Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52016AE6275

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende preventieve herstructureringsstelsels, een tweede kans en maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures, en tot wijziging van Richtlijn 2012/30/EU (COM(2016) 723 final — 2016/0359 (COD))

OJ C 209, 30.6.2017, p. 21–27 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

30.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 209/21


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende preventieve herstructureringsstelsels, een tweede kans en maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures, en tot wijziging van Richtlijn 2012/30/EU

(COM(2016) 723 final — 2016/0359 (COD))

(2017/C 209/04)

Rapporteur:

Antonello PEZZINI

Corapporteur:

Franca SALIS-MADINIER

Raadpleging

Europees Parlement, 16.1.2017

Europese Raad, 25.1.2017

Rechtsgrondslag

Artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Interne Markt, Productie en Consumptie

Goedkeuring door de afdeling

9.3.2017

Goedkeuring door de voltallige vergadering

29.3.2017

Zitting nr.

524

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

220/2/7

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het EESC steunt het voorstel voor een richtlijn over preventieve herstructurering en een tweede kans voor ondernemingen. Het presenteert hierbij de voorstellen van het maatschappelijk middenveld die erop zijn gericht de inhoud van het richtlijnvoorstel aan te vullen.

1.2.

Gelet op de inhoud ervan en op de noodzaak om de regels voor de interne markt aan te vullen pleit het EESC ervoor het voorstel de vorm van een verordening te geven en niet bang te zijn om een zo groot mogelijke harmonisatie van de bestaande systemen door te voeren.

1.3.

Het EESC dringt erop aan dat de verplichting voor directies van ondernemingen om de werknemers voorafgaand aan en tijdens de onderhandelingen te informeren en te raadplegen, expliciet wordt opgenomen in de richtlijn. Met name in de fase van vroegtijdige herstructurering moet de grootste aandacht worden besteed aan de belangen van de werknemers, net zoals tijdens de insolventieprocedure uitdrukkelijk moet worden verwezen naar artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2001/23/EU, om de rechten van de werknemers in dit verband te beschermen.

1.4.

Het EESC dringt er bij de Commissie op aan om in de richtlijn de verplichting op te nemen om te „anticiperen” op een situatie van insolventie; dit zou als fundamenteel beginsel in een „code van goed gedrag” moeten worden vastgelegd. In dit verband zou het EESC graag zien dat het beginsel van „sociale waarschuwing” naar behoren wordt opgenomen in de richtlijn.

1.5.

Het EESC beveelt aan de richtlijn aan te vullen met het leidende beginsel dat in geval van insolventie alle werknemers in alle lidstaten de status van prioritaire schuldeiser wordt toegekend. Verder stelt het EESC voor om, in lidstaten die nog niet beschikken over een nationaal fonds voor de onderlinge verdeling van de risico’s dat de uitbetaling van de lonen van werknemers garandeert, een dergelijk fonds op te richten. Deze fondsen, die in sommige lidstaten al operationeel zijn, kunnen worden gefinancierd door bijdragen van de werkgevers. De lidstaten kunnen meewerken aan het beheer van deze fondsen en er borg voor staan.

1.6.

Het EESC beveelt aan dat de Commissie snel werk maakt van de nodige procedures en tijdschema’s om tijdig te kunnen vaststellen dat een onderneming in moeilijkheden verkeert.

1.7.

De beroepsbeoefenaren en deskundigen maar ook de rechters die hierbij worden betrokken moeten een adequate gemeenschappelijke opleiding hebben gevolgd en beschikken over een ruime ervaring om te kunnen handelen op gebieden die tot dusver nauwelijks zijn verkend.

1.8.

Onderzocht moet worden of wordt voldaan aan de betrouwbaarheidscriteria voor ondernemers, die samenhangen met hun professionaliteit en eerlijkheid en moeten worden gedocumenteerd met toepasselijke certificaten, afgegeven door de autoriteiten. Dergelijke certificaten rechtvaardigen het beroep op een tweede kans.

1.9.

Misbruik van de insolventieprocedure door bestuurders, om werknemers hun rechten te ontnemen, zou door de richtlijn moeten worden beschouwd als illegale praktijk. Bestuurders die zich hieraan bezondigen zouden dus geen toegang mogen krijgen tot het moratorium of de voordelen van een tweede kans.

1.10.

Het EESC is ingenomen met de ondergeschikte rol voor de rechtbanken, die pas ten tonele verschijnen in geval van noodzaak.

1.11.

Het EESC benadrukt de maatschappelijke waarde van een onderneming en de inspanningen om deze actief te houden, dankzij gestroomlijnde, goedkope en snelle procedures. Dit stemt overeen met de waarden van het EU-Verdrag (artikel 3) en gaat uit van de goede trouw van de ondernemer.

2.   De EU-regeling voor bedrijfsinsolventie

2.1.

Op 20 mei 2015 hebben het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie Verordening (EU) 2015/848 (hierna „de verordening”) betreffende insolventieprocedures tussen verschillende lidstaten goedgekeurd.

2.2.

In de nieuwe wetgeving is rekening gehouden met de nieuwe aandacht voor de doelstellingen van de insolventiewetgeving uit hoofde waarvan een insolventieprocedure niet langer louter is gericht op vereffening, maar ook wordt beschouwd als instrument om de middelen van een onderneming te behouden en dus ook het recht op arbeid van de werknemers te beschermen, en indien mogelijk het voortbestaan van de onderneming te waarborgen.

2.3.

In lidstaten waar procedures voor de herstructurering van ondernemingen prevaleren boven vereffeningsprocedures, bedraagt het percentage ingevorderde schulden 83 % in plaats van 57 % (1).

2.3.1.

Bovendien loopt de lengte van de procedures sterk uiteen tussen de verschillende lidstaten (2), van enkele maanden tot meerdere jaren.

2.3.2.

Er zijn ook grote verschillen wat betreft de toegang tot herstructureringsprocedures alvorens de insolventie wordt vastgesteld.

2.3.3.

Recente studies (3) hebben aangetoond dat de insolventiewetgeving niet altijd voldoet en dat er buitensporig veel verschillen zijn tussen de wetgevingen van de lidstaten, wat een belemmering vormt voor investeringen op de eengemaakte markt.

2.4.

Voor ondernemers, wier faillissementspercentage ongeveer 50 % (4) bedraagt tijdens de eerste vijf jaren van het bestaan van hun onderneming, is het doel dat zij kunnen profiteren van een moratorium in tijden van crisis, en dat zij vervolgens maximaal drie jaar de tijd hebben om een oplossing te vinden voor hun schulden, waarmee het stigma van het faillissement wordt weggenomen en eerlijke ondernemers een tweede kans krijgen aangeboden.

2.5.

Een belangrijke vernieuwing die bijdraagt tot de totstandbrenging van een gemeenschappelijke Europese justitiële ruimte is het feit dat vóór juni 2019 een systeem wordt gecreëerd van elektronisch gekoppelde insolventieregisters die in iedere lidstaat moeten worden opgesteld en die kosteloos toegankelijk zijn via het Europees portaal voor e-justitie.

2.6.

Volgens de Commissie gaan in de EU jaarlijks 200 000 bedrijven failliet en gaan als gevolg daarvan elk jaar 1,7 miljoen banen verloren. Dit zou vaak kunnen worden vermeden indien er efficiëntere procedures op het gebied van insolventie en herstructurering zouden zijn.

2.7.

Uit een evaluatie van de uitvoering van de aanbeveling van 2014 over herstructurering en het tweedekansbeleid is gebleken dat, ondanks de hervormingen op het gebied van insolventie, de regels nog sterk uiteenlopen en in sommige landen inefficiënt blijven of nog niet bestaan. In het uit 2015 daterende actieplan voor de opbouw van een kapitaalmarktunie wordt een wetgevingsinitiatief inzake insolventie van bedrijven aangekondigd, onder meer op het gebied van vroege herstructurering en tweede kansen.

2.8.

Het initiatief van de Commissie moet ook worden gezien in het licht van een aantal aanbevelingen die wij formuleren om erop te wijzen dat:

de verschillen tussen het insolventierecht in de lidstaten tot ongerechtvaardigde concurrentievoordelen of -nadelen kunnen leiden;

de kwestie van de insolventieregelingen moet worden bekeken vanuit het oogpunt van het arbeidsrecht, aangezien uiteenlopende definities van „arbeid” en „werknemer” afbreuk kunnen doen aan de rechten van de werknemers in de EU in het geval van insolventie;

het gebrek aan harmonisatie in de volgorde van schuldeisers de voorspelbaarheid van de uitkomst van gerechtelijke procedures kan verminderen;

de insolventieprocedures niet zouden mogen worden misbruikt of geïnstrumentaliseerd door één of meerdere crediteuren;

maatregelen nodig zijn om „forum shopping” te voorkomen.

3.   De voorstellen van de Commissie

3.1.

Het voorstel van de Commissie — dat de artikelen 53 en 114 VWEU als rechtsgrond heeft — bestaat uit drie belangrijke elementen:

gemeenschappelijke beginselen voor het gebruik van de stelsels voor tijdige herstructurering, die bedrijven zullen helpen hun activiteiten voort te zetten en de werkgelegenheid te behouden;

regels om ondernemers een tweede kans te geven na kwijtschelding van schulden, gedurende een periode van maximaal 3 jaar;

maatregelen ten behoeve van de lidstaten, om de efficiëntie van de insolventie-, herstructurerings- en kwijtingsprocedures te vergroten, met als gevolg dat procedures worden ingekort, de kosten van de procedures — die nu buitensporig hoog zijn — worden verlaagd, de rechtsonzekerheid voor schuldeisers en investeerders wordt weggenomen en wordt gezorgd voor een hoger terugvorderingspercentage van onbetaalde schulden.

3.2.

De nieuwe regels bevatten enkele kernbeginselen om ervoor te zorgen dat de insolventie- en herstructureringsstelsels consistent en doeltreffend zijn in de hele EU:

ondernemingen in financiële moeilijkheden, en met name kmo’s, zullen toegang hebben tot waarschuwingssystemen om de achteruitgang van de zaken te signaleren en ervoor te zorgen dat de herstructurering in een vroeg stadium kan worden opgestart;

de flexibele „stelsels” voor preventieve herstructurering moeten de gerechtelijke procedures vereenvoudigen in termen van tijd, kosten en complexiteit;

een respijtperiode van maximaal vier maanden voor de debiteur, voordat tenuitvoerleggingsmaatregelen worden genomen, met het oog op het faciliteren van onderhandelingen die een doeltreffende herstructurering mogelijk maken;

ervoor zorgen dat crediteuren en minderheidsaandeelhouders de goedkeuring van een herstructureringsplan niet kunnen blokkeren, maar wel met volledige bescherming van hun legitieme belangen;

bescherming van nieuwe financieringen en interim-financieringen om de mogelijkheden voor efficiënte herstructureringen te vergroten;

volledige bescherming van het arbeidsrecht tijdens de preventieve herstructureringsprocedures, overeenkomstig de bestaande EU-wetgeving voor werknemers;

homogene opleiding en specialisatie van faillissementscuratoren en rechters in de EU;

optimale benutting en gebruik van nieuwe informatietechnologieën voor formaliteiten, kennisgevingen en communicatie online, om de procedures voor insolventie, herstructurering en een tweede kans efficiënter te maken en in te korten.

3.3.

In het voorstel voor een nieuwe richtlijn wordt verder rekening gehouden met „continuïteitsaspecten” van de procedure, waarbij de ondernemer de controle over zijn activiteiten behoudt dankzij de „automatische opschorting”, dat wil zeggen de periode van vier maanden waarbinnen het crediteuren niet is toegestaan om afzonderlijke acties in te stellen voor invordering van de schuld.

4.   Specifieke opmerkingen over het Commissievoorstel

4.1.    Titel I: Kwijting van schulden

4.1.1.

In aansluiting op vele eerdere adviezen die het hierover heeft uitgebracht is het EESC sterk gekant tegen de mogelijkheid om de voorgestelde procedures voor de schuldkwijtschelding toe te passen op consumenten; dit is immers in strijd met de aanbevelingen van het EESC, namelijk dat er absoluut een specifieke regeling voor consumenten met een overmatige schuldenlast moet komen.

4.2.    Titel II: Anticipatie en waarschuwingssystemen

4.2.1.

Het EESC meent dat het nuttig zou zijn om de reikwijdte en het toepassingsgebied van de richtlijn (soort ondernemingen, aantal werknemers) nader te preciseren. Hierbij moet bijzondere aandacht worden besteed aan kmo’s en hun invloed op de plaatselijke economie.

4.2.2.

Er is een brede consensus over de noodzaak om bedrijven te helpen tijdig te herstructureren, zodat zij banen kunnen redden en hun waarde kunnen behouden, en ook om bonafide ondernemers te ondersteunen.

4.2.3.

Het zou nuttig en wenselijk zijn om criteria vast te stellen op basis waarvan ondernemers als „bonafide” kunnen worden beschouwd. Deze objectieve criteria moeten formeel worden vastgelegd in de richtlijn. Iets wat niet over het hoofd mag worden gezien is het feit dat er de laatste tijd vaak sprake is van „tactische” insolventieprocedures, die door ondernemers worden gebruikt om zich te onttrekken aan de wettelijke aansprakelijkheid en werknemers hun rechten te ontzeggen. Het gebruik van dergelijke praktijken moet worden ontmoedigd, door ondernemers die zich hieraan schuldig maken de mogelijkheid van een moratorium en een tweede kans te ontnemen.

4.2.4.

Alle fasen moeten worden uitgevoerd met de voortdurende betrokkenheid van werknemers en vakbonden, via een daadwerkelijke raadpleging en tijdige voorlichting. De vertegenwoordigers van de werknemers en de vakbonden moeten het recht hebben om alternatieve oplossingen voor te stellen voor het behoud van de werkgelegenheid, en om een deskundige in te schakelen.

4.2.5.

Wanneer het stelsel voor preventieve herstructurering door gemeenschappelijke en gedeelde basiselementen wordt gekenmerkt zou het moeten beantwoorden aan een gemeenschappelijk en homogeen protocol op communautair niveau.

4.2.6.

Het EESC stelt voor om in alle lidstaten procedures in gang te stellen voor de oprichting van nationale fondsen voor onderlinge risicoverzekering die garant staan voor de betaling van de lonen van werknemers. Deze fondsen kunnen worden gefinancierd door bijdragen van de werkgevers. De lidstaten kunnen meewerken aan het beheer van deze fondsen en er borg voor staan (5).

4.2.7.

Om de werkgelegenheid te beschermen en ontslagen te voorkomen, moet „sociale waarschuwing” worden gesteund, dat wil zeggen de verplichting voor een onderneming om alle betrokken partijen voldoende op voorhand te waarschuwen dat de onderneming in moeilijkheden verkeert. Deze waarschuwing, die afhankelijk van het specifieke geval op passende wijze dient te worden afgegeven, zal tevens een nuttige test zijn om duidelijk vast te stellen of de ondernemer zich op eerlijke en maatschappelijk verantwoorde wijze gedraagt.

4.2.7.1.

De informatie-uitwisseling met de vertegenwoordigers van werknemers, vakbonden en andere representatieve organisaties en andere belanghebbenden moet worden gesteund.

4.2.8.

Het gaat er hierbij om interventie van de gerechtelijke/administratieve autoriteit te beperken. Deze wordt maar al te vaak in een vroeg stadium verzocht een drastische oplossing uit te werken voor solvabiliteitsproblemen.

4.2.9.

Het beginsel van de relevante informatie en raadpleging van de werknemersvertegenwoordigers (EOR-richtlijn 2009/38/EG) zou op zowel nationaal als Europees niveau moeten worden toegepast. Ook zou hun recht om een waarschuwing te laten uitgaan moeten worden erkend en beschermd, omdat zij vaak als eerste op de hoogte zijn van wantoestanden in de onderneming („whistleblower as means of prevention”).

4.2.10.

Lid 3 van artikel 3 moet worden verduidelijkt. Zo moeten in het bijzonder de parameters worden vermeld op grond waarvan ondernemingen kunnen worden uitgesloten van het waarschuwingsmechanisme (aantal werknemers, omzet enz.)

4.3.    Titel III: Preventieve herstructureringsstelsels

4.3.1.

Totstandbrenging van een algemeen voordelig en proactief stelsel gebaseerd op de harmonisatie van ervaringen en procedures.

4.3.2.

Met het oog op de verwezenlijking van de interne markt (artikel 114 van het VWEU) is het zaak dat de Commissie, onder meer via gedelegeerde handelingen, overgaat tot harmonisatie van de insolventieprocedures, die thans te veel uiteenlopen tussen de lidstaten.

4.3.3.

Evenzo dienen op communautair niveau passende pre-insolventieprocedures te worden voorgesteld en geharmoniseerd waarin rekening wordt gehouden met de redenen voor de financiële moeilijkheden, die soms verband houden met vertragingen bij de betalingen (6).

4.3.4.

Er zouden normen voor goed gedrag voor opdrachtgevers en dienstverleners moeten worden vastgesteld, waarin een maximumtermijn wordt opgenomen voor de betaling van geleverde diensten.

4.3.5.

Soms is het faillissement te wijten aan politieke redenen buiten de macht van de ondernemer.

4.3.6.

De bescherming van nieuwe financieringen en interim-financieringen moet worden gewaarborgd door middel van gemeenschappelijke voorschriften en gedragsregels die homogeen zijn in de verschillende landen en die ook de legitieme standpunten van minderheden kunnen beschermen.

4.3.7.

Sommige regionale overheden in Europese landen hebben reeds „paritaire instanties” (7) in het leven geroepen met als taak snel op te treden wanneer een onderneming in moeilijkheden moet worden gesteund (8).

4.3.8.

Het zou nuttig zijn een onderzoek uit te voeren naar deze „organisaties” en lessen te trekken uit de meest relevante ervaringen.

4.3.9.

De oprichting van „paritaire instanties” met sterke bevoegdheden, duidelijke voorspellende visies en krachtige sociale doelstellingen, zou kunnen helpen om iets te doen aan het gebrek aan voorspellend vermogen of strategische innovatie, dat heeft geleid tot een verslechtering van de arbeidsmarkt als geheel en heeft bijgedragen tot de economische crisis die heel Europa, zij het in verschillende vormen, sinds 2008 doormaakt.

4.3.10.

Zowel de vroegtijdige herstructurering als de „tweede kans” komen ondernemers ten goede die de procedures van vroegtijdige waarschuwing in acht hebben genomen en een beroep doen op deze instrumenten. Beide instrumenten hebben tot doel de voorwaarden te scheppen om de crediteuren (in de eerste plaats de werknemers en vakbonden) erbij te betrekken.

4.3.10.1.

Daarom is het van essentieel belang dat een ondernemer die heeft verzocht gebruik te maken van dergelijke voordelen onmiddellijk zijn hele boekhouding (balans en bijlagen, bankafschriften, verzekeringspolissen, voorraadadministratie enz.) ter beschikking stelt van zijn gesprekspartners (werknemers, vakbonden, crediteuren in het algemeen, instanties die zijn aangewezen om te helpen bij het oplossen van de crisis) om iedere vorm van controle op zijn activiteiten mogelijk te maken.

4.3.10.2.

Dit zou niet alleen het beginsel van transparantie eerbiedigen, maar zou ook de doeltreffendheid helpen verzekeren van sommige van de in dit voorstel voor een richtlijn genoemde grondbeginselen.

4.3.10.3.

De onmiddellijke toegang tot alle documenten van een onderneming zou er immers toe bijdragen dat:

alle betrokken actoren inzicht krijgen in de daadwerkelijke economische situatie van de onderneming, om zo spoedig mogelijk passende maatregelen te kunnen nemen om een einde te maken aan de staat van crisis;

adequate informatie wordt verstrekt aan de crediteuren (werknemers en andere crediteuren, ook via hun eigen deskundigen) die deelnemen aan de onderhandelingen met het oog op de goedkeuring van het herstructureringsplan en/of de voorgestelde alternatieve maatregelen, om een oordeel te geven of een bewuste stem te kunnen uitbrengen over de verschillende onderdelen van het plan (artikel 8);

adequate informatie wordt verstrekt aan de deskundigen op het gebied van herstructurering (artikel 17, lid 3) en aan de gerechtelijke instantie en haar deskundigen (artikel 13) wanneer zij worden gevraagd om het herstructureringsplan te beoordelen;

de betrouwbaarheid van de ondernemer nauwkeuriger wordt beoordeeld (artikel 22, lid 1), aangezien uit bestudering van de documenten kan worden afgeleid of de ondernemer te goeder of te kwader trouw heeft gehandeld en of de procedure meteen na de eerste tekenen dat de onderneming in moeilijkheden verkeerde, is opgestart.

4.3.11.

In de effectbeoordeling van de herstructurering moeten ook de gevolgen voor de werkgelegenheid worden meegenomen, want indien deze vooraf bekend zijn kunnen passende maatregelen worden genomen, bijv. op het gebied van opleiding en ontwikkeling van vaardigheden van werknemers, om de werkgelegenheid te behouden.

4.3.12.

Wat betreft artikel 18 (hoofdstuk 5): bestuurders moeten worden verplicht om de activa van de onderneming op een zodanig niveau te houden als nodig is om de opgebouwde verplichtingen ten aanzien van werknemers te kunnen nakomen.

4.4.    TITEL IV: Toegang tot kwijting (tweede kans)

4.4.1.

In zijn advies van 2013 over insolventieprocedures, waarover ook het onderhavige advies gaat, heeft het EESC er onder meer op gewezen:

dat de „tweede kans” ten goede moet komen aan ondernemers die lering hebben getrokken uit hun eerdere mislukking en die in staat zijn om op basis van een herzien bedrijfsplan er bovenop te komen;

dat de werknemer in alle lidstaten beter beschermd moet worden en beschouwd moet worden als „preferente schuldeiser”;

dat stelselmatig een beroep doen op de gerechtelijke instanties niet de beste oplossing lijkt, en dat de Commissie zou moeten nadenken over de mogelijkheid om nieuwe instanties in te stellen;

dat de verplichting voor lidstaten om de regels inzake publiciteit te verbeteren aan de hand van een elektronisch register met relevante gerechtelijke besluiten moet worden toegejuicht.

4.4.2.

De regels voor de tweede kans voor ondernemers na een eerste mislukking moeten duidelijk zijn en moeten in alle landen van de EU gelijk zijn, zoals staat in artikel 114 over de interne markt, en moeten worden gesteund door de werknemers, die geen schade hebben geleden of nadeel hebben ondervonden van het eerdere falen van de ondernemer.

4.4.3.

Maar al te vaak hebben de starre procedures in veel lidstaten geleid tot soms drastische acties van faillissementscuratoren.

4.4.4.

De maatregelen die in alle lidstaten van de EU op een eenvormige en open wijze moeten worden genomen, moeten de oude rol van faillissementscuratoren omvormen tot een nieuwe rol van „curatoren voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid”. Dit vraagt om een brede en diepgaande technische en culturele voorbereiding, onder meer met behulp van de informaticatoepassingen die zijn te vinden op het Europese e-justitieportaal en die worden geconsolideerd in Verordening (EU) 2015/848.

4.4.5.

Het EESC is ingenomen met de voorgestelde vereenvoudiging voor de toegang tot een tweede kans. In dit verband is het veelbetekenend dat ondernemers met een overmatige schuldenlast kwijting van hun schulden kunnen verkrijgen na het verstrijken van de voorgeschreven termijn, zonder dat zij daartoe opnieuw een verzoek moeten richten aan een gerechtelijke of administratieve instantie (artikel 20, lid 2).

4.5.    Titel V: Maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van de procedures

4.5.1.

Het zou nuttig zijn indien de basis- en vervolgopleiding van „de leden van de gerechtelijke en administratieve instanties die zaken in verband met herstructurering, insolventie en een tweede kans behandelen” rechtstreeks door de Commissie zouden worden georganiseerd (eventueel via agentschappen).

4.5.2.

De vereisten waaraan deskundigen die in de EU actief zijn moeten voldoen, dienen te worden geharmoniseerd: er moeten minimumnormen worden vastgesteld voor deze actoren, bijvoorbeeld met betrekking tot hun opleiding en beroepskwalificaties, registratie, verantwoordelijkheden en professionele gedragscode.

4.5.3.

Er is behoefte aan instrumenten voor intern toezicht, boekhouding, verslaglegging en controle, om de procedures op te starten en hun efficiëntie te verbeteren.

4.6.    Titel VI: Monitoring van de procedures

4.6.1.

Zoals werd benadrukt in paragraaf 4.3.10.1 kan alleen een onmiddellijke en volledige inzage in de documentatie van de onderneming de echtheid en volledigheid garanderen van de gegevens die moeten worden verzameld om te komen tot een doeltreffende monitoring van de procedures (artikel 29).

4.6.2.

De duidelijkheid en volledigheid van de gegevens moet worden bevestigd door de uitvoeringshandeling overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011.

Brussel, 29 maart 2017.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Georges DASSIS


(1)  Doing Business-index Wereldbank 2016.

(2)  Cfr. SWD(2016) 357 final.

(3)  https://webcast.ec.europa.eu/insolvency-conference; http://ec.europa.eu/justice/civil/files/insolvency/impact_assessment_en.pdf.

COM(2015) 468 final, 30.9.2015 (Insolventie op blz. 24-25); SWD(2015) 183 final, 30.9.2015 (Insolventie op blz. 73-78) en andere.

(4)  Volgens de Flash-Eurobarometer 354 (2012), die er tevens op wijst dat 43 % van de Europeanen geen eigen zaak wil beginnen uit angst voor een faillissement.

(5)  Dit voorstel werd in 1764 reeds gedaan door Cesare Beccaria in zijn traktaat „Over misdaden en straffen”.

(6)  Uit studies die werden uitgevoerd door de Academie van Avignon zijn vertragingen bij betalingen de oorzaak van ten minste 30 % van de bedrijfsfaillissementen.

(7)  Bestaande uit deskundigen van de regionale overheid, vertegenwoordigers van kredietverstrekkers en de sociale partners.

(8)  Zie bijvoorbeeld het „Organismo di vigilanza e di sostegno delle aziende in difficoltà” (instantie voor toezicht op en ondersteuning van ondernemingen in moeilijkheden) dat door het regionale ministerie voor productieactiviteiten van de autonome regio Sicilië in maart 2016 is opgericht.


Top