Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62017CA0625

Zaak C-625/17: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 22 november 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof — Oostenrijk) — Vorarlberger Landes- und Hypothekenbank AG / Finanzamt Feldkirch (Prejudiciële verwijzing — Artikelen 56 en 63 VWEU — Vrij verrichten van diensten en vrij verkeer van kapitaal — Kredietinstellingen — Stabiliteitsheffing en bijzondere bijdrage aan deze heffing, bepaald op basis van het niet-geconsolideerde balanstotaal van de in Oostenrijk gevestigde kredietinstellingen — Opneming van grensoverschrijdende banktransacties — Daarvan uitgesloten transacties van dochterondernemingen in een andere lidstaat — Verschil in behandeling — Beperking — Rechtvaardiging)

OJ C 25, 21.1.2019, p. 11–12 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

21.1.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 25/11


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 22 november 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof — Oostenrijk) — Vorarlberger Landes- und Hypothekenbank AG / Finanzamt Feldkirch

(Zaak C-625/17) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Artikelen 56 en 63 VWEU - Vrij verrichten van diensten en vrij verkeer van kapitaal - Kredietinstellingen - Stabiliteitsheffing en bijzondere bijdrage aan deze heffing, bepaald op basis van het niet-geconsolideerde balanstotaal van de in Oostenrijk gevestigde kredietinstellingen - Opneming van grensoverschrijdende banktransacties - Daarvan uitgesloten transacties van dochterondernemingen in een andere lidstaat - Verschil in behandeling - Beperking - Rechtvaardiging))

(2019/C 25/13)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Verwaltungsgerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Vorarlberger Landes- und Hypothekenbank AG

Verwerende partij: Finanzamt Feldkirch

Dictum

Artikel 56 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling als in het hoofdgeding, op grond waarvan de in Oostenrijk gevestigde kredietinstellingen die, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, diensten verlenen aan hun klanten in andere lidstaten zonder een beroep te doen op in die lidstaten gevestigde vaste inrichtingen, een heffing moeten betalen die wordt vastgesteld op basis van het „gemiddelde niet-geconsolideerde balanstotaal”, dat de banktransacties omvat die door deze instellingen rechtstreeks met onderdanen van andere lidstaten worden verricht, terwijl soortgelijke transacties door dochterondernemingen van in Oostenrijk gevestigde kredietinstellingen niet onder deze regeling vallen wanneer deze dochterondernemingen in andere lidstaten zijn gevestigd.


(1)  PB C 112 van 26.3.2018.


Top