Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62015TN0688

Zaak T-688/15 P: Hogere voorziening ingesteld op 28 november 2015 door Peter Schönberger tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 30 september 2015 in zaak F-14/12 RENV, Schönberger/Rekenkamer

OJ C 59, 15.2.2016, p. 27–28 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

15.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 59/27


Hogere voorziening ingesteld op 28 november 2015 door Peter Schönberger tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 30 september 2015 in zaak F-14/12 RENV, Schönberger/Rekenkamer

(Zaak T-688/15 P)

(2016/C 059/29)

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirerende partij: Peter Schönberger (Luxemburg, Luxemburg) (vertegenwoordiger: O. Mader, advocaat)

Andere partij in de procedure: Rekenkamer van de Europese Unie

Conclusies

De rekwirerende partij verzoekt het Gerecht:

de bestreden beschikking te vernietigen;

de in eerste aanleg ingediende vorderingen toe te wijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

De onderhavige hogere voorziening strekt tot vernietiging van de beschikking van 30 september 2015, Schönberger/Rekenkamer (F-14/12 RENV, JurAmbt., EU:F:2015:112).

Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert de rekwirerende partij zeven middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan een onjuiste toepassing van artikel 81 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken

Rekwirant stelt dat het Gerecht voor ambtenarenzaken (GVA) artikel 81 van zijn Reglement voor de procesvoering in de bestreden beschikking onjuist heeft toegepast waardoor zijn recht op een gehoor voor de rechtbank en op een eerlijk proces is geschonden.

2.

Tweede middel, ontleend aan een vervanging van de motivering door te laat aangevoerde argumenten in aanmerking te nemen

Volgens rekwirant heeft het GVA zich schuldig gemaakt aan een onwettige vervanging van de motivering, door zich te baseren op argumenten die de verwerende partij te laat heeft aangevoerd.

3.

Derde middel, ontleend aan een verkeerde opvatting van de feiten

Volgens rekwirant heeft het GVA het standpunt van de Rekenkamer verkeerd opgevat, doordat het in de bestreden beschikking stelt dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat een vergelijking van rekwirants verdiensten met die van de overige voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren niet tot zijn bevordering heeft geleid, terwijl de Rekenkamer slechts heeft gesteld dat rekwirant niet automatisch was bevorderd, indien er meer beschikbare posten waren geweest.

4.

Vierde middel, ontleend aan een onjuiste toepassing van een bevorderingscriterium

Rekwirant stelt voorts dat het GVA voor de beoordeling van zijn verdiensten ten onrechte een bevorderingscriterium heeft toegepast dat verder gaat dan de criteria van de Rekenkamer en onnodig streng is, aangezien het bewijs wordt verlangd dat rekwirant van alle 53 voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren de meest verdienstelijke was.

5.

Vijfde middel, ontleend aan het feit dat bij de vergelijking ten onrechte rekening is gehouden met de mate van verantwoordelijkheid die de betrokkene draagt

Rekwirant voert voorts aan dat de vergelijking van de door hem gedragen verantwoordelijkheden door het GVA een feitelijke grondslag mist en ten onrechte ervan uitgaat dat afdelingshoofden automatisch voorrang hebben

6.

Zesde middel, ontleend aan de onterechte toetsing van de toepasselijke bevorderingsquota

Rekwirant voert dienaangaande aan dat de kwestie van de toepasselijke bevorderingsquota de feitelijke kern van het geding raakt. Deze kwestie had daarom niet mogen worden afgehandeld in het kader van de toetsing van de ontvankelijkheid.

7.

Zevende middel, ontleend aan de onjuiste toepassing van het beginsel van gelijke behandeling

Ten slotte stelt rekwirant dat het GVA het beginsel van gelijke behandeling onjuist en niet conform de vaste rechtspraak heeft toegepast, aangezien het niet heeft vastgesteld dat er sprake is van schending van dat beginsel, wanneer instellingen de grenzen van hun beoordelingsmarge overschrijden en op willekeurige wijze maatregelen treffen die indruisen tegen de bepalingen van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie.


Top