Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52018AE2072

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, de Europese Centrale Bank, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Een moderne begroting voor een Unie die ons beschermt, sterker maakt en verdedigt — Het meerjarig financieel kader 2021-2027 (COM(2018) 321 final) en over het voorstel voor een verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 (COM(2018) 322 final/2 — 2018/0166 (APP)) en over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (COM(2018) 325 final — 2018/0135 (CNS)) en over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de regels en procedures voor de terbeschikkingstelling van de eigen middelen op basis van de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, het emissiehandelssysteem van de Europese Unie en niet-gerecycleerd kunststof verpakkingsafval, en betreffende de maatregelen om in de behoefte van kasmiddelen te voorzien (COM(2018) 326 final — 2018/0131 (NLE)) en over het voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (COM(2018) 327 final — 2018/0132 (APP)) en over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 betreffende de definitieve uniforme regeling voor de inning van de eigen middelen uit de belasting over de toegevoegde waarde (COM(2018) 328 final — 2018/0133 (NLE))

EESC 2018/02072

OJ C 440, 6.12.2018, p. 106–115 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

6.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 440/106


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, de Europese Centrale Bank, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s — Een moderne begroting voor een Unie die ons beschermt, sterker maakt en verdedigt — Het meerjarig financieel kader 2021-2027

(COM(2018) 321 final)

en over het voorstel voor een verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027

(COM(2018) 322 final/2 — 2018/0166 (APP))

en over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie

(COM(2018) 325 final — 2018/0135 (CNS))

en over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de regels en procedures voor de terbeschikkingstelling van de eigen middelen op basis van de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, het emissiehandelssysteem van de Europese Unie en niet-gerecycleerd kunststof verpakkingsafval, en betreffende de maatregelen om in de behoefte van kasmiddelen te voorzien

(COM(2018) 326 final — 2018/0131 (NLE))

en over het voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie

(COM(2018) 327 final — 2018/0132 (APP))

en over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 betreffende de definitieve uniforme regeling voor de inning van de eigen middelen uit de belasting over de toegevoegde waarde

(COM(2018) 328 final — 2018/0133 (NLE))

(2018/C 440/18)

Rapporteur:

Javier DOZ ORRIT

Raadpleging

Europese Commissie, 18.6.2018

Raad van de Europese Unie, 25.7.2018 en 5.9.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

 

 

Bevoegde afdeling

Economische en Monetaire Unie, Economische en Sociale Samenhang

Goedkeuring door de afdeling

7.9.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

19.9.2018

Zitting nr.

537

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

140/3/7

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het EESC erkent de grote Europese toegevoegde waarde van de programma’s waarvoor de uitgaven in het voorstel van de Commissie voor het meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027 het sterkst stijgen. Het EESC plaatst echter vraagtekens bij het feit dat deze stijgingen gepaard gaan met stevige bezuinigingen op het cohesiebeleid (– 10 %) en het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) (– 15 %), als gevolg van de inspanningen om de EU-begroting te verlagen van 1,16 % van het bruto nationaal inkomen (bni) van de EU-27 volgens de huidige begroting naar slechts 1,11 % in het MFK voor de periode na 2020.

1.2.

De EU staat voor grote uitdagingen, waaronder het overwinnen van de negatieve sociale en politieke gevolgen van de crisis en de externe risico’s in verband met geopolitieke instabiliteit en economisch nationalisme. De Unie moet haar vele economische en politieke mogelijkheden benutten voor de bevordering van een geavanceerd en groeigericht economisch, werkgelegenheids- en sociaal beleid dat de eerlijke verdeling van groeiresultaten waarborgt, de dringend noodzakelijke bestrijding van klimaatverandering en de financiering van de overgang naar een duurzaam Europa (conform artikel 3 VEU), en moet gebruikmaken van de kansen die kunstmatige intelligentie, digitalisering en Industrie 4.0 bieden. Dit alles vergt een grotere begrotingsinspanning. Het EESC sluit zich aan bij het Europees Parlement (1) en stelt ook voor om een percentage van 1,3 % van het bni te hanteren als bovengrens voor de inkomsten en uitgaven. Wat vastleggingen betreft, is 1,11 % van het bni van de EU te laag om de politieke agenda van de EU op geloofwaardige wijze te realiseren.

1.3.

Het EESC herhaalt wat het eerder in zijn advies inzake de discussienota over de toekomst van de EU-financiën (2) heeft gezegd, nl. dat de Europese burger behoefte heeft aan méér (en een beter) Europa om uit de politieke crisis in de EU te raken. De bevoegdheden en de financiële middelen die op dit moment zijn toegewezen aan de EU, zijn steeds minder goed afgestemd op de zorgen en verwachtingen van de Europese burgers.

1.4.

Het EESC onderschrijft de verbeteringen die de Commissie beoogt door te voeren in de structuur en flexibiliteit van de begroting en de capaciteit om synergieën te bevorderen, alsook de stijging van het percentage eigen middelen dat de EU mag innen. Maar die stijging is onvoldoende. Wat de inkomsten betreft, heeft de Commissie in haar voorstel voor het MFK voor de periode na 2020 slechts voor een deel rekening gehouden met de voorstellen van de Groep op hoog niveau eigen middelen (hierna „Groep op hoog niveau”) en het Europees Parlement, waarin een bredere waaier aan eigen inkomstenbronnen wordt bepleit.

1.5.

Hoewel het begrip heeft voor de redenen die ten grondslag liggen aan het voorstel van de Commissie, is het EESC het niet eens met de vermindering, tegen constante prijzen, van de middelen voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) met 12 %, en voor het Cohesiefonds met 46 % ten opzichte van de huidige begroting, zoals opgenomen in het voorstel voor het MFK 2021-2027.

1.6.

Het EESC staat niet achter de vermindering van de voorgestelde vastlegging voor het Europees Sociaal Fonds (ESF+) met 6 % in reële termen, met name gelet op de recente interinstitutionele afkondiging van de Europese pijler van sociale rechten (EPSR) en de bevordering van kwaliteitsbanen in november 2017. Overeenkomstig zijn recente advies over de financiering van de Europese pijler van sociale rechten (3) had het EESC verwacht dat de beginselen van de EPSR en de noodzakelijke tenuitvoerlegging ervan, met name op het gebied van werkgelegenheid, een leidraad zouden vormen bij de voorgestelde toewijzing van geplande vastleggingen in het volgende MFK. Er zou een specifiek programma moeten worden opgesteld om de lidstaten te helpen met de tenuitvoerlegging van de Verklaring van Göteborg inzake de Europese pijler van sociale rechten om hen te steunen bij hun inspanningen om hervormingen door te voeren die het scheppen van kwaliteitsbanen in het kader van duurzame ontwikkeling stimuleren.

1.7.

Het EESC is van mening dat de financiering van het cohesiebeleid (het EFRO, het CF en het ESF samen) ongewijzigd moet blijven in het MFK 2021-2027, d.w.z. dat er minstens evenveel middelen voor moeten worden uitgetrokken, tegen constante prijzen, als in het huidige financieel kader.

1.8.

Het EESC stelt met tevredenheid vast dat de Commissie melding maakt van de belangrijkste strategische investeringen die de sleutel vormen tot de toekomstige welvaart van Europa, en het voortouw neemt met betrekking tot de wereldwijde doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (SDG’s). Niettemin is het EESC stellig van mening dat de SDG’s en met name Agenda 2030 een prominentere plaats hadden moeten krijgen, aangezien Agenda 2030 de komende jaren zeker bepalend zal zijn voor de koers die de EU gaat varen.

1.9.

Het EESC erkent de aanzienlijke stijging van de vastleggingen voor milieu- en klimaatactie (+ 46 %). Het EESC draagt het VN-programma voor duurzame ontwikkeling tot 2030 een warm hart toe en staat ook vierkant achter de doelen die de EU zichzelf heeft gesteld om bij te dragen aan de transitie naar een koolstofarme economie tegen 2050, maar constateert een gebrek aan ambitie in de begrotingsonderdelen die bestemd zijn voor de overgang naar duurzame ontwikkeling en de bestrijding van klimaatverandering.

1.10.

Het EESC is van mening dat de introductie van een stabilisatiemechanisme voor investeringen voor landen in de eurozone die te maken hebben met landenspecifieke schokken, weliswaar een stap in de goede richting is, maar dat de geplande vastleggingen voor leninggaranties en voor rentesubsidies voor de bovengenoemde leningen veel te laag zijn om een verschil te kunnen maken tijdens een crisis. Dit unieke en beperkte programma van de mogelijke begroting voor de eurozone maakt geen deel uit van de EMU-hervormingsstrategieën die in het MFK voor de periode na 2020 worden genoemd.

1.11.

Het EESC plaatst vraagtekens bij de voorgestelde bezuinigingen op de geplande vastleggingen voor het GLB (– 15 % in reële termen voor de EU-27, met inbegrip van het EOF in 2021-2027, afgezet tegen 2014-2020). Met deze bezuinigingen zal het onmogelijk zijn om een model van duurzame plattelandsontwikkeling — een algemene doelstelling van de nieuwe GLB-hervorming — en andere doelstellingen uit de recente mededeling van de Commissie over de toekomst van voeding en landbouw ten uitvoer te leggen.

1.12.

Het EESC prijst de Commissie om het voorstel voor een reeks nieuwe eigen middelen. Tegelijkertijd is het van mening dat de huidige voorstellen waarschijnlijk niet zullen resulteren in voldoende autonome, transparante en billijke eigen middelen. Het EESC is er evenwel voorstander van om het stelsel spoedig op samenhangende wijze te hervormen teneinde het aandeel eigen middelen in de ontvangsten te vergroten en ervoor te zorgen dat de wijze van inning van ontvangsten de EU-beleidsdoelstellingen aanvult en versterkt. Deze hervorming moet gebaseerd zijn op de aanbevelingen van de Groep op hoog niveau en het Europees Parlement. De Europese instellingen dienen zich wel te realiseren dat het operationeel maken van al deze eigen middelen in de periode 2021-2027 een complexe aangelegenheid zal zijn.

1.13.

Het EESC verwelkomt het voorstel om de kortingen (of cheques) voor landen die grote bijdragen hebben geleverd aan de financiering van de EU-begroting, te schrappen.

1.14.

Het EESC steunt het voorstel om de ontvangst van EU-middelen door de lidstaten afhankelijk te stellen van de eerbiediging van het beginsel van de rechtsstaat, een fundamentele pijler van de waarden van de Unie volgens artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en meent dat deze voorwaarde zou kunnen worden uitgebreid naar de andere beginselen met betrekking tot de rechtsstaat die zijn vervat in de EU-Verdragen. Het EESC verzoekt de Commissie en het Parlement dan ook om deze mogelijkheid te onderzoeken.

1.15.

Het EESC is ingenomen met de steun voor investeringen die via de InvestEU-garantie wordt verstrekt en met de beoogde betrokkenheid van andere partners, zoals nationale stimuleringsbanken en -instellingen of internationale financiële instellingen (bijv. de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, EBWO), maar vindt het jammer dat de middelen alleen voldoende zullen zijn om de eerdere kredietverlening door de EIB (4) op peil te houden en geen rekening houden met het grote investeringstekort in de EU. Het EESC pleit ook voor wijzigingen in de werking van InvestEU om ervoor te zorgen dat relatief meer middelen worden toegewezen aan de landen met de laagste inkomens. Het moet een duidelijk doel van EU-programma’s zijn om convergentie te stimuleren, niet divergentie.

1.16.

Het EESC is bezorgd dat een strikte uitlegging van de voorwaarden van het stabiliteits- en groeipact en andere macro-economische voorwaarden en van de cofinancieringsvereisten voor de fondsen voor het cohesiebeleid de toegang tot deze financiering moeilijk maakt voor de EU-lidstaten die deze middelen het hardst nodig hebben.

1.17.

Het EESC is ingenomen met de voorgestelde forse toename van programma’s voor onderzoek naar en ontwikkeling van de digitale economie en samenleving, en benadrukt dat er een duidelijke strategie nodig is om innovatie te combineren met een Europees duurzaam industriebeleid gebaseerd op kwaliteitsbanen, onder meer door de samenwerking tussen academici, bedrijfsleven, sociale partners en maatschappelijke organisaties te vergemakkelijken.

1.18.

Het EESC is ingenomen met de voorgestelde wijzigingen waaronder de aanzienlijke stijgingen in reële termen voor programma’s in de rubrieken Migratie en grensbeheer en Nabuurschap en internationaal beleid. Er moet nodig een gemeenschappelijk asielbeleid worden aangenomen dat gebaseerd is op naleving van het internationale recht en op solidariteit met vluchtelingen en tussen staten onderling. Maar ook de vaststelling van een Europees migratiebeleid is dringend geboden. Aan deze vraagstukken moet extra aandacht worden besteed bij de tenuitvoerlegging van het MFK.

1.19.

Het EESC herhaalt dat het Europees semester centraal moet staan in de tenuitvoerlegging van de EU-begroting en dat daarbij zo veel mogelijk gebruik moet worden gemaakt van de flexibiliteit van het nieuwe MFK. De sociale partners en het maatschappelijk middenveld zullen nauwer bij het Europees semester moeten worden betrokken om de richtsnoeren van het semester doeltreffender en democratischer ten uitvoer te leggen en om het nationale en het Europese domein met elkaar te verbinden.

1.20.

Het EESC dringt er bij de Europese instellingen en de regeringen van de lidstaten op aan om de werkzaamheden in verband met het MFK voor de periode na 2020 op te voeren, zodat het MFK volgens plan vóór de volgende Europese verkiezingen kan worden goedgekeurd.

2.   Het door de Commissie voorgestelde meerjarig financieel kader 2021-2027

2.1.

Dit EESC-advies heeft betrekking op het pakket dat op 2 mei 2018 werd voorgesteld door de Commissie. Dit pakket omvat een mededeling over het MFK (5), vier voorstellen voor vier verordeningen van de Raad (6) en een voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen (7).

2.2.

Het voorgestelde plafond voor vastleggingskredieten bedraagt 1 135 miljard EUR voor 2021-2027 (in prijzen van 2018, met inbegrip van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF)), wat overeenkomt met 1,11 % van het bni. Dit is een stijging ten opzichte van de 1 082 miljard EUR (de bijdrage van het VK uitgezonderd) of 1,16 % van het bni (het VK uitgezonderd) voor de periode 2014-2020. Het voorgestelde plafond voor betalingskredieten voor dezelfde periode bedraagt 1 105 miljard EUR (in prijzen van 2018 en met inbegrip van het EOF), ofwel 1,08 % van het bni, een stijging ten opzichte de vorige periode (1 045 miljard EUR/0,98 % van het bni).

2.3.

De voorgestelde wijzigingen omvatten een aantal aanzienlijke stijgingen in reële termen ten opzichte van het MFK voor de periode 2014-2020 (EU-27 plus EOF) voor programma’s in de rubrieken Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid (+ 43 %, tot 166,3 miljard EUR en 14,7 % van de totale begroting, waarvan 13,1 miljard EUR voor het InvestEU-programma), Migratie en grensbeheer (+ 210 %, tot 30,8 miljard EUR en 2,72 % van de totale begroting) en Nabuurschap en internationaal beleid (+ 14 %, tot 108,9 miljard EUR en 9,6 % van de totale begroting). Er worden echter reële bezuinigingen voorgesteld voor Cohesie en waarden (– 12 %, tot 242,2 miljard EUR voor het beleidscluster Regionale ontwikkeling en cohesie en — 10 %, tot 330,6 miljard EUR voor het cohesiebeleid) en Natuurlijke hulpbronnen en milieu (16 %, tot 336,6 miljard EUR en 29,7 % van de totale begroting), met name voor het cohesiebeleid (– 10 %) en het GLB (– 15 %).

2.4.

Aan de ontvangstenzijde omvat het pakket voorstellen voor aanvullende elementen om in overweging te nemen in het stelsel van eigen middelen van de Unie, terwijl in het voorstel voor een besluit van de Raad wordt voorgesteld de maxima voor de jaarlijkse afdrachten van eigen middelen voor betalingen en vastleggingen te verhogen tot respectievelijk 1,29 % en 1,35 % van het bni, om te voorzien in de hogere financieringsbehoefte als gevolg van de integratie van het Europees Ontwikkelingsfonds in de Uniebegroting en de financiering van nieuwe prioriteiten, met inachtneming van een toereikende veiligheidsmarge om de financiële verplichtingen na te komen.

2.5.

Naast de voorgestelde verhoging pleit de Commissie voor wijzigingen in de structuur van de EU-financiering. Het aandeel van de traditionele eigen middelen daalt licht van 15,8 % tot 15 % en de nationale bijdragen dalen van 83 % tot 72 % als gevolg van een geplande verlaging van de op het bruto nationaal inkomen gebaseerde bijdragen van 71 % tot 58 %. Een hervorming van de inning van op de btw gebaseerde eigen middelen leiden tot een stijging van het aandeel van dergelijke middelen van 11,9 % tot 14 %. Er worden nieuwe eigen middelen geïntroduceerd, waaronder bijdragen uit het emissiehandelssysteem, uit de voorgestelde nieuwe gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting — zodra die geleidelijk kan worden ingevoerd — en uit een nationale bijdrage op basis van de hoeveelheid niet-gerecyclede plastic verpakkingen. Deze nieuwe middelen kunnen in 12 % van de totale EU-begroting voorzien.

2.6.

De Commissie stelt voor dat de lidstaten aan bepaalde macro-economische voorwaarden moeten voldoen, structurele hervormingen moeten doorvoeren en de vereisten van het stabiliteits- en groeipact moeten nakomen om cohesiemiddelen te kunnen ontvangen. Om in aanmerking te komen voor hulp uit het nieuwe stabilisatiemechanisme voor investeringen moeten de lidstaten de voorgaande jaren aan de vereisten van het stabiliteits- en groeipact hebben voldaan. Om de bepleite aanzienlijke bezuinigingen op de middelen voor het cohesiebeleid en het GLB te verzachten stelt de Commissie ook voor om het percentage van de cofinanciering van projecten door de lidstaten te verhogen.

2.7.

Het voorstel voor een verordening inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat beoogt sancties op te leggen wanneer een lidstaat een maatregel neemt die afbreuk doet of dreigt te doen aan de beginselen van deugdelijk financieel beheer of de bescherming van de financiële belangen van de Unie, met name maatregelen die verband houden met aanvallen op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. De sancties kunnen leiden tot de vermindering en opschorting van de betalingen en de financiële vastleggingen van de EU voor de betreffende lidstaat. De sancties worden vastgesteld op basis van een voorstel van de Commissie, dat de Raad met een gekwalificeerde meerderheid kan afwijzen.

3.   Algemene opmerkingen

Politieke context en algemene doelstellingen

3.1.

Gelet op de interne en externe uitdagingen en risico’s die de EU in het komende decennium het hoofd zal moeten bieden, heeft de EU behoefte aan een heldere politieke strategie en een krachtige begroting. Overeenkomstig zijn eerdere advies over de Discussienota over de toekomst van de EU-financiën (8) en de resolutie van het Europees Parlement (9), stelt het EESC bijgevolg voor om de vastleggingen voor 2021-2027 vast te stellen op 1,3 % van het bni.

3.1.1.

De financiële en economische crisis en de wijze waarop de Europese beleidsmakers hiermee zijn omgegaan hebben hun stempel gedrukt op veel Europese landen in die zin dat zij hebben geleid tot verlies aan concurrentievermogen, economische vertraging, armoede, ongelijkheid, scheuren in de sociale cohesie en divergentie tussen landen.

3.1.2.

Het wantrouwen van de burgers jegens de nationale en Europese democratische instellingen geeft de aanzet tot de opkomst van politieke bewegingen die democratische waarden en beginselen en de EU zelf in twijfel trekken. Sommige van deze politieke bewegingen maken nu deel uit van de regering in bepaalde EU-lidstaten (of zullen dat waarschijnlijk in de nabije toekomst gaan doen) en hebben mede de uitslag van het referendum over de brexit bepaald.

3.1.3.

De buurlanden van de Europese Unie gaan o.a. gebukt onder een toenemend aantal ondemocratische en/of autoritaire regeringen, de Syrische oorlog en de regionale en mondiale implicaties daarvan, de ernstige politieke instabiliteit en gewapende conflicten in het Midden-Oosten, Noord-Afrika en de Sahel, en de demografische druk in Afrika en de migratiestromen naar Europa die daar het gevolg van zijn.

3.1.4.

Een van de gevolgen hiervan is de stroom van vluchtelingen en migranten naar Europa via de Middellandse Zee. Er moet nodig een gemeenschappelijk asielbeleid worden aangenomen dat gebaseerd is op naleving van het internationale recht en op solidariteit met vluchtelingen en tussen staten onderling. Maar ook de vaststelling van een Europees migratiebeleid is dringend geboden. Aan deze vraagstukken, evenals aan de intensivering van de ontwikkelingssamenwerking met vooral de landen in Afrika, moet extra aandacht worden besteed in het MFK 2021-2027. In het voorstel van de Commissie komen deze vraagstukken wel grotendeels aan bod, maar worden vooral de veiligheidsaspecten ervan belicht.

3.1.5.

De besluiten en de eenzijdige opzegging van zeer belangrijke internationale overeenkomsten door de huidige Amerikaanse regering dragen bij aan de mondiale geopolitieke instabiliteit en zijn in strijd met veel Europese beleidslijnen, waaronder het handelsbeleid, het milieubeleid en de strijd tegen klimaatverandering, het nabuurschapsbeleid en de bevordering van vrede en het verbod op kernwapens, multilateralisme in de buitenlandse betrekkingen en steun voor de VN.

3.1.6.

Europa moet deze risico’s het hoofd bieden door zijn capaciteiten optimaal te benutten en zijn potentieel te ontwikkelen op terreinen als onderzoek, innovatie en technologische ontwikkeling, menselijk kapitaal, concurrentievermogen van het bedrijfsleven en de economie, en het exportvermogen. Ook moet Europa binnen de EU en ten overstaan van de wereld zijn democratische waarden en de volledige eerbiediging van de rechtsstaat — de waarden die rechtvaardige, egalitaire en op solidariteit gestoelde samenlevingen kenmerken — en de bescherming van vrede en multilateralisme in de internationale betrekkingen maximaliseren en concretiseren. Ook hiervoor is een sterke EU-begroting een must.

3.1.7.

De Commissie en het Europees Parlement hebben voorstellen gedaan voor hervormingen van de EU en de EMU die in meer of mindere mate een verdere integratie bevorderen. Het is ongewis waar dit proces eindigt. De eengemaakte markt is nog niet voltooid, en dat, in combinatie met de vertraging van de innovatie en de toenemende vaardighedenmismatches, brengt het Europese concurrentievermogen in gevaar. De Europese Raad heeft in Göteborg een verklaring aangenomen over de Europese pijler van sociale rechten (EPSR). Het halen van al deze doelstellingen vereist aanzienlijke financiële inspanningen van de EU en haar lidstaten, alsook politieke inzet om de beschikbare middelen doeltreffend en efficiënt te investeren. Het succes ervan hangt af van de actieve betrokkenheid van de sociale partners en het georganiseerde maatschappelijk middenveld bij het besluitvormingsproces.

3.1.8.

Het grootste economische risico voor de toekomst van Europa is het investeringstekort en de achterstand op de mondiale leiders op het gebied van innovatie en het op de markt brengen van innovaties. De investeringsquote ligt, in verhouding tot het bbp, ver onder het niveau van voor de crisis.

3.1.9.

Bevordering van investeringen om duurzame kwaliteitsbanen te creëren, verbetering van de productiviteit en modernisering van de economie en het bedrijfsleven, stimulering van de industrie en innovatie, bevordering van convergentie tussen de lidstaten, het beheren van groene en digitale transities, ontwikkeling van de sociale pijler, versterking van de sociale cohesie en uitbanning van armoede, inachtneming van de doelstellingen en toezeggingen van de overeenkomsten van Parijs en de SDG’s van de VN: dit zouden de belangrijkste doelstellingen moeten zijn om een Europees model van duurzame ontwikkeling tot stand te brengen. Hiervoor is een sterke begroting voor 2021-2027 vereist, met op maat gesneden programma’s die maximaal bijdragen aan het creëren van Europese meerwaarde.

3.1.10.

Rekening houdend met deze en andere aspecten is het EESC van mening dat de EU behoefte heeft aan een ambitieuze begroting die ten dienste staat van beleid waarmee een heldere strategie voor een sterkere Unie wordt ontwikkeld, met meer integratie, meer democratie, grotere steun voor sociale partners en maatschappelijke organisaties binnen de EU en daarbuiten, meer steun voor het bedrijfsleven bij de aanpak van ecologische en digitale uitdagingen, een sterkere sociale dimensie en meer steun voor het plattelandsleven. Alleen op die manier kan de EU interne centrifugale krachten in bedwang houden en overwinnen en externe geopolitieke risico’s aanpakken.

De uitgavenzijde van het nieuwe MFK

3.2.

Het voorstel van de Commissie lijkt echter te zeer gericht te zijn op behoud van de status quo, en de omvang en de ernst van de nieuwe uitdagingen voor de EU, haar ambities en de daarvoor beschikbare middelen lijken niet op elkaar aan te sluiten.

3.3.

Volgens artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) moet de EU duurzame groei bevorderen, met inachtneming van het milieu. De klimaatproblemen zijn nu een topprioriteit, ook voor het EESC, en er moet mondiaal actie worden ondernomen, niet alleen door overheden, maar ook door economische actoren, werknemers en burgers. Daarom moet er op grote schaal een economische, sociale en ecologische transitie in gang worden gezet en, vooral, worden gefinancierd (10).

3.4.

Het EESC is ingenomen met de wijzigingen in de structuur van de begroting, waarbij rubrieken worden gereorganiseerd en programma’s worden geconsolideerd, en met de versterking van de flexibiliteitsmechanismen om het MFK flexibeler te maken zonder aan stabiliteit in te boeten.

3.5.

Hoewel het begrip heeft voor de redenen die ten grondslag liggen aan het voorstel van de Commissie, is het EESC het niet eens met de vermindering, tegen constante prijzen, van de middelen voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) met 12 %, en voor het Cohesiefonds met 46 % ten opzichte van de huidige begroting, zoals opgenomen in het voorstel voor het MFK 2021-2027.

3.5.1.

Er zijn aanwijzingen dat de crisis heeft geleid tot een hernieuwde divergentie tussen met name Noord- en Zuid-Europa wat het inkomen per hoofd van de bevolking betreft (11). Hoewel het deel van de bevolking van de EU-27 dat in „minder ontwikkelde” regio’s woont (met een bbp per hoofd van de bevolking van minder dan 75 % van het EU-gemiddelde) sinds 2010 afneemt, neemt het deel van de EU-27 dat in „overgangsregio’s” woont (met een bbp per hoofd van de bevolking tussen 75 % en 90 % van het EU-gemiddelde) toe. Dit is echter deels te wijten aan het feit dat het deel van de bevolking in de EU-27 dat in „ontwikkelde” regio’s woont, afneemt als gevolg van de crisis (12). De convergentie die heeft plaatsgevonden, is dus niet alleen inkomensconvergentie in opwaartse richting. Er zijn meer overheidsinvesteringen in gezondheid, onderwijs en sociale inclusie, met name op lokaal en regionaal niveau, nodig. Dit moet worden gerealiseerd door de gouden regel te hanteren waarvoor het Comité in een aantal van zijn meest recente adviezen heeft gepleit, nl. dat investeringsuitgaven, met name uitgaven die duurzame groei op lange termijn bevorderen, niet worden meegeteld bij de berekening van de tekorten in het kader van het stabiliteits- en groeipact; de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn is in dat geval nog steeds gewaarborgd.

3.5.2.

In dit verband constateert het EESC dat de economische en sociale omstandigheden aanzienlijk verschillen tussen de regio’s en de afgelopen jaren enigszins zijn gaan divergeren, ook in relatief rijke landen. Het cohesiebeleid zou dit moeten weerspiegelen door de invoering van nieuwe, alternatieve sociale indicatoren, zoals de werkgelegenheid en de arbeidsparticipatie van doelgroepen, alsook maatstaven op het gebied van armoede en sociale inclusie, in aanvulling op het relatieve bbp per hoofd van de bevolking.

3.6.

Het EESC is het niet eens met de voorgestelde reële verlaging van de vastleggingen voor het Europees Sociaal Fonds Plus (– 6 % in reële termen voor 2021-2027 ten opzichte van 2014-2020). De verlaging in reële termen zal nog groter uitvallen aangezien de jongerengarantie zal worden opgenomen in het ESF+. Dit fonds zou, in reële termen ten opzichte van 2020, minstens stabiel moeten blijven aangezien het de belangrijkste financiële middelen biedt waarmee de EU de tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten kan ondersteunen, hetgeen van belang is om de sociale dimensie van de EU te versterken en opwaartse convergentie van de sociale normen te bevorderen. De minimumpercentages voor cofinanciering door de lidstaten zouden niet mogen worden verhoogd, omdat sommige lidstaten anders zouden afzien van investeringen in bepaalde regio’s, waardoor ook de Europese toegevoegde waarde verloren gaat. De tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten kan bijdragen tot een grotere veerkracht van de lidstaten in de eurozone en zodoende tot een betere werking van de EMU. Gezamenlijke acties van de sociale partners op Europees, nationaal en regionaal niveau zijn daarbij een onmisbaar instrument. Het EESC betreurt dan ook dat zij, anders dan in de huidige programmeringsperiode, niet uitdrukkelijk worden genoemd in het voorstel voor een verordening en verzoekt de Commissie om die vermelding terug op te nemen.

3.7.

Het EESC is van mening dat de financiering van het cohesiebeleid (het EFRO, het CF en het ESF samen) ongewijzigd moet blijven in het MFK 2021-2027, d.w.z. dat er minstens evenveel middelen voor moeten worden uitgetrokken, tegen constante prijzen, als in het huidige financieel kader.

3.8.

Het EESC meent, aansluitend bij zijn advies over De toekomst van voedsel en landbouw (13), dat er een nieuwe hervorming nodig is van het GLB, waarbij de twee pijlers ervan in stand worden gehouden maar een nieuwe invulling krijgen door de rechtstreekse steun veel meer te richten op landbouwers en veetelers, kleine en middelgrote ondernemingen en agrarische familiebedrijven, en dat de middelen voor plattelandsontwikkeling moeten worden gebruikt om een duurzaam model te bevorderen waarin rekening wordt gehouden met de verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomsten van Parijs en de SDG’s van de VN. De financiering van sociale infrastructuur in plattelandsgemeenschappen aan de hand van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling is een zeer belangrijk aspect geweest van het actieve EU-beleid om de ontvolking van het platteland tegen te gaan en is ten goede gekomen aan alle bewoners van plattelandsgebieden — zowel landbouwers als kleine ondernemingen en gemeenschappen. De aanzienlijke verlaging die de Commissie voor het GLB voorstelt (– 15 %) maakt het moeilijk om deze koers voort te zetten of om de doelstellingen te halen die zijn opgenomen in de mededeling van de Commissie over de toekomst van voeding en landbouw.

3.9.

Het EESC is ingenomen met het voorstel om binnen de EU-begroting een stabilisatiemechanisme voor de eurozone in te stellen. Dit mechanisme heeft als doel de investeringsuitgaven in eurolanden te beschermen in geval van landenspecifieke schokken die de overheidsuitgaven onder druk zetten. Dit is een noodzakelijke hervorming om de EMU veerkrachtiger te maken en een divergerende dynamiek tussen de lidstaten te voorkomen.

3.9.1.

Het EESC denkt echter dat dit mechanisme, zoals het hier wordt voorgesteld, voor onvoldoende stabilisering zorgt wanneer zich een crisis voordoet. Het zou slechts voorzien in beperkte back-to-backleningen voor de getroffen lidstaten. Het bedrag van 30 miljard EUR is niet voldoende om aan meerdere landen tegelijkertijd leningen te verstrekken (14). Ook de rentesubsidie van maximaal 600 miljoen EUR per jaar voor deze beperkte leningen biedt de lidstaten amper soelaas en zorgt dus voor onvoldoende stabilisering in de eurozone. Een grotere marge binnen de betalingsverplichtingen, waarvoor het plafond voor de bijdragen zou moeten worden verhoogd, zou een eerste stap zijn naar een groter stabilisatievermogen.

3.9.2.

Het baart het EESC zorgen dat de voorstellen van de Commissie voor het volgende MFK geen bepalingen bevatten voor de hervorming van de EMU en de governance ervan en de implicaties daarvan voor de begroting, vooral wat betreft de instelling van het Europees Monetair Fonds, of diensten of toelagen voor de burgers zoals werkloosheidsuitkeringen, als aanvulling op de nationale uitkeringen, in tijden van crisis.

3.10.

Het InvestEU-fonds is de opvolger van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), met dezelfde jaarlijkse bijdrage en dezelfde ramingen van de effecten op de totale investeringen. Investeringen vallen onder vier pijlers (duurzame infrastructuur; onderzoek, innovatie en digitalisering; kleine en middelgrote ondernemingen; sociale investeringen en vaardigheden), die allemaal goede kansen bieden. Het EESC is met name gecharmeerd van de vierde pijler, omdat deze de financiering van projecten in cruciale sectoren als vaardigheden, onderwijs, opleiding, sociale huisvesting, sociale innovatie en integratie van migranten, vluchtelingen en kwetsbare personen kan vergemakkelijken. Deze mogelijkheid om kredieten van de EIB, en mogelijk ook van andere openbare bankinstellingen, te garanderen, moet worden toegejuicht, maar zal alleen voldoende zijn om een voortzetting van eerdere kredietniveaus mogelijk te maken, terwijl sommige lidstaten met een relatief laag inkomen per hoofd van de bevolking er nog steeds niet van kunnen profiteren. Er zijn meer inspanningen nodig om de investeringskloof in de EU te dichten.

3.11.

Het hoofddoel van het cohesiebeleid is om opwaartse economische en sociale convergentie tussen de lidstaten te bevorderen. Door het stellen van strenge eisen wordt de toegang tot middelen uit het cohesiebeleid lastiger voor de lidstaten en regio’s die daar het meest behoefte aan hebben, d.w.z. die over minder inkomsten beschikken of een hogere schuldenlast dragen. De opmerking van het EESC in zijn advies over het MFK 2014-2020 (15) blijft geldig: „de desbetreffende subsidies [mogen] nooit zijn onderworpen aan macro-economische voorwaarden”. Het EESC pleit echter voor uitvoering van het cohesiebeleid volgens de richtsnoeren van het Europees semester, die voorzien in een sterkere participatie van de sociale partners en maatschappelijke organisaties op nationaal en Europees niveau.

3.12.

De strikte hantering van de cofinancieringsvereisten van het EFRO, het CF en het ESF belette sommige landen die deze financiering het hardst nodig hadden om deze middelen te gebruiken tijdens de periode van extreme bezuinigingen en werkte divergentie daarmee in de hand. Deze vereisten belemmeren in sommige landen nog steeds de toegang tot deze fondsen, en dat zal mogelijk in nog sterkere mate het geval worden indien het cofinancieringspercentage van de lidstaten wordt verhoogd in het MFK voor de periode na 2020. Het EESC pleit voor flexibeler cofinancieringscriteria, zodat rekening wordt gehouden met de economische en financiële situatie van elke lidstaat, evenals met hetgeen eerder in deze paragraaf over investeringsuitgaven in relatie tot de doelstellingen van het stabiliteits- en groeipact is gezegd.

3.13.

Gelet op de ervaringen met bepaalde opgelegde of bevorderde structurele hervormingen tijdens de periode van extreme bezuinigingen lijkt het logisch dat voorstellen om de toegang tot cohesiemiddelen in algemene zin afhankelijk te maken van de uitvoering van genoemde hervormingen, met argusogen worden bekeken. Het EESC is geen tegenstander van hervormingen, maar vindt het essentieel om te specificeren op welk type hervormingen wordt gedoeld. In verschillende adviezen, en meest recentelijk in het advies over het economisch beleid in de eurozone (2018) (16), verdedigt het EESC structurele hervormingen die de groei van de productiviteit, de baanzekerheid en de sociale bescherming bevorderen en tegelijkertijd investeringen aanmoedigen en de collectieve onderhandelingen versterken, uitgaande van de autonomie van de sociale partners en de sociale dialoog.

3.14.

Het EESC is ingenomen met de voorgestelde forse stijgingen voor programma’s inzake onderzoek en innovatie en de ontwikkeling van de digitale economie en samenleving, omdat die de basis kunnen vormen voor een duurzame en robuuste stijging van de productiviteit, de lonen en de levensstandaard. Het is van groot belang dat er een welomschreven strategie komt om innovatie te koppelen aan een Europees industriebeleid waarvan alle lidstaten, en met name de minder ontwikkelde lidstaten, kunnen profiteren. De participatie van de sociale partners en het maatschappelijk middenveld is essentieel voor de formulering en uitvoering van een efficiënt industriebeleid dat goed is aangesloten op innovatiesystemen. Bovendien vereist de huidige context ook een solide en stevige nadruk op onderzoek naar samenlevingen, democratie, cultuur en sociale transformatie.

3.15.

Voorts moet worden gewezen op de stijging van de middelen voor Erasmus+ met 92 % (tot 26 368 miljoen EUR voor 2021-2027), een van de programma’s die de grootste bijdrage hebben geleverd aan de Europese identiteit.

3.16.

Het EESC is ingenomen met de stijging van het budget voor internationale samenwerking en humanitaire hulp, maar uit zijn bezorgdheid over het feit dat het externe optreden meer op veiligheid en migratiedruk wordt toegespitst, waarbij afstand wordt genomen van een meer op de lange termijn en op behoeften gerichte, door het land zelf gedragen bottom-upbenadering en vaststelling van prioriteiten, en waarbij de meest kwetsbare regio’s mogelijk buiten beschouwing worden gelaten. Het EESC vraagt om inspanningen ter ondersteuning van de maatregelen van partnerlanden in het kader van hun eigen plannen om de SDG’s te halen.

Financiering en eigen middelen in het nieuwe MFK

3.17.

De Commissie stelt voor om de manier waarop de EU-begroting wordt gefinancierd in het nieuwe MFK op een aantal punten te wijzigen, maar die wijzigingen steken bescheiden af bij de voorstellen van de Groep op hoog niveau en het Europees Parlement en bij de behoefte aan financiering van de nodige uitgaven. Het nieuwe voorstel zorgt voor een geleidelijke verschuiving naar een model waarin de Unie breekt met de huidige financiële afhankelijkheid van de bijdragen van de lidstaten en zeer geleidelijk zichzelf gaat financieren. Hiertoe worden enkele nieuwe inkomstenbronnen voorgesteld.

3.18.

Het MFK-voorstel is bescheiden en niet ambitieus, terwijl er een vastberaden optreden aan de hand van een samenhangende agenda nodig is. Daarbij moet worden uitgegaan van de voorstellen van de Groep op hoog niveau en het Europees Parlement voor een breed scala van andere bronnen van eigen middelen, zodat in de periode van het volgende MFK veel vaker een beroep kan worden gedaan op eigen middelen.

3.19.

Het EESC herhaalt wat het in zijn advies over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën (17) heeft gezegd, nl. dat het zich kan vinden in de analyse in het verslag Future financing of the EU van de Groep op hoog niveau inzake eigen middelen (HLGOR) (18), die wordt voorgezeten door Mario Monti. Het is met name van belang dat in het MFK voor de periode na 2020 nieuwe inkomsten hoofdzakelijk zijn gebaseerd op een autonoom, transparant en billijk stelsel van eigen middelen. Deze zouden rechtstreeks naar de EU-begroting gaan, dus niet via de lidstaten, zonder verhoging van de belastingdruk voor de meest achtergestelde burgers en kleine en middelgrote ondernemingen.

3.20.

Zoals gesteld in zijn advies over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën17, zouden sommige van de in het rapport van de HLGOR voorgestelde nieuwe middelen een Europese meerwaarde aan de ontvangstenzijde behelzen, indien zij op het juiste niveau geïnd worden, zowel om een transnationale heffingsgrondslag te creëren als om de wereldwijde gevolgen voor het milieu tegen te gaan: de vennootschapsbelasting (CCCTB) (19), met name opgelegd aan multinationals, op financiële transacties, brandstoffen en de uitstoot van kooldioxide.

3.21.

Volgens de Groep op hoog niveau hebben eigen middelen op basis van de vennootschapsbelasting het voordeel dat ze de werking van de eengemaakte markt verbeteren. Bovendien vereenvoudigt en harmoniseert de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting de regels in de hele EU en wordt de reikwijdte van de schadelijke aspecten van belastingconcurrentie erdoor beperkt.

3.22.

Een belasting op digitale diensten zou, indien goed doordacht, Europese toegevoegde waarde kunnen bieden, omdat de locatie die voor belastingdoeleinden wordt gebruikt nogal kan verschillen van de locatie die voor transacties wordt gebruikt, maar dit is een tijdelijke oplossing.

3.23.

De Europese instellingen dienen zich wel te realiseren dat het operationeel maken van al deze eigen middelen in de periode 2021-2027 een complexe aangelegenheid zal zijn.

3.24.

Bijdragen in samenhang met hogere milieunormen en de bestrijding van klimaatverandering bieden in potentie ook Europese toegevoegde waarde en zijn nauw verbonden met de strategische EU-doelstelling van een duurzaam ontwikkelingsmodel. Bovendien kunnen alleen gemeenschappelijke belastingen op energie en milieuschade zorgen voor eerlijke concurrentie in de eengemaakte markt. In dit verband stelt de Commissie bijdragen voor in verband met niet-gerecycled plastic verpakkingen en het emissiehandelssysteem (EU ETS). Er zouden inkomstenbronnen moeten worden vastgesteld in de vorm van heffingen voor andere vormen van milieuvervuiling die lidstaatoverschrijdende kosten veroorzaken. Voorbeelden zijn belastingen op motorbrandstoffen en op vliegtickets, zoals voorgesteld door het Europees Parlement en de Groep op hoog niveau en de invoering van een koolstofbelasting. De besluitvorming over en de tenuitvoerlegging van die nieuwe inkomstenbronnen, die in overeenstemming moeten zijn met de bredere EU-beleidsagenda, moeten spoedig in gang worden gezet.

3.25.

De Commissie stelt ook voor de huidige op de btw gebaseerde eigen middelen te vereenvoudigen. Die middelen zijn momenteel ingewikkeld omdat er in verschillende landen verschillende btw-tarieven gelden. Het zou een goede zaak zijn als er één btw-tarief voor alle lidstaten zou worden vastgesteld. Het huidige voorstel levert een lichte stijging van de ontvangsten op. De btw-bijdrage blijft echter in wezen vergelijkbaar met de bijdrage op basis van het bni, in die zin dat de bijdrage een afspiegeling is van de algemene economische activiteit in een lidstaat en niet van specifieke EU-beleidsdoelstellingen.

3.26.

Het vertrek van het VK uit de EU biedt de mogelijkheid om geleidelijk volledig af te stappen van het systeem van korting op de bijdrage aan de EU, dat eerst voor het VK gold en later werd uitgebreid tot sommige andere lidstaten. Dit is verheugend, net als de terugvloeiing van 90 % van de douaneontvangsten naar de EU-begroting dankzij de lagere kosten van het innen van douanerechten in de lidstaten. Een kleine aanvulling zou verder nog kunnen komen van winsten van de ECB (seigniorage). Het totaal van deze nieuwe bronnen van eigen middelen is echter te gering en te onzeker om te mogen verwachten dat ze zullen leiden tot een aanzienlijke vermindering van de bijdragen op basis van het bni.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1.

Het EESC ondersteunt het voorstel om de ontvangst van EU-middelen door de lidstaten afhankelijk te stellen van de eerbiediging van het beginsel van de rechtsstaat, een fundamentele pijler van de waarden van de Unie volgens artikel 2 van het Verdrag, op voorwaarde dat de uitvoering ervan niet ten koste gaat van burgers of individuele bedrijven die momenteel EU-middelen ontvangen. Aangezien de begroting het belangrijkste instrument voor de tenuitvoerlegging van al het Uniebeleid is, zou deze voorwaarde volgens het EESC moeten worden uitgebreid naar de andere beginselen met betrekking tot de rechtsstaat die in de EU-Verdragen zijn vervat. Het Comité verzoekt de Commissie en het Parlement dan ook deze mogelijkheid te onderzoeken.

4.2.

De geboden flexibiliteit zou maximaal moeten worden benut om de verbinding tussen de uitgavenprogramma’s te bevorderen, tot wederzijds voordeel voor beleidslijnen en middelen. Zo kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het GLB en Horizon voor de technologische modernisering van de landbouw in vitale plattelandsgebieden en duurzame landbouw; onderzoek, ontwikkeling en innovatie (O & O&I), universiteiten, Erasmus+ en andere programma’s voor jongeren; investerings- en cohesiebeleid, het Europees Sociaal Fonds en een nieuw programma voor de ontwikkeling van de Europese pijler van sociale rechten, dat het EESC in dit advies voorstelt, om convergentie tussen de lidstaten te bevorderen. Het EESC betreurt derhalve het voorstel om de N+3-regel te wijzigen in N+2 (20) en verzoekt de Commissie dit voorstel te heroverwegen.

4.3.

In de huidige evaluaties van de uitvoering van het plan-Juncker (Investeringsplan voor Europa) wordt betwijfeld of de investeringen er wel door zullen stijgen tot het oorspronkelijk voorspelde niveau, dat nog altijd onder het niveau ligt dat nodig is om de achterstand ten opzichte van de periode vóór 2008 significant te verkleinen. Verscheidene lidstaten met de laagste inkomens profiteren nog steeds onvoldoende van het plan. Er moeten passende mechanismen worden vastgesteld om deze ontwikkeling, die de divergentie tussen de lidstaten vergroot, te corrigeren. De mogelijkheid om financiering uit verschillende fondsen, bijvoorbeeld het Cohesiefonds en InvestEU, te combineren, moet worden bevorderd.

4.4.

Versterking van de sociale cohesie en herstel van het vertrouwen van de Europese burgers gaan hand in hand. De ontwikkeling van de Europese pijler van sociale rechten (EPSR) zou een belangrijke bijdrage aan beide doeleinden kunnen leveren, onder meer door steun en begeleiding te bieden aan de lidstaten die hervormingen doorvoeren om duurzame banen van hoge kwaliteit met een hoge toegevoegde waarde te scheppen. Het EESC stelt voor een specifiek programma voor deze pijler op te zetten in het MFK 2021-2027 op basis van toezeggingen door de lidstaten die de Verklaring van Göteborg hebben opgesteld. Het Europees Sociaal Fonds+ zou een bijdrage kunnen leveren aan de financiering ervan via een systeem van indicatoren die onder meer werkloosheid en participatiegraad, scholing en schooluitval, bbp per hoofd van de bevolking, armoede en sociale integratie omvatten, zowel indicatoren van algemene aard als regionale indicatoren, alsook indicatoren die betrekking hebben op bepaalde achtergestelde sociale groepen.

4.5.

Het Europees semester zou een belangrijke rol moeten spelen in de tenuitvoerlegging van de EU-begroting. Daarbij zou zo veel mogelijk gebruik moeten worden gemaakt van de flexibiliteit die het nieuwe MFK biedt, bijvoorbeeld om te zorgen voor een sterke koppeling tussen het cohesiebeleid en andere beleidsterreinen, zoals innovatie, investeringen en het creëren van banen. Hiertoe zou naar behoren gebruik moeten worden gemaakt van de mechanismen voor de participatie van de sociale partners en het maatschappelijk middenveld in het Europees semester, zodat zij weten hoe zij de brug kunnen slaan van hun nationale domein naar het Europese domein. Door de tenuitvoerlegging van het Europees semester te ondersteunen raken de Commissie en de Raad rechtstreeks betrokken bij nationale politieke kwesties. Voorkomen moet worden dat maatregelen die met EU-middelen worden ondersteund, afbreuk doen aan de sociale rechten of de rechten van werknemers of consumenten.

4.6.

Prioriteit moet worden gegeven aan de inspanningen die de Europese instellingen en de nationale regeringen, samen met de organisaties van het maatschappelijk middenveld, moeten leveren om het MFK voor de periode na 2020 meer middelen te geven en hun prioriteiten opnieuw in evenwicht te brengen op de in dit advies voorgestelde manier. Het EESC dringt er bij hen op aan om vaart te zetten achter hun werkzaamheden, zodat het MFK, zoals gepland, vóór de volgende Europese verkiezingen kan worden goedgekeurd.

Brussel, 19 september 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2018 over het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020 — (2017/2052(INI)), corapporteurs: Jan Olbrycht, Isabelle Thomas, paragraaf 14.

(2)  PB C 81 van 2.3.2018, blz. 131.

(3)  PB C 262 van 25.7.2018, blz. 1.

(4)  Europese Investeringsbank.

(5)  COM(2018) 321 final.

(6)  COM(2018) 322 final/2, COM(2018) 326 final, COM(2018) 327 final, COM(2018) 328 final.

(7)  COM(2018) 325 final.

(8)  PB C 81 van 2.3.2018, blz. 131.

(9)  Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2018 over het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020 — (2017/2052(INI)), corapporteurs: Jan Olbrycht, Isabelle Thomas, paragraaf 14.

(10)  Zie ook de EESC-adviezen NAT/735 over het Europees pact voor klimaatfinanciering, rapporteur Rudy de Leeuw, en ECO/456 over het Actieplan voor duurzame financiering, rapporteur Carlos Trias Pinto. Nog niet gepubliceerd.

(11)  ETUI/ETUC (2018), Benchmarking Working Europe, Brussels: ETUI.

(12)  Darvas, Z. en Moes, N. (2018), How large is the proposed decline in EU agricultural and cohesion spending? Bruegel Blog-post, 4 mei 2018.

(13)  PB C 283 van 10.8.2018, blz. 69.

(14)  Zie Claeys, G. (2018), New EMU stabilisation tool within the MFF will have minimal impact without deeper EU budget reform, Bruegel Blog, 9 mei 2018. Volgens deze analyse is 30 miljard EUR ongeveer een derde van het bedrag dat tijdens de crisis aan Ierland is geleend.

(15)  PB C 229 van 31.7.2012, blz. 32.

(16)  PB C 197 van 8.6.2018, blz. 33.

(17)  PB C 81 van 2.3.2018, blz. 131.

(18)  De toekomstige financiering van de EU. Het eindverslag en de aanbevelingen van de groep op hoog niveau inzake de eigen middelen, december 2016.

(19)  Door het EESC al in 2011 positief beoordeeld in zijn advies over de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (PB C 24 van 28.1.2012, blz. 63) en in het EESC-advies van 2017 over de gemeenschappelijke (geconsolideerde) heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (PB C 434 van 15.12.2017, blz. 58).

(20)  Een deel van de vastlegging in de begroting wordt door de Commissie automatisch vrijgemaakt indien het aan het einde van het tweede jaar na het jaar waarin de vastlegging is verricht (n+2), niet is gebruikt of indien er geen enkele betalingsaanvraag is ontvangen. Bron: Europese Commissie.


Top