Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52014AE7336

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over langdurige zorg en deïnstitutionalisering (verkennend advies)

OJ C 332, 8.10.2015, p. 1–7 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

8.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 332/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over langdurige zorg en deïnstitutionalisering

(verkennend advies)

(2015/C 332/01)

Rapporteur:

Gunta ANČA

Corapporteur:

José Isaías RODRÍGUEZ GARCÍA-CARO

Rihards Kozlovskis, waarnemend minister van Buitenlandse zaken en minister van Binnenlandse zaken van Letland, heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) in een brief van 25 september 2014 overeenkomstig artikel 304 van het VWEU verzocht om een verkennend advies over

„Langdurige zorg en deïnstitutionalisering”.

De afdeling Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 7 mei 2015.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 27 en 28 mei 2015 gehouden 508e zitting (vergadering van 27 mei) onderstaand advies uitgebracht, dat met 139 stemmen vóór en 1 stemmen tegen, bij 3 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

Het EESC

1.1.

pleit ervoor dat, aan de hand van samenhangende en uitgesplitste gegevens, meer bekendheid wordt gegeven aan de omstandigheden van mensen die in instellingen leven en dat indicatoren aangaande de naleving van de mensenrechten worden ingevoerd.

1.2.

Het doet een beroep op de lidstaten om, als onderdeel van de nationale hervormingsprogramma’s (NHP’s), maatregelen tegen discriminatie te nemen en zich voor het recht van personen met een handicap op een volwaardige rol in de maatschappij en de economie in te zetten.

1.3.

Er is bezuinigd op het budget van lokale en regionale overheden, met alle rechtstreekse gevolgen van dien voor de socialedienstverlening. In sommige lidstaten is daardoor de tendens ontstaan om mensen dan maar in instellingen op te nemen.

1.4.

De lidstaten zouden de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) moeten gebruiken om de overgang van institutionele naar door de gemeenschap gedragen zorg te promoten, de sociale voorzieningen en de gezondheidszorg verder te ontwikkelen en ondersteunend personeel een opleiding te laten geven.

1.5.

Ook zouden de lidstaten hun langdurige zorg moeten hervormen op grond van een kosten-batenanalyse, waarbij blijk moet worden gegeven van een verziende blik, wat onder meer betekent dat bezuinigingen het veld moeten ruimen voor investeringen in mensen en diensten.

1.6.

Deïnstitutionalisering vergt een politieke strategie van lange adem en de toewijzing van voldoende financiële middelen om in een gemeenschap alternatieve vormen van ondersteuning te ontwikkelen.

1.7.

De lidstaten zouden moeten erkennen dat personen met een handicap in alle aspecten van het leven en op voet van gelijkheid met anderen rechtsbevoegd zijn en zouden die erkenning zo nodig moeten staven met desbetreffende besluiten (1).

1.8.

Als doorslaggevende stap in het proces van deïnstitutionalisering zou er een door de gemeenschap gedragen dienstverlening van hoge kwaliteit moeten worden ontwikkeld (2). Het is gevaarlijk om instellingen te sluiten zolang er nog geen alternatieven zijn.

1.9.

Thuiszorg moet gepaard gaan met de ontwikkeling van betaalbare professionele dienstverlening.

1.10.

Professionele zorgverleners zouden overal in Europa moeten worden opgeleid om in door de gemeenschap gedragen dienstverlening te kunnen werken en moeten worden geïnformeerd over het proces van deïnstitutionalisering.

1.11.

Door de gemeenschap gedragen zorg moet plaatselijk worden verstrekt en betaalbaar en voor iedereen toegankelijk zijn.

1.12.

Toegang tot de arbeidsmarkt is van groot belang voor mensen die uit een instelling komen: op die manier kunnen zij volop deelnemen aan de samenleving. Gespecialiseerde diensten voor de arbeidsvoorziening en beroepsonderwijs zouden voor iedereen die er behoefte aan heeft toegankelijk moeten zijn.

1.13.

Al degenen die bij de deïnstitutionalisering betrokken zijn, zouden moeten samenwerken.

1.14.

Verschillende gebruikersgroepen hebben verschillende behoeften. Daarom moeten er in een samenwerkingsverband met alle relevante belanghebbenden — onder wie gebruikers en hun representatieve organisaties, gezinnen, dienstverleners, de betrokken economische sectoren en overheidsinstanties — specifieke oplossingen worden uitgewerkt.

1.15.

De Commissie moet beslist met een Europees kwaliteitskader voor door de gemeenschap gedragen zorg komen. Het is hoog tijd voor bindende voorschriften voor optimale kwaliteit.

1.16.

De lidstaten zouden onafhankelijke en efficiënte inspectie- en monitoringdiensten moeten opzetten, die moeten toezien op de naleving van de voor de zorg geldende regelgevings- en kwaliteitsnormen.

1.17.

Het EESC adviseert om negatieve beeldvorming door stereotypering tegen te gaan en inclusieve educatie- en mediacampagnes te voeren waardoor aan deze problematiek, zowel op school als in de samenleving, meer bekendheid wordt gegeven.

2.   Inleiding

2.1.

Deïnstitutionalisering heeft in het grootste deel van de twintigste eeuw niet overal in Europa hetzelfde verloop gekend. Idem dito voor de naleving van de mensenrechten. Vandaar de moeilijkheid om vergelijkbare gegevens over de lidstaten te vergaren.

2.2.

Onze samenleving is volop aan het veranderen. Daarom is het van belang om overal in de EU een analyse te maken van de situatie van mensen die sociale zorg en hoogwaardige steun nodig hebben. Op grond van die analyse kunnen geschikte oplossingen worden gevonden en voorbeelden van geslaagde methoden worden uitgewisseld.

2.3.

Het EESC komt dan ook tot de volgende bevindingen:

2.3.1.

In heel Europa zijn meer dan een miljoen kinderen en volwassenen met een handicap in instellingen opgenomen (3);

2.3.2.

Een „instelling” moet worden gezien als een centrum voor residentiële zorg waar bewoners buiten de samenleving worden geplaatst en/of worden gedwongen om samen te leven. Mensen die in een instelling worden opgenomen, hebben onvoldoende controle over hun eigen leven en de besluiten die over hen worden genomen. De vereisten van de organisatie zelf vertonen de neiging voorbij te gaan aan de individuele behoeften van de gebruikers (4);

2.3.3.

Hoogwaardige door de gemeenschap gedragen zorg levert altijd een betere levenskwaliteit op dan institutionele zorg: in het eerste geval wordt sociale integratie bevorderd en is het risico om buiten de samenleving te komen te staan, minder groot (5);

2.3.4.

Alle vormen van discriminatie of misbruik waarvan mannen, vrouwen en kinderen met of zonder handicap, zeer hulpbehoevende personen en mensen met psychosociale stoornissen in instellingen of bij het ontvangen van zorg het slachtoffer kunnen worden, moeten worden uitgebannen;

2.3.5.

De aanbevelingen die het EESC al in eerdere adviezen heeft gedaan, blijven van kracht (6);

2.3.6.

De aandacht moet worden gevestigd op de verplichtingen die de EU en haar lidstaten krachtens het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) (7) zijn aangegaan, nl. om de waardigheid van personen met een handicap te eerbiedigen, alsook hun vrijheid en recht om zelfstandig te leven en zelf uit te maken waar en met wie zij dat willen doen, en hun recht op toegang tot door de gemeenschap gedragen hulpverlening (met inbegrip van persoonsgebonden assistentie);

2.3.7.

Volgens het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind (VRK) is het „voor de harmonische ontplooiing van zijn of haar persoonlijkheid” nodig dat een kind opgroeit in een „gezinsomgeving, in een sfeer van geluk, liefde en begrip”. Ouders zijn als eersten verantwoordelijk voor de zorg voor hun kinderen. De overheid moet de ouders — en dan vooral de meest kansarme onder hen — daarin steunen, met adequate instrumenten van sociale bescherming. Kinderen hebben het recht om te worden beschermd tegen geweld en misbruik. Als hun eigen gezin — in weerwil van adequate ondersteuning door overheidsinstanties — die zorg niet kan geven, hebben kinderen recht op een plaatsvervangend gezin.

2.3.8.

Mensen met een (met name verstandelijke) handicap hebben overal recht op erkenning als rechtspersonen.

3.   De overgang van institutionele naar door de gemeenschap gedragen zorg

Het EESC

3.1.

juicht toe dat veel landen bezig zijn om de zorg en steun voor kinderen en volwassenen te hervormen, waarbij sommige of alle instellingen voor residentiële zorg worden vervangen door dienstverlening in het gezin of door de gemeenschap (8).

3.2.

Bij de deïnstitutionalisering moeten de rechten van gebruikersgroepen worden gerespecteerd. Ook moet het risico op schade daarbij zoveel mogelijk worden beperkt en moet ervoor worden gezorgd dat alle betrokkenen er voordelen van ondervinden. In nieuwe zorg- en steunstelsels moeten de rechten, waardigheid, behoeften en wensen van alle betrokkenen en hun gezinnen worden gerespecteerd.

3.3.

Iedereen heeft het recht om zelf te bepalen waar en hoe hij of zij wil leven.

4.   Deïnstitutionalisering vanuit de invalshoek van diverse belangengroeperingen

4.1.

Kinderen, mensen met een handicap (onder wie mensen met psychosociale stoornissen) en ouderen hebben ver uiteenlopende behoeften als het gaat om zorg. Bij de deïnstitutionalisering van de langdurige zorg moet dan ook rekening worden gehouden met de specifieke behoeften van iedere gebruikersgroep.

4.2.

Door de gemeenschap gedragen zorg, waaronder professionele zorg en zorg door gezinsleden of vanuit de sociale omgeving, biedt een meerwaarde die ontbreekt in de residentiële zorgcentra.

4.3.

Het stelsel van institutionele zorg moet dan ook worden aangepast, in die zin dat pas tot institutionalisering wordt overgegaan als er geen door de gemeenschap gedragen sociale of gezondheidszorg voorhanden is, waarbij institutionele zorg wordt aangeboden als overgangsmaatregel.

4.4.

Zelfstandig wonen hoeft niet noodzakelijkerwijs te betekenen dat mensen in een isolement leven. Integendeel, doordat zij zelfstandig wonen, kunnen mensen zelf een keuze maken uit gespecialiseerde en toegankelijke algemene diensten in en van de gemeenschap waar zij hun verblijfplaats hebben gekozen.

4.5.

Deïnstitutionalisering brengt met zich mee dat de juiste voorzieningen moeten worden gecreëerd, maar ook dat de leefomstandigheden in een gemeenschap geschikt moeten worden gemaakt. Het grote publiek moet dan ook op die overgang worden voorbereid: aan de desbetreffende problematiek moet meer bekendheid worden gegeven en stigmatisering moet worden tegengegaan. Zo niet, dan komt er in plaats van deïnstitutionalisering een vorm van herinstitutionalisering, waarbij mensen met psychosociale stoornisssen in „getto’s” terechtkomen, d.w.z. dat zij dan wel in de samenleving leven, maar toch worden geïsoleerd door negatieve attitudes. De media spelen in dit opzicht een cruciale rol.

4.6.

Het EESC wijst op de verschillen tussen de lidstaten, niet in de laatste plaats als het gaat om de definitie die aan het begrip „langdurige zorg” wordt gegeven. Die verschillen kunnen ook betrekking hebben op de diverse vormen van zorg en bijbehorende dienstverlening. Ook zijn er binnen de lidstaten grote verschillen tussen regio’s en gemeenten, en dan met name tussen stad en platteland (9). Die verschillen zijn geen excuus voor lidstaten die met hun eigen specifieke kenmerken maar weinig vooruitgang boeken. Een geleidelijke overgang naar door de gemeenschap gedragen zorg is geboden.

4.7.

Het EESC heeft in een eerder verkennend advies (10) aanbevolen om een analyse te maken van zorg op afstand en omgevingsondersteund wonen en om, in de nabijheid van mensen, een alomvattende, gedecentraliseerde structuur op te zetten waarmee ouderen rechtstreeks contact kunnen onderhouden. Die aanbeveling hoort ook thuis in onderhavig advies. Ook betuigt het EESC opnieuw zijn steun voor een proces dat moet leiden tot de deïnstitutionalisering van ouderen, kinderen, mensen met een handicap in alle leeftijdsgroepen en mensen met psychosociale stoornissen (11).

4.8.

Onder deze gebruikersgroepen vallen mensen van wie het vermogen om besluiten te nemen als gevolg van hun leeftijd, handicap of afhankelijkheid, beperkt of onbestaand kan zijn. De lidstaten moeten dergelijke mensen dan ook maximale bescherming bieden in een geleidelijk en gecontroleerd proces van deïnstitutionalisering, zodat hun rechten te allen tijde worden gerespecteerd en hun optimale door de gemeenschap gedragen zorg wordt geboden, met inbegrip van hulp bij het nemen van besluiten.

4.9.

Het EESC heeft oog voor de gevolgen die een overgang van institutionele naar door de gemeenschap gedragen zorg kan hebben voor de betrokken werknemers. Alle overheidsinstanties en bij deïnstitutionalisering betrokken partijen moeten samenwerken om ervoor te zorgen dat dit proces een gunstige en geleidelijke uitwerking heeft op de verleners van zorg. Hoe dan ook moet altijd worden gezorgd voor behoorlijke arbeidsomstandigheden.

4.10.

Het alternatief voor institutionalisering is niet thuiszorg, maar door de gemeenschap gedragen zorg. Daarom moet worden geïnvesteerd in de nodige infrastructuur.

4.11.

Er zijn voorbeelden van methoden die bijval verdienen, zoals (voltijdse of deeltijdse) verlofregelingen voor zorgverleners en erkenning van verzekeringsdekking voor informele zorgverleners (12). Het EESC vraagt de Commissie en de lidstaten om de uitwisseling van voorbeelden van geslaagde methoden te bevorderen.

4.12.

Het EESC ziet het belang in van zorgverleners. Informele zorgverleners, die hiertoe op vrijwillige basis overgaan, proberen om hun zorgtaken te combineren met de rest van hun leven. Een resultaat daarvan voor de voornaamste mantelzorger kan het „syndroom van de mantelzorger” zijn, ofwel lichamelijke en psychische uitputting. De EU moet erop toezien dat beleid om werk en zorg met elkaar te combineren, evenals de verantwoordelijkheid voor zorg op het beginsel van gelijke behandeling van iedereen worden gebaseerd en dat informele zorg gelijkelijk en eerlijk wordt verdeeld (13), dat de grondrechten van zorgverleners worden gerespecteerd, dat informele en familiale zorg als zodanig worden erkend en ondersteund en dat erkenning en steun wordt gegeven aan de rol van vrijwilligers in de verlening van formele en informele zorg (14).

4.13.

Mensen uit kwetsbare groepen die institutionele zorg hebben gehad zijn oververtegenwoordigd onder de daklozen. De lidstaten zouden daarom strategieën en programma’s voor deïnstitutionalisering moeten ontwikkelen waarin rekening wordt gehouden met dakloosheid en waaruit het besef spreekt dat gemeenschapsgerichte zorg nodig is om dakloosheid te voorkomen en aan te pakken.

4.14.

Om voor een gelijke behandeling op de werkplek in te staan, is het van strategisch belang dat huishoudelijk werk wordt ontwikkeld en geprofessionaliseerd, omdat huishoudelijk werk voornamelijk door vrouwen wordt gedaan. Het zijn dan ook vooral vrouwen die kinderopvang en voorzieningen voor bejaardenhulp en schoonmaakhulp nodig hebben om voor hun loopbaanontwikkeling evenveel kansen te hebben als mannen. Dergelijke voorzieningen zijn niet alleen gunstig voor de enkeling, maar ook voor de hele samenleving. Immers, daarmee worden nieuwe banen gecreëerd, wordt tegemoetgekomen aan de behoeften van een vergrijzende samenleving en worden mensen geholpen om privé- en beroepstaken met elkaar te verzoenen. Ook leiden deze voorzieningen tot een hogere levenskwaliteit en meer sociale integratie en maken deze het voor ouderen gemakkelijker om thuis te blijven wonen (15).

4.15.

Het EESC ziet in dat beroepsmensen overal in Europa een opleiding in deïnstitutionalisering moeten krijgen. Zo moet de nieuwe generatie van psychiaters worden geleerd om zich in hun werk aan het VN-Verdrag voor de rechten van personen met een handicap te houden.

4.16.

Mensen komen soms zonder overleg of duidelijke procedures in een instelling terecht. Het is belangrijk dat de behoefte van iemand aan langdurige zorg formeel wordt beoordeeld. Hierbij zou de waardigheid van mensen niet mogen worden geschonden, en het resultaat zou geïndividualiseerde zorg moeten zijn.

5.   Gevolgen van de financiële crisis voor sociale voorzieningen

5.1.

Het EESC beseft dat de verstrekking van langdurige zorg aan de gebruikersgroepen die deze nodig hebben, tot de grootste sociaaleconomische uitdagingen behoort waar de EU voor staat, met name — zoals nu — in tijden van economische crisis.

5.2.

Uit de Mededeling over sociale investeringen (16) wordt duidelijk dat de economische crisis een bedreiging was voor onze socialezekerheidsstelsels, omdat de werkloosheid is toegenomen, de belastinginkomsten zijn gedaald en steeds meer mensen uitkeringen nodig hebben. Gezien deze context vindt het EESC net als de Commissie dat de lidstaten moeten worden geholpen om strategieën voor langdurige zorg uit te stippelen waardoor de gevolgen van de economische crisis minder hard aankomen.

5.3.

In zijn advies over deze Mededeling (17) stelt het EESC dat sociale investeringen voor groei en samenhang ook op de consolidering van de sociale voorzieningen moeten worden gericht. Een en ander kan ook bijdragen tot het scheppen van nieuwe banen in de zorg en de ontwikkeling van nieuwe vormen van collectieve dienstverlening.

5.4.

De economische crisis had een ongunstige uitwerking op het vermogen van personen met een handicap om zelfstandig te wonen, maar ook kwalijke gevolgen voor gezinnen en kwetsbare groepen die toch al een verhoogd risico op armoede en sociale uitsluiting hadden.

5.5.

Het Pakket Sociale Investeringen (PSI) zal worden ingezet om de problemen als gevolg van de economische crisis en de demografische veranderingen aan te pakken (18).

5.6.

Het EESC is ervan overtuigd dat de crisis tot veel minder erkenning voor sociale rechten heeft geleid, omdat op het budget daarvoor is bezuinigd. De Raad, de Commissie en de lidstaten moeten sociale investeringen dan ook beslist inzetten voor beleid om de sociale bescherming weer op het peil van vóór de economische crisis te brengen (19).

5.7.

Nu de levensverwachting toeneemt, ontstaan er behoeften die met zich brengen dat moeilijke kwesties m.b.t. de solidariteit en gerechtigheid tussen generaties moeten worden aangepakt. Waar het op aan komt, is dat ouderen en hoogbejaarden in Europa een veilig en waardig bestaan kunnen leiden, ook al zijn zij aangewezen op zorg. Tegelijkertijd moet ervoor worden gezorgd dat de lasten daarvan in de toekomst niet ondraaglijk worden voor de jongere generaties (20).

5.8.

De verschillen in de EU als het gaat om langdurige institutionele of door de gemeenschap gedragen zorg waren al waarneembaar, maar de crisis heeft daar nog een schepje bovenop gedaan door de economische en sociale verschillen in de EU nog groter te maken. Door de crisis zijn de verschillen in concurrentievermogen en sociale samenhang duidelijker geworden. Ook tekent zich nog scherper een tendens tot polarisatie van groei en ontwikkeling af, met alle gevolgen van dien wat betreft billijke herverdeling van inkomsten, rijkdommen en welzijn tussen de lidstaten en — in iedere lidstaat — tussen de regio’s (21).

6.   Gebruik van financiële middelen van de EU voor langdurige sociale dienstverlening en deïnstitutionalisering

Het EESC

6.1.

betreurt dat de Europese structuurfondsen in de vorige programmeringsperiode voor instellingen die tot de afzondering van patiënten leiden, zijn ingezet in plaats van voor door de gemeenschap gedragen zorg.

6.2.

Het is ingenomen met de verordeningen betreffende de ESIF voor de nieuwe programmeringsperiode (2014-2020), omdat daarin het zwaartepunt van institutionele naar door de gemeenschap gedragen zorg is verlegd, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de sociale en gezondheidsinfrastructuur zal worden verbeterd met middelen uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling.

6.3.

De overgang naar door de gemeenschap gedragen zorg zou kunnen worden versneld door een multifunctionele aanpak, waarbij o.m. een beroep op het Europees Sociaal Fonds kan worden gedaan om zachte maatregelen te nemen, zoals opleidingen voor ondersteunend personeel en de invoering van nieuwe sociale voorzieningen.

6.4.

Het is een goede zaak dat in de Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen aan de gebruikmaking van de ESIF ex ante thematische voorwaarden zijn gesteld die verband houden met de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting. Hierdoor worden de lidstaten gedwongen om een strategie voor deïnstitutionalisering uit te stippelen.

6.5.

De lidstaten zouden de ESIF moeten gebruiken om de overgang van institutionele naar door de gemeenschap gedragen zorg te promoten, de sociale voorzieningen en gezondheidszorg verder te ontwikkelen en ondersteunend personeel een opleiding te geven.

6.6.

Het instrument voor pretoetredingssteun en het Europees Ontwikkelingsfonds zouden moeten worden ingezet ter ondersteuning van het recht om in een gemeenschap te leven en het recht om in een gezin op te groeien.

6.7.

Aan de overgang van institutionele naar door de gemeenschap gedragen zorg zitten veel haken en ogen. Daarom zouden de Commissie en de lidstaten deïnstitutionalisering door middel van voorlichting en politieke sturing moeten ondersteunen, zelfs en vooral in tijden van economische crisis.

7.   Door de gemeenschap gedragen zorg van hoge kwaliteit

Het EESC

7.1.

doet een dringend beroep op de Commissie om een Europees kwaliteitskader voor door de gemeenschap gedragen zorg op te stellen. Het is hoog tijd voor stringente bindende voorschriften voor optimale kwaliteit.

7.2.

Zorgdiensten moeten door de gemeenschap worden verstrekt, ook in afgelegen en plattelandsgebieden. De burgers moeten een toereikend individueel budget krijgen om de dienstverlening die zij nodig hebben, vrijelijk te kunnen kiezen.

7.3.

Door de gemeenschap gedragen zorg moet tot stand worden gebracht in een nauw samenwerkingsverband met de gebruikers en hun representatieve organisaties. Wat die kwaliteit moet zijn, moet door hen worden uitgemaakt, in samenwerking met andere relevante belanghebbenden, zoals zorgverstrekkers, overheidsinstanties en vakbonden.

7.4.

De lidstaten zouden onafhankelijke en efficiënte inspectie- en monitoringdiensten moeten opzetten, die erop moeten toezien dat wordt voldaan aan de regelgevings- en kwaliteitsnormen voor zowel institutionele als de door de gemeenschap gedragen zorg.

7.5.

Door de gemeenschap gedragen zorg moet plaatselijk worden verstrekt en betaalbaar en voor iedereen toegankelijk zijn.

7.6.

Voor de verlening van dergelijke voorzieningen moet toestemming worden verkregen van de daartoe bevoegde overheden. Ook moeten dergelijke voorzieningen worden erkend door certificerende instanties.

7.7.

Hulptechnologieën en technische hulpmiddelen zijn voor gehandicapten, met inbegrip van kinderen en ouderen, van groot belang om deel van de gemeenschap te kunnen uitmaken. Deze technologieën zijn het effectiefst wanneer zij stroken met de voorkeuren van de gebruikers en geen nadelig effect hebben op hun persoonlijke levenssfeer.

Gedaan te Brussel, 27 mei 2015.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Zie artikel 12 van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

(2)  Dit geldt ook voor de sluiting van psychiatrische detentiecentra: dat kan pas als er eerst voor echte alternatieven wordt gezorgd.

(3)  Kinderen en volwassenen met een handicap (onder wie mensen met geestelijke gezondheidsproblemen). De cijfers betreffen de EU en Turkije. Bron: Mansell, J., Knapp, M., Beadle-Brown, J. and Beecham, J. (2007): Deinstitutionalisation and community living — outcomes and costs: report of a European Study. Deel 2: Main Report Canterbury: Tizard Centre, University of Kent (hierna: het „DECLOC-verslag”).

(4)  Verslag van de ad-hocdeskundigengroep betreffende de overgang van institutionele naar gemeenschapszorg http://ec.europa.eu/social/BlobServlet?docId=4017&langId=en

(5)  De Gemeenschappelijke Europese richtsnoeren voor de overgang van institutionele naar door de gemeenschap gedragen zorg (www.deinstitutionalisationguide.eu).

(6)  Zie PB C 204 van 9.8.2008, blz. 103, PB C 181 van 21.6.2012, blz. 2 en PB C 44 van 15.2.2013,blz. 28.

(7)  Zie http://www.un.org/disabilities/convention/conventionfull.shtml

(8)  Enkele voorbeelden van langdurige zorg kunnen worden gevonden in een Eurobarometer over gezondheids- en langdurige zorg (http://ec.europa.eu/public_opinion/archives/ebs/ebs_283_en.pdf). Nog andere voorbeelden van geslaagde methoden van deïnstitutionalisering kunnen worden gevonden in de Gemeenschappelijke Europese richtsnoeren voor de overgang van institutionele naar door de gemeenschap gedragen zorg (www.deinstitutionalisationguide.eu).

(9)  Langdurige zorg in de EU. ISBN 978-92-79-09573-3. Luxemburg: Bureau voor publicaties van de EU.

(10)  PB C 44 van 11.2.2011, blz. 10.

(11)  Idem.

(12)  Daarvoor is in Oostenrijk adequate wetgeving van kracht. Voorbeelden daarvan zijn:

Regelingen voor voltijds of deeltijds verlof voor zorgverleners: werknemers kunnen sinds 1 januari 2014 instemmen met zorgverlof (voor de duur waarvan zij geen salaris ontvangen) of deeltijds verlof voor zorg (voor de duur waarvan een deel van hun salaris niet wordt uitbetaald). Dit verlof kan lopen van één tot drie maanden. Doel ervan is om werk en zorgtaken beter op elkaar af te stemmen. Tijdens dit verlof hebben betrokkenen bij wet recht op een zorgtoeslag, bescherming tegen met redenen omkleed ontslag en dekking door een sociale verzekering (premievrije verzekering voor medische zorg en de opbouw van pensioenrechten). De zorgtoeslag is even hoog als een potentiële werkloosheidsuitkering. Dit (deeltijds) zorgverlof heeft tot doel om betrokkenen de kans te geven om de nodige zorgregelingen te treffen of die te herorganiseren, met name als een naast familielid plotseling zorg nodig heeft of als een verlener van zorg voor een bepaalde periode van zijn of haar zorgtaken moet worden ontlast.

Pensioenverzekering voor familiale mantelzorgers: mantelzorgers die al hun arbeidstijd of een deel daarvan opofferen aan de zorg voor een naast familielid hebben de keuze uit de volgende mogelijkheden om premievrij pensioenrechten op te bouwen: voortzetting van de verzekering als onderdeel van hun pensioenregeling; persoonlijke verzekering als onderdeel van hun pensioenregeling; voortzetting van hun verzekering of persoonlijke verzekering als onderdeel van de verzekering voor medische zorg. De verzekeringspremies worden overgenomen door de federale overheid: de kosten voor de familiale mantelzorger zijn dus nihil.

(13)  Tussen mannen en vrouwen en tussen generaties.

(14)  Aanbevelingen van het Sociale Platform: http://www.socialplatform.org/wp-content/uploads/2013/03/20121217_SocialPlatform_Recommendations_on_CARE_EN1.pdf

(15)  PB C 12 van 15.1.2015, blz. 16.

(16)  COM(2013) 83 final.

(17)  PB C 271 van 19.9.2013, blz. 91.

(18)  Dit moet o.m. ten goede komen aan kinderen en jongeren, personen met een handicap, dak- en thuislozen en ouderen. Doel van het PSI is om ervoor te zorgen dat socialezekerheidsstelsels op de behoeften van de burgers zijn ingesteld, dat sociaal beleid wordt vereenvoudigd en doelgerichter wordt gemaakt en dat actieve strategieën voor sociale integratie in de lidstaten op een hoger niveau worden getild. (toolkit voor de besteding van de middelen van de EU voor de overgang van institutionele naar door de gemeenschap gedragen zorg — https://deinstitutionalisationdotcom.files.wordpress.com/2015/03/annex-1-en-orig.pdf).

(19)  PB C 170 van 5.6.2014, blz. 23 en PB C 226 van 16.7.2014, blz. 21.

(20)  PB C 204 van 9.8.2008, blz. 103.

(21)  PB C 12 van 15.1.2015, blz. 105.


Top