Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52013AE3357

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad over meerjarenfinanciering voor acties van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid op het gebied van de bestrijding van door schepen veroorzaakte verontreiniging en door olie- en gasinstallaties veroorzaakte mariene verontreiniging COM(2013) 174 final

OJ C 327, 12.11.2013, p. 108–110 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

12.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 327/108


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad over meerjarenfinanciering voor acties van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid op het gebied van de bestrijding van door schepen veroorzaakte verontreiniging en door olie- en gasinstallaties veroorzaakte mariene verontreiniging

COM(2013) 174 final

2013/C 327/18

Rapporteur: mevrouw BREDIMA

Het Europees Parlement en de Raad hebben op resp. 16 en 18 april 2013 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig art. 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad over meerjarenfinanciering voor acties van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid op het gebied van de bestrijding van door schepen veroorzaakte verontreiniging en door olie- en gasinstallaties veroorzaakte mariene verontreiniging

COM(2013) 174 final.

De afdeling Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 20 juni 2013 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 10 en 11 juli 2013 gehouden 491e zitting (vergadering van 10 juli 2013) het volgende advies uitgebracht, dat met 179 stemmen vóór en 1 tegen, bij 3 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies

1.1

Het EESC is er voorstander van dat de begroting voor het EMSA voor de periode 2014-2020 krachtens de voorgestelde verordening wordt opgetrokken van 154 tot 160,5 miljoen euro. Het bevestigt zijn steun voor de uitbreiding van de bevoegdheden waarover het EMSA beschikt uit hoofde van Verordening 100/2013.

1.2

De voor goedkeuring voorliggende verordening komt op een cruciaal moment, gelet op de ontdekking van olie- en gasvelden in de oostelijke Middellandse Zee en de daarmee samenhangende initiatieven om deze velden via offshore-booreenheden zo spoedig mogelijk te exploiteren. Via deze activiteiten zal worden getest of het EMSA wel in staat is de problemen aan te pakken die offshore-boorinstallaties en olie- en gasvervoer mogelijk kunnen doen rijzen.

1.3

Hoewel het EESC instemt met de voorgestelde financiering, vreest het dat deze ontoereikend zal blijken om in de periode van zeven jaar de acties te ondernemen die nodig zijn om in te spelen op de uitdagingen die samenhangen met de toenemende verkeersstromen (meer olie- en gastankers op zee) en de toenemende booractiviteiten voor olie- en gasexploitatie in de zeeën rond de EU, met het feit dat meer kust- en eilandstaten thans EU-lidstaten zijn geworden en met de beperkte reactiecapaciteit in noodsituaties die kan leiden tot hogere externe kosten in geval van ernstige incidenten.

1.4

Het EESC is van mening dat het inzetten van de huidige 19 schepen niet zal volstaan om in alle EU-kustgebieden de lidstaten bij te staan de vervuiling op zee te bestrijden. De middelen voor de verdere ontwikkeling van satellietbeelden om vervuiling door schepen in de hele EU op te sporen en tegen te gaan, zullen wellicht ook ontoereikend zijn.

1.5

Het EESC dringt er bij het EMSA op aan gebruik te maken van zijn nieuw verworven bevoegdheid om een bijdrage te leveren aan de bestrijding van zeepiraterij. De EMSA-instrumenten voor satelliettoezicht zullen van groot nut zijn om piratenschepen op te sporen.

1.6

Het EESC vraagt zich af of EU-lidstaten en nabuurlanden nog wel voldoende uitgerust zijn om te kunnen reageren op ongevallen als die met de Erika of de Prestige, of op rampen zoals Deepwater Horizon.

1.7

Het EESC roept de EU, haar lidstaten en de nieuwe naburige kuststaten op om de tenuitvoerlegging van de volgende regionale overeenkomsten, die in de toelichting bij de voorgestelde verordening worden opgesomd, kracht bij te zetten: de overeenkomst van Helsinki, de overeenkomst van Barcelona, de overeenkomst van Bonn, het OSPAR-verdrag, de overeenkomst van Lissabon (die nog in werking moet treden) en de overeenkomst van Boekarest.

1.8

Het EESC zou graag zien dat het EMSA actie onderneemt om na te gaan in welke havens in de EU en in naburige staten de ontvangstvoorzieningen voor olieresiduen ontoereikend zijn.

2.   Het voorstel van de Europese Commissie

2.1

Op 3 april 2013 heeft de Europese Commissie een voorstel ingediend voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad over meerjarenfinanciering voor acties van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA) op het gebied van de bestrijding van door schepen veroorzaakte verontreiniging en door olie- en gasinstallaties veroorzaakte mariene verontreiniging (1).

2.2

Verordening 2038/2006 (2) van 18 december 2006 voorzag in meerjarenfinanciering voor acties van het EMSA ter bestrijding van vervuiling die door schepen was veroorzaakt in de periode van 1 januari 2007 tot 31 december 2013.

2.3

Bij Verordening 100/2013 van 15 januari 2013 werden aan het EMSA nieuwe "sleuteltaken" toebedeeld om vervuiling door olie- en gasinstallaties te helpen bestrijden en werd de dienstverlening door het EMSA tevens uitgebreid tot landen die onder het uitbreidingsbeleid en het Europese nabuurschapsbeleid vallen (3). In onderhavig advies wordt in eerste instantie nagegaan of de financiering van het EMSA op deze nieuwe taken is afgestemd. Voorgesteld wordt voor een periode van zeven jaar (van 1/1/2014 tot 31/12/2020) 160,5 miljoen euro uit te trekken.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Het EESC is er voorstander van dat de begroting voor het EMSA voor de periode 2014-2020 krachtens de voorgestelde verordening wordt opgetrokken van 154 tot 160,5 miljoen euro. Het bevestigt zijn steun voor de uitbreiding van de bevoegdheden waarover het EMSA beschikt uit hoofde van Verordening 100/2013. Een en ander sluit aan bij een aantal vroegere EESC-adviezen (4) over de rol van het EMSA.

3.2

Bij Verordening 100/2003 heeft het EMSA de bevoegdheid om niet alleen op te treden tegen vervuiling die door schepen is veroorzaakt, maar ook als olie wordt gemorst door offshore-olie- en gasplatforms. Deze bevoegdheid is er gekomen na het olielek en de explosie van het boorplatform Deepwater Horizon in de Golf van Mexico in april 2010. Het EESC begrijpt dat de algemene beleidsdoelstelling van het Commissievoorstel het waarborgen is van adequate bijstand van de EU bij de bestrijding van door schepen en door olie- en gasinstallaties veroorzaakte verontreiniging. De bijstand wordt daarbij verstrekt door het EMSA dat aan de betrokken staten diensten voor duurzame bestrijding van vervuiling verleent. De lidstaten kunnen deze bijstand in aanmerking nemen bij het opstellen/herzien van hun nationale plannen voor bestrijding van zeeverontreiniging.

3.3

De voorgestelde middelen zijn bedoeld om het EMSA in staat te stellen zijn netwerk van over de Europese maritieme gebieden verdeelde, oproepbare schepen voor de bestrijding van olielekkages in stand te houden. Voorts zal met die middelen ook een beperkt aantal nieuwe opruimingsschepen worden gebouwd om vervuiling door schepen en offshore-installaties tegen te gaan. Ook valt te verwachten dat er geen middelen voorhanden zullen zijn om de uitrusting voor het opruimen van olie te verbeteren. Die uitrusting zal in de periode 2014-2020 mogelijk niet meer optimaal functioneren.

3.4

De CleanSeaNet-diensten voor toezicht op illegale lozingen door offshore-olie-installaties zullen vooral worden geleverd door mede gebruik te maken van satellietbeelden voor de monitoring van door schepen veroorzaakte vervuiling. Het EESC verwijst naar een eerder advies (5) waarin het volgende werd gesteld: "Gezien de hoge kosten van satellietbeeldvorming is het aan te raden de middelen zo efficiënt mogelijk te besteden. Ook door het gebruik van de beelden te coördineren kunnen de lidstaten heel wat besparen. Tezelfdertijd moeten meer middelen worden vrijgemaakt voor de verbetering van de satellietbeeldvorming van alle Europese maritieme gebieden. Zo zijn er m.n. van het Middellandse Zeegebied nog niet voldoende satellietbeelden beschikbaar."

3.5

Het EESC begrijpt dat de financiering niet bestemd is om technische bijstand te verlenen en/of capaciteitsopbouw te ondersteunen in partnerlanden van het Europese nabuurschapsbeleid.

3.6

De voorgestelde verordening wordt ter goedkeuring voorgelegd op een moment dat, gelet op de ontdekking van nieuwe energiebronnen voor de EU, van cruciaal belang is. Met name de ontdekking in de oostelijke Middellandse Zee van nieuwe olie- en gasreserves en de daarmee samenhangende boringen om deze zo spoedig mogelijk te exploiteren, vormen een uitdaging voor het EMSA om aan te tonen dat het in staat is de problemen aan te pakken die daarbij mogelijk kunnen rijzen. Er moeten in dit verband meer middelen worden vrijgemaakt om het EMSA in staat te stellen zijn rol ten volle te spelen. De toename van het scheepsverkeer, met name LNG-tankers, de ontdekking van nieuwe olie- en gasreserves en de daarmee samenhangende booractiviteiten zullen maken dat meer schepen nodig zijn in de Middellandse en de Zwarte Zee. Negentien schepen voor de hele EU-kustlijn in de periode 2014-2020 is een zeer optimistische raming die in de gegeven omstandigheden wel eens uitermate bescheiden zou kunnen blijken.

3.7

De uitbreiding van de EMSA-bevoegdheden op bovengenoemd gebied maakt dat verder werk moet worden gemaakt van de ontwikkeling van de satellietbeeldvormingsdienst voor het toezicht, de snelle opsporing van verontreiniging en de identificatie van de verantwoordelijke schepen of olie- en gasinstallaties. De beschikbaarheid van gegevens moet worden verbeterd en de vervuiling moet doeltreffender worden bestreden.

3.8

Het EESC vraagt zich af of EU-lidstaten en nabuurlanden nog wel voldoende uitgerust zijn om te kunnen reageren op ongevallen als die met de Erika of de Prestige, of op rampen zoals Deepwater Horizon.

3.9

In het licht van het bovenstaande vindt het EESC dat meer middelen moeten worden vrijgemaakt om: de uitrusting voor bestrijding van vervuiling aan boord van contractueel overeengekomen vaartuigen te vervangen, extra oproepbare schepen voor de opruiming van olievlekken ter beschikking te stellen om ook gebieden te bestrijken met offshore-installaties die thans niet binnen een redelijke geografische reikwijdte (bv. het noordpoolgebied) liggen, aanvullend materieel en uitrusting aan te kopen om offshore-olievlekken te dispergeren, de diensten van CleanSeaNet uit te breiden tot gebieden met offshore-installaties en ondersteuning te verlenen aan landen van het Europese nabuurschapsbeleid.

3.10

Het EESC dringt er bij het EMSA op aan gebruik te maken van zijn nieuw verworven bevoegdheid om een bijdrage te leveren aan de bestrijding van zeepiraterij. De EMSA-instrumenten en -gegevens en met name de satellietmonitoring zullen dienstig zijn voor het opsporen van piratenschepen. Het zou een van de kerntaken van het EMSA moeten worden om gegevens te verstrekken over de ligging van schepen, weliswaar alleen op verzoek van nationale overheden. Zoals in zijn advies over "Piraterij op zee: een krachtiger EU-optreden" van 16 januari 2013 en de daarmee samenhangende hoorzitting van 24 januari 2013 herhaalt het EESC dat het EMSA moet kunnen bijdragen aan de bestrijding van zeepiraterij.

4.   Bijzondere opmerkingen

4.1   Artikel 2: Definities

De definitie van "olie" in de onderhavige verordening verwijst naar de definitie in het Internationaal Verdrag inzake de voorbereiding op, de bestrijding van en de samenwerking bij olieverontreiniging van 1990. Het EESC roept de EU en haar lidstaten op de tenuitvoerlegging van dit verdrag kracht bij te zetten.

4.2   Artikel 2: Definities

De definitie van "gevaarlijke en schadelijke stoffen" verwijst naar de definitie in het Protocol inzake de voorbereiding op, de bestrijding van en de samenwerking bij verontreiniging door gevaarlijke en schadelijke stoffen van 2000. Het EESC verzoekt de EU en haar lidstaten zich aan te sluiten bij het bovengenoemde protocol en het ten uitvoer te leggen indien ze dit nog niet hebben gedaan.

4.3   Artikel 4: Financiering van de Unie

4.3.1

Het EESC begrijpt dat de steun van het Agentschap aan landen die onder het uitbreidingsbeleid en het Europese nabuurschapsbeleid vallen, gefinancierd dient te worden via bestaande Unie-programma's voor die landen en derhalve geen deel kan uitmaken van dit meerjarige financiële kader.

4.3.2

Hoewel het EESC instemt met de voorgestelde financiering, vreest het dat deze ontoereikend zal zijn om in de periode van zeven jaar de acties te ondernemen die nodig zijn om in te spelen op de uitdagingen die samenhangen met de toenemende verkeersstromen (meer olie- en gastankers op zee) en de toenemende booractiviteiten voor olie- en gasexploitatie in de zeeën rond de EU. De beperkte reactiecapaciteit in noodsituaties kan leiden tot hogere externe kosten in geval van ernstige incidenten.

4.4   Artikel 5: Toezicht op de bestaande capaciteit

Wat de lijst van publieke en particuliere mechanismen voor de bestrijding van verontreiniging in de EU betreft, dringt het EESC erop aan stappen te ondernemen om ook in naburige kuststaten buiten de EU soortgelijke mechanismen in de lijst op te nemen, daar zeevervuiling geen grenzen kent. Hoewel het onderhavige advies alleen over accidentele vervuiling handelt, zou het EESC voorts graag zien dat het EMSA actie onderneemt om ontoereikende ontvangstvoorzieningen in havens in de EU en in naburige kuststaten op te sporen. Operationele vervuiling - in tegenstelling tot accidentele vervuiling - is veel minder mediageniek en sensationeel maar heeft een veel groter aandeel in de algemene vervuiling van de zeeën.

4.5   Het EESC roept de EU, haar lidstaten en de nieuwe naburige kuststaten op om de tenuitvoerlegging van de volgende regionale overeenkomsten, die in de toelichting bij de voorgestelde verordening worden opgesomd, kracht bij te zetten: de overeenkomst van Helsinki, de overeenkomst van Barcelona, de overeenkomst van Bonn, het OSPAR-verdrag, de overeenkomst van Lissabon (die nog in werking moet treden) en de overeenkomst van Boekarest. (Gezamenlijke) inspanningen om vervuiling tegen te gaan op grond van deze overeenkomsten moeten verder worden bevorderd en uitwisseling van deskundigen op het gebied van mariene vervuiling is van cruciaal belang. Het EMSA-programma EMPOLLEX (Marine Pollution Expert Exchange Programme) moet het dan ook makkelijker maken om meer uitwisseling tussen de lidstaten te laten plaatsvinden.

4.6   De naburige kuststaten moeten de "moeder" van alle maritieme overeenkomsten, het Zeerechtverdrag van de Verenigde Naties (Unclos) van 1982, volledig ten uitvoer leggen. Dit verdrag biedt de rechtsgrondslag voor maatregelen m.b.t. mariene vervuiling, booractiviteiten in de zeebodem en milieuveilig vervoer over zee.

4.7   De contractueel overeengekomen vaartuigen hebben ruime opslagcapaciteiten voor opgeruimde olie en beschikken over verschillende systemen voor het opruimen van olie. Volgens het EESC zouden door het EMSA overeengekomen schepen gebruikt moeten kunnen worden voor het lichten van schepen, overslag op schepen en opslag van opgeruimde olie op zee.

Brussel, 10 juli 2013

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  COM(2013) 174 final.

(2)  PB L 394 van 30.12.2006, blz. 1.

(3)  PB L 39 van 9.2.2013, blz. 30.

(4)  PB C 76 van 14.3.2013, blz. 15.

PB C 299 van 4.10.2012, blz. 153.

PB C 48 van 15.2.2011, blz. 81.

PB C 44 van 11.2.2011, blz. 173.

PB C 255 van 22.9.2010, blz. 103.

PB C 277 van 17.11.2009, blz. 20.

PB C 211 van 19.8.2008, blz. 31.

PB C 28 van 3.2.2006, blz. 16.

PB C 108 van 30.4.2004, blz. 52.

(5)  PB C 28 van 3.2.2006, blz. 16.


Top