noch de internationale samenwerking worden aangetast.

22.

Tijdens het Finse EU-voorzitterschap zou de Commissie samen met het CvdR in een studie kunnen bekijken hoe voor de periode na 2030 een meer systemische oplossing kan worden gepland en uitgevoerd.

23.

Het CvdR moedigt de regio’s en steden aan om vóór 2030 de geleidelijke overgang naar het nieuwe systemische model en nieuwe oplossingen te stimuleren.

24.

De doeltreffendheid en kostenefficiëntie van klimaatmaatregelen moeten de belangrijkste uitgangspunten zijn bij de ontwikkeling van een meer systemische oplossing voor de EU, ook wat betreft maatregelen zoals de uitbreiding en versterking van de regeling voor de handel in emissierechten, terwijl tegelijkertijd de levensduur en de voorspelbaarheid ervan worden verbeterd.

25.

De verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling en het klimaat zal een aanzienlijke verhoging vergen van de investeringen in schone oplossingen. Als bijv. de vereiste broeikasgasemissiereducties tegen 2050 meer dan 90 % zouden bedragen, zou de jaarlijkse schone investering meer dan verdrievoudigd moeten worden ten opzichte van het huidige niveau.

26.

Om de klimaatverandering te beperken zou het emissiehandelssysteem moeten worden uitgebreid en versterkt. Het evenwicht tussen kosten en baten dient echter een leidend beginsel te zijn.

27.

Benadrukt zij het belang en de invloed van Europese lokale en regionale overheden en de sterke rol van de burgers op mondiaal niveau via initiatieven als het mondiaal Burgemeestersconvenant voor klimaat en energie en het VN-forum voor leidinggevenden in steden (SDG 25 + 5) voor het stimuleren van de uitwisseling van goede praktijken om de uitvoering van de SDG’s op lokaal niveau te waarborgen.

28.

Lokale actoren en burgers zijn bij uitstek geschikt om de bewustwording te vergroten en de klimaatverandering te bestrijden. Benadrukt zij ook dat de lokale en regionale overheden de verantwoordelijkheid hebben om maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de burgers conform de SDG’s kunnen leven, maar ook om de burgers te helpen bij hun inzet om die doelstellingen gestalte te geven.

29.

Het CvdR wil zich ervoor inzetten om op de komende internationale fora de stem van lokale en regionale overheden te laten horen, zoals de COP25 van het UNFCCC over klimaatverandering en de COP15 van het VN-VBD over biodiversiteit. Gepleit wordt voor een ambitieus, tijdgebonden, wetenschappelijk onderbouwd mondiaal biodiversiteitskader voor de periode na 2020, geïntegreerd in de SDG’s. Het CvdR roept de partijen op uit te gaan van meerlagig bestuur, waarbij de LRO formeel worden betrokken bij de planning, uitvoering en de monitoring, rapportage en verificatie (MRV). Voorts herhaalt het zijn oproep tot alomvattende strategieën voor gecoördineerde bewustmaking en betrokkenheid op alle niveaus.

In detail: een circulaire, koolstofarme, klimaatneutrale, biodiverse economie en een sociaal billijke transitie

30.

Het CvdR pleit voor de internationale uitwerking van een ambitieus, tijdgebonden, wetenschappelijk gebaseerd kader voor de mondiale circulaire economie en de biodiversiteit van na 2020 dat is afgestemd op en geïntegreerd is in de SDG’s.

31.

Het CvdR is ingenomen met de recente vooruitgang in de EU op het gebied van de overgang naar een circulaire economie, met inbegrip van verbeterd afvalbeheer, maar merkt op dat de financiële en regelgevingskaders op Europees niveau nog steeds doeltreffender moeten worden om de strategie voor de circulaire economie te verwezenlijken. Het verzoekt de Europese Commissie dan ook om, in het kader van het door haar aangekondigde nieuwe actieplan voor de circulaire economie, concrete voorstellen te doen voor de ontbrekende elementen van zo'n samenhangend kader, met inachtneming van de centrale rol van de lokale en regionale overheden, en waarbij met name werk wordt gemaakt van veel middelen vergende sectoren als de bouw en van wijzigingen in het productontwerp. De sociale voordelen van de overgang naar een circulaire economie moeten duidelijker worden benadrukt.

32.

Verheugend is de volgende strategische EU-agenda voor 2019-2024 (8), die onder meer betrekking heeft op duurzame consumptie en productie, de aanpak van de klimaatverandering en het tegengaan van de achteruitgang van het milieu, de overgang naar een circulaire economie met een efficiënter hulpbronnengebruik door bevordering van groene groei, bio-economie en duurzame innovatie, en het aanpakken van de energiezekerheid en de energiekosten voor huishoudens en bedrijven.

33.

Het CvdR bepleit een holistische, plaatsgebonden aanpak van het milieubeleid door middel van multilevel governance, versterking van de rol van steden en regio’s, effectbeoordeling en strategische milieubeoordeling, milieurapportage, toegang tot milieu-informatie en handhaving van de milieuwetgeving.

34.

In de overgang naar een circulaire economie is de rol van regio’s en steden essentieel. “Circulaire regio’s” hebben een geïntegreerde en holistische benadering nodig, zoals naar voren komt uit het CvdR-advies over de richtlijn inzake kunststoffen voor eenmalig gebruik (9).

35.

Het is dringend noodzakelijk de nationale energiemix in de diverse lidstaten aan te passen aan de eisen van de langetermijnstrategie voor decarbonisatie. Dit betekent ook dat het aandeel van hernieuwbare energie, met name in de basislastcapaciteit, tegen 2030 moet worden verhoogd tot boven het huidige EU-streefcijfer van 32 %, om de uitstoot van broeikasgassen drastisch te verminderen.

36.

De publieke en industriële besluitvormers worden verzocht het gebruik van nieuwe strategische energietechnologieën, het SET-plan van de EU, te bespoedigen om de klimaatverandering aan te pakken door de rol van de consumenten te vergroten aan de hand van meer bewustwording en het gebruik van slimme energienetwerken.

37.

Benadrukt zij dat de klimaatverandering aanzienlijke groene en blauwe investeringen en innovatie vereist, hierbij wordt gepleit voor meer synergie tussen de financieringsbronnen en een sterkere koppeling tussen publieke en private financiering voor het milieu. Het Comité verwijst in dit verband ook naar zijn advies over specifieke kwesties voor regio’s die sterk afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen. (10)

38.

Geboden zijn evaluaties of geschiktheidscontroles van bestaande milieuwetgeving inzake water, bodem, geluid en luchtkwaliteit, waarin ook aandacht wordt besteed aan de cruciale noodzaak om de beleidssamenhang in de zin van de SDG’s te verbeteren door het promoten van de circulaire economie, bevordering van duurzame productie en consumptie en aanpak van opkomende verontreinigende stoffen zoals microplastic, farmaceutische en persoonlijke verzorgingsproducten, pesticiden, bijproducten van desinfectie en industriële chemicaliën.

39.

Het CvdR is zeer bezorgd over de ecologische noodsituatie waarin de wereld zich momenteel bevindt, zoals vermeld wordt in de recente Global Assessment on Biodiversity and Ecosystem Services. Het benadrukt dat het verlies aan biodiversiteit de mogelijkheid van veel landen om de SDG’s te verwezenlijken, ondermijnt en spoort daarom steden en regio’s aan om onmiddellijk maatregelen te treffen om de biodiversiteit (11) in diverse sectorale beleidsgebieden op te nemen, waaronder landbouw en stedelijke en regionale ontwikkeling. Daarbij moet, ook op het niveau van de wettelijke verplichtingen, nadrukkelijk gewezen worden op het belang van de doelstellingen inzake biodiversiteit. De Commissie zou steun moeten verlenen aan innovatieve, op de natuur gebaseerde oplossingen en groene infrastructuur die op subnationaal niveau worden ontwikkeld en uitgevoerd om het verlies aan biodiversiteit en de klimaatverandering aan te pakken.

40.

Het CvdR herhaalt zijn pleidooi voor de oprichting van een Europees waarnemingscentrum voor klimaatneutraliteit (12) en benadrukt dat lokale en regionale overheden spelen een actieve rol spelen in de ontwikkeling van waarnemingscentra voor klimaatverandering.

41.

De herschikte drinkwaterrichtlijn dient te worden goedgekeurd om de toegang tot water voor iedereen te waarborgen (hetgeen waarborging van een goede ecologische toestand van waterlichamen vergt), de gezondheidsrisico’s te beperken tot minder dan 1 %, het verbruik van flessenwater te verminderen, geld te besparen en om plastic afval en de CO2-uitstoot te verminderen.

42.

Het CvdR dringt erop aan dat bij de herschikking van de kaderrichtlijn water hetzelfde ambitieniveau wordt aangehouden of zelfs nog een stap verder wordt gegaan, om op die manier de instandhouding en het herstel van waterlichamen en de goede staat van waterecosystemen in de EU te waarborgen.

43.

Het CvdR herhaalt zijn oproep om de doeltreffendheid van het waterbeheer in de EU te verbeteren door de werkingssfeer van de EU-verordening inzake minimumeisen voor waterhergebruik uit te breiden, zodat deze niet alleen van toepassing is op irrigatie in de landbouw, maar ook op irrigatie van groene ruimten in stedelijke gebieden, zoals parken en openbare ruimten. (13)

44.

Door het CvdR ondersteunde territoriale effectbeoordelingen kunnen een nuttig instrument zijn om de potentiële en mogelijk zeer gedifferentieerde gevolgen van wetgeving voor de klimaat-, energie- en ecologische transitie in de verschillende regio’s in de EU in te schatten. In dit verband zou het CvdR zijn samenwerking met de instrumenten voor effectbeoordeling van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek kunnen uitbreiden om zijn activiteiten op dit gebied verder te versterken.

45.

Het beginsel van een rechtvaardige overgang waarbij “niemand wordt vergeten”, is vanuit sociaal, territoriaal en politiek oogpunt een van de uitgangspunten voor de klimaat- en ecologische overgang. In dit verband moet de bestrijding van energiearmoede worden beschouwd als een van de prioriteiten bij het opstellen van beleid en programma’s op energiegebied. Specifieke doelstellingen zijn nodig om deze tegen 2030 terug te dringen en tegen 2050 uit te roeien. (14)

46.

De betrokkenheid van jongeren is van cruciaal belang. Regionale en lokale jeugdraden en jeugdbewegingen dienen te worden betrokken bij de opzet en uitvoering van het klimaat- en SDG-beleid.

47.

De ecologische overgang levert kwalitatief hoogwaardige ondernemingen en banen in de circulaire economie op, alsook in de sectoren schone energie, levensmiddelen en landbouw. Het CvdR roept de EU op om de samenhang van de klimaatdoelstellingen te vergroten door middel van het cohesiebeleid, het Europees Sociaal Fonds (ESF+) en InvestEU, waarbij wordt gewaarborgd dat de uitvoering van de SDG’s lokaal en regionaal plaatsvindt.

Doelstellingen, indicatoren en gegevens

48.

In het kader van een overkoepelende EU-duurzaamheidsstrategie en de duurzaamheidsstrategieën van de lidstaten ter uitvoering van Agenda 2030 zij nogmaals gewezen op de cruciale behoefte aan gezamenlijk overeengekomen concrete mijlpalen, indicatoren en realtime meting van gegevens met betrekking tot klimaatverandering en SDG’s van lokale gemeenten, steden en regio’s om de economische, ecologische, sociale en culturele duurzaamheidsdoelstellingen gestalte te geven.

49.

Er is behoefte aan een reeks kernindicatoren met betrekking tot Agenda 2030 op lokaal en regionaal niveau evenals aan solide subnationale klimaatgegevens en aan het gebruik van nieuwe technologie, zoals kunstmatige intelligentie, om licht te werpen op de klimaatmaatregelen van de lokale gemeenschappen. In dit verband zij opgemerkt dat het belangrijk is om de database van het Burgemeestersconvenant optimaal te benutten en dat het mogelijk is om een brug te slaan tussen lokale en regionale data en nationaal bepaalde bijdragen door lokaal bepaalde bijdragen in te voeren.

50.

Steden en regio’s hebben al ervaring opgedaan met de ontwikkeling van specifieke indicatoren op het gebied van milieu, levenskwaliteit en welzijn van de burgers; het is belangrijk dat deze indicatoren worden toegesneden op de lokale behoeften.

51.

De EU dient op passende wijze kennisoverdracht en co-creatie van kennis, peer-to-peer-, jumelage- en begeleidingsactiviteiten in kaart te brengen, te bevorderen en te financieren.

Maatregelen voor de toekomst

52.

Het CvdR zegt toe zijn eigen processen en praktijken te vernieuwen om de lokale en regionale overheden beter te ondersteunen bij het lokaliseren en uitvoeren van de SDG’s in het kader van de EU-strategie voor duurzame ontwikkeling, en zo tegemoet te komen aan de verzoeken van de burgers om meer actie te ondernemen en concrete resultaten te boeken bij de aanpak van de klimaatverandering.

53.

Er dient meer gebruik te worden gemaakt van publiek-private partnerschappen en groene overheidsopdrachten; voorts moeten er meer proefprojecten komen op het gebied van ecologische transitie en de bestrijding van de klimaatverandering.

54.

Het CvdR is bezorgd over de vrijhandelsovereenkomsten tussen de EU en andere landen en eist dat deze overeenkomsten in overeenstemming zijn met de SDG’s, de Overeenkomst van Parijs en de milieunormen van de EU.

55.

Als afnemers van goederen en diensten en als aanbesteders kunnen lokale en regionale overheden gewicht in de schaal leggen en een belangrijke bijdrage leveren aan een duurzame consumptie en productie, aan een economie waarin minder hulpbronnen worden gebruikt en daarmee aan de verwezenlijking van de SDG’s.

56.

Het CvdR onderschrijft het doel van de Agenda 2030 om te komen tot ecologisch duurzame omstandigheden en processen door de natuurlijke hulpbronnen te verbeteren en de meest kwetsbare ecosystemen te beschermen, en wijst op het belang van subnationale en lokale maatregelen op het gebied van milieu en klimaatverandering, in aansluiting op de beleidscoherentie voor duurzame ontwikkeling. Het CvdR benadrukt gedecentraliseerde samenwerking, partnerschappen met diverse belanghebbenden, het leren en delen van ervaringen bij de verkleining van de voetafdruk van de gebieden ten aanzien van het verbruik van hulpbronnen en de CO2-uitstoot.

57.

Het CvdR is verheugd over de toezegging van het Europees Parlement voor de SDG’s en met name over het manifest van de interfractiewerkgroep Klimaatverandering, biodiversiteit en duurzame ontwikkeling, en roept op tot een vruchtbare samenwerking met de bevoegde commissies en de interfractiewerkgroep tijdens het mandaat 2019-2024.

58.

Deze aanbevelingen dienen in de toekomstige werkzaamheden van de EU-instellingen in het volgende mandaat te worden geïntegreerd, in samenwerking met het CvdR.

Brussel, 8 oktober 2019.

De voorzitter

van het Europees Comité van de Regio’s

Karl-Heinz LAMBERTZ


(1)  Conclusies van de Raad Algemene Zaken “Naar een steeds duurzamere Unie in 2030”, 9.4.2019.

(2)  COR-2019-00239, Duurzame ontwikkelingsdoelstellingen: een basis voor een langetermijnstrategie van de EU voor een duurzaam Europa tegen 2030, ECON-VI/044, rapporteur: Arnoldas Abramavičius (LT/EVP) (PB C 404 van 29.11.2019, blz. 16).

(3)  Zo moet er in 2030 voor iedereen toegang tot veilige en betaalbare huisvesting zijn, een veilig, betaalbaar, toegankelijk en duurzaam vervoer, en een aanzienlijke vermindering van het aantal doden als gevolg van blootstelling aan rampenrisico’s en verontreiniging van lucht en water. Relevant zijn ook de horizontale doelstellingen om burgers meer bij de besluitvorming te betrekken, strategieën voor een geïntegreerde ontwikkeling van steden en plattelandsgebieden en voor sociale integratie uit te werken, en het cultureel erfgoed te beschermen en de milieu-impact van steden per capita te verminderen.

(4)  Bijv. de Klimaat-KIG van het EIT, de Europese Innovatiepartnerschappen, het Energieplatform, EU-partnerschappen voor de stedelijke agenda en het Burgemeestersconvenant voor klimaat en energie.

(5)  Bijv. ERRIN, Eurocities, de Klimaatalliantie en het Burgemeestersconvenant.

(6)  Zoals grensoverschrijdende waarnemingsposten voor klimaatverandering in de Alpen en de Pyreneeën en met name de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS’en).

(7)  Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2019 over klimaatverandering — Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs (2019/2582 (RSP)) (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(8)  COM(2019) 218 final “Europa in mei 2019: voor een meer verenigde, sterkere en meer democratische Unie in een steeds onzekerder wereld”.

(9)  COR-2018-03652 (PB C 461 van 21.12.2018, blz. 210).

(10)  COR-2019-00617. Advies over de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs door middel van een innovatieve en duurzame energietransitie op regionaal en lokaal niveau, ENVE-VI/040, rapporteur Witold Stępień (PL/EVP) (zie bladzijde 72 van dit Publicatieblad).

(11)  VN-milieuprogramma — Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services IPBES in the recent Global Assessment on Biodiversity and Ecosystem Services.

(12)  Zie advies COR-2018-05736 over een schone planeet voor iedereen — Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie; ENVE-VI/037, rapporteur Michele Emiliano (IT/PSE) (PB C 404 van 29.11.2019, blz. 58).

(13)  COR-2019-03645. Advies over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake minimumeisen voor hergebruik van water, ENVE-VI/034, rapporteur: Oldřich Vlasák (CZ/ECR) (PB C 86 van 7.3.2019, blz. 353).

(14)  Zie advies COR-2018-05877 over multilevel governance en sectoroverschrijdende samenwerking ter bestrijding van energiearmoede, ENVE-VI/038, rapporteur Kata Tüttő (HU/PSE) (PB C 404 van 29.11.2019, blz. 53).


Top