Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52013AE3548

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen” — COM(2013) 207 final — 2013/0110 (COD)

OJ C 327, 12.11.2013, p. 47–51 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

12.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 327/47


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen”

COM(2013) 207 final — 2013/0110 (COD)

2013/C 327/10

Rapporteur: mevrouw PICHENOT

De Raad en het Europees Parlement hebben resp. op 2 en 21 mei 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig art. 50, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het

"Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen"

COM(2013) 207 final — 2013/0110 (COD).

De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 27 juni 2013 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 10 en 11 juli 2013 gehouden 491e zitting (vergadering van 11 juli 2013) het volgende advies uitgebracht, dat met 95 stemmen vóór en 31 tegen, bij 4 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies

1.1

Het Comité is ingenomen met de voorstellen van de Commissie tot wijziging van de jaarrekeningenrichtlijnen, zowel m.b.t. de bekendmaking van niet-financiële informatie als m.b.t. de diversiteit in de managementorganen. Deze beperkte wijzigingen maken deel uit van de verbetering van het EU-kader van inzake corporate governance (1).

1.2

Het Comité beveelt het Europees Parlement en de Raad aan om het evenwicht dat is bereikt met deze wijzigingen, die de transparantie op sociaal, maatschappelijk, milieu- en bestuursvlak (MVO) vergroten, in aanmerking te nemen. Het voorstel van de Commissie vormt een flexibele en adequate regeling om de communicatie richting aandeelhouders, investeerders, personeel en andere belanghebbenden te verbeteren. Om te voorkomen dat kleinere bedrijven extra verplichtingen opgelegd krijgen, is het voorstel uitsluitend gericht tot grote ondernemingen.

2.   Aanbevelingen

2.1

Het Comité erkent dat er met een evenwichtige combinatie van onderstaande elementen voor kan worden gezorgd dat de aandeelhouders tijdens de algemene vergadering niet-financiële informatie wordt verstrekt en de belanghebbende partijen van grote ondernemingen worden geïnformeerd. De regeling zorgt voor de beoogde transparantie en samenhang.

In het jaarverslag zal substantiële niet-financiële informatie worden opgenomen;

deze informatie heeft met name betrekking op milieu-, maatschappelijke en personeelsaangelegenheden, naleving van mensenrechten en bestrijding van corruptie;

deze informatie heeft betrekking op het beleid dat de onderneming op deze terreinen heeft gevoerd, op de resultaten van dat beleid, op de risico's en onzekerheden die met deze aangelegenheden zijn verbonden en op de manier waarop de onderneming deze risico's beheert;

de regeling is van toepassing op alle naamloze vennootschappen die onder het toepassingsgebied van de huidige jaarrekeningenrichtlijnen vallen;

de verplichting geldt echter alleen voor ondernemingen met meer dan 500 werknemers en een balanstotaal van meer dan 20 miljoen EUR of een netto-omzet van meer dan 40 miljoen EUR, en dus niet voor kleine en middelgrote ondernemingen;

de ondernemingen kunnen zich baseren op nationale, EU- of internationale kaderregelingen waarin beginselen of indicatoren alsook richtsnoeren voor de verslaglegging gedefinieerd worden;

de onderneming geeft voorrang aan de informatie die voor haar relevant is;

met het "report or explain"-model zijn ondernemingen verplicht om de informatie te verstrekken, maar behouden zij een zekere manoeuvreerruimte indien er volgens hen een goede reden is om dat niet te doen;

dankzij de flexibiliteit van de regeling, met name de mogelijkheid om een afzonderlijk verslag op te blijven stellen dat aan dezelfde eisen voldoet en dat deel uitmaakt van het jaarverslag, nemen de administratieve lasten niet toe.

2.2

Gezien de evenwichtige aard van de regeling vindt het Comité dat de goedkeuring van de richtlijn tot wijziging van de jaarrekeningenrichtlijnen op een gelegen moment zou komen:

in een tijd waarin het maatschappelijk middenveld steeds alerter is op het effect dat ondernemingen op de gemeenschap sorteren, waarin van landen en het bedrijfsleven een grotere transparantie wordt geëist en waarin maatschappelijk verantwoorde investeringen volop in ontwikkeling zijn (2);

in een context waarin de nationale wetgevingen en aanbevelingen van de lidstaten inzake niet-financiële gegevens nog steeds verschillen maar wel naar elkaar toegroeien, waarin het afgelopen decennium de internationale referentieregelingen, zoals die van de OESO en de IAO, werden herzien en de ISO 26000 werd uitgewerkt, en waarin de instrumenten voor de bekendmaking van niet-financiële gegevens, zoals die van het Global Reporting Initiative (GRI), de European Federation of Financial Analysts Societies (EFFAS), ratingbureaus en organisaties voor maatschappelijke analyse, sectorspecifieke referentieregelingen, verder verfijnd zijn;

nu door de lessen die uit de financiële, economische, sociale en milieucrises zijn getrokken, zowel in Europees als in internationaal verband een grotere behoefte ontstaat aan transparantie (3) op het vlak van investeringen, belastingen en corruptiebestrijding, met name in de winningsindustrie;

nu instrumenten worden opgezet om de gevolgen van productieactiviteiten voor het milieu te meten, zoals de levenscyclusanalyse van producten, de ecologische voetafdruk en de berekening van de kosten van negatieve externe effecten;

en nu sommige ondernemingen gehoor geven aan de bezorgdheid van verantwoorde consumenten door duurzamere goederen en diensten te bieden, bijvoorbeeld door geplande veroudering te voorkomen en fair trade te bevorderen.

2.3

Het Comité is verheugd dat deze wijzigingen in de jaarrekeningenrichtlijnen nieuwe perspectieven bieden doordat zij:

tot doel hebben kwesties op het vlak van milieuvriendelijk en maatschappelijk verantwoord ondernemen te integreren in de strategie en de communicatie van de onderneming;

de rol van de algemene vergadering van aandeelhouders en de beginselen van verantwoorde investeringen belangrijker maken;

garanties en flexibiliteit bieden in die zin dat alle ondernemingen die MVO als de micro-economische invulling van duurzame ontwikkeling beschouwen, in staat worden gesteld deze stap voorwaarts te zetten;

de aanzet geven tot een nieuwe wijze van presentatie en besluitvorming in de ondernemingsstrategie, die gericht is op lange termijn en de betrekkingen tussen dochtermaatschappijen en het hoofd van de groep versterkt.

2.4

Het Comité vraagt de aandacht van het Europees Parlement en de Raad voor de volgende aanbevelingen:

ondernemingen zouden moeten laten zien welke – positieve of negatieve – effecten hun activiteiten op de samenleving hebben;

ondernemingen zouden in hun verslagen moeten melden of er werknemersvertegenwoordigers in het bestuur zetelen;

de vertegenwoordigers van het personeel zouden tijdens het opstellen van het jaarverslag geïnformeerd en geraadpleegd moeten worden;

het gedeelte van het jaarverslag over milieuvriendelijk en maatschappelijk verantwoord ondernemen zou opgesteld moeten worden door mensen met kennis van zaken, met name op sociaal en milieugebied;

opdrachtgevende ondernemingen zouden informatie moeten verstrekken over hun betrekkingen met hun toeleverings- of waardeketen, met name wat arbeidsrechtkwesties en mensenrechten betreft;

ondernemingen die niet onder de richtlijn vallen, zouden dit dynamische transparantieproces vrijwillig moeten aangrijpen om hun manier van zakendoen te verbeteren;

de lidstaten zouden de kwaliteit van de rapportage van niet-financiële informatie in hun nationale MVO-strategie moeten opnemen;

bij de omzetting van de richtlijn zouden lidstaten die dat wenselijk achten, de vereiste drempel moeten kunnen verlagen om ervoor te zorgen dat een aanzienlijk aantal nationale ondernemingen onder de regels valt;

de Commissie zou verzocht moeten worden om een "multistakeholder"-proces (4) in gang te zetten of te bevorderen om leidende beginselen en referentienormen vast te stellen die de vergelijkbaarheid en op langere termijn ook de harmonisatie zullen vergemakkelijken;

in het kader van haar eigen beleid ter bevordering en bewustmaking van MVO, zoals vastgelegd in de mededeling van oktober 2011, zou de Commissie de desbetreffende ondernemingen moeten aanbevelen gebruik te maken van die internationale referentieregelingen als richtsnoer voor de bekendmaking van niet-financiële informatie die het best aansluiten op haar nieuwe definitie van MVO.

2.5

Het Comité kan zich vinden in de voorgestelde wijziging van de vierde richtlijn waarbij ondernemingen worden verplicht informatie over hun beleid inzake de diversiteit van hun raad van bestuur te verstrekken.

2.6

Het onderstreept dat het hierbij niet alleen om de raad van bestuur of de raad van commissarissen gaat; wellicht is het zinvol om het diversiteitsbeleid ook te laten gelden voor de comités van de raad van bestuur en met name voor het auditcomité.

2.7

Het Comité herinnert eraan dat de doelstellingen m.b.t. de positie van vrouwen binnen de raden in de meeste lidstaten niet verwezenlijkt zijn (5).

2.8

Het Comité is van mening dat men in het kader van de diversiteit ook het criterium zou moeten hanteren dat de raad van bestuur mede bestaat uit leden die afkomstig zijn van de werkvloer, bijvoorbeeld uit de Europese ondernemingsraad, en die afgevaardigd zijn door de vakbonden.

2.9

Tot slot beveelt het Comité de Commissie aan om deze herziening vergezeld te laten gaan van een non-regressieclausule en binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn over te gaan tot beoordeling van de effecten van deze wijzigingen van de jaarrekeningenrichtlijnen op de bekendmaking van niet-financiële informatie door ondernemingen.

3.   Achtergrond

3.1

Met dit voorstel tot wijziging van de jaarrekeningenrichtlijnen worden de inspanningen die sinds het Groenboek van 2001 over MVO (6), aangevuld door de mededeling van 2006 (7), zijn ondernomen voortgezet en worden de toezeggingen die in het werkprogramma van de mededeling van 2011 (8) zijn aangekondigd, nagekomen. Aanleiding voor deze noodzakelijke wijziging is het feit dat de effectbeoordeling heeft uitgewezen dat de niet-financiële informatie die door ondernemingen wordt gepubliceerd, niet effectief genoeg is - dit is ook tijdens openbare raadplegingen duidelijk naar voren gekomen. Er zijn verschillen in de kwaliteit van de informatie. Te weinig ondernemingen publiceren niet-financiële informatie.

3.2

De Commissie heeft in haar mededeling "Akte voor de interne markt" van april 2011 aangekondigd dat de transparantie van ondernemingen op sociaal en milieugebied vergroot zal worden.

3.3

Sinds zijn advies over informatie- en meetinstrumenten (2005) (9) heeft het Comité rekening gehouden met de vierde richtlijn betreffende de jaarrekening, waarin een bepaling is opgenomen over niet-financiële informatie, die ondernemingen de mogelijkheid biedt om bepaalde informatie over de sociale en milieuaspecten van hun activiteiten openbaar te maken. In 2012 sprak het Comité zijn steun uit voor het streven van de Commissie om de diversiteit binnen de raden van bestuur of commissarissen te vergroten. In zijn advies van 2012 (10) over de Mededeling betreffende MVO verklaarde het Comité zich opnieuw voorstander van een verplicht verslag over niet-financiële informatie.

3.4

Het Verenigd Koninkrijk was in 1992 de eerste lidstaat die op het vlak van corporate governance een wet invoerde (de Cadbury Code) (11) waarmee het "report or explain"-model (ondernemingen die geen verslag uitbrengen, moeten aangeven waarom zij dat niet doen) zijn intrede deed. Soortgelijke bepalingen zijn ook door andere landen, waaronder Duitsland en Denemarken, ingevoerd. Het model is flexibel in die zin dat ondernemingen zich het recht kunnen voorbehouden om geen informatie te verstrekken op sommige gevoelige terreinen, zoals corruptiebestrijding, waarop een zekere discretie of vertrouwelijkheid vereist kan zijn.

3.5

Diverse lidstaten, waaronder Frankrijk, Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Spanje, hebben het afgelopen decennium wetten aangenomen om met het oog op de harmonisatie van de Europese normen een nationaal rapportagekader tot stand te brengen.

3.6

Onder Iers voorzitterschap is een Europees akkoord over de transparantie van de winningsindustrie gesloten, waarmee de jaarrekeningenrichtlijn wordt herzien. Voortaan vereist de richtlijn transparantie (op landen- en op projectbasis) van alle betalingen door ondernemingen in de winningsindustrie of houtkap aan overheden van de landen waar zij actief zijn.

3.7

In zijn resolutie van februari 2013 (12) heeft het Europees Parlement erkend dat het belangrijk is dat het bedrijfsleven informatie over duurzaamheid, zoals sociale en milieufactoren, verspreidt teneinde de risico’s met betrekking tot duurzaamheid te identificeren en het vertrouwen van investeerders en consumenten te vergroten. Het EP heeft de Commissie verzocht een voorstel over de bekendmaking van niet-financiële informatie door ondernemingen voor te leggen.

3.8

In de context van de huidige crisis, waarin de publieke opinie in Europa het bedrijfsleven oproept zich op een ethisch meer verantwoorde wijze te gedragen, wordt ingezien dat MVO kan bijdragen aan het handelsbeleid van de Europese Unie, aan haar ontwikkelingsbeleid en aan de tenuitvoerlegging van de EU 2020-strategie. MVO bevordert de sociale en de maatschappelijke dialoog en dient ook een beter inzicht in de werkelijke omstandigheden in de gehele onderaannemingsketen op te leveren. Het is noodzakelijk dat naar de verantwoordelijkheid van de opdrachtgevers wordt gekeken, zoals de ramp met het Rana Plaza-gebouw in Bangladesh onlangs nog eens duidelijk heeft gemaakt.

Brussel, 11 juli 2013

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  PB C 24 van 28.1.2012, blz. 91.

(2)  PB C 21 van 21.1.2011, blz. 33.

(3)  EESC-advies "Europees vennootschapsrecht en corporate governance" (nog niet in het PB gepubliceerd).

(4)  PB C 161 van 6.6.2013, blz. 35.

(5)  PB C 133 van 9.5.2013, blz. 68.

(6)  COM(2001) 366 final.

(7)  COM(2006) 136 final, PB C 286 van 17.11.2005, blz. 12.

(8)  COM(2011) 681 final, PB C 229 van 31.7.2012, blz. 77.

(9)  PB C 286 van 17.11.2005, blz. 12.

(10)  PB C 229 van 31.7.2012, blz. 77.

(11)  "The financial aspects of corporate governance" 1.12.1992.

(12)  Resolutie 2012/2098 (INI), rapporteur: Raffaele Baldassarre.


BIJLAGE

bij het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Onderstaand wijzigingsvoorstel werd verworpen, maar kreeg minstens een kwart van de uitgebrachte stemmen: (artikel 54, lid 3, rvo):

De tekst van advies CES3548-2013_00_00_TRA_AS door de als volgt luidende tekst vervangen:

1.   Algemene opmerkingen

1.1

Het EESC beschouwt het richtlijnvoorstel als overbodig (met name wat betreft de verplichte bekendmaking van gegevens inzake het „diversiteitsbeleid”), aangezien het van mening is dat er op dit vlak geen verder optreden van de Europese wetgever nodig is. Globaal genomen ziet het EESC geen wezenlijke toegevoegde waarde in vergelijking met de geldende bepalingen. Het vreest echter voor een mogelijke verzwaring van de administratieve rompslomp.

1.2

Het EESC beschouwt transparantie als een onderdeel van modern bedrijfsbeheer. Europese bedrijven hebben aangetoond dat ze binnen het huidige wetgevende kader voldoende transparant zijn. In Europa is maatschappelijk verantwoord ondernemen een zaak van bedrijven: het maakt deel uit van hun bedrijfsstrategie en gebeurt op vrijwillige basis. Zelfs in tijden van crisis hebben de Europese bedrijven niet aan transparantie of verantwoordelijkheid ingeboet.

1.3

Het EESC neemt nota van het feit dat enkele betrokken partijen en het grote publiek behoefte hebben aan meer transparantie in het optreden van bedrijven, vooral wat betreft de bekendmaking van informatie over sociale en milieugebonden thema's, met name bij bedrijven die in derde landen actief zijn. Hierbij gaat het onder meer om mijnbouwondernemingen in Afrika (milieurisico's, corruptie), kledingindustrieën in Azië (sociale vraagstukken, mensenrechten) enz.

1.4

De enige mogelijke toegevoegde waarde die men in het voorstel zou kunnen zien, zou erin bestaan dat het gericht is op de problematiek van risico's, met name de definitie en aanpak ervan en de noodzaak om ze te rapporteren. Dit zou bedrijven kunnen helpen deze risico's en kansen beter te beheren, zodat ze ook beter de verantwoordelijkheid kunnen opnemen voor de gevolgen die hun activiteiten op niet-financieel vlak hebben. Daarbij moet het echter ook het bedrijf in kwestie blijven dat beslist of de betrokken aanpak wordt gevolgd of niet.

2.   Niet-financiële informatie

2.1

Het EESC is zich ervan bewust dat de verhoging van de transparantie gewoonlijk van belang is voor de doeltreffende werking van de interne markt. De beschikbaarheid van beter vergelijkbare informatie over het optreden van bedrijven kan gevolgen hebben voor de doeltreffendheid van het nemen van beslissingen door investeerders en aandeelhouders.

2.2

Naar de mening van het EESC zijn het huidige formaat en de huidige draagwijdte van de gepubliceerde niet-financiële informatie kwalitatief en voldoende om het beoogde doel te bereiken. De nieuwe voorstellen voor de bekendmaking van informatie zouden een buitensporige last betekenen, wat ingaat tegen het proportionaliteitsbeginsel. Het EESC zou dan ook liever zien dat in het voorstel enkel de bekendmaking wordt vereist van daadwerkelijk pertinente informatie, waar duidelijk iets uit af te leiden valt, zodat aan ondernemingen niet onnodig buitensporige administratieve lasten worden opgelegd. Het voorstel zou dan ook de grootst mogelijke toegevoegde waarde moeten inhouden voor hen die de informatie gebruiken (investeerders, aandeelhouders, werknemers).

2.3

Het EESC zou liever zien dat ondernemingen niet-financiële informatie louter op vrijwillige basis ter beschikking stellen. Het stelt dan ook voor om de artikelen 1 en 2 van het richtlijnvoorstel in die zin aan te passen.

2.4

In het voorstel worden kleine en middelgrote ondernemingen niet verplicht om niet-financiële informatie bekend te maken, in overeenstemming met de langetermijndoelstelling van de Europese Unie om de administratieve rompslomp voor ondernemers te verminderen.

2.5

In het voorstel zijn de bepalingen inzake de opname van niet-financiële informatie in het jaarverslag en de controle ervan door de auditeur, ingewikkeld en moeilijk te begrijpen. Het zal nodig zijn om hierbij in een praktische handleiding te voorzien. Krachtens de Europese wetgeving dient de auditeur een advies te geven over de samenhang tussen het jaarverslag en de jaarrekening, waarbij krachtens de Europese wetgeving het jaarverslag reeds de jaarrekening en het auditverslag dient te bevatten, naast eventuele andere documenten. Toch zou de controle van niet-financiële informatie aanzienlijk problematisch en duur zijn. Het is nodig precies aan te geven hoe de vereiste informatie in het jaarverslag dient te worden opgenomen, zodat de gebruikers van het jaarverslag niet worden overstelpt met niet-pertinente informatie. Het EESC zal de bekendmaking promoten van niet-financiële informatie in documenten waarvoor geen audit vereist is.

3.   Diversiteit

3.1

Volgens het EESC vormt de verplichte bekendmaking van het „diversiteitsbeleid” een overdreven administratieve last die niet te verantwoorden valt en geen tastbare positieve gevolgen heeft. Het opleggen van een „diversiteitsbeleid” aan particuliere subjecten, en meer bepaald de verplichting om een „diversiteitsbeleid” van het bedrijf bekend te maken of het niet-bestaan ervan te verantwoorden, vormen een onverantwoorde inmenging op de vrijheid van ondernemen en op de beslissingsvrijheid van de bedrijfseigenaars. Het EESC verwerpt deze inmenging dan ook categoriek. De bekendmaking van bedrijfsinformatie moet op volledig vrijwillige basis blijven gebeuren, naargelang deze bekendmaking voor het bedrijf al dan niet een concurrentievoordeel oplevert. Het EESC kant zich ook tegen de voorlegging van details inzake het „diversiteitsbeleid”, en dit om verschillende redenen.

3.2

Eerst en vooral heeft de bekendmaking van een „diversiteitsbeleid” in de bedrijfsorganisatie geen weerslag op het bedrijfsbeheer noch op de prestaties ervan, niettegenstaande de foutieve beweringen in de toelichting. Het EESC is van mening dat de eigenaar(s) of de aandeelhouders van de onderneming zouden moeten beslissen wie deze zal leiden, welke de toezichtmechanismen op het bedrijfsbeheer zullen zijn en welke rol de leden van de toezicht- en beheersorganen bij deze processen zullen spelen. Het optreden van een onderneming valt eerst en vooral onder de verantwoordelijkheid van haar eigenaar of aandeelhouder, met inbegrip van de risico's op verliezen door slechte bedrijfsbeslissingen. Door op kunstmatige wijze in te grijpen in de samenstelling van toezicht- en beheersorganen kan de bestaande en goed werkende stand van zaken alleen maar worden verstoord.

3.3

De Europese Commissie zou zich in geen geval mogen mengen in de beslissingsprocessen in ondernemingen (o.m. wat betreft het aantal leden in de raad van bestuur, hun opleiding, leeftijd en geslacht). Uit de analyse van de Europese Commissie blijkt niet dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen leeftijd, geslacht en andere kenmerken enerzijds en de bedrijfsprestaties anderzijds. Zelfs indien dat het geval was, zou autoritaire inmenging in de samenstelling van raden van bestuur of van commissarissen niet kunnen worden verantwoord.

4.   Conclusie

In het licht van de hierboven uiteengezette argumenten zal het EESC

1)

er de voorkeur aan geven dat, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, de bekendmaking van de in het voorstel vereiste niet-financiële informatie, wordt overgelaten aan de vrije wil van de ondernemingen zelf of aan de nationale wetgever die de informatiebehoeften bepaalt;

2)

aanbevelen in artikel 1, lid 2 van het richtlijnvoorstel de bepalingen inzake het „diversiteitsbeleid” te schrappen; mocht het onmogelijk blijken om aan deze eis tegemoet te komen, dient de bekendmaking van informatie over het diversiteitsbeleid, met inbegrip van de toelichting bij het niet-voeren ervan, te worden overgelaten aan de vrije beslissing van de onderneming zelf of van de nationale wetgever.

Stemuitslag

Vóór

:

37

Tegen

:

96

Onthoudingen

:

2


Top