Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52013AE3545

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een ondersteuningsprogramma voor ruimtebewaking en –monitoring — COM(2013) 107 final — 2013/0064 (COD)

OJ C 327, 12.11.2013, p. 38–41 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

12.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 327/38


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een ondersteuningsprogramma voor ruimtebewaking en –monitoring

COM(2013) 107 final — 2013/0064 (COD)

2013/C 327/08

Rapporteur: de heer IOZIA

Het Europees Parlement en de Raad hebben op resp. 14 en 20 maart 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het

Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een ondersteuningsprogramma voor ruimtebewaking en -monitoring

COM(2013) 107 final — 2013/0064 (COD).

De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 27 juni 2013 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 10 en 11 juli 2013 gehouden 491e zitting (vergadering van 10 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 165 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 7 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) beseft dat het voor Europa belangrijk is om te beschikken over een eigen ruimtebewakingssysteem ter bescherming van zijn ruimtevaartinfrastructuur en de lancering van ruimtevaartmaterieel. Het staat dan ook positief tegenover het initiatief van de Europese Commissie, die voor het eerst dit onderwerp behandelt en voorstellen doet om ook op dit terrein de Europese samenwerking en integratie te bevorderen.

1.2

Het is een goed idee van de Commissie om de lidstaten operationele voorstellen aan haar ter goedkeuring te laten voorleggen als de verwachte informatie in kwalitatief en kwantitatief opzicht duidelijk van Europees belang is en als iedereen er baat bij heeft dat kennis over o.a. methodes en data-analysecapaciteiten wordt uitgewisseld.

1.3

Het EESC is zich ervan bewust dat het lastig is om oplossingen uit te werken waar alle lidstaten zich in kunnen vinden. Het ziet het Commissievoorstel dan ook als een eerste belangrijke stap op weg naar ambitieuzere samenwerkingsdoelen. Met dit programma zijn grote militaire belangen gemoeid, wat de oprichting van een gemeenschappelijke infrastructuur zeer complex maakt. Het EESC hoopt echter dat juist met behulp van dit initiatief zo'n infrastructuur zo snel mogelijk kan worden gerealiseerd. Het is in ieder geval positief dat nu de basis wordt gelegd voor samenwerking tussen civiele en militaire belanghebbenden. Ook het ESA, het Europees defensieagentschap en het directoraat Crisisbeheersing en Planning zouden hierbij moeten worden betrokken.

1.4

Het budget dat gedurende de zeven jaar dat het programma zal lopen, voor ruimtebewaking en -monitoring wordt uitgetrokken, zou prioritair moeten worden benut om de fundamenten te leggen voor een onafhankelijke Europese capaciteit, waarnaar een deel van de capaciteit die nu binnen de defensieapparaten van de lidstaten aanwezig is, zou moeten worden overgeheveld. Zo'n Europese capaciteit moet vorm krijgen door gebruik te gaan maken van de al in Europa aanwezige optische telescopen (Canarische Eilanden) en minstens één Europese radar te bouwen van hetzelfde type als de radars waarover defensie beschikt. Aldus zou sprake zijn van een duurzame investering, die met andere capaciteiten en kennis op civiel vlak zou kunnen worden aangevuld ter verbetering van de levenskwaliteit van de Europese burgers.

1.5

Voor de zeven jaar dat het programma zal lopen, moet met behulp van specifieke bepalingen het dienstverleningsniveau worden vastgelegd dat van de nationale partners wordt verwacht t.a.v. hoeveelheid te verschaffen gegevens, typologie, frequentie, kwaliteit en beschikbaarheid, en wel op zo'n manier dat de noodzakelijke instrumenten voorhanden zijn om die dienstverlening te beoordelen, op soortgelijke wijze als bij de onderzoeksprogramma's van het zevende kaderprogramma, waarvoor duidelijke en coherente criteria bestaan.

1.6

Het EESC beveelt aan om ruime criteria te hanteren voor de deelname aan het programma. De tekst van artikel 7, lid 1, onder a, zou in dit opzicht moeten worden verduidelijkt. Cruciaal is dat aan het programma niet alleen landen kunnen deelnemen die al over een onafhankelijke capaciteit beschikken (bijv. Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk), maar alle lidstaten die capaciteit voor gegevensverwerking kunnen leveren. Het voorstel zou wat dit betreft moeten worden herzien.

1.7

Het geheel van ruimtebewakingsactiviteiten, onder de noemer omgevingsbewustzijn in de ruimte (Space Situational Awareness - SSA), omvat behalve ruimtebewaking en -monitoring ook ruimteweer (zonmagnetische activiteit) en de monitoring van aardscheerders (Near Earth Objects - NEO).

1.8

Algemeen wordt erkend dat zonneactiviteit een minstens even groot gevaar vormt voor ruimtevaartinfrastructuur als ruimteschroot, zo niet een veel groter gevaar als de effecten van zeer intense zonneactiviteiten in aanmerking worden genomen. Met name daarom vindt het EESC dat beide zaken, zoals de oorspronkelijke definitie van SSA impliceert, tegelijkertijd moeten worden gemonitord. Het verzoekt de Commissie dan ook een alomvattend en geïntegreerd kader vast te stellen voor de vele aspecten van de bescherming van ruimtevaartinfrastructuur. Daarbij zou zij in het bijzonder moeten samenwerken met het ESA, dat al actief betrokken is bij een programma ter bescherming tegen zonnestraling. In de conclusies van de conferentie over veiligheid in de ruimte (Madrid, 10 en 11 maart 2011, genoemd in de effectbeoordeling) wordt duidelijk gesproken over meer samenwerking in dit verband tussen alle betrokkenen, met name EU, ESA en de lidstaten.

1.9

Het EESC staat achter het voorstel van de Commissie om de samenwerking aan te halen met de VS en andere landen die geïnteresseerd zijn om deel te nemen aan een gezamenlijk project ter bescherming van ruimtevaartinfrastructuur en ter voorkoming van gevaarlijke en soms rampzalige botsingen van die infrastructuur met ruimteschroot, ook zeer kleine brokstukken, waardoor dure en onmisbare satellieten kapot kunnen gaan.

2.   Het Commissiedocument

2.1

In de voorliggende mededeling wordt een nieuw Europees programma voorgesteld voor ruimtebewaking en monitoring van objecten in de baan van de aarde (Space Surveillance and Tracking - SST).

2.2

Dit programma wordt ingesteld omdat de Europese ruimtevaartinfrastructuur (specifiek die voor de programma's Galileo en Copernicus/GMES) en de Europese lanceringen van ruimtevaartmaterieel moeten worden beschermd tegen botsingen met ruimteschroot.

2.3

In de mededeling worden ook het rechtskader van het programma en de financiering ervan voor de periode 2014-2020 vastgesteld.

2.4

Bij de mededeling is een verslag (1) gevoegd waarin met name vijf financierings- en beheersregelingen voor het programma worden besproken (kenmerken, kosten en baten).

2.5

De eigenlijke wetgevingstekst wordt voorafgegaan door een toelichting op de achtergrond van het programma.

2.6

De indicatieve totale bijdrage van de Unie aan de implementatie van SST bedraagt 70 miljoen euro voor de periode 2014-2020.

2.7

Die kosten omvatten een bijdrage in het functioneren van de sensoren waarover de deelnemende lidstaten al beschikken - meestal als onderdeel van hun militaire infrastructuur - en een waarschuwingsdienst, die gebruikmaakt van gegevens die worden aangeleverd door de deelnemende lidstaten en die wordt verzorgd door het satellietcentrum van de Europese Unie (EUSC).

2.8

Deelname aan het programma is facultatief. Landen die willen meedoen, dienen te beschikken over al functionerende sensoren (telescopen, radars) en voldoende technische en personele middelen of capaciteit voor gegevensverwerking.

2.9

Volgens de samenvatting van de bij het voorstel gevoegde effectbeoordeling bedragen de kosten van botsingen tussen ruimteschroot en operationele Europese satellieten minimaal 140 miljoen euro per jaar in Europa. Geschat wordt dat dit bedrag zal oplopen tot 210 miljoen euro, omdat het aantal satellietdiensten de komende jaren naar verwachting met 50 % zal groeien. Deze cijfers vormen een erg voorzichtige raming en omvatten niet de kosten "op het terrein", d.w.z. de economische verliezen doordat de dienstverlening die van de satellieten afhankelijk is, wordt onderbroken.

2.10

Bijna al deze kosten komen niet zozeer door het fysieke verlies van satellieten, maar veeleer door een vermindering van hun operationele levensduur ten gevolge van de manoeuvres die worden uitgevoerd om botsingen te vermijden.

2.11

Diverse lidstaten beschikken momenteel over eigen ruimtebewakingsdiensten. De Commissie is echter van mening dat de betrokkenheid van de EU nodig is om de vereiste investeringen voor de financiering van het project bijeen te brengen, om de benodigde beheerstructuren in te stellen, om een gegevensbeleid te formuleren en om te waarborgen dat de bestaande en toekomstige capaciteiten op een gecoördineerde manier worden benut.

2.12

Tot nu toe vormt het Space Surveillance Network (SSN) van de VS, dat wordt beheerd door het Amerikaanse ministerie van defensie, de informatiebron voor alle waarschuwingsdiensten. De samenwerking tussen EU en VS op dit vlak, die wordt gekenmerkt door het gratis ter beschikking stellen van gegevens door de Amerikanen, schiet tekort, omdat de verstrekte gegevens niet nauwkeurig genoeg zijn en worden beheerd op een wijze waarop de EU geen invloed heeft.

2.13

De instelling van Europese ruimtebewaking en -monitoring sluit dan ook goed aan op de strategie van de EU om op als cruciaal beschouwde gebieden, waaronder toegang tot de ruimte, onafhankelijk te zijn.

2.14

Naar schatting wordt momenteel 65 % van de sensoren voor satellieten met lage omloopbaan (LEO) geheel of gedeeltelijk beheerd door defensieorganisaties (2).

2.15

Het Europees Ruimteagentschap (ESA) is niet de geschikte instantie om het programma uit te voeren omdat het niet is toegerust om vertrouwelijke gegevens te verwerken, zoals de data afkomstig van sensoren van militaire eenheden.

2.16

De Europese organisatie die zou moeten worden belast met de operationele activiteiten voor de coördinatie van de dienstverlening, is het satellietcentrum van de Europese Unie (EUSC). Het EUSC is een agentschap van de EU dat bij het Gemeenschappelijk Optreden van de Raad van 20 juli 2001 is ingesteld en dat geospatiale beeldinformatiediensten en -producten aan civiele en militaire gebruikers levert op diverse classificatieniveaus. Dit agentschap zou de verstrekking van SST-diensten kunnen faciliteren en zal (in samenwerking met de deelnemende lidstaten) werken aan de oprichting en exploitatie van de SST-dienstenfunctie, een van de doelstellingen van het ondersteuningsprogramma voor SST. Momenteel voorziet het statuut van het EUSC echter niet in optreden op het gebied van SST.

2.17

Er wordt van uitgegaan dat voor het beheer van het programma een organisatieschema met 50 personeelsposten nodig is (m.i.v. de medewerkers die door de deelnemende lidstaten, het EUSC en de Commissie ter beschikking worden gesteld).

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Volgens het EESC creëert het voorstel onvoldoende instrumenten en capaciteit op Europees niveau om gegevens te verzamelen en te analyseren. Daarom zal de EU zich na de vijfjarige financieringsperiode van het programma zich in dezelfde situatie bevinden als vijf jaar daarvoor en zou zij dan waarschijnlijk het programma moeten verlengen om ervoor te zorgen dat de defensieorganisaties van de deelnemende lidstaten de gewenste gegevens blijven aanleveren.

3.2

Wat de voorgestelde financiering van 70 miljoen euro betreft, worden geen eisen gesteld aan de beschikbaarheid, kwaliteit en relevantie van de gegevens die de nationale instanties moeten verstrekken. Daardoor is het lastig criteria te formuleren voor de beoordeling van de dienstverlening. Dat zal pas kunnen als de Commissie de nog op te stellen uitvoeringshandelingen heeft vastgelegd.

3.3

De lidstaten vinden dat het ESA onvoldoende garanties biedt voor de verwerking van vertrouwelijke gegevens. Daarom wordt het EUSC daarmee belast. In de lidstaten echter die over een dienst voor ruimtebewaking en -monitoring beschikken (bijv. het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland), zijn ruimtevaart- en defensieorganisaties gezamenlijk daarvoor verantwoordelijk. In de praktijk kunnen beide organisaties op dit vlak dus blijkbaar efficiënt samenwerken. Het is dan ook onduidelijk waarom het ESA niet bij de dienstverlening wordt betrokken, temeer omdat dit agentschap al deelneemt aan een mondiaal initiatief om te waarschuwen tegen rampen en die te beheersen (International Charter on Space and Major Disasters).

3.4

Ruimtebewaking en -monitoring is een van de drie pijlers van het voorbereidingsprogramma voor omgevingsbewustzijn in de ruimte (Space Situational Awareness - SSA), waarvan het ESA sinds 2009 de preoperationele fase leidt. De twee andere zijn ruimteweer en aardscheerders.

3.5

Het SSA-voorbereidingsprogramma van het ESA kent een budget van 55 miljoen euro. De relatie tussen dit programma en het nu voorgestelde is niet helder. Vooral onduidelijk is hoe de SST-dienstverlening zich zou verhouden tot een soortgelijke dienstverlening voor de uitvaardiging en het beheer van waarschuwingen over zonneactiviteit.

3.6

De ernst van de schade aan ruimtevaartinfrastructuur veroorzaakt door botsingen met ruimteschroot zou moeten worden vergeleken met die ten gevolge van zonmagnetische activiteit. Volgens onderzoek van het Amerikaanse NOAA-agentschap (3) zijn de economische verliezen ten gevolge van de beschadiging van satellieten door zonnestormen zeer aanzienlijk. In 2003 werd door intense zonneactiviteit de Japanse satelliet ADEOS 2 met een waarde van 640 miljoen dollar vernield. In 1997 veroorzaakte een magnetische storm het uitvallen van de 270 miljoen dollar kostende telecommunicatiesatelliet Telstar en in 1989 leidde een magnetische storm in Canada tot een negen uur durende algehele stroomonderbreking met een geraamde schade van 6 miljard dollar.

3.7

Men denkt dat een superzonnestorm zoals die zich in 1859 heeft voorgedaan, vandaag de dag zal leiden tot een schade van alleen al 30 miljard dollar aan geostationaire satellieten en dat de aan het elektriciteitsnet veroorzaakte schade het totale schadebedrag zal kunnen laten oplopen tot 1 à 2 triljoen dollar, waarbij het 4 tot 10 jaar zou duren om dat net volledig te herstellen (4).

3.8

Zonneactiviteit vormt minstens een even groot risico voor ruimtevaartinfrastructuur als ruimteschroot. Beide zaken zouden derhalve tegelijkertijd moeten worden gemonitord, zoals ook tijdens de conferentie in Madrid van maart 2011 werd aanbevolen. Uit de mededeling blijkt echter niet duidelijk wie zorg zal dragen voor de uitvoering van operationele dienstverlening voor waarschuwingen over zonneactiviteit.

3.9

In het voorstel voor de bescherming van de Europese ruimtevaartinfrastructuur zou ook moeten worden ingegaan op een aanvullende activiteit, nl. de monitoring van het ruimteweer, alsmede op uitvoeringstermijnen en de integratie tussen beide soorten activiteiten.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1

Op grond van artikel 5, lid 2, wordt geen nieuwe capaciteit gecreëerd, maar wordt slechts de bestaande capaciteit van de lidstaten opnieuw benut. In hoofdstuk 2 van de toelichting echter wordt expliciet opgemerkt dat de huidige middelen onvoldoende zijn. Het is dus totaal onduidelijk wat voor soort systeem de Commissie precies voor ogen heeft, ook niet met een blik op de vijf regelingen die in de bijgevoegde effectbeoordeling worden besproken.

4.2

De technische kenmerken van het systeem voor ruimtebewaking en -monitoring zijn niet expliciet vastgelegd. Weliswaar worden de doelstellingen ervan beschreven, maar de lidstaten zullen tijdens toekomstige besprekingen bepalen hoe het systeem eruit komt te zien.

4.3

Verhouding militair/civiel. Qua opzet is er sprake van een civiel systeem. De meeste informatie is echter van militaire oorsprong. Er bestaan geen duidelijke regels of protocollen op grond waarvan het leger verplicht is de desbetreffende gegevens aan civiele partijen te verstrekken. Ook hierover zou op een later tijdstip meer duidelijkheid moeten komen.

4.4

Verhouding lidstaten/EU. In het voorstel valt te lezen dat alle sensoren in het bezit zijn van afzonderlijke lidstaten en dat ook blijven. Er lijken geen expliciete eisen te zijn om een minimale informatie-uitwisseling te garanderen.

4.5

Definitie van de dienstverlening. In het voorstel wordt de dienstverlening niet duidelijk omschreven. Het EESC kan dus niet inschatten of die voldoende is voor de projecten die deel uitmaken van het programma.

4.6

De Raad heeft in zijn resolutie "Vooruitgang boeken met het Europees ruimtevaartbeleid" van 26 september 2008 gewezen op de noodzaak "een capaciteit te ontwikkelen die […] beantwoordt aan de behoeften van de Europese gebruikers inzake omgevingsbewustzijn in de ruimte".

4.7

Het is belangrijk door te gaan met de ontwikkeling van zowel het SST-programma als de huidige SSA-programma's.

4.8

De in paragraaf 1.4.4 genoemde "resultaat- en effectindicatoren" lijken op elkaar en bieden operationeel gezien weinig mogelijkheden om de doeltreffendheid van het programma achteraf te beoordelen.

4.9

Los van de beschrijving van de governance van het systeem, is niet goed uitgewerkt hoe het in de praktijk moet gaan werken. Deelname van de lidstaten is niet verplicht. Het EESC vraagt zich af wat er minimaal nodig is om de dienstverlening te laten functioneren.

Brussel, 10 juli 2013

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Werkdocument van de diensten van de Commissie Impact Assessment [effectbeoordeling], SWD(2013) 55 final.

(2)  Study on Capability Gaps concerning Space Situational Awareness, ONERA, 2007.

(3)  Value of a Weather-Ready Nation, 2011, NOAA.

(4)  Zie: National Research Council. (2008), Severe Space Weather Events. Understanding Societal and Economic Impacts: A Workshop Report. Washington, DC, The National Academies Press.


Top