Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62016CN0568

Zaak C-568/16: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Nürtingen (Duitsland) op 10 september 2016 — Strafzaak tegen Faiz Rasool

OJ C 22, 23.1.2017, p. 15–16 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

23.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 22/15


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Nürtingen (Duitsland) op 10 september 2016 — Strafzaak tegen Faiz Rasool

(Zaak C-568/16)

(2017/C 022/21)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Nürtingen

Partijen in de strafzaak

Faiz Rasool, Rasool Entertainment GmbH, Staatsanwaltschaft Stuttgart

Prejudiciële vragen

1.

Moet artikel 3, onder o), van richtlijn 2007/64/EG betreffende betalingsdiensten in de interne markt in die zin worden uitgelegd dat het feit dat in een speelhal waaraan door de overheid een concessie is verleend, met een pinpas contant geld kan worden opgenomen uit een pinautomaat, die tegelijkertijd een geldwisselaar is, waarbij de bank- en rekening-technische afwikkeling wordt verricht door een externe dienstverlener („netwerkexploitant”) en de uitbetaling aan de klant pas plaatsvindt wanneer de netwerkexploitant, na controle van de banktegoeden, een autorisatiecode aan de pinautomaat zendt, terwijl de speelhalexploitant alleen de multifunctionele geldwisselaar met contant geld vult en van de bank die de rekening houdt van de klanten die geld opnemen, een creditering ter hoogte van het opgenomen bedrag ontvangt, een activiteit in de zin van artikel 3, onder o), vormt, waarvoor dus geen toestemming hoeft te worden verkregen?

2.

Indien de in de eerste vraag omschreven activiteit geen activiteit in de zin van artikel 3, onder o), is:

moet artikel 3, onder e), van richtlijn 2007/64/EG dan in die zin worden uitgelegd dat de in de eerste vraag omschreven mogelijkheid om met een pinpas contant geld op te nemen een activiteit in de zin van deze bepaling is, wanneer tegelijkertijd met het opnemen van het contante geld een speeltegoed ter waarde van 20 EUR wordt gegenereerd dat bij de toezichthouder op de speelhal kan worden ingewisseld, waarna de toezichthouder van de hal een speelautomaat met munten vult?

Indien de in de eerste en de tweede vraag omschreven activiteit geen activiteit is die op grond van artikel 3, onder o) en/of e), van de werkingssfeer van de richtlijn is uitgesloten:

3a.

moet punt 2 van de bijlage bij richtlijn 2007/64/EG dan in die zin worden uitgelegd dat de in de eerste en de tweede vraag omschreven activiteit van de speelhalexploitant een betalingsdienst vormt waarvoor toestemming moet worden verkregen, hoewel de speelhalexploitant geen rekening aanhoudt van de klant die geld opneemt?

3b.

moet artikel 4, punt 3, van richtlijn 2007/64 dan in die zin worden uitgelegd dat de in de eerste en de tweede vraag omschreven activiteit van de speelhalexploitant een betalingsdienst in de zin van deze regeling vormt wanneer de speelhalexploitant de service gratis aanbiedt?

Voor het geval het Hof zou oordelen dat voor de beschreven activiteit toestemming vereist is:

4.

moeten het Unierecht en de richtlijn betreffende betalingsdiensten in de interne markt in die zin worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat het exploiteren van een pinautomaat strafrechtelijk wordt bestraft in een geval met de bijzonderheden als in casu, wanneer in een groot aantal speelhallen met een door de overheid verleende concessie alsmede in casino’s met een door de overheid verleende concessie die ten dele ook door de overheid worden geëxploiteerd, soortgelijke pinautomaten zonder toestemming worden of werden geëxploiteerd en de voor de toelating en het toezicht bevoegde autoriteit geen bezwaren maakt?

Indien ook de vierde vraag ontkennend wordt beantwoord:

5.

moeten de richtlijn betreffende betalingsdiensten en de Unierechtelijke beginselen van rechtszekerheid en rechtsduidelijkheid alsmede artikel 17 van het Handvest in die zin worden uitgelegd dat zij in een geval met de bijzonderheden als in casu, in de weg staan aan een bestuurlijke en rechterlijke praktijk op grond waarvan de geldbedragen die de speelhalexploitant middels een dienstverlening van de netwerkexploitant heeft ontvangen van de bankklanten die met een pinpas het door hem in de pinautomaat gestopte contante geld en/of de speeltegoeden voor de speelautomaten hebben opgenomen, aan de staat vervallen (voordeelsontneming), hoewel alle crediteringen enkel overeenkomen met de bedragen die de klanten aan contant geld en speeltegoeden via de pinautomaten hebben ontvangen?


Top