Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52014AE3600

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Tussenopname van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei (COM(2014) 130 final)

OJ C 12, 15.1.2015, p. 105–114 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

15.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 12/105


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Tussenopname van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei

(COM(2014) 130 final)

(2015/C 012/17)

Rapporteur:

Stefano PALMIERI

De Europese Commissie heeft op 16 mei 2014 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Tussenopname van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei

COM(2014) 130 final.

Het subcomité Tussenopname van de Europa 2020-strategie, dat met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft zijn advies op 5 september 2014 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 15 en 16 oktober 2014 gehouden 502e zitting (vergadering van 15 oktober 2014) het volgende advies uitgebracht, dat met 168 stemmen vóór en 7 stemmen tegen, bij 6 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Inleiding

1.1

Vier jaar na de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie (SE2020) heeft de Europese Commissie de mededeling Tussenopname van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei gepubliceerd en een openbare raadpleging (1) gelanceerd met het oog op de tussentijdse herziening van de strategie.

1.2

Het onderhavige advies, dat het officiële antwoord is op een raadpleging van de Europese Commissie, maakt tevens deel uit van een geïntegreerde beoordeling door het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna EESC), in aansluiting op het verzoek van het Italiaanse voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie om een verkennend advies op te stellen over de komende tussentijdse herziening van de Europa 2020-strategie.

1.3

Het EESC werkt thans aan een algemene tussentijdse beoordeling van de Europa 2020-strategie die de volgende documenten zal bevatten:

het projectverslag waarmee de conceptuele en praktische aspecten van de governance van Europa 2020 zullen worden uitgediept;

het onderhavige advies SC/039;

de bijdragen van de afdelingen en de CCMI, de waarnemingsposten en de verbindingsgroep met de Europese organisaties en netwerken van het maatschappelijk middenveld;

de bijdragen van de nationale SERs en aanverwante organisaties;

de conclusies en aanbevelingen van de studie die in opdracht van de SE2020-stuurgroep van het EESC is verricht door Bellagamba, A.,: „Priorities, challenges and prospects for civil society: involvement in the Europe 2020 strategy beyond 2015 — Case study of four Member States” (BE — FR — IT — NL).

1.4

Het pakket documenten waaruit de tussentijdse evaluatie van de strategie door het EESC zal bestaan, zal worden gepresenteerd tijdens een conferentie op hoog niveau die op 4 en 5 december 2014 in Rome wordt georganiseerd in het kader van de activiteiten van het Italiaanse voorzitterschap van de Raad van de EU. De conferentie zal zijn toegespitst op het thema Voor een doeltreffender Europa 2020 — Voorstellen van het maatschappelijk middenveld voor meer sociale integratie en concurrentievermogen in Europa.

1.5

De hervormingsvoorstellen voor SE2020 zijn door verschillende interne EESC-organen (2) uitgewerkt en tijdens werkgroepvergaderingen besproken. Zij worden onverkort gepresenteerd en opgenomen als „aanbevelingen” in paragraaf 4: Aanbevelingen van het EESC ter verzekering van een echt hervormingsproces van de Europa 2020-strategie.

2.   De eerste vier jaar van de Europa 2020-strategie: de gevolgen van de crisis en de tendensen op lange termijn

2.1

heeft de lovenswaardige bedoeling het concurrentievermogen en de werkgelegenheid in de EU nieuw leven in te blazen — door de structurele knelpunten aan te pakken — en haar burgers tegelijkertijd economische, sociale en territoriale samenhang te garanderen. Bovenop deze op zich reeds moeilijke omstandigheden komt nog dat Europa thans een van de diepste — qua intensiteit en duur — crisissen (van de laatste 80 jaar) kent, die de tenuitvoerlegging van de strategie zelf grondig beïnvloedt.

2.1.1

De crisis heeft de reeds aanzienlijke economische en sociale verschillen in de EU nog vergroot, waardoor het gebrek aan homogeniteit op het gebied van concurrentievermogen en sociale samenhang nog duidelijker in het oog springt. Ook tekent zich nog scherper een tendens tot polarisatie van de groei en ontwikkeling af, met alle gevolgen van dien wat betreft billijke herverdeling van inkomsten, rijkdommen en welzijn tussen de lidstaten en, binnen de lidstaten, tussen de Europese regio's (3).

2.2

Uit de analyse van de ontwikkeling en de gevolgen van de crisis — die duidelijk worden uit de lectuur van de Commissiemededeling en haar bijlagen (4) — blijkt hoe deze crisis de tenuitvoerlegging van SE2020 negatief heeft beïnvloed inzake doeltreffendheid, geschiktheid en legitimiteit van het governancemodel en de betreffende doelstellingen.

2.3

De structuur van de economische governance van de EU, die sterk gericht is op een bezuinigingsbeleid, heeft de verwezenlijking van de SE2020-doelstellingen op middellange en lange termijn ondergeschikt gemaakt aan de begrotingsdiscipline.

2.3.1

Hoewel het EESC van mening is dat krachtiger maatregelen geboden zijn om de overheidsfinanciën van een aantal lidstaten te consolideren, is het anderzijds ook duidelijk dat een bezuinigingsbeleid weliswaar het gewenste effect kan sorteren in een economisch „expansieve” fase, maar daarentegen negatieve gevolgen heeft voor de groei, indien dit beleid „automatisch” wordt gevoerd in een fase van stagnerende economie of ronduit recessie zoals thans in de meeste lidstaten het geval is. Getuige hiervan het feit dat dergelijk beleid in veel lidstaten niet de verwachte resultaten heeft opgeleverd en het niet mogelijk heeft gemaakt tot een sluitende begroting te komen (5), maar het economisch herstel daarentegen zonder meer heeft vertraagd en de reeds zorgwekkende situatie op het gebied van sociale samenhang heeft verergert.

2.4

De crisisbeheersing op basis van de economische governance van de EU heeft de verwezenlijking van de in de strategie vastgelegde doelstellingen op middellange en lange termijn negatief beïnvloed. Zo zijn — in een aantal EU-lidstaten — problemen ontstaan die in enkele gevallen structurele obstakels en beperkingen voor de economische groei en de sociale samenhang in de Unie zijn gebleken.

2.5

Ondanks de bemoedigende resultaten die zijn behaald op het gebied van a) bestrijding van klimaatverandering en duurzame energieproductie, en b) onderwijs en voorkoming van schooluitval, worden thans bijzonder zorgwekkende signalen opgevangen wat betreft de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling (O&O), de arbeidsmarkt en de bestrijding van armoede en van sociale uitsluiting.

2.5.1

Zo lijkt de crisis, wat de uitgaven voor onderzoek en innovatie (O&I) betreft, de bestaande kloof tussen de EU-lidstaten nog te hebben vergroot. De lidstaten die onder grote druk staan om hun begroting op orde te krijgen (en die vaak samenvallen met de lidstaten die een achterstand vertonen op het gebied van innovatie) hebben hun overheidsuitgaven voor O&I sterk beknot (6). De O&O-uitgaven blijven in de EU nog bijna een procentpunt onder het streefcijfer van 3,0 % steken en zullen volgens de prognoses voor 2020 niet meer dan 2,2 % belopen. Dit is te wijten aan het lage niveau van particuliere investeringen en de weinig ambitieuze doelstellingen van de lidstaten.

2.5.2

Gelet op de stagnerende arbeidsparticipatie van de laatste jaren die onder het streefcijfer van de SE2020-doelstellingen blijft (68,4 % in 2013 -  74,2 % van de mannen en 62,5 % van de vrouwen), zijn de signalen bijzonder onrustwekkend wat de arbeidsmarkt betreft:

26,2 miljoen werklozen;

9,3 miljoen „gedemotiveerde” arbeidskrachten die bereid zijn te werken maar het hebben opgegeven om werk te zoeken;

12 miljoen personen die meer dan een jaar werkloos zijn;

sinds 2008 (eerste jaar van de crisis) zijn in de Europese Unie 6 miljoen banen verloren gegaan (met alle gevolgen van dien wat betreft verlies aan capaciteit en deskundigheid);

5,5 miljoen jongeren (onder de 25) zijn werkloos.

Deze situatie die reeds op zich bijzonder zorgwekkend is, dreigt in sommige lidstaten nog te verergeren voor jongeren, voor vrouwen en voor degenen die op hogere leeftijd de arbeidsmarkt moeten verlaten.

2.5.3

In de periode van 2009 tot 2012 is het aantal personen dat met armoede of sociale uitsluiting bedreigd wordt, gestegen van 114 tot 124 miljoen. Als rekening wordt gehouden met de vertraagde gevolgen van de crisis, zou er sprake kunnen zijn van een nog negatievere trend. De EU-doelstelling om het aantal personen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd tegen 2020 tot 96,4 miljoen terug te brengen, lijkt moeilijk haalbaar daar hun aantal reeds in 2012 met 28 miljoen hoger lag dan de vastgestelde doelstelling.

2.5.4

Deze reeds ernstige situatie wordt nog verergerd door het feit dat het aantal personen dat materiële ontbering kent en het aantal mensen in de werkende leeftijd dat in gezinnen leeft waar niemand werkt, nog stijgt.

2.5.5

De crisis heeft de reeds grote verschillen tussen de lidstaten nog doen toenemen en frappante ongelijkheden inzake concurrentievermogen en sociale samenhang aan het licht gebracht. Hieruit blijkt hoezeer hervormingsvoorstellen geboden zijn om, daar waar de problemen het grootst zijn, de doeltreffendheid van de maatregelen te verhogen.

2.5.6

Uit al deze gegevens blijkt zeer duidelijk hoe belangrijk het is om werk te maken van investeringen in groei ter ondersteuning van het concurrentievermogen en een gunstig ondernemingsklimaat om met name kmo's in staat te stellen werkgelegenheid te behouden en te scheppen.

3.   Analyse van de kernpunten van de Europa 2020-strategie: governance, doelstellingen, participatie en tenuitvoerlegging

3.1

Uit de analyse van de tot dusver behaalde resultaten blijkt dat de strategie volstrekt ontoereikend is om de vooropgestelde doelstellingen te bereiken. Het is zaak werk te maken van een hervorming van SE2020 teneinde de strategie doeltreffend en doelmatig te maken en te voorkomen dat ze faalt zoals eerder met de Lissabon-strategie het geval was. Een en ander moet daarbij worden toegespitst op een aantal doelstellingen waarvan de onderlinge samenhang en de tenuitvoerlegging moeten worden gewaarborgd.

3.2

De zwakste punten van SE2020 hebben betrekking op de governance, de doelstellingen, de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en de vlaggenschipinitiatieven.

3.3

Het governancesysteem van SE2020 is niet sterk en doeltreffend genoeg om de lidstaten ertoe te verbinden de verplichtingen na te komen die zij zijn aangegaan om de doelstellingen van de strategie (en de „vlaggenschipinitiatieven”) te realiseren.

3.3.1

Zoals de governance van de strategie is opgezet, is een structurele scheeftrekking geïnstitutionaliseerd en heeft de economische governance het overwicht op de sociale en milieu-governance, waardoor de SE2020-doelstellingen aan de macro-economische prioriteiten van het Europees Semester ondergeschikt zijn en de verwezenlijking van de doelstellingen inzake concurrentievermogen en sociale samenhang en duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen in de EU op de helling komt te staan.

3.3.2

In het kader van het Europees Semester, dat begint met de jaarlijkse groeianalyse (Annual Growth Survey — AGS) en eindigt met de formulering van de landenspecifieke aanbevelingen, werden vaak prioriteiten vastgesteld waardoor de SE202doelstellingen niet doeltreffend kunnen worden nagestreefd. Daarbij komt nog dat de „landenspecifieke aanbevelingen” door de lidstaten niet in acht worden genomen bij de opstelling van hun jaarlijkse nationale strategieën (nationale hervormingsprogramma's) of bij de besluitvorming inzake begroting, structurele hervormingen, werkgelegenheids- of sociale maatregelen (7).

3.4

In het kader van de opstelling van SE2020 worden doelstellingen vastgesteld en indicatoren voorgesteld die niet alleen niet bindend zijn maar ook nauwelijks voor overleg aan de burgers van de Unie zijn voorgelegd. Met uitzondering van de doelstellingen inzake de beperking van de broeikasgasemissies en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen — die juridisch bindend zijn — heeft ieder land zijn eigen doelstellingen kunnen vaststellen, met vaak een weinig ambitieus resultaat.

3.4.1

De kwantitatieve meting van de doelstellingen wordt niet ondersteund door een kwalitatieve beoordeling: de „slimheid” van een sociaaleconomisch systeem kan niet worden gemeten op basis van louter kwantitatieve gegevens zoals bijv. de uitgaven voor onderzoek of het aantal nieuw gecreëerde banen. Er dient daarentegen rekening te worden gehouden met aanwijzingen van kwalitatieve aard zoals de typologie van de op de „markt” gebrachte innovaties alsook het kwaliteitsniveau van de nieuw gecreëerde banen.

3.5

Het maatschappelijk middenveld is noch op nationaal, noch op Europees niveau op passende wijze bij SE2020 betrokken. Deze situatie is te wijten aan de volgende factoren:

er is maar weinig gecommuniceerd en informatie verspreid over SE2020, waardoor vooral insiders dit instrument kennen en gebruiken;

sommige lidstaten zijn terughoudend om het maatschappelijk middenveld bij de programmering van de SE2020-maatregelen te betrekken;

het ontbreekt aan echte samenhang tussen het optreden van het maatschappelijk middenveld op Europees niveau en dat op nationaal of lokaal niveau;

de maatregelen om de gevolgen van de crisis het hoofd te bieden (met inbegrip van de agenda van het Europees Semester) overlappen met de SE2020-initiatieven, waardoor het voor de sociale partners en de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld moeilijker wordt inzicht te krijgen in het ontwikkelingsproces van de strategie en eraan deel te nemen;

de ontoereikende beschikbare financiële middelen maken een doeltreffende en doelmatige deelname van het maatschappelijk middenveld aan SE2020 niet mogelijk;

in sommige landen zijn de sociale partners niet op passende wijze bij het raadplegingsproces in het kader van het Europees Semester betrokken.

3.6

Ondanks de door de Europese Raad overeengekomen procedures, de talloze EU-samenwerkingsprogramma's en het bewustzijn dat de uitdagingen en doelstellingen van SE2020 niet doeltreffend kunnen worden aangepakt met afzonderlijke nationale maatregelen alléén, toch heeft de tenuitvoerlegging van SE2020 geleden onder het gebrek aan effectieve samenwerking en solidariteit tussen de lidstaten.

3.7

De vlaggenschipinitiatieven hadden een doorslaggevende bijdrage kunnen leveren aan de coördinatie van de Europese en nationale maatregelen teneinde de verwezenlijking van de SE2020-doelstellingen te bevorderen en de economische groei en de werkgelegenheid aan te zwengelen via een doeltreffender gebruik van de „ontwikkelingshefbomen” en de kansen die worden geboden door de structuurfondsen (8), de Europese territoriale samenwerking (9) en de rechtstreeks beheerde programma's. De vlaggenschipinitiatieven moeten beheersbaarder en begrijpelijker zijn, met meer interactie en zonder overlappingen.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN VAN HET EESC TER VERZEKERING VAN EEN REËEL HERVORMINGSPROCES VAN DE EUROPA 2020-STRATEGIE

4.   Naar een nieuw conceptueel kader van de Europa 2020-strategie

4.1

De EU wordt geconfronteerd met een dubbele uitdaging: enerzijds moet ze zo snel mogelijk de crisis te boven zien te komen waarvan de gevolgen haar sociaaleconomisch systeem hard hebben getroffen, anderzijds moet ze het model van slimme, duurzame en inclusieve groei dat in SE2020 wordt voorgesteld, versterken om de structurele problemen van ontoereikend concurrentievermogen van het Europese systeem aan te pakken.

4.1.1

Het EESC dringt er dan ook op aan werk te maken van een ontwikkelingsmodel waarbij de EU-lidstaten structurele hervormingen blijven doorvoeren om de nationale financiën te saneren en betrouwbaar te maken, maar er tegelijkertijd ook in slagen de tenuitvoerlegging van maatregelen te ondersteunen, teneinde het concurrentievermogen van Europa en haar belangrijkste actoren (werknemers, particuliere ondernemingen en sociale ondernemingen) te versterken, de kwantitatieve en kwalitatieve groei van de Europese (materiële, immateriële en sociale) investeringen te bevorderen, meer en betere banen te creëren, alsook de sociale en territoriale samenhang te ondersteunen en de problemen van de hoge werkloosheid en de toenemende armoede en sociale uitsluiting aan te pakken (10).

4.1.2

Met het oog daarop is het zaak van de Economische en Monetaire Unie een solidere en veerkrachtiger factor van stabiliteit en groei te maken, de aantrekkelijkheid van de Unie voor productie en investeringen wereldwijd te verbeteren, ten volle gebruik te maken van het potentieel van de interne markt in al zijn aspecten, te investeren en de Europese economie op de toekomst voor te bereiden, een klimaat te scheppen dat gunstig is voor het ondernemerschap en het creëren van nieuwe banen, milieuduurzaamheid en de versterking van de verzorgingsstaat te ondersteunen, teneinde sociale veranderingen en desbetreffende problemen het hoofd te bieden.

4.2

Het voorstel tot vergaande hervorming van de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie moet volgens het EESC gericht zijn op een grondige herziening van sleutelconcepten en -factoren die vier jaar geleden zijn gehanteerd en betrekking hebben op: het concept zelf van ontwikkeling dat aan de strategie ten grondslag ligt; de vaststelling van doelstellingen, beleid ter verwezenlijking ervan en de betreffende monitoring en beoordeling; de definiëring van een doeltreffende en doelmatige multilevel governance van de strategie; de versterking van de deelname van burgers en van het maatschappelijk middenveld.

4.3

Om ervoor te zorgen dat de door de SE2020-hervorming bevorderde ontwikkeling werkelijk „duurzaam” is, is een holistische aanpak van cruciaal belang waarbij economische, sociale en milieudoelstellingen worden geïntegreerd. Er moet een aanpak worden gehanteerd met een gerichte exploitatie van elke vorm van kapitaal in de tijd en de ruimte, zodat niet alleen aan de huidige behoeften wordt voldaan maar ook die van toekomstige generaties niet in het gedrang worden gebracht.

4.3.1

Het is van essentieel belang het concept van duurzame ontwikkeling en de daarbij aansluitende SE2020-doelstellingen af te stemmen op hetgeen in artikel 3, leden 1 tot 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is bepaald (11), nl. dat de Unie de economische, sociale en territoriale samenhang bevordert, door meer samenwerking en solidariteit tussen de lidstaten en door duurzame ontwikkeling op basis van evenwichtige economische groei en een op volledige werkgelegenheid gerichte sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen en meer aandacht voor het welzijn van de burgers.

4.3.2

In de Europa 2020-strategie moet ook de rol van de EU in mondiaal verband tot uiting komen. De herziening van de Europa 2020-strategie moet nauw aansluiten bij de VN-Agenda voor duurzame ontwikkeling voor de periode na 2015 (12) en zorgen voor een passende tenuitvoerlegging van de wereldwijde doelstellingen voor duurzame ontwikkeling in en door de EU.

4.3.3

Met het oog op de overstap op lange termijn op een veerkrachtige en concurrerende, hulpbronnenefficiënte en inclusieve EU-economie zal de EU haar planningshorizon moeten verleggen tot na 2020. De herziening van de Europa 2020-strategie moet daarom dringend gepaard gaan met de lancering van een participatief proces, dat moet uitmonden in een geïntegreerde beleidsstrategie voor een duurzaam Europa in een geglobaliseerde wereld, afgezet tegen een tijdshorizon van ten minste 2030.

4.4

Aansluitend bij het pleidooi voor een holistische aanpak van het concept van duurzame ontwikkeling moet in SE2020 meer aandacht uitgaan naar de kwalitatieve dimensie van de doelstellingen. Groeien betekent op een natuurlijke wijze groter worden en impliceert bijgevolg een kwantitatieve dimensie, terwijl ontwikkelen verwijst naar een verruiming van eigen kwaliteiten en mogelijkheden. De kwalitatieve dimensie van de ontwikkeling neemt toe met de realisatie en uitbreiding van de specificiteit en mogelijkheden van een sociaaleconomisch systeem.

4.4.1

De Europa 2020-doelstellingen moeten op gelijke voet met, en niet ondergeschikt aan de economische en begrotingsdoelstellingen worden meegenomen in een nieuwe economische, ecologische en sociale governancestructuur, met name in het Europees Semester, en bijgevolg ook in de jaarlijkse groeianalyse, de nationale hervormingsprogramma's en de landenspecifieke aanbevelingen.

4.4.2

Het EESC herhaalt dat het van essentieel belang is het bbp aan te vullen met een ander systeem dat de impact van de getroffen maatregelen op de samenleving, de gezinnen en het individu kan meten (13). Dit betekent dat het sociale scorebord ingevoerd zal moeten worden en ook echt deel zal moeten uitmaken van het Europees semester (14).

4.4.3

Vanuit dit oogpunt dient een monitoringsysteem te worden ontwikkeld op basis van indicatoren die rekening houden met het beschikbare inkomen van gezinnen, de levenskwaliteit, de milieuduurzaamheid, de sociale samenhang, de gezondheid en het algemene welzijn van de huidige en toekomstige generaties. Om het nieuwe monitoringsysteem ten uitvoer te leggen en te beheren zou volgens het EESC een nieuwe structuur moeten worden opgezet met deelname van de bevoegde instellingen.

4.5

zal alleen slagen als de strategie kan steunen op een gestructureerde multilevel governance om het hoofd te bieden aan de vele uitdagingen die zich aandienen en als de algemene, op Europees niveau overeengekomen richtsnoeren vertaald worden in concrete nationale en regionale maatregelen.

4.5.1

Hierbij aansluitend moet de economische governance van de EU in het algemeen en van de EMU in het bijzonder worden versterkt en in SE2020 worden geïntegreerd. Zo zal kunnen worden gegarandeerd dat deze hervorming van structurele aard gerealiseerd wordt, via een doelmatig proces van samenwerking tussen en eigen inbreng van de lidstaten. Er moet dus werk worden gemaakt van echte synergie tussen de leidinggevende, samenwerkende en controlerende functies die de Europese Raad, de Raad Concurrentievermogen, de Commissie en het Europees Parlement uitoefenen.

4.5.2

De lidstaten moeten naar behoren rekening houden met de door de Europese Raad goedgekeurde „landenspecifieke aanbevelingen” bij de opstelling van hun jaarlijkse strategieën die in de nationale hervormingsprogramma's worden vastgesteld, en bij de besluitvorming inzake begroting, structurele hervormingen, werkgelegenheids- en sociale maatregelen.

4.6

De rol van het maatschappelijk middenveld moet in de verschillende fasen van planning en tenuitvoerlegging van het Europees beleid kracht worden bijgezet. De verwezenlijking van de SE2020-doelstellingen moet worden ondersteund via de versterking van de rol en betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij de jaarlijkse groeianalyse, de vaststelling van de nationale hervormingsprogramma's en de landenspecifieke aanbevelingen. Dit is mogelijk als met de juiste timing een doelmatiger tijdschema voor het Europees Semester wordt goedgekeurd, waardoor het maatschappelijk middenveld tijdig zijn mening kenbaar zal kunnen maken, d.i. op een moment dat het nog doeltreffend aan het besluitvormingsproces kan bijdragen. Een en ander moet worden gegarandeerd op de drie governance-niveaus: Europees, nationaal en regionaal.

5.   Horizontaal en sectoraal beleid ter ondersteuning van de Europa 2020-strategie

5.1

Om van SE2020 tijdens de komende vijf jaar een hefboom voor concurrentievermogen en samenhang te maken ter ondersteuning van economische, duurzame en inclusieve groei in Europa, moet volgens het EESC een geïntegreerde strategie ten uitvoer worden gelegd die zowel overkoepelende (of horizontale) als sectorale (of verticale) maatregelen omvat.

5.1.1

De overkoepelende (of horizontale) maatregelen moeten de voorwaarden creëren om de belangrijkste actoren (m.a.w. werknemers, ondernemingen en ondernemingen van de sociale economie) optimaal te laten bijdragen aan het herstel van het Europese concurrentievermogen.

5.1.2

De sectorale (of verticale) maatregelen vormen de pijlers die de effectieve herlancering van SE2020 moeten verzekeren door een nieuwe impuls te geven aan het industriebeleid , het energiebeleid een te maken, onderzoek en innovatie kracht bij te zetten alsook factoren te bevorderen die het Europese concurrentievermogen versterken en samenhangen met de verzorgingsstaat en de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting  (15).

5.2

Werknemers , particuliere ondernemingen  (16) en ondernemingen van de sociale economie  (17) moeten de belangrijkste actoren van de overkoepelende maatregelen van de nieuwe SE2020 zijn.

5.2.1

Wat de sociale partners betreft, moet het scheppen van kwaliteitsvolle arbeidsplaatsen een centrale prioriteit zijn van SE2020, dat een instrument moet zijn om de toenemende versnippering van de arbeidsmarkt en de werkloosheid tegen te gaan.

5.2.1.1

Onderwijs- en bijscholingsstelsels alsook permanente opleidingen moeten op de eisen en ontwikkelingen van de arbeidsmarkt zijn afgestemd.

5.2.1.2

Educatie in ondernemerschap en de ontwikkeling van nieuwe leerbenaderingen en -systemen moeten worden bevorderd, zodat mensen de juiste vaardigheden verwerven en optimaal gebruik wordt gemaakt van menselijk kapitaal.

5.2.1.3

De rol van de overheid in de oriëntatie, integratie en herintegratie van mensen op de arbeidsmarkt moet worden opgewaardeerd en ondersteund.

5.2.1.4

Er moet meer aandacht worden besteed aan maatregelen ter ondersteuning van de werkgelegenheid, vooral met betrekking tot jongeren, diegenen die op gevorderde leeftijd de arbeidsmarkt verlaten, vrouwen en gehandicapten. Evenzeer moet aandacht uitgaan naar de werkloosheidsproblemen van personen die niet in de officiële statistieken zijn opgenomen omdat zij van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten (daklozen of personen zonder vaste verblijfplaats, Roma enz.).

5.2.1.5

Binnen SE2020 moet een nieuwe doelstelling worden vastgesteld: de halvering van de jeugdwerkloosheid tegen 2020.

5.2.2

Wat ondernemingen en met name kmo's betreft, moet een moderne ondernemingscultuur worden bevorderd die op basis van de prioriteiten die in de „Small Business Act” (18) en het actieplan „Ondernemerschap 2020” (19) zijn vastgesteld, ondernemingen kan helpen om de kansen die via Europese financiering en technologische innovatie worden geboden, om te zetten in ontwikkelingshefbomen ter ondersteuning van het concurrentievermogen en de werkgelegenheid.

5.2.2.1

In dit verband dient aan de economische actoren te worden gegarandeerd dat zij kunnen concurreren op een markt waar verstoringen ten gevolge van overmatige bureaucratische rompslomp of van verkeerde en onrechtmatige methoden en praktijken zijn weggewerkt.

5.2.2.2

Voorts dient te worden nagegaan of in een aantal specifieke gevallen (start-ups, internationalisering, toegang tot de kapitaalmarkt, onderzoek, ontwikkeling en innovatie) voor gespecialiseerde bijstand voor kmo's (20) kan worden gezorgd.

5.2.3

De ondernemingen van de sociale economie zijn sleutelelementen van het Europees sociaal model daar zij vooral op lokaal en regionaal niveau een motor zijn van sociale innovatie en als gangmakers fungeren bij het scheppen van nieuwe banen, duurzame groei en samenhang. Zij introduceren nieuwe en flexibele methoden voor het leveren van diensten en innovatie op het gebied van producten, processen en organisatie.

5.3

Of SE2020 effectief weer op gang kan worden gebracht zal afhangen van de mate waarin de onderstaande sectorale beleidsmaatregelen kracht kunnen worden bijgezet.

5.3.1

Door een nieuwe impuls aan het Europese industriebeleid te geven zal kunnen worden gezorgd voor verbetering van het concurrentievermogen van het Europese productiesysteem. De EU moet als systeem opnieuw kunnen meeconcurreren en moet met het oog daarop over een eigen industriebeleid beschikken. De verwerkende sector moet opnieuw een aandeel behalen van 20 % van het bbp (in 2012 beliep dit slechts 15,3 %).

5.3.1.1

Er is behoefte aan een industriebeleid dan gericht is op:

strategische integratie van de waardeketen in diverse sectoren: de industriële sector, de agro-industrie, de dienstensector;

consolidatie van hightech- en medium-hightechindustrieën en kennisintensieve diensten;

ontwikkeling van een Europese markt die gelijke concurrentievoorwaarden kan garanderen voor gemiddeld en hooggekwalificeerden, en mobiliteit kan bevorderen van werknemers, beoefenaars van vrije beroepen met een gemiddelde tot hoge specialisatiegraad, en diensten;

functionele banden op hoog specialisatieniveau tussen de openbare sector en verstrekkers van kennisintensieve diensten, teneinde de productiviteit van de openbare sector te verbeteren en op te waarderen;

benutting van de door de groene economie geboden ontwikkelingskansen en ondersteuning van de ecologische overstap van de EU op een productie- en consumptiemodel dat spoort met duurzame groei (door koppeling met de „Post-2015 Agenda on Sustainable Development Goals”) (21);

de strategische sector van de „blauwe economie” via innovatie, teneinde de met de belangrijkste waardeketens (Blue industry; Blue logistic; Blue tourism; Blue food; Blue energy; Blue resources) samenhangende ontwikkelingskansen om te zetten in voordelen op economisch, milieu- en sociaal gebied ten bate van de Europese bedrijven en burgers;

5.3.2

Het is zaak een gemeenschappelijk Europees energiebeleid te bevorderen. De economie kan niet zonder energie: daarom kan een volwaardig industriebeleid niet worden vormgegeven zonder dat de volgende gemeenschappelijk beginselen worden toegepast:

aanpassing van en vermindering van de verschillen tussen energieprijzen;

verbetering van de voorwaarden voor een interne energiemarkt;

vermindering van de energieafhankelijkheid van derde landen;

ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen.

5.3.3

De ontwikkeling van een onderzoeks- en innovatiebeleid (O&I), de optimale benutting van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) en de digitalisering van de economie zijn gebieden met een aanzienlijk potentieel voor het herstel van het Europese concurrentievermogen. In dit verband kunnen nieuwe vormen van doeltreffende en doelmatige samenwerking tussen de openbare en de particuliere sector worden gestimuleerd.

5.3.3.1

Met het oog daarop pleit het EESC voor:

bevordering van gestroomlijnde en dynamische openbare agentschappen die kunnen zorgen voor financieringsmogelijkheden op middellange en lange termijn en een brug kunnen slaan tussen wetenschap en industrie;

maatregelen ter opwaardering van ICT, als instrument dat kan bijdragen aan dynamischer economische actoren (kmo's groeien sneller als ze gebruik maken van ICT);

intensivering van de financiële ondersteuning van onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatieve activiteiten en ondersteuning in alle lidstaten van een betere samenwerking tussen universiteiten, onderzoeksinstellingen en bedrijven;

bevordering van de digitalisering van de economie waardoor het particuliere belang kan worden gekoppeld aan het publieke voordeel, daar ondernemers aldus ten volle gebruik kunnen maken van de door de markt geboden kansen, en burgers — tezelfdertijd — toegang krijgen tot nieuwe digitale producten en openbare diensten.

5.3.4

Volgens het EESC moeten de factoren die het concurrentievermogen versterken en verband houden met de verzorgingsstaat kracht worden bijgezet. De tenuitvoerlegging van efficiënt welzijnsbeleid kan een bijzonder belangrijke factor zijn voor het herstel van het concurrentievermogen van de EU, door een klimaat te scheppen waarbij risicofactoren die op individueel niveau (voor de burgers) moeilijk om dragen zijn, geneutraliseerd worden via specifieke welzijnsmaatregelen. Er moeten meer inspanningen worden geleverd ter bescherming van de gezondheid en de veiligheid op de werkplek. Het is van cruciaal belang meer steun te geven voor de integratie van gehandicapten (22) en de genderdimensie (23), alsook voor voorkoming van discriminatie en vormen van uitsluiting op basis van ras, etnische afkomst, leeftijd, godsdienst of seksuele geaardheid.

5.3.4.1

Gelet op de vooruitzichten wat vergrijzing in Europa betreft (24), is het zaak de inspanningen op het gebied van demografische verandering vol te houden en indien mogelijk kracht bij te zetten. Ten einde de positieve aspecten die de demografische verandering zowel voor ouderen als voor de samenleving in het algemeen met zich meebrengt, te benutten, is het van cruciaal belang dat mensen de mogelijkheid hebben om gezond en in alle veiligheid ouder te worden (25).

5.3.4.2

Het EESC zou graag zien dat vooraf een beoordeling van de sociale impact van de economische beleidsmaatregelen wordt gemaakt, zodat maatregelen die de armoede of sociale uitsluiting kunnen vergroten, worden geneutraliseerd.

5.3.4.3

Voorts moet werk worden gemaakt van een actieve geïntegreerde integratiestrategie ter verzekering van:

passende inkomensondersteuning;

een op integratie gerichte arbeidsmarkt;

toegang tot kwaliteitsvol werk en diensten, en bevordering van sociale innovatie;

uitbreiding van de sociale economie in de strategische sectoren van hulp- en zorgdiensten.

5.4

Ter ondersteuning van SE2020 moet volgens het EESC een ambitieus plan voor materiële en immateriële investeringen in infrastructuur alsook voor sociale investeringen worden opgezet dat uitsluitend op het herstel van het Europese concurrentievermogen moet zijn gericht (26). De Raad zal moeten instemmen met de nodige aanvullende middelen voor de financiering ervan en de Commissie zal moeten toezien op de doeltreffendheid en doelmatigheid, terwijl ze tegelijkertijd de specifieke structurele hervormingen in elk land moet monitoren.

Het EESC herhaalt in dit verband de voorstellen die het in een recent advies (27) heeft geformuleerd over enerzijds het belang van openbare investeringen in de lidstaten en anderzijds de behoefte om in crisisperiode de bezuinigingsmaatregelen af te zwakken of tijdelijk op te schorten.

In die zin zou het graag zien dat de regels van het Stabiliteits- en groeipact, gelet op de sociaaleconomische situatie, met de nodige flexibiliteit worden toegepast.

5.4.1

De „materiële” infrastructuurinvesteringen moeten op twee actielijnen zijn gericht. De eerste actielijn betreft behoud, herstel en modernisering van het architecturaal, historisch en woningenerfgoed en de vervoersnetten (spoorwegen, wegen en waterwegen). Even belangrijk zijn het behoud en de beveiliging van de hydrogeologische situatie en de kusten in Europa. De tweede actielijn betreft de „immateriële” investeringen die samenhangen met de ontwikkeling van informatie- en telecommunicatietechnologienetwerken. In de financiering daarvan kan worden voorzien via de Europese Investeringsbank, uitgifte van Europese ad-hocobligaties en de in 2016 geplande aanpassing van het meerjarig financieel kader 2014-2020.

5.4.2

Sociale investeringen moeten armoede en sociale uitsluiting tegengaan en het herstel van de Europese werkgelegenheid kunnen bevorderen. Er zij gedacht aan een investeringsplan ten belope van 2 % van het bbp, waarbij de betreffende investeringen bij de berekening van het deficit buiten beschouwing worden gelaten en worden gemonitord om doeltreffendheid en doelmatigheid te verzekeren. Dit plan kan gericht zijn op: gezondheidsdiensten, zorg- en hulpdiensten in samenhang met de demografische ontwikkelingen in de lidstaten, de versterking van het onderwijs-, opleidings- en omscholingsstelsel, sociale huisvesting, enz. De financiering van een en ander mag bij de berekening van het deficit niet worden meegenomen en kan worden verzekerd via een belasting op financiële transacties.

Brussel, 15 oktober 2014

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Zie de website van de Europese Commissie: http://ec.europa.eu/europe2020/public-consultation/index_nl.htm

(2)  CESE (2014) Bijdragen van de EESC-afdelingen, de waarnemingsposten Arbeidsmarkt/Interne Markt/Duurzame Ontwikkeling/de CCMI en de verbindingsgroep — Voor een tussentijdse herziening van de Europa 2020-strategie. Stuurgroep Europa 2020.

(3)  „Gemiddeld verdiende de hoogste 20 % van de inkomens in Europa in 2012 40 % van het totale inkomen en de laagste 20 % van de inkomens minder dan 10 %.” Eurostat (2014) Statistics in focus 12/2014.

(4)  In het onderhavige advies worden — wegens plaatsgebrek — niet alle relevante statistische gegevens opnieuw overgenomen maar wordt daarvoor verwezen naar de twee eerder vermelde documenten: COM(2014) 130 final — bijlagen 1 — 3.

(5)  In de 28 EU-lidstaten is de staatsschuld in de periode van 2007 (het jaar vóór het begin van de crisis) tot 2013 met een stijging van 28,3 procentpunten gegroeid van 58,8 tot 87,1 %. Voor de 18 eurolanden steeg dat cijfer van 66,2 % tot 92,6 %, een toename van 26,4 procentpunt Eurostat database: General government gross debt.

(6)  Veugelers, R. (2014) Undercutting the future? European research spending in times of fiscal consolidation. Bruegel Policy Contribution. Uitgave 2014/06.

(7)  European Parliament (2014) Study — A „traffic light approach” to the implementation of the 2011 and 2012 Country Specific Recommendations (CSRs). Economic Governance Support Unit.

(8)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013, PB L 347, 20.12.2013, blz. 320-469.

(9)  Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013, PB L 347, 20.12.2013, blz. 259-280.

(10)  Meer informatie over het onderzoekproject is te vinden op http://www.foreurope.eu/

(11)  PB C 83 van 30.3.2010.

(12)  http://sustainabledevelopment.un.org/index.php?menu=1561

(13)  PB C 181 van 21.6.2012, blz. 14-20.

(14)  De versterking van de sociale dimensie van de Economische en Monetaire Unie COM(2013) 690 final

(15)  Voor een diepgaand onderzoek van de voorgestelde maatregelen wordt verwezen naar EESC (2014) op.cit.

(16)  Onder de term onderneming valt zowel de cruciale figuur van de ondernemer (zelfstandigen, beoefenaars van een vrij beroep, die werk geven aan werknemers, sociale ondernemers) als ondernemingen van verschillende grootte (kleine, middelgrote en grote ondernemingen).

(17)  De sociale economie omvat zowel kmo's en grote ondernemingen als coöperaties, onderlingewaarborgmaatschappijen, verenigingen, stichtingen, sociale ngo's enz.

(18)  „Een Small Business Act voor Europa”, COM(2008) 394 final/2.

(19)  PB C 271 van 19.9.2013, blz.75-80.

(20)  Het EESC verwijst naar het op 12 maart 2014 gepubliceerde verslag Action Lines: Bolstering the business of liberal professions van de werkgroep Vrije beroepen van de Commissie.

(21)  http://www.wfuna.org/post-2015

(22)  Europese strategie inzake handicaps 2010-2020: Een hernieuwd engagement voor een onbelemmerd Europa COM92010) 636 final.

(23)  Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015 COM(2010) 491 final.

(24)  Verslag van de Europese Commissie over vergrijzing 2012.

(25)  PB C 51, 17.2.2011, blz. 55–58.

(26)  Zoals op 15 juli 2014 te Straatsburg door de heer Jean-Claude Junker, kandidaat-Commissievoorzitter, in zijn beleidsrichtsnoeren voor de nieuwe Commissie werd voorgesteld.

(27)  Advies van het EESC over Voltooiing van de EMU — De voorstellen van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de volgende Europese legislatuur, rapporteurs: van Iersel en Cedrone, goedgekeurd op 9 juli 2014.


Top