EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52017IP0290

Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 over arbeidsomstandigheden en onzeker werk (2016/2221(INI))

OJ C 334, 19.9.2018, p. 88–98 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

19.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 334/88


P8_TA(2017)0290

Arbeidsomstandigheden en onzeker werk

Resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2017 over arbeidsomstandigheden en onzeker werk (2016/2221(INI))

(2018/C 334/09)

Het Europees Parlement,

gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 151 en 153,

gezien artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name hoofdstuk IV (solidariteit),

gezien Richtlijn 94/33/EG van de Raad van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk (1),

gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (2),

gezien Richtlijn 2008/104/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende uitzendarbeid (3) („de richtlijn uitzendarbeid”),

gezien de gerichte herziening van Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (4) („de detacheringsrichtlijn”) en van Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (5) („de handhavingsrichtlijn”),

gezien Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (6),

gezien zijn resolutie van 19 oktober 2010 over vrouwen in onzeker dienstverband (7),

gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over de totstandbrenging van een concurrerende EU-arbeidsmarkt voor de 21e eeuw: afstemming van vaardigheden en kwalificaties op de vraag en kansen voor werk als manier om de crisis te overwinnen (8),

gezien zijn resolutie van 25 februari 2016 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse (9),

gezien zijn resolutie van 14 september 2016 over sociale dumping in de Europese Unie (10),

gezien zijn resolutie van 15 september 2016 over de toepassing van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (11),

gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten (12),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de veranderende aard van arbeidsverhoudingen en de impact ervan op het behoud van een fatsoenlijk salaris en de impact van technologische ontwikkelingen op het socialezekerheidsstelsel en de arbeidswetgeving (13),

gezien het Europees platform voor de intensivering van de samenwerking bij de aanpak van zwartwerk,

gezien de studie van 2016 opgesteld op verzoek van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken van het Parlement over onzeker werk in Europa („Precarious Employment in Europe: Patterns, trends and policy strategies”) (14),

gezien het Europees Handvest inzake de kwaliteit van stages, dat op 14 december 2011 is gepubliceerd,

gezien het driemaandelijkse verslag van de Commissie over werkgelegenheid en sociale ontwikkelingen in Europa voor het najaar van 2016 („Employment and Social Developments in Europe Quarterly Review Autumn 2016”),

gezien het „Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019” van de Commissie,

gezien het Eurofound-verslag van 2010 over flexibele arbeidsvormen: „zeer atypische” arbeidsovereenkomsten,

gezien het Eurofound-verslag van 2014 over de gevolgen van de crisis voor de arbeidsverhoudingen en -omstandigheden in Europa (15),

gezien het Eurofound-verslag van 2015 over nieuwe vormen van werk (16),

gezien het Eurofound-verslag van 2016 over onderzoek naar frauduleus contracteren voor werk in de Europese Unie (17),

gezien de Europese enquête naar de arbeidsomstandigheden (EWCS) van Eurofound en het overzichtsverslag over de zesde EWCS (18),

gezien het woordenboek van de arbeidsverhoudingen („European Industrial Relations Dictionary”) van Eurofound (19),

gezien de fundamentele arbeidsnormen die zijn vastgesteld door de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), alsook de verdragen en aanbevelingen van de IAO inzake arbeidsvoorwaarden,

gezien aanbeveling R198 van de IAO van 2006 inzake arbeidsverhoudingen (20) en de daarin vervatte bepalingen betreffende de vaststelling van een arbeidsverhouding,

gezien het IAO-verslag van 2011 over beleid en regelgeving ter bestrijding van onzeker werk („Policies and regulations to combat precarious employment”) (21),

gezien het IAO-verslag van 2016 over atypisch werk wereldwijd („Non-standard employment around the world: Understanding challenges, shaping prospects”) (22),

gezien het IAO-verslag van 2016 over de totstandbrenging van een sociale pijler ten behoeve van Europese convergentie („Building a social pillar for European convergence”) (23),

gezien algemene ontwerpaanbeveling nr. 28 van de VN van 2010 inzake de kernverplichtingen van de staten die partij uit hoofde van artikel 2 van het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

gezien het Verdrag van de Raad van Europa van 2011 inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul),

gezien de Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2014-2017 van de Raad van Europa,

gezien artikel 52 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0224/2017),

A.

overwegende dat er „niet-standaardvormen” of „atypische vormen” van werk verschijnen; overwegende dat in de EU het aantal werknemers met arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en deeltijdovereenkomsten de afgelopen vijftien jaar is gestegen; overwegende dat er efficiënt beleid nodig is om de verschillende vormen van werk te bestrijken en werknemers voldoende te beschermen;

B.

overwegende dat het percentage „standaardvormen” van werk de afgelopen tien jaar is gedaald van 62 % tot 59 % (24); overwegende dat het, als deze ontwikkeling zich voortzet, wel eens zover zou kunnen komen dat slechts een minderheid van de werknemers nog een standaardarbeidsovereenkomst heeft;

C.

overwegende dat voltijdse overeenkomsten voor onbepaalde tijd nog steeds het merendeel van de arbeidsovereenkomsten in de EU uitmaken en dat atypische vormen van werk in sommige sectoren ook naast standaardvormen van werk voorkomen; overwegende dat atypisch werk ook een negatieve invloed kan hebben op het evenwicht tussen werk en privéleven, als gevolg van atypische werktijden en onregelmatige lonen en pensioenpremies;

D.

overwegende dat de grens tussen werk in loondienst en werk als zelfstandige door de opkomst van nieuwe vormen van werk, vooral als gevolg van de digitalisering en nieuwe technologieën, aan het vervagen is (25), wat ook nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het werk;

E.

overwegende dat sommige nieuwe vormen van werk in een aantal opzichten verschillen van traditionele standaardvormen van werk; overwegende dat sommige de verhouding tussen werkgever en werknemer wijzigen, dat andere het arbeidspatroon en de organisatie van het werk wijzigen en dat nog weer andere beide doen; overwegende dat dit tot meer schijnzelfstandigheid, slechtere arbeidsvoorwaarden en minder sociale bescherming kan leiden, maar ook voordelen met zich kan meebrengen; overwegende dat de toepassing van de bestaande wetgeving daarom van het grootste belang is;

F.

overwegende dat de stijgende arbeidsparticipatie in Unie sinds de economische crisis toe te juichen is, maar deels kan worden toegeschreven aan een toename van het aantal atypische arbeidsovereenkomsten, die in sommige gevallen leiden tot een groter risico op onzekerheid dan standaardvormen van werk; overwegende dat bij het scheppen van banen meer nadruk moet worden gelegd op kwaliteit;

G.

overwegende dat het aantal deeltijdbanen sinds de crisis op geen enkel moment is verminderd en dat het aantal voltijdbanen in de EU nog steeds onder het niveau van vóór de crisis van 2008 ligt; overwegende dat de arbeidsparticipatie, ondanks de stijging in de afgelopen jaren, nog altijd onder het Europa 2020-streefcijfervan 75 % ligt en sterk verschilt van de ene lidstaat tot de andere;

H.

overwegende dat het belangrijk is een onderscheid te maken tussen de opkomst van nieuwe vormen van werk en het bestaan van onzeker werk;

I.

overwegende dat de EU en de lidstaten een gedeelde bevoegdheid hebben voor het sociaal beleid; overwegende dat de EU de lidstaten op dit gebied alleen kan aanvullen en ondersteunen;

J.

overwegende dat de EU slechts minimumeisen voor arbeidsomstandigheden kan vaststellen, zonder de wet- en regelgeving van de lidstaten te harmoniseren;

K.

overwegende dat er reeds een Europees platform ter bestrijding van zwartwerk is opgericht, dat een nauwere grensoverschrijdende samenwerking tussen en gezamenlijke maatregelen van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en andere actoren mogelijk maakt om zwartwerk doelmatig en doeltreffend te bestrijden;

L.

overwegende dat onzeker werk tot marktversnippering leidt en de loonverschillen verscherpt;

M.

overwegende dat er tot dusver geen gemeenschappelijke definitie van het begrip „onzeker werk” bestaat; overwegende dat deze definitie moet worden opgesteld in nauw overleg met de sociale partners; overwegende dat het type overeenkomst op zich het risico van onzeker werk niet kan voorspellen, maar dat dit risico integendeel van een hele reeks factoren afhangt;

N.

overwegende dat onder standaardvormen van werk voltijds en vrijwillig deeltijds regulier werk op basis van overeenkomsten voor onbepaalde tijd kunnen worden verstaan; overwegende dat elke lidstaat zijn eigen wetten en praktijk heeft voor de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden die van toepassing zijn op verschillende soorten arbeidsovereenkomsten en stages; overwegende dat er geen universeel aanvaarde definitie van „standaardvormen van werk” bestaat;

O.

overwegende dat de recentste kwesties in verband met vertegenwoordiging, die toe te schrijven zijn aan tekortkomingen in de organisaties van de sociale partners in bepaalde sectoren of aan hervormingen in verschillende Europese landen waarbij de rol van de sociale partners wordt ingeperkt, van invloed zijn op alle arbeidsrelaties;

P.

overwegende dat sommige sectoren, zoals de landbouw, de bouwnijverheid en de kunstensector, onevenredig getroffen worden door onzeker werk; overwegende dat onzeker werk zich de afgelopen jaren ook heeft verbreid in andere sectoren, zoals de luchtvaart en het hotelwezen (26);

Q.

overwegende dat uit recente studies blijkt dat handarbeiders met een gemiddelde scholing en laaggeschoolde werknemers er minder goed aan toe zijn qua inkomen, vooruitzichten en intrinsieke werkkwaliteit; overwegende dat deze groep volgens die studies vaker wordt blootgesteld aan milieu- en houdingsrisico's, en dat zowel hun fysieke als hun mentale welzijnsniveau lager is (27);

R.

overwegende dat vrouwen 46 % van de actieve beroepsbevolking op de EU-arbeidsmarkt uitmaken en bijzonder kwetsbaar zijn voor baanonzekerheid als gevolg van discriminatie, ook wat loon betreft, en overwegende dat vrouwen ongeveer 16 % minder verdienen dan mannen; overwegende dat vrouwen vaker deeltijds, met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of voor een laag loon werken, en daardoor meer risico lopen op onzekerheid; overwegende dat dergelijke arbeidsvoorwaarden leiden tot levenslange verliezen aan inkomen en bescherming, of het nu gaat om loon, pensioen of socialezekerheidsuitkeringen; overwegende dat mannen vaker voltijds en met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werken dan vrouwen; overwegende dat vooral vrouwen getroffen worden door onvrijwillig deeltijdwerk, schijnzelfstandigheid en zwartwerk (28);

S.

overwegende dat de arbeidsparticipatie in de EU hoger is bij mannen dan bij vrouwen; overwegende dat de belangrijkste redenen waarom vrouwen de arbeidsmarkt verlaten, zijn dat ze voor kinderen of ouderen moeten zorgen, zelf ziek of arbeidsongeschikt zijn of andere persoonlijke of gezinsverantwoordelijkheden hebben; overwegende dat vrouwen vaak worden geconfronteerd met discriminatie en hinderpalen omdat ze moeder zijn of zouden kunnen worden; overwegende dat alleenstaande vrouwen met afhankelijke kinderen een bijzonder hoog risico op onzekerheid lopen;

T.

overwegende dat gelijkheid van vrouwen en mannen een grondrecht is dat veronderstelt dat gelijke kansen en een gelijke behandeling op alle gebieden van het leven moeten worden gegarandeerd, en overwegende dat beleid om deze gelijkheid te waarborgen, slimme en duurzame groei helpt bevorderen;

U.

overwegende dat veel werknemers die zich in een onzekere arbeidssituatie bevinden of werkloos zijn, geen recht hebben op ouderschapsverlof;

V.

overwegende dat jonge werknemers een hoger risico lopen om in een onzekere baan terecht te komen; overwegende dat het risico om in een positie met meerdere nadelen terecht te komen, bij werknemers jonger dan 25 jaar dubbel zo hoog is als bij werknemers van 50 jaar of ouder (29);

I.    Naar fatsoenlijk werk — arbeidsvoorwaarden en onzeker werk aanpakken

1.

vraagt de lidstaten rekening te houden met de volgende IAO-indicatoren om te bepalen of er sprake is van een dienstverband:

het werk wordt verricht volgens de instructies en onder het gezag van een andere partij;

het houdt in dat de werkende in de organisatie van het bedrijf wordt opgenomen;

het wordt uitsluitend of voornamelijk ten voordele van een andere persoon verricht;

het moet door de werkende persoonlijk worden verricht;

het wordt verricht binnen welbepaalde werkuren of op een werkplek die wordt bepaald of overeengekomen door de partij die om het werk verzoekt;

het werk heeft een bepaalde duur en een zekere continuïteit;

het vereist dat de werkende beschikbaar is of omvat de verstrekking van gereedschap, materiaal en machines door de partij die om het werk verzoekt;

de werkende krijgt een periodieke beloning die zij enige of voornaamste bron van inkomsten is, en er kan ook sprake zijn van betaling in natura, zoals eten, huisvesting of vervoer;

de werkende heeft rechten zoals wekelijkse rusttijden en jaarlijks verlof;

2.

neemt nota van de Eurofound-definitie van atypisch werk, namelijk arbeidsverhoudingen die niet overeenstemmen met het standaard- of typische model van voltijdse, reguliere en langdurige tewerkstelling van onbepaalde duur bij één werkgever (30); benadrukt dat de termen „atypisch” en „onzeker” niet als synoniemen kunnen worden gebruikt;

3.

verstaat onder onzeker werk vormen van werk die niet aan de Europese en nationale normen, met name op het vlak van gezondheid en veiligheid op het werk, voldoen en/of onvoldoende middelen opleveren om fatsoenlijk van te kunnen leven, of ontoereikende sociale bescherming bieden;

4.

stelt vast dat sommige atypische vormen van werk grotere risico's op onzekerheid met zich meebrengen, onvrijwillig deeltijdwerk, arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, nulurencontracten en onbetaalde stages;

5.

is er vast van overtuigd dat flexibiliteit op de arbeidsmarkt niet gaat over de uitholling van de werknemersrechten in ruil voor productiviteit en concurrentie, maar dat het erom gaat een geslaagd evenwicht tot stand te brengen tussen de bescherming van de werknemers en de mogelijkheid om individuele werknemers en werkgevers afspraken te laten maken over manieren van werken die aan de behoeften van beide partijen beantwoorden;

6.

merkt op dat het risico van bestaansonzekerheid afhangt van het type overeenkomst maar ook van de volgende indicatoren:

weinig of geen baanzekerheid als gevolg van de niet-vaste aard van het werk, zoals het geval is bij onvrijwillige en vaak marginale deeltijdovereenkomsten en, in sommige lidstaten, onduidelijke werktijden en veranderlijke taken als gevolg van werk op aanvraag;

rudimentaire bescherming tegen ontslag en onvoldoende sociale bescherming bij ontslag;

onvoldoende beloning om fatsoenlijk van te kunnen leven;

geen of beperkte socialezekerheidsrechten of -uitkeringen;

geen of beperkte bescherming tegen discriminatie;

geen of geringe vooruitzichten op een betere positie op de arbeidsmarkt of loopbaanontwikkeling en opleiding;

weinig collectieve rechten en beperkt recht op collectieve vertegenwoordiging van werknemers;

arbeidsomstandigheden die niet aan de minimumregels voor veiligheid en gezondheid beantwoorden (31);

7.

herinnert aan de definitie van „fatsoenlijk werk” van de IAO, namelijk werk dat productief is en een billijk inkomen oplevert, een veilige werkplek en sociale bescherming biedt, betere vooruitzichten op persoonlijke ontwikkeling en sociale integratie biedt, mensen de vrijheid geeft om voor hun belangen op te komen, zich te organiseren en deel te nemen aan de besluitvorming die van invloed is op hun leven, en waarbij alle vrouwen en mannen gelijke kansen krijgen en gelijk worden behandeld (32); moedigt de IAO aan om aan die definitie een leefbaar loon toe te voegen; moedigt de Commissie en de lidstaten aan om deze definitie te onderschrijven wanneer zij het arbeidsrecht herzien of verder ontwikkelen;

8.

herinnert aan de succesfactoren voor good practices ter bestrijding van onzeker werk, namelijk: een sterke juridische basis, betrokkenheid van de sociale partners en de ondernemingsraden op de werkplek, samenwerking met de belanghebbenden, evenwicht tussen flexibiliteit en zekerheid, sectorgerichtheid, lage administratieve lasten voor de werkgevers, handhaving door de arbeidsinspectie, en bewustmakingscampagnes;

9.

merkt op dat het IAO-agenda voor fatsoenlijk werk specifiek bedoeld is om banencreatie, rechten op het werk, sociale bescherming en sociale dialoog alsook en gendergelijkheid te garanderen; benadrukt dat fatsoenlijk werk met name het volgende moet bieden:

een fatsoenlijk loon, en ook het recht op vrijheid van vereniging moet garanderen;

collectieve overeenkomsten in overeenstemming met de praktijk van de lidstaten;

participatie van de werknemers in bedrijfsaangelegenheden, in overeenstemming met de praktijk van de lidstaten;

eerbiediging van het collectieve onderhandelingen;

gelijke behandeling van werknemers op dezelfde werkplek;

gezondheid en veiligheid op het werk;

sociale zekerheid voor werknemers en hun personen ten laste;

bepalingen inzake werk- en rusttijden;

bescherming tegen ontslag;

toegang tot opleiding en een leven lang leren;

steun voor evenwicht tussen werk en privéleven voor alle werknemers; beklemtoont dat deze rechten slechts kunnen worden gegarandeerd als de toepassing van de arbeids- en sociale wetgeving wordt verbeterd;

10.

merkt op dat talloze factoren, zoals digitalisering en automatisering, bijdragen tot de verandering van de aard van werk, waaronder de opkomst van nieuwe vormen van werk; merkt in dit verband op dat nieuwe vormen van werk wellicht nieuwe, responsieve en evenredige regelgeving vereisen om ervoor te zorgen dat alle vormen van werk eronder vallen;

11.

herhaalt in verband met digitale banen dat mensen die voor digitale platforms werken en andere tussenpersonen recht moeten hebben op toereikende sociale bescherming en gezondheidszorg;

12.

onderstreept dat digitalisering niet louter mag worden beschouwd als iets dat banen doet sneuvelen, maar integendeel kansen biedt voor de ontwikkeling en verbetering van individuele vaardigheden;

13.

onderstreept dat er in 2020 naar verwachting 756 000 niet-ingevulde vacatures in de ICT-sector zullen zijn, waaruit blijkt dat de digitale vaardigheden van de Europese werknemers moeten worden verbeterd;

14.

benadrukt dat de economische crisis heeft geleid tot migratiebewegingen binnen de EU die duidelijk hebben gemaakt dat er barrières bestaan die het vrije verkeer van personen tussen de lidstaten belemmeren en dat er wordt gediscrimineerd op grond van nationaliteit, waardoor EU-burgers weinig baanzekerheid hebben;

15.

benadrukt dat onzekere arbeidssituaties zoals zwartwerk en schijnzelfstandigheid op lange termijn gevolgen hebben voor de geestelijke gezondheid en het lichamelijke welzijn, en ertoe kunnen leiden dat werknemers een groter risico lopen op armoede, sociale uitsluiting en aantasting van hun grondrechten;

16.

benadrukt dat werknemers met zeer korte contracten het meest te lijden hebben onder slechte omstandigheden wat het fysieke aspect van hun werk betreft; benadrukt dat de combinatie van baanonzekerheid en gebrek aan controle over de arbeidstijden vaak wordt veroorzaakt door stressgerelateerde beroepsrisico's;

17.

benadrukt dat in bepaalde sectoren van de economie zoveel gebruik wordt gemaakt van flexibele en atypische arbeidsverhoudingen dat er van misbruik kan worden gesproken;

18.

vraagt de Commissie en de lidstaten beleid te bevorderen dat de positie van werknemers, stagiairs en leerlingen versterkt door het sociaal overleg te versterken en collectieve onderhandelingen te bevorderen, zodat alle werknemers, ongeacht hun statuut, kunnen gebruikmaken van hun recht om zich te verenigen en collectief, vrij en zonder vrees voor directe of indirecte straffen vanwege de werkgever te onderhandelen;

19.

benadrukt de belangrijke rol die voor de sociale partners is weggelegd bij het beschermen van de rechten van de werknemers, het vaststellen van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden en fatsoenlijke lonen en inkomens overeenkomstig de wetten en praktijk van de lidstaten, en het raadplegen en adviseren van werkgevers en werknemers;

20.

verzoekt de lidstaten om, in nauwe samenwerking met de sociale partners, loopbaantrajecten te ondersteunen zodat mensen zich gemakkelijker kunnen aanpassen aan de verschillende situaties die zij in de loop van hun leven kan meemaken, met name aan de hand van beroepsopleiding tijdens de hele loopbaan, toereikende werkloosheidsuitkeringen, overdraagbaarheid van sociale rechten en een actief en doeltreffend arbeidsmarktbeleid;

21.

verzoekt de Commissie en de lidstaten doeltreffende bescherming te bevorderen en te garanderen, alsook een gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers die in dienstverband werken, door een integrale beleidsrespons om onzeker werk tegen te gaan en loopbaantrajecten en een degelijke socialezekerheidsdekking te garanderen;

22.

benadrukt hoe belangrijk de arbeidsinspecties van de lidstaten zijn, en onderstreept dat zij zich moeten concentreren op toezicht, handhaving en verbetering van de arbeidsvoorwaarden, gezondheid en veiligheid op het werk en de bestrijding van illegale arbeid en zwartwerk, en in geen geval mogen worden misbruikt als instrument om migratie te beheersen; wijst op het risico van discriminatie van de meest kwetsbare werknemers en veroordeelt ten stelligste bedrijven die migranten in dienst nemen zonder hun rechten en voordelen ten volle te beschermen en zonder hen daarover te informeren; vraagt de lidstaten daarom de arbeidsinspectie uit te rusten met voldoende middelen om een doeltreffend toezicht te kunnen garanderen;

II.    Voorstellen

23.

verzoekt de Commissie en de lidstaten onzekere vormen van werk, met inbegrip van zwartwerk en schijnzelfstandigheid, tegen te gaan om ervoor te zorgen dat in alle soorten arbeidsovereenkomsten sprake is van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden met een passende socialezekerheidsdekking, in overeenstemming met de agenda voor fatsoenlijk werk van de IAO, artikel 9 VWEU, het Handvest van de grondrechten van de EU en het Europees Sociaal Handvest;

24.

vraagt de Commissie en de lidstaten alle praktijken die tot meer onzeker werk kunnen leiden, te bestrijden en zo bij te dragen tot de Europa 2020-doelstelling om de armoede te verminderen;

25.

verzoekt de lidstaten de kwaliteit van atypische banen te verbeteren door ten minste een reeks minimumnormen vast te stellen inzake sociale bescherming, minimumlonen en toegang tot opleiding en ontwikkeling; benadrukt dat dit moet geschieden met behoud van de kansen voor toegang tot de arbeidsmarkt;

26.

vraagt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de nationale socialezekerheidsstelsels geschikt zijn voor nieuwe vormen van werk;

27.

verzoekt de Commissie nieuwe vormen van werk die uit de digitalisering voortvloeien, te beoordelen; vraagt met name om een beoordeling van de juridische status en de aansprakelijkheid van arbeidsmarktintermediairs en onlineplatformen; vraagt de Commissie Richtlijn 91/533/EEG van de Raad van 14 oktober 1991 betreffende de verplichting van de werkgever de werknemer te informeren over de voorwaarden die op zijn arbeidsovereenkomst of -verhouding (33) („de richtlijn schriftelijke verklaringen”) te herzien om rekening te houden met nieuwe vormen van werk;

28.

benadrukt dat de deeleconomie veel mogelijkheden biedt, in het bijzonder wat nieuwe banen betreft; verzoekt de Commissie en de lidstaten de potentiële nieuwe arbeidsregels die door de deeleconomie tot stand komen, te beoordelen; dringt erop aan dat de werknemers in die sector beter worden beschermd door meer transparantie ten aanzien van hun statuut, de informatie die hun wordt verstrekt en non-discriminatie;

29.

vraagt de Commissie haar gerichte herziening van de detacheringsrichtlijn voort te zetten en de richtlijn uitzendarbeid te herzien om de sociale grondrechten van alle werknemers te garanderen, onder meer gelijke beloning voor gelijk werk op dezelfde werkplek;

30.

onderstreept dat er openbare en particuliere investeringen nodig zijn ter bevordering van met name die sectoren van de economie die een maximaal multiplicatoreffect hebben, teneinde opwaartse sociale convergentie en cohesie in de Unie in de hand te werken en het scheppen van fatsoenlijke banen te bevorderen; benadrukt in dit verband dat kmo's en start-ups steun moeten krijgen;

31.

beklemtoont dat zwartwerk moet worden aangepakt omdat het de belasting- en socialezekerheidsinkomsten doet dalen en zorgt voor onzekere en slechte arbeidsomstandigheden en oneerlijke concurrentie tussen werkenden; is ingenomen met de oprichting van een Europees platform voor de intensivering van de samenwerking bij het tegengaan van zwartwerk;

32.

merkt op dat het, gezien het aantal werkenden, met name jongeren, die thans hun land van herkomst verlaten en naar andere lidstaten verhuizen op zoek naar werk, dringend nodig is passende maatregelen vast te stellen om ervoor te zorgen dat geen enkele werkende zonder bescherming van sociale en arbeidsrechten komt te zitten; vraagt de Commissie en de lidstaten in dit verband de arbeidsmobiliteit in de EU verder te verbeteren, het beginsel van gelijke behandeling te handhaven, de lonen en sociale normen te vrijwaren en de volledige meeneembaarheid van sociale rechten te garanderen; verzoekt elke lidstaat sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid vast te stellen met gelijke beloning voor gelijk werk op dezelfde werkplek;

33.

stelt met bezorgdheid de verzwakking van collectieve onderhandelingen en van de dekking van collectieve overeenkomsten vast; verzoekt de Commissie en de lidstaten strategisch beleid te bevorderen om ervoor te zorgen dat alle werknemers onder collectieve overeenkomsten vallen en dat de rol van vakbonden en werkgeversorganisaties wordt veiliggesteld en versterkt;

34.

erkent dat de sociale partners een belangrijke rol vervullen in verband met de EU-richtlijnen inzake deeltijdwerk, overeenkomsten voor bepaalde tijd en uitzendwerk, en moedigt de Commissie aan om, in samenwerking met de sociale partners, nieuwe vormen van werk waar nodig te reguleren; vraagt Eurofound te onderzoeken hoe de sociale partners strategieën ontwikkelen om de kwaliteit van de banen te garanderen en onzeker werk tegen te gaan;

35.

verzoekt de Commissie en de lidstaten er, binnen hun respectieve bevoegdheden, voor te zorgen dat individuele zelfstandigen die wettelijk als eenmansbedrijf worden beschouwd, het recht hebben om collectief te onderhandelen en zich vrij te verenigen;

36.

herinnert eraan dat iedere werkende krachtens het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (34) („de arbeidstijdenrichtlijn”) recht heeft op een beperking van de arbeidstijden tot een bepaald maximum, op dagelijkse en wekelijkse rusttijden en op een betaald jaarlijks verlof; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat die rechten van toepassing zijn op alle werkenden, dus ook mensen die werk op aanvraag verrichten, werknemers met marginale deeltijdovereenkomsten en „crowd workers” (opdrachtnemers van crowdsourcingplatforms); herinnert eraan dat de arbeidstijdenrichtlijn een maatregel inzake gezondheid en veiligheid is; vraagt om afdwinging van de arresten van het Hof van Justitie waarin wordt bevestigd dat de tijd waarin iemand op het werk op afroep beschikbaar is, arbeidstijd is en moet worden gevolgd door compensatierust;

37.

herinnert eraan dat marginaal deeltijdwerk gepaard gaat met minder baanzekerheid, minder carrièremogelijkheden en minder investeringen in opleiding door de werkgevers, en dat lage lonen er vaker voorkomen; vraagt de lidstaten en de Commissie maatregelen aan te moedigen ter ondersteuning van langere werktijden voor wie meer wil werken;

38.

herinnert eraan dat, volgens het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, iedereen het recht heeft op toegang tot beroepsopleiding en een leven lang leren; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat beroepsopleiding en bijscholing ook beschikbaar zijn voor werknemers in een atypisch dienstverband; herinnert eraan dat bijscholingsmaatregelen bijzonder belangrijk zijn in een snel evoluerende digitale economie; wijst erop dat een tekort aan of een mismatch in vaardigheden bijdraagt tot hoge werkloosheidscijfers; is ingenomen met de recente initiatieven om tekorten aan vaardigheden aan te pakken;

39.

vraagt om een vaardighedengarantie, die een nieuw recht moet zijn voor iedereen, in elke levensfase, om fundamentele vaardigheden voor de 21e eeuw te verwerven, onder meer geletterdheid en rekenkundige onderlegdheid, digitale en mediageletterdheid, kritisch denken, sociale vaardigheden en de nodige vaardigheden voor de groene economie en de deeleconomie, rekening houdend met opkomende bedrijfstakken en belangrijke groeisectoren, en die ervoor zorgen dat ook kansarme groepen, onder meer personen met een handicap, asielzoekers, langdurig werklozen en andere ondervertegenwoordigde groepen, volledig worden bereikt; benadrukt dat de onderwijsstelsels inclusief moeten zijn, onderwijs van goede kwaliteit moeten verstrekken aan de hele bevolking, zodat mensen actieve Europese burgers kunnen zijn en worden voorbereid op een leven lang leren en aanpassen, en moeten inspelen op de behoeften van de samenleving en de arbeidsmarkt;

40.

benadrukt dat het beleid van de lidstaten moet worden ontwikkeld en uitgevoerd in overeenstemming met het nationale recht en de nationale praktijk, in nauwe samenwerking met werkgevers- en werknemersorganisaties;

41.

herinnert eraan dat onzeker werk niet alleen het individu schade toebrengt, maar ook de maatschappij veel kost door verlies aan belastinginkomsten, hogere overheidsuitgaven op lange termijn en de kosten van steun voor mensen die lijden onder de langdurige gevolgen van inkomensverlies en moeilijke arbeidsomstandigheden; vraagt de Commissie en de lidstaten het gebruik van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd en de uitwisseling van best practices tussen de lidstaten aan te moedigen om onzeker werk tegen te gaan;

42.

herinnert eraan dat mensen die in de informele economie werken, met veel onzekerheid worden geconfronteerd; vraagt de Commissie en de lidstaten beleid te voeren dat op deze mensen afgestemd is en hen beschermt door hun problemen ongeacht hun verblijfsstatus aan te pakken;

43.

verzoekt de Commissie en de lidstaten zwartwerk, schijnzelfstandigheid en alle vormen van onwettige arbeidspraktijken te bestrijden die de rechten van werkenden en de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten ondermijnen; herhaalt zijn standpunt dat in alle toekomstige werkgelegenheidsbeleid moet worden overwogen om nulurencontracten te voorkomen;

44.

benadrukt dat onzeker werk voornamelijk wordt verricht door de meest kwetsbare werkenden, die risico lopen op discriminatie, armoede en uitsluiting; herinnert er in het bijzonder aan dat een handicap, een andere etnische oorsprong, een andere religie of overtuiging, of vrouw zijn het risico verhoogt dat een werkende te maken krijgt met onzekere arbeidsvoorwaarden; veroordeelt alle vormen van onzekerheid, ongeacht de contractuele situatie;

45.

vraagt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat kwetsbare werkenden effectief worden beschermd; vraagt de Commissie en de lidstaten doeltreffende maatregelen te nemen discriminatie van vrouwen op de arbeidsmarkt te bestrijden, met bijzondere nadruk op het evenwicht tussen werk en privéleven en het dichten van de loonkloof tussen mannen en vrouwen; verzoekt de Commissie te beoordelen of Richtlijn 2006/54/EG betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep geschikt is voor nieuwe vormen van werk;

46.

vraagt de Commissie en de lidstaten alle wetgeving die aspecten van onzeker werk betreft, te beoordelen op het gendereffect ervan; meent dat het nodig is om wetgevende en niet-wetgevende maatregelen af te stemmen op de behoeften van vrouwen in onzeker werk, omdat een reeds oververtegenwoordigde groep anders te zeer de gevolgen daarvan zal moeten blijven dragen;

47.

is van mening dat de toegenomen vraag naar flexibiliteit op de arbeidsmarkt er in geen geval toe mag leiden dat vrouwen oververtegenwoordigd blijven in atypische vormen van werk met onzekere arbeidsvoorwaarden;

48.

verzoekt de Commissie en de lidstaten het fenomeen van pesterijen op de werkvloer in de gaten te houden en tegen te gaan, met inbegrip van pesterijen tegen zwangere werkneemsters of eventuele nadelen die zij ondervinden wanneer zij na een zwangerschapsverlof terugkomen; vraagt de lidstaten met aandrang de wetgeving op het gebied van moederschapsrechten na te leven en te handhaven om te voorkomen dat vrouwen de rekening voor hun moederschap gepresenteerd krijgen in de vorm van een lager pensioen; benadrukt dat moederschapsverlof gepaard moet gaan met doeltreffende maatregelen ter bescherming van de rechten van zwangere vrouwen en jonge moeders, moeders die borstvoeding geven en alleenstaande moeders, in overeenstemming met de aanbevelingen van de IAO en de Wereldgezondheidsorganisatie;

49.

vraagt nogmaals dat mensen in alle soorten dienstverbanden en zelfstandigen rechten moeten kunnen accumuleren die inkomenszekerheid bieden in situaties als werkloosheid, gezondheidsproblemen, ouderdom, loopbaanonderbreking voor ouders of mantelzorgers, of om redenen van opleiding;

50.

verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden bij alle eerste kansen die jongeren krijgen om werkervaring op te doen, zoals stages, leerlingschap of kansen uit hoofde van de jongerengarantie; moedigt de lidstaten aan om kwaliteitskaders voor stages en leerlingschap vast te stellen en toe te passen om ervoor te zorgen dat de werknemersrechten worden geëerbiedigd en dat kansen op werkervaring voor jongeren vooral educatief zijn;

51.

verzoekt vooral de Commissie en ook de lidstaten maatregelen te treffen om werkonzekerheid bij jongeren tegen te gaan; onderstreept hoe belangrijk het is dat de Commissie in dat verband de jongerengarantie moet toepassen;

52.

beveelt de lidstaten aan ervoor te zorgen dat jongeren van alle leeftijdsgroepen toegang krijgen tot gratis openbaar onderwijs van hoge kwaliteit, in het bijzonder in de hogere niveaus van onderwijs en opleiding, aangezien aangetoond is dat een hoger opleidingsniveau arbeidsgerelateerde ongelijkheden tussen mannen en vrouwen helpt verminderen;

53.

benadrukt dat het voor een betere toepassing en een beter begrip van de grondbeginselen en grondrechten op het werk nuttig zou zijn dat de Commissie en de lidstaten de term „werkende” („worker”) zoals die door de IAO wordt gedefinieerd, zouden gebruiken in plaats het enger gedefinieerde begrip „werknemer” („employee”);

54.

verzoekt de Commissie en de lidstaten ondernemerschap en de oprichting van coöperaties van werknemers te bevorderen in multiservicebedrijven en in de opkomende sector van de deeleconomie en digitale platformen, om zo de risico's van bedrijfsmodellenmodellen voor de rechten en arbeidsvoorwaarden van de werknemers te beperken;

55.

onderstreept dat kortlopende arbeidsovereenkomsten in de landbouw verband houden met seizoensgebonden landbouwactiviteiten; vraagt dat met deze sterke, door de natuur opgelegde beperking rekening wordt gehouden door landbouwers de mogelijkheid te blijven bieden werknemers in dienst te nemen volgens het ritme van de seizoenen en door hun geen extra administratieve rompslomp in verband met aanwerving en personeelsbeheer op te leggen;

56.

verzoekt de Commissie de bescherming van de rechten van seizoenarbeiders te bevorderen en aan bewustmaking hierover te doen, en verzoekt de lidstaten de sociale en rechtspositie van seizoenarbeiders te regelen, hun hygiënische, gezondheids- en veiligheidsomstandigheden op het werk te waarborgen en ervoor te zorgen dat zij sociale bescherming genieten, overeenkomstig artikel 23 van Richtlijn 2014/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider (35), inclusief gelijk loon en gelijke sociale bescherming; benadrukt dat alle seizoenarbeiders uitgebreide informatie moeten krijgen over hun arbeidsrechten en rsocialezekerheidsrechten, met inbegrip van pensioenrechten, waarbij ook rekening moet worden gehouden met het grensoverschrijdende aspect van seizoenarbeid;

o

o o

57.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)  PB L 216 van 20.8.1994, blz. 12.

(2)  PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.

(3)  PB L 327 van 5.12.2008, blz. 9.

(4)  PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1.

(5)  PB L 159 van 28.5.2014, blz. 11.

(6)  PB L 177 van 4.7.2008, blz. 6.

(7)  PB C 70 E van 8.3.2012, blz. 1.

(8)  Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0321.

(9)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0059.

(10)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0346.

(11)  Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0360.

(12)  Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0010.

(13)  OPB C 303 van 19.8.2016, blz. 54.

(14)  www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/…/IPOL_STU(2016)587285_EN.pdf.

(15)  http://www.eurofound.europa.eu/sites/default/files/ef_publication/field_ef_document/ef1398en.pdf

(16)  https://www.eurofound.europa.eu/sites/default/files/ef_publication/field_ef_document/ef1461en.pdf

(17)  http://www.eurofound.europa.eu/sites/default/files/ef_publication/field_ef_document/ef1639en.pdf

(18)  http://www.eurofound.europa.eu/sites/default/files/ef_publication/field_ef_document/ef1634en.pdf

(19)  https://www.eurofound.europa.eu/observatories/eurwork/industrial-relations-dictionary

(20)  http://www.ilo.org/dyn/normlex/en/f?p=NORMLEXPUB:12100:0::NO::P12100_ INSTRUMENT_ID:312535.

(21)  http://www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/---ed_dialogue/---actrav/documents/meetingdocument/wcms_164286.pdf.

(22)  http://www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/---dgreports/---dcomm/---publ/documents/publication/wcms_534496.pdf.

(23)  http://www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/---dgreports/---dcomm/---publ/documents/publication/wcms_490959.pdf.

(24)  Voltijdse arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd maken 59 % van de totale werkgelegenheid in de EU uit, zelfstandig ondernemerschap met werknemers 4 %, freelancewerk 11 %, uitzendwerk 1 %, arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd 7 % en leer- of stageovereenkomsten 2 %, marginale deeltijdarbeid (minder dan 20 uur per week) 9 % en deeltijdwerk voor onbepaalde tijd 7 %.

(25)  IAO-verslag van 2016 over de totstandbrenging van een sociale pijler ten behoeve van de Europese convergentie.

(26)  Zie de studie van 2016 over „Precarious Employment in Europe: Patterns, trends and policy strategies”.

(27)  Eurofound (2014), „Occupational profiles in working conditions: Identification of groups with multiple disadvantages”.

(28)  Zie de studie van 2016 over „Precarious Employment in Europe: Patterns, trends and policy strategies”.

(29)  Eurofound (2014), „Occupational profiles in working conditions: Identification of groups with multiple disadvantages”.

(30)  Zie: https://www.eurofound.europa.eu/observatories/eurwork/industrial-relations-dictionary/atypical-work

(31)  Zie de resolutie van het Parlement van 19 oktober 2010 over vrouwen in onzeker dienstverband.

(32)  IAO-verslag van 14 november 2016 over atypisch werk wereldwijd.

(33)  PB L 288 van 18.10.1991, blz. 32.

(34)  PB L 299 van 18.11.2003, blz. 9.

(35)  PB L 94 van 28.3.2014, blz. 375.


Top