Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52013AE1176

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de rol van het maatschappelijk middenveld in de betrekkingen tussen de EU en Servië

OJ C 327, 12.11.2013, p. 5–10 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

12.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 327/5


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de rol van het maatschappelijk middenveld in de betrekkingen tussen de EU en Servië

2013/C 327/02

Rapporteur: Ionuț SIBIAN

Corapporteur: Christoph LECHNER

Europees commissaris Šefčovič heeft in een brief van 12 december 2012 het Europees Economisch en Sociaal Comité, op grond van art. 262 van het Verdrag en art. 9 van het Samenwerkingsprotocol tussen het EESC en de Commissie, verzocht een verkennend advies op te stellen over

De rol van het maatschappelijk middenveld in de betrekkingen tussen de EU en Servië.

De afdeling Externe Betrekkingen, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 25 juni 2013 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 10 en 11 juli 2013 gehouden 491e zitting (vergadering van 10 juli 2013) het volgende advies uitgebracht, dat met 171 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 1 onthouding, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC is ingenomen met de inspanningen die de Servische regering zich de afgelopen tien jaar heeft getroost om de economie en instellingen van het land te hervormen. Het proces in aanloop naar de toetreding tot de EU moet door het land worden aangegrepen om de hervormingen te consolideren en daadwerkelijk ten uitvoer te leggen. Participatie van het maatschappelijk middenveld bij de afstemming van de Servische wetgeving op het EU-acquis is daarbij van het grootste belang. Het roept de Servische regering en de EU-instellingen op het maatschappelijk middenveld sterker te ondersteunen en nauw te betrekken bij de volgende stappen in het EU-toetredingsproces.

1.2

Het EESC toont zich verheugd over het besluit van de Europese Raad om het groene licht te geven voor toetredingsonderhandelingen met Servië, die uiterlijk in januari 2014 van start zullen gaan. Het feliciteert Belgrado en Priština met de ondertekening van het "Eerste akkoord over de principes voor een normalisering van de betrekkingen" (Brussel, 19 april 2013) en het in mei goedgekeurde implementatieplan, en roept beide partijen op om, met steun van de EU, over te gaan tot uitvoering ervan. Het maatschappelijk middenveld dient in de uitvoering te worden betrokken, aangezien het als geen ander ertoe kan bijdragen de verschillende partijen met elkaar te verenigen.

1.3

Het dringt erop aan dat de Servische overheidsinstanties meer openbare hoorzittingen en raadplegingen organiseren met het maatschappelijk middenveld, vanaf de eerste stadia in de beleidsvorming tot de fase van uitvoering. Het is uitermate belangrijk dat het maatschappelijk middenveld betrokken wordt bij cruciale beleidsonderdelen van het hervormingsproces, zoals de rechtsstaat, regionale samenwerking en verzoening, sociaaleconomische ontwikkeling, milieu, landbouw, rechten van minderheden en bestrijding van discriminatie.

1.4

De regering dient bijzondere aandacht te besteden aan de bestrijding van mensenhandel, georganiseerde criminaliteit en corruptie. De veiligheid van mensenrechtenactivisten en activisten uit het maatschappelijk middenveld die betrokken zijn bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit dient daarbij voorop te staan en door de regering te worden gewaarborgd.

1.5

Hoewel aanzienlijke vooruitgang is geboekt om tot een meer een inclusieve samenleving te komen, moet er nog hard worden gewerkt aan de opbouw van een samenleving waarin iedereen gelijk is ongeacht zijn of haar geslacht, seksuele geaardheid, afkomst of godsdienst. Het EESC roept de regering op geen moment te verliezen met de tenuitvoerlegging van de anti-discriminatiestrategie die in juni 2013 is goedgekeurd. Het beveelt de Commissie aan middels het jaarverslag, in nauwe samenwerking met het maatschappelijk middenveld, toe te zien op de implementatie van deze strategie.

1.6

Een goede zaak is de dienst voor samenwerking met het maatschappelijk middenveld (Office for Cooperation with Civil Society (OCCS)), die is ondergebracht bij de deskundigengroep van de minister-president van het coördinatieorgaan voor de toetreding tot de EU. Positief is ook de deelname van het maatschappelijk middenveld, waaronder vertegenwoordigers van de sociale partners, aan de Raad voor EU-integratie van de minister-president. Het zou goed zijn als deze succesvolle praktijken nog verder worden uitgebouwd: overwogen zou kunnen worden om maatschappelijke organisaties, waaronder vertegenwoordigers van de sociale partners, op te nemen in het toekomstige onderhandelingsteam van Servië voor toetreding tot de EU. Hoe dan ook dient op regelmatige basis breed overleg met het maatschappelijk middenveld plaats te vinden om vast te stellen wat de belangrijkste gemeenschappelijke standpunten en aanbevelingen zijn. Voor subgroepen van de deskundigengroep van het coördinatieorgaan is het belangrijk mensen met expertise uit het maatschappelijk middenveld uit te nodigen.

1.7

Het EESC roept de Commissie op het pretoetredingsinstrument IPA II te gebruiken om de capaciteitsopbouw van het maatschappelijk middenveld (m.i.v. de sociale partners) sterker te ondersteunen en daarbij meer de nadruk te leggen op de bevordering van partnerschappen tussen maatschappelijke organisaties onderling maar ook tussen maatschappelijke organisaties en de overheid. De middelen uit de faciliteit voor het maatschappelijk middenveld (DG Uitbreiding) dienen te worden verhoogd en meer ten goede te komen aan projecten die door de sociale partners zijn opgezet. Wil het Servisch maatschappelijk middenveld een volwaardige bijdrage kunnen leveren aan het EU-integratieproces, dan dient capaciteitsopbouw een prioriteit te blijven en moet er worden gewerkt aan een vereenvoudiging van de procedures voor de selectie en uitvoering van projecten en aan de toekenning van institutionele subsidies en indirecte steun. Behalve financiële ondersteuning is het wenselijk dat mechanismen worden ondersteund waarmee de dialoog tussen het maatschappelijk middenveld en de overheid kan worden versterkt.

1.8

Het EESC dringt erop aan dat de EU-delegatie in Servië doorgaat met het verstrekken van indirecte steun aan kleinere maatschappelijke organisaties via grotere maatschappelijke organisaties om de fondsen toegankelijk te maken voor het hele maatschappelijke middenveld.

1.9

Transparantere overheidsuitgaven zijn en blijven één van de voornaamste punten in de strategie ter ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld. Daarnaast moeten er betere mechanismen komen voor de planning en uitkering van cofinancieringsmiddelen voor EU-projecten die door maatschappelijke organisaties worden uitgevoerd en moeten er meer middelen worden vrijgemaakt voor cofinanciering.

1.10

Het EESC roept de Servische regering op extra inspanningen te doen om een institutioneel en juridisch bestel op te bouwen dat bevorderlijk is voor de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld. Om de particuliere liefdadigheid te bevorderen (op basis van het bestaande model in Midden- en Oost-Europese landen) pleit het EESC ervoor de invoering van een wettelijke regeling voor de fiscale aftrek van giften te overwegen, die de burger de kans geeft een deel van zijn inkomstenbelasting ten goede te laten komen aan maatschappelijke organisaties (de zgn. "percentage law"). Daarnaast stelt het EESC voor belastingprikkels in te voeren om donaties van burger en bedrijfsleven aan te moedigen.

1.11

De recentelijk goedgekeurde wet inzake overheidsaanbestedingen heeft het voor maatschappelijke organisaties alleen maar moeilijker gemaakt om mee te dingen naar overheidsopdrachten. Het EESC zou graag willen dat wordt bekeken of deze wet niet kan worden aangepast. Met deze wet worden namelijk verplichte financiële waarborgen ingevoerd, die voor maatschappelijke organisaties onhaalbaar zijn, wat hen ervan kan weerhouden mee te doen aan een openbare aanbesteding (voor sociale dienstverlening, maar net zo goed voor dienstverlening op het gebied van de gezondheidszorg en onderwijs).

1.12

Het EESC roept de Servische regering op een alomvattende strategie uit te werken om de grijze economie tegen te gaan en in te perken. Dit zou de financiële positie van het land ten goede komen en oneerlijke mededinging helpen tegengaan, waardoor een gunstiger ondernemingsklimaat wordt gecreëerd en de sociale rechten van werknemers geen dode letter blijven. Het zou tevens het vertrouwen in de instellingen helpen herstellen en de rechtsstaatgedachte bevorderen.

1.13

Het EESC onderstreept het belang van de sociale dialoog en roept de belanghebbende partijen op optimaal gebruik te maken van de bestaande instellingen, in de eerste plaats de sociaaleconomische raad (SER). Het roept de regering op de positie van de sociaaleconomische raad verder te versterken en de raad systematischer te raadplegen over alle beleidsonderdelen en vraagstukken waarbij werkgevers en werknemers legitieme belangen hebben. De dialoog dient regelmatig en gestructureerd en niet ad hoc van aard te zijn, en moet ook doeltreffender en meer gericht op resultaat zijn.

1.14

Het EESC zou graag zien dat bevordering van de sociale dialoog onderdeel wordt van de prioriteiten van de EU-instellingen m.b.t. Servië en een navenante plaats krijgt in de programma's van de Commissie voor Servië. Dit betekent o.m. een grotere rol voor de sociaaleconomische raad, die officieel dient te worden betrokken bij en geraadpleegd in elk stadium van de toekomstige toetredingsonderhandelingen en mee dient toe te zien op de naleving van de toekomstige stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de EU en Servië. De sociaaleconomische raad dient de mogelijkheid te krijgen EU-instellingen van commentaar en advies te voorzien bij de evaluatie van de door Servië geboekte vorderingen op weg naar het EU-lidmaatschap.

1.15

Verder moet de sociale dialoog op regionaal en gemeenteniveau worden aangemoedigd, voortbouwend op de regionale structuren die door de sociaaleconomische raad zijn opgezet. Ook op sectorniveau dient de dialoog stelselmatiger te worden ontwikkeld, m.n. in het bedrijfsleven. Voor evenwichtigere betrekkingen tussen werkgevers en werknemers in Servië zou het goed zijn collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten (en ten uitvoer te leggen) voor zo veel mogelijk bedrijfstakken. De lokale en regionale overheden dienen onophoudelijk herinnerd te worden aan de voordelen en het belang van de sociale dialoog.

1.16

Het EESC neemt nota van de tripartiete werkgroep die is opgezet om de arbeidswetgeving, m.i.v. de stakingswetgeving, de wetgeving inzake de registratie van vakbonden en de wetgeving inzake de representativiteit van de sociale partners, te herzien. Het roept de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) en de Europese Commissie op deze werkzaamheden te ondersteunen teneinde de Servische wetgeving en praktijk volledig op één lijn te brengen met de internationale en Europese normen.

1.17

Capaciteitsopbouw van de sociale partners voor een actieve deelname aan de sociale dialoog dient deel uit te maken van de prioriteiten van de EU-steunprogramma's. De ontwikkeling van de sociale partners dient te worden ondersteund, opdat ze doeltreffender kunnen participeren in economische, sociale en juridische aangelegenheden, m.i.v. de EU-toetredingsonderhandelingen. O.m. hun organisatiestructuren, hun interne communicatie en hun capaciteit om de belangen van hun leden te behartigen moeten worden versterkt.

1.18

Het EESC wijst erop dat de grondrechten van werknemers nog steeds regelmatig worden geschonden in Servië en dat de mechanismen om dergelijke schendingen te voorkomen en te bestraffen niet afdoende zijn. Het dringt erop aan dat de Servische regering de werkwijze van het agentschap voor de vreedzame beslechting van arbeidsgeschillen herziet. Gedacht zou kunnen worden aan de oprichting van rechtbanken voor arbeidsgeschillen. Daarnaast verzoekt het EESC de Commissie in haar jaarverslag een hoofdstuk op te nemen waarin, in nauwe samenwerking en consultatie met de nationale en Europese vakbonden en de ILO, aandacht wordt besteed aan de fundamentele werknemers- en vakbondsrechten.

1.19

Vrouwelijke ondernemers uit Servië spelen een belangrijke rol in de Balkanregio en beschikken over efficiënte netwerken. Momenteel wordt gewerkt aan een samenhangende regionale aanpak om het vrouwelijk ondernemerschap op lokaal niveau te ontwikkelen. Het EESC pleit ervoor de Europese, regionale en nationale steun uit te breiden om vaart te zetten achter dit proces en sneller de sociaaleconomische vruchten hiervan te kunnen plukken. Fundamenteel is dat wordt erkend hoe belangrijk het vanuit sociaaleconomisch oogpunt is om vrouwelijke ondernemers in Servië te ondersteunen.

1.20

Het EESC beveelt aan dat er een gemengd raadgevend comité (GRC) EU-Servië wordt opgericht voor het EESC en het Servisch maatschappelijk middenveld. Dit gezamenlijke orgaan voor het maatschappelijk middenveld zou moeten worden opgericht zodra de toetredingsonderhandelingen met Servië officieel zijn geopend. Via dit orgaan kunnen maatschappelijke organisaties van weerszijden diepgaander met elkaar in dialoog treden en de politieke autoriteiten bijdragen vanuit het veld aanreiken m.b.t. de hoofdstukken in de toetredingsonderhandelingen.

2.   Achtergrond van het advies

2.1

Servië heeft de afgelopen tien jaar aanzienlijke inspanningen gedaan om zijn institutioneel bestel, rechtskader en economische regulering te hervormen, teneinde te voldoen aan de internationale en Europese normen en een open en doeltreffende markteconomie te bevorderen.

2.2

Met de ondertekening in 2008 van de stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO) tussen de EU en Servië hebben de Servische autoriteiten duidelijk voor EU-lidmaatschap gekozen en kreeg het hervormingsproces een nieuwe impuls. In 2010 is een tussentijdse overeenkomst inzake handel en handelsgerelateerde zaken (onderdeel van de SAO) in werking getreden.

2.3

De nieuwe regering, die in 2012 aantrad, heeft de door Servië aangegane verbintenis tot het EU-lidmaatschap bevestigd. De regering heeft concrete stappen genomen om de hervormingen voort te zetten, waarbij zij zich in de eerste plaats heeft gericht op corruptiebestrijding, consolidering van de rechtsstaat, bescherming van de rechten van minderheden en economisch herstel. Daarnaast heeft zij inspanningen gedaan om de regionale samenwerking te bevorderen.

2.4

In december 2012 heeft de Raad de Commissie verzocht in het voorjaar van 2013 verslag uit te brengen over de vorderingen van Belgrado in de dialoog met Priština en de hervormingen die het land heeft ondernomen met het oog op toetreding tot de EU. Op basis van dit verslag heeft de Europese Raad tijdens zijn bijeenkomst van 28 juni 2013 besloten dat de voorwaarden zijn vervuld om de toetredingsonderhandelingen te beginnen met Servië.

2.5

Op 19 april 2013 zijn Belgrado en Priština het in de tiende ronde van de door de EU geleide besprekingen uiteindelijk eens geworden over de toekomst van het door Servië geleide Noord-Kosovo, wat geresulteerd heeft in de ondertekening van het "Eerste akkoord over de principes voor een normalisering van de betrekkingen". In mei is door beide partijen een implementatieplan goedgekeurd. Met steun van de EU hebben ze een comité opgericht dat belast wordt met de tenuitvoerlegging van dit akkoord.

3.   Politieke en sociaaleconomische ontwikkelingen

3.1

Servië verkeert nog volop in een transitieproces. Er heeft al enige privatisering plaatsgevonden, maar de economie berust nog voor een groot deel op overheidsbedrijven, die dringend geherstructureerd moeten worden. De werkloosheid is aanzienlijk gestegen (24 % van de beroepsbevolking in 2012). Jongeren proberen te emigreren. De bevolking vergrijst. Een groot deel van de bevolking is nog steeds werkzaam in de landbouw en woont op het platteland, waar de ontwikkeling achterblijft bij gebrek aan investeringen. De informele economie is wijdverspreid, wat de ontwikkeling van de economie in haar totaliteit ondermijnt, de overheidsbegroting uitholt en werknemers in een positie plaatst zonder enige sociale bescherming. Corruptie, al dan niet verbonden met georganiseerde criminaliteit, remt niet alleen de economische ontwikkeling af maar ook de ontwikkeling van degelijke instellingen. Verder moet het justitiesysteem dringend op de schop, wil de eerbiediging van de rechten van burgers en organisaties ook echt kunnen worden gewaarborgd.

3.2

Het EESC heeft deze problemen belicht in zijn advies "De rol van het maatschappelijk middenveld in de betrekkingen tussen de EU en Servië" van 29 mei 2008. Het wijst hierin echter ook op de inspanningen van de overheid om de noodzakelijke hervormingen door te voeren. Er is veel nieuwe regel- en wetgeving ingevoerd. Nieuwe instellingen, m.n. voor de sociale dialoog met de sociale partners en andere actoren uit het maatschappelijk middenveld, zijn opgericht, en de rechten van minderheden worden officieel erkend. Hoewel het proces nog niet is voltooid, is het in praktijk brengen van al deze institutionele en juridische veranderingen het grootste probleem.

3.3

Servië heeft 77 verdragen en conventies van de Raad van Europa (RvE) ondertekend, met als belangrijkste het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de Conventie voor de bescherming van nationale minderheden, de Conventie ter voorkoming van foltering, het Verdrag inzake de bescherming van kinderen, het Verdrag ter bestrijding van corruptie en het Europees Sociaal Handvest. Het heeft daarnaast acht conventies ondertekend die nog geratificeerd moeten worden, waaronder het Verdrag inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Op internationaal niveau heeft Servië 75 ILO-Verdragen ondertekend (waarvan er inmiddels 73 in werking zijn getreden).

3.4

Zoals ook de mensenrechtencommissaris van de Raad van Europa heeft benadrukt zijn voor veel van deze conventies bijkomende maatregelen nodig om erop toe te zien dat ze naar behoren ten uitvoer worden gelegd (1). Hij noemde o.m. nadrukkelijk het probleem van de vermiste personen en de mensen die tijdens de oorlog verdreven zijn uit het gebied waar ze woonden, de welig tierende discriminatie van Roma, het geweld tegen vrouwen en de wijdverspreide homohaat.

3.5

Hoewel de regering in oktober 2011 een mediastrategie heeft goedgekeurd, komen geweld en bedreigingen tegen journalisten nog steeds voor. Economische en politieke inmenging in de media zijn eveneens een realiteit, hetgeen de onafhankelijkheid van de media in het gedrang brengt en het voor journalisten moeilijk maakt hun werk te doen. Vakbondsactivisten worden nog steeds lastiggevallen of ontslagen omwille van het feit dat ze lid van een vakbond zijn.

3.6

Het EESC stelt nadrukkelijk dat consolidering van het hervormingsproces, hervorming van het justitiële apparaat en eerbiediging van de burger-, sociale en mensenrechten prioriteit zijn voor Servië. De betrekkingen tussen de EU en Servië dienen zich onmiskenbaar hierop te richten. Ook voor de maatschappelijke organisaties hebben deze punten prioriteit. Hun actieve participatie dient dan ook op alle manieren te worden aangemoedigd.

4.   Huidige situatie en rol van het maatschappelijk middenveld

4.1

De vrijheid van vergadering en vereniging zijn grondwettelijk gewaarborgd en worden over het algemeen geëerbiedigd. De vrijheid van vereniging staat niettemin onder druk door toenemende bedreigingen van gewelddadige nationalistische groeperingen.

4.2

Het Servisch maatschappelijk middenveld is voornamelijk in de steden gevestigd en ongelijk vertegenwoordigd over de regio's. Op het platteland zijn de maatschappelijke organisaties dun gezaaid en laten hun capaciteiten nog te wensen over. Meer steun is nodig om de ontwikkeling van verenigingen en organisaties aan te moedigen en de capaciteitsopbouw en oprichting van netwerken van maatschappelijke organisaties die in plattelandsgebieden en/of in kleine steden gevestigd zijn te bevorderen.

4.3

Bijzondere aandacht dient daarbij uit te gaan naar de landbouwsector, de ontwikkeling van agrarische belangenverenigingen en de participatie van de landbouwsector in de sociale dialoog. De sector neemt nog steeds een cruciale plaats in Servië in: bijna een kwart van de beroepsbevolking werkt in de landbouw en ook economisch is het één van de belangrijkste sectoren. In het toekomstige toetredingsproces zullen de landbouwsector en het landbouwbeleid dan ook cruciale punten zijn. Het aanpassen van de wet- en regelgeving aan het EU-acquis zal daarbij nog een bijzonder grote uitdaging worden voor de Servische landbouwsector.

4.4

Goed georganiseerde en gestructureerde belangengroepen zouden niet alleen bevorderlijk zijn voor het verdedigen van de agrarische belangen, maar bovenal ook een nuttige bijdrage kunnen leveren aan het aankomende integratieproces door specifieke steunprogramma's uit te werken en ten uitvoer te leggen voor de landbouwsector en voor plattelandsgebieden en de mensen die er wonen.

4.5

Het maatschappelijk middenveld kent verscheidene actieve partnerschappen en samenwerkingsverbanden, maar bij gebrek aan middelen en steun blijven hun actieradius en invloed beperkt. Op het gebied van privaat-publieke partnerschappen zouden de SECO (2) en KOCD (3) kunnen uitgroeien tot succesvolle praktijken, mits hun bijdragen ook echt in aanmerking worden genomen in de beschouwingen en er sprake is van duurzame en systematische financiering en ondersteuning.

4.6

De belangrijkste factoren die een duurzame ontwikkeling van maatschappelijke organisaties in de weg staan, zijn onvoldoende en niet op welomlijnde prioriteiten gebaseerde overheidssteun, gebrek aan sponsoring door het bedrijfsleven, gebrek aan individuele donaties, internationale donoren die zich terugtrekken, gebrekkige samenwerking met de lokale overheden en de gebrekkige verantwoordingsplicht van beleidsmakers in het algemeen. Gewerkt moet worden aan een versterking van de ledenbasis van de maatschappelijke organisaties. Daarvoor moet in de nodige steunmaatregelen worden voorzien. Een kleine ledenbasis is niet goed voor hun imago en erkenning. Ook de overheidsmiddelen zijn nog steeds niet goed geregeld op alle niveaus. Over het algemeen kunnen de maatschappelijke organisaties maar weinig invloed uitoefenen op de sociale en politieke agenda, m.u.v. een twaalftal machtige organisaties, waarvan de meeste in Belgrado gevestigd zijn.

4.7

Het EESC juicht de inspanningen toe om het rechtskader voor verenigingen en stichtingen te verbeteren, o.a. in de vorm van de Wet inzake verenigingen (oktober 2009), de Wet inzake stichtingen (november 2010), de Wet inzake vrijwilligerswerk (mei 2010) en de Vereenvoudigde boekhoudingsprocedures voor kleine verenigingen en stichtingen (nog niet goedgekeurd). Daarnaast zijn er andere belangrijke wetten goedgekeurd, maar nog niet ten uitvoer gelegd, zoals de in 2011 goedgekeurde bijstandswet. Het EESC ondersteunt de ontwikkeling van een wettelijk geregeld kader dat ervoor moet zorgen dat maatschappelijke organisaties eerlijke toegang krijgen tot publieke middelen ten behoeve van de ondersteuning van de sociale dienstverlening.

4.8

Het EESC juicht de wijzigingen in art. 41 (hoorzittingen) van het reglement van orde van de regering toe. In dit artikel worden de criteria voor verplichte openbare hoorzittingen vastgelegd, die de regel i.p.v. de uitzondering worden, en redelijke tijdspannes vastgelegd voor de duur ervan. Nu moet ervoor worden gezorgd dat dit mechanisme adequaat wordt toegepast. In de eerste plaats moeten de overheidsinstanties bewust worden gemaakt van de voordelen van samenwerking met maatschappelijke organisaties, zowel in de eerste stadia van beleidsvorming als later bij de beleidsuitvoering. Verder dient te worden overwogen om procedures voor de aanwijzing van vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties in verschillende overheidsorganen op nationaal en lokaal niveau in te voeren en te bevorderen, met inachtneming van succesvolle praktijken in de buurlanden en voorstellen vanuit het maatschappelijk middenveld.

4.9

De dienst voor samenwerking met het maatschappelijk middenveld (OCCS) is in 2011 in werking getreden. Hoofddoelstellingen in het uitvoeringsplan voor 2013-2014 zijn:

uitwerking van een strategie voor het creëren van een klimaat dat bevorderlijk is voor de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld in Servië en oprichting van een nationale raad voor de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld;

bevordering van nieuwe financieringsbronnen als basis voor een duurzame ontwikkeling: institutionele subsidies, maatschappelijk verantwoord ondernemen, charitatieve activiteiten van het bedrijfsleven, sociaal ondernemerschap, uitwerking van criteria voor het gebruik van de openbare ruimte door maatschappelijke organisaties enz.,

verder werken aan een institutioneel bestel dat bevorderlijk is voor de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld door speciale eenheden of taken te creëren binnen de desbetreffende ministeries van de regering, de mogelijkheden bekijken voor de oprichting van een fonds voor de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld en de mechanismen versterken voor samenwerking tussen het maatschappelijk middenveld en het Servische nationale parlement.

4.10

Het EESC neemt met voldoening kennis van de inspanningen van de OCCS om middels de publicatie van een jaaroverzicht van de aan verenigingen en andere organisaties van het maatschappelijk middenveld uit de Servische overheidsbegroting toegekende middelen meer transparantie te brengen in de financiering van maatschappelijke organisaties van overheidswege. Om volledigheid van de verzamelde gegevens en een jaarlijkse publicatie te verzekeren is het echter nodig dat de dienst meer beslissingsbevoegdheid krijgt teneinde de respons van de overheidsinstanties op de verschillende bestuursniveaus te vergroten. Het EESC vindt het dan ook een goede zaak dat de EU-delegatie de OCCS middels een driejarig programma voor technische bijstand, dat in december 2012 (4) van start is gegaan, ondersteunt.

4.11

Cijfers van 2011 hebben aangetoond dat er, ondanks het feit dat hier vanuit het maatschappelijk middenveld grote behoefte aan is, maar weinig middelen zijn toegewezen en daadwerkelijk zijn uitgekeerd voor de cofinanciering van programma's en projecten, ook als de steun van sponsoren verzekerd was.

5.   Sociale dialoog

5.1

De sociale dialoog is een fundamentele voorwaarde voor economische ontwikkeling en onontbeerlijk om de sociale samenhang in Servië te verzekeren. In 2008 is een Algemene Collectieve Arbeidsovereenkomst ondertekend. In april 2011 heeft de Servische sociaaleconomische raad een nieuwe sociaaleconomische overeenkomst goedgekeurd, ondertekend door de voorzitters van de werkgevers- en werknemersorganisaties en de Servische minister-president, waarin de partijen zich verplichten tot een aantal belangrijke maatregelen. In deze overeenkomst wordt bevestigd dat de sociale dialoog een basisvoorwaarde is om gedeelde ontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken, succesvolle oplossingen te vinden voor problemen die uit de crisis voortvloeien en op sociaaleconomisch vlak vooruitgang te boeken in Servië. In 2012 heeft de sociaaleconomische raad een akkoord ondertekend over het minimumloon. Op sectorniveau zijn er in 2011 en 2012 vier sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten (cao's) ondertekend voor de landbouwsector, de bouwsector, de chemische industrie en de metaalindustrie. De minister van arbeid heeft deze cao's uitgebreid tot alle overheidsbedrijven. Ook voor het grootste deel van de overheidssector gelden cao's. Ambtenaren die werkzaam zijn in de gezondheidszorg vallen hieronder, maar ook alle ambtenaren die werkzaam zijn bij de lokale en nationale overheid, in de culturele sector, in het onderwijs en bij de politie.

5.2

De sociaaleconomische raad, die in 2005 officieel werd opgericht, vormt het institutionele platform voor tripartiet overleg. Daarnaast zijn er inmiddels 18 lokale sociaaleconomische raden, maar minder dan de helft daarvan is volledig operationeel, wat vooral te wijten is aan de vrijblijvende houding van de regionale overheden. De sociaaleconomische raad kampt met verschillende problemen die hem in zijn werking belemmeren. Het voornaamste probleem is het gebrek aan financiële en personele middelen. De raad is er evenwel in geslaagd permanente werkgroepen op te richten voor economische zaken, wetgeving, collectieve arbeidsovereenkomsten en gezondheid en veiligheid op de werkplek. Vertegenwoordigers van de sociale partners nemen tegenwoordig regelmatig deel aan de vergaderingen van de sociaaleconomische raad, in tegenstelling tot de regering, die dikwijls vertegenwoordigd wordt door ambtenaren. Sinds de heroprichting van de raad in september 2012 nemen laatstgenoemden echter actiever deel aan de werkzaamheden. Zelfs de minister-president is nu lid van de raad. Het blijft evenwel moeilijk voor de raad om zittingen te houden.

5.3

Hoewel de sociale dialoog al succesvol is gebleken, zou hij een stevigere inbedding moeten krijgen en moeten worden uitgebreid. Met name in het bedrijfsleven hebben de sociale partners weinig te zeggen. Er worden wel cao's ondertekend, maar dat betekent nog niet dat ze ook worden omgezet, en hele terreinen maken nog geen deel uit van de sociale dialoog. Op nationaal niveau wordt de sociaaleconomische raad nog steeds niet systematisch geraadpleegd over alle zaken die binnen zijn bevoegdheidsterrein vallen, of de raadpleging is puur formeel: maar al te vaak doet de regering niets met zijn aanbevelingen. Een positieve uitzondering is het ministerie van arbeid, dat alle wetsvoorstellen en ontwerpstrategieën aan de raad voorlegt. Ditzelfde ministerie heeft onlangs bovendien voorgesteld een tripartiete werkgroep op te richten voor de herziening van de arbeidswetgeving. Ook de onderwijswetgeving is op een aantal punten verbeterd met drie wetsvoorstellen, die door het ministerie van Onderwijs ter consultatie zijn voorgelegd aan de Raad. Deze positieve signalen ten spijt krijgt de sociaaleconomische raad nog steeds nauwelijks gehoor als het gaat om het algemeen economisch beleid of maatregelen die van directe invloed zijn op de activiteiten van ondernemingen en werknemers.

5.4

In 2005 is het agentschap voor de vreedzame beslechting van arbeidsgeschillen opgericht, dat individuele en collectieve arbeidsgeschillen moet helpen slechten. Het agentschap richt zich in de eerste plaats op individuele casussen waarbij de arbiter een bindend besluit kan nemen en over dezelfde rechtsmiddelen beschikt als een rechtbank. In de praktijk is het agentschap er echter niet echt in geslaagd een echt alternatief te vormen. De meeste conflicten worden nog steeds voor het gerecht gebracht, dat, zoals alom bekend, overbelast is. Bij collectieve arbeidsgeschillen heeft het agentschap de rol van bemiddelaar en kan het de strijdende partijen dus niet dwingen tot een akkoord te komen, maar moet het proberen de partijen ervan te overtuigen vrijwillig een vreedzame oplossing accepteren.

5.5

In 2013 zal Servië als alles goed gaat een "nationaal programma voor fatsoenlijk werk" ondertekenen met de ILO. De bedoeling is dat Servië met behulp van dit programma de sociale wetgeving en procedures in al hun aspecten herziet en volledig in overeenstemming brengt met de internationale normen, en met steun van de EU-fondsen en programma's de capaciteit van de sociale partners versterkt zodat zij doeltreffend kunnen bijdragen aan de sociale dialoog.

5.6

Niet in de laatste plaats met het oog op de EU-toetredingsonderhandelingen is het van essentieel belang dat de sociale partners nauwer worden betrokken bij het economisch, sociaal en werkgelegenheidsbeleid van de regering. Ze dienen ook betrokken te worden bij de voorbereidingen die ervoor moeten zorgen dat Servië aan de criteria voldoet om in aanmerking te komen voor steun uit het Europees Sociaal Fonds en andere EU-fondsen. Alleen dan zullen ze hun toekomstige rol in de fora voor de participatiedemocratie op EU-niveau naar behoren kunnen vervullen.

6.   Sociale partners – actuele situatie

6.1

De werkgeversorganisatie SAE (Serbian Association of Employers) is de belangrijkste nationale belangenvereniging van werkgevers in Servië en vertegenwoordigt de Servische ondernemers in de sociaaleconomische Raad. Het feit dat het merendeel van Serviës grootste ondernemingen alsook andere organisaties, zoals de Vereniging van het midden- en kleinbedrijf (Association of Small and Medium-sized Entrepreneurs, ASME), geen lid zijn, zwakt haar legitimiteit als deelnemer aan de sociale dialoog echter af.

6.2

De Servische kamer van koophandel en industrie, die de grootste vereniging van ondernemingen is, kon vanwege een systeem van verplicht lidmaatschap in het verleden niet meedoen aan de werkzaamheden van de sociaaleconomische raad. Op 1 januari 2013 is echter het systeem van vrij lidmaatschap goedgekeurd in Servië en de Kamer zet zich actief in om ten volle bij te dragen tot de sociale dialoog, zeker als het gaat om zaken als het beroepsonderwijs, bevordering van de buitenlandse handel en regionale ontwikkeling. De Kamer zet zich in voor een versterking van de positie van de Servische Werkgeverscentrale in de sociaaleconomische raad om ervoor te zorgen dat deze met deelname van alle werkgeversorganisaties in een goed functionerend raadplegingsproces het gehele spectrum van werkgeversbelangen kan vertegenwoordigen.

6.3

Met het oog op de hoge werkloosheidscijfers zouden werkgevers meer invloed moeten kunnen uitoefenen op de ontwikkeling van een gunstig ondernemingsklimaat. Ondernemerschap en de snellere oprichting van ondernemingen, m.n. kleine en middelgrote ondernemingen (kmo), die één van de belangrijkste bronnen voor nieuwe arbeidsplaatsen vormen, dienen te worden bevorderd. De grootste belemmeringen voor een gunstiger ondernemingsklimaat zijn: gebrek aan transparantie en voorspelbaarheid van het juridisch kader, een onaantrekkelijk belastingstelsel, m.i.v. parafiscale heffingen, toegang tot financiering, de registratieprocedures voor ondernemingen, de administratieve formaliteiten voor buitenlandse handel enz. Het Servische bedrijfsleven voelt zich over het algemeen onvoldoende betrokken bij het wetgevingsproces en de effectbeoordelingen, m.n. wat de impact op het midden- en kleinbedrijf betreft.

6.4

De vakbonden zijn versnipperd en zwak. De meeste zijn aangesloten bij de twee grootste vakverenigingen, het Verbond van onafhankelijke vakverenigingen (SSSS) en de Onafhankelijke vakcentrale (Nezavisnost). Daarnaast zijn er twee andere vakcentrales die claimen representatief te zijn, nl. de Verenigingen van vrije en onafhankelijke vakbonden van Servië (ASNS) en de Confederatie van vrije vakbonden (KSSS). Deze representativiteit moet getoetst worden aan een nieuwe wet ter zake die thans op tafel ligt. Volgens het ministerie van arbeid zijn er zo'n 2 000 bedrijfsvakbonden die geen lid zijn van een nationaal vakverbond. Alle relevante werknemersorganisaties dienen nauwer te worden betrokken bij de besluitvorming aan werknemerszijde. De Servische vakbonden spelen een fundamentele rol bij de versterking van de sociale dialoog.

6.5

Het moeizame transitieproces en de economische crisis hebben de vakbonden nog sterker verdeeld en verzwakt. De omslachtige registratieprocedure voor vakbonden, het gebrek aan steun en de intimidatie, in sommige gevallen, van managers die niet bereid zijn tot een sociale dialoog op ondernemingsniveau staan een normale ontwikkeling van werknemersvertegenwoordiging in de weg en ondermijnen de sociale dialoog. Positief is in dit licht echter de efficiënte samenwerking die de laatste jaren van de grond is gekomen tussen de SSSS en Nezavisnost.

Brussel, 10 juli 2013

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Thomas Hammarbergh. Mensenrechtencommissaris van de Raad van Europa. Verslag over zijn bezoek aan Servië van 12-15 juni 2011. CommDH(2011)29.

(2)  SECO is gericht op netwerkvorming en capaciteitsopbouw op het gebied van EU-integratie en participatie van het maatschappelijk middenveld aan het programmeringsproces van IPA.

(3)  KOCD's zijn netwerken van organisaties op het gebied van de sociale bescherming van benadeelde groepen die een gemeenschappelijk front vormen in de dialoog met de bevoegde beleidsmakers.

(4)  Voor het technische bijstandsprogramma is 1,2 miljoen euro uitgetrokken. De nadruk ligt op steun voor verdere wijzigingen in het rechtskader voor maatschappelijke organisaties, de invoering van een regelgevingskader voor transparante overheidssteun en het betrekken van het maatschappelijk middenveld bij het besluitvormingsproces.


Top