Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62019TN0022

Zaak T-22/19: Beroep ingesteld op 11 januari 2019 — Noguer Enríquez e.a./Commissie

OJ C 82, 4.3.2019, p. 65–66 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

4.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 82/65


Beroep ingesteld op 11 januari 2019 — Noguer Enríquez e.a./Commissie

(Zaak T-22/19)

(2019/C 82/77)

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partijen: Roser Noguer Enríquez (Andorra la Vella, Andorra), Ramón Cierco Noguer (Andorra la Vella), Successors D’Higini Cierco García, SA (Andorra la Vella), Cierco Martínez 2 2003, SL (Andorra la Vella) (vertegenwoordigers: J. Álvarez González en S. San Felipe Menéndez, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

Verzoekers verzoeken het Gerecht om overeenkomstig de artikelen 268 en 340, tweede alinea, VWEU akte te nemen van de instelling van een vordering wegens niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese Unie voor schade die door de Europese Commissie in de uitoefening van haar functies is veroorzaakt en, na de passende juridische formaliteiten en het verloop van de betrokken procedure, een arrest te wijzen waarin de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese Unie voor de nalatige en permissieve handelwijze van de Europese Commissie wordt vastgesteld, en verzoekers een schadevergoeding van 50 220 800 EUR wordt toegekend overeenkomstig de berekeningen in het deskundigenrapport bij het verzoekschrift, of subsidiair een schadevergoeding waarvan het bedrag voortvloeit uit het deskundigenrapport van de door het Gerecht aangestelde deskundige, vermeerderd met de wettelijke rente, en verweerster wordt verwezen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoekers volgende middelen aan.

1.

Schending van de monetaire overeenkomst tussen de Europese Unie en het Vorstendom Andorra (hierna: „overeenkomst”) en onjuiste uitvoering door het Vorstendom Andorra — met instemming van de Commissie — van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (1). Met name is de Commissie:

haar verplichting niet nagekomen om de „gedeeltelijke”, voorbarige, het eigenbelang dienende en ontoereikende omzetting van richtlijn 2014/59/EU door het Vorstendom Andorra na te gaan, dat opzettelijk heeft nagelaten om de rechten en waarborgen van aandeelhouders en deposanten op te nemen die door het Unierecht als noodzakelijk tegengewicht in dergelijke interventieprocedures zijn opgelegd en dat zelfs aanvullende discriminerende maatregelen tegen andere aandeelhouders heeft vastgesteld, en

haar verplichting niet nagekomen om het Gemengd Comité en, in voorkomend geval, het Gerecht van de Europese Unie te wijzen op de niet-naleving door het Vorstendom Andorra van de overeenkomst, met name door de onrechtmatige omzetting van richtlijn 2014/59/EU, waardoor verzoekers niet langer eigenaar van hun aandelen zijn, zonder enige rechtvaardiging van het openbare belang, zonder inachtneming van fundamentele beginselen zoals het evenredigheidsbeginsel en zonder enige vorm van schadeloosstelling of compensatie onder de wettelijk vastgestelde voorwaarden. Dit leidt tot een aanzienlijke schending van de hogere beginselen van de rechtsstaat en de grondrechten. Evenmin heeft de Commissie (zelfs tot op heden) de niet-naleving door het Vorstendom Andorra aan de kaak gesteld met het oog op de opzegging van de overeenkomst.

2.

Schending van grondrechten en waarborgen van verzoekers, zoals neergelegd in zowel het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waaronder het recht op eigendom, het recht op behoorlijk bestuur, het recht op doeltreffende rechterlijke bescherming, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.

In dit verband stellen verzoekers dat de niet-nakoming van haar verplichtingen door de Europese Commissie ertoe heeft geleid dat, na de afwikkeling van de Banca Privada de Andorra (hierna: „BPA”), alle aandeelhouders — met inbegrip van verzoekers, die 75,52 % van de aandelen van de vennootschap bezitten — al hun kapitaal hebben verloren, zonder enige vergoeding of mogelijkheid om zich daartegen te verzetten.

Voorts betogen verzoekers dat het stilzitten van de voornaamste hoedster van de overeenkomst ertoe heeft geleid dat verzoekers onder de Andorrese wetgeving niet het recht hebben om na de afwikkeling van de BPA hetzelfde bedrag te ontvangen als hetwelk zij na een gewone insolventie- of faillissementsprocedure zouden hebben verkregen, een recht dat uitdrukkelijk en uitputtend is neergelegd in de regeling van de Europese Unie inzake het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en investeringsmaatschappijen die het Vorstendom Andorra krachtens de overeenkomst in nationaal recht moest omzetten.

Ten slotte is noch het recht van de aandeelhouders om de situatie te laten beoordelen waarin zij zich bevinden na de afwikkeling van een financiële instelling en de eventuele vergoedingen te laten beoordelen die zij hebben ontvangen, noch het recht om zich te verzetten en verweer te voeren tegen het resultaat van de afwikkeling van de instelling, in de Andorrese rechtsorde opgenomen.

3.

Niet-naleving door de Europese Commissie van haar meest wezenlijke plicht uit hoofde van artikel 17 VEU om de eerbiediging en de toepassing van het Unierecht en de Verdragen van de Europese Unie te waarborgen, aangezien zij derde landen heeft toegestaan de bepalingen van het VEU op flagrante wijze te schenden, hetgeen duidelijk afbreuk doet aan de rechtszekerheid, de geloofwaardigheid van de Europese instellingen en het legitieme vertrouwen van de burgers in deze instellingen.

4.

Optreden van de Europese Unie dat een voldoende gekwalificeerde schending inhoudt van de rechtsregels die rechten verlenen aan en/of bescherming bieden aan personen, en dat niet kan worden gerechtvaardigd op grond van de beoordelingsmarge die door deze regels wordt toegekend, noch op grond van de complexiteit of de onnauwkeurigheid ervan. Deze nalatigheid van de Commissie heeft verzoekers specifieke, feitelijke en bepaalde materiële schade berokkend, aangezien er een duidelijk oorzakelijk verband bestaat tussen deze schade en het optreden van de Commissie.

5.

Subsidiair, aansprakelijkheid van de Europese Commissie wegens nalatigheid bij de onderhandelingen over en de ondertekening van de monetaire overeenkomst met het Vorstendom Andorra, die niet voorziet in een geschillen- en/of klachtenregeling voor de betrokken personen.


(1)  PB 2014 L 173, blz. 190.


Top