Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52012AR1667

Advies van het Comité van de Regio's — Financiële instrumenten van de EU op het gebied van justitie en burgerschap

OJ C 277, 13.9.2012, p. 43–50 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

13.9.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 277/43


Advies van het Comité van de Regio's — Financiële instrumenten van de EU op het gebied van justitie en burgerschap

2012/C 277/06

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

meent dat de voorgestelde programma's belangrijke instrumenten zijn voor de uitvoering van het EU-beleid op de gebieden justitie, rechten en burgerschap;

vindt de voorstellen verenigbaar met het subsidiariteitsbeginsel, daar er enerzijds een relevant grensoverschrijdend aspect is voor de betrokken sectoren en anderzijds omdat er voorzien wordt in de totstandbrenging van een Europese ruimte van justitie en recht, die mechanismen vergt voor transnationale samenwerking en mogelijkheden voor netwerken voor geïnteresseerde professionals. Normaliter zijn deze doelstellingen niet doeltreffend te verwezenlijken met uitsluitend het optreden van afzonderlijke lidstaten;

denkt dat op grond van de in het meerjarig financieel kader (2014-2020) opgenomen financiële bepalingen de acties met een Europese meerwaarde kunnen worden vervolgd. Deze zijn gericht op de uitbreiding van de Europese ruimte van justitie, alsook op de verbeterde bevordering en bescherming van de rechten van de burger, zoals vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

herhaalt zijn vastbeslotenheid en bereidheid om op de bres te staan voor de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, alsook zijn inzet om het Europese burgerschap te bevorderen;

roept de Commissie en de lidstaten op om de lokale en regionale overheden zo veel mogelijk bij de uitvoering van de programma's te betrekken, met name voor de opzet en ontwikkeling van de jaarlijkse werkprogramma's;

stelt voor dat bij de raadplegingsprocedure een vertegenwoordiger van het Comité van de Regio's kan worden betrokken.

Rapporteur

De heer VARACALLI (IT/ALDE), burgemeester van Gerace

Referentiedocumenten

 

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma “Rechten en burgerschap” voor de periode 2014 – 2020

COM(2011) 758 final

 

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma “Justitie” voor de periode 2014 – 2020

COM(2011) 759 final

 

Voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van het programma “Europa voor de burger” voor de periode 2014 – 2020

COM(2011) 884 final

I.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

Algemene opmerkingen

1.

meent dat de voorgestelde programma's belangrijke instrumenten zijn voor de uitvoering van het EU-beleid op de gebieden justitie, rechten en burgerschap; het gaat immers om programma's die in hun geheel gericht zijn op het steunen van bewustmakings- en voorlichtingsactiviteiten in de lidstaten, het bevorderen van de toepassing van het recht en het beleid van de Unie in de lidstaten, de bevordering van de transnationale samenwerking en de verbetering van de kennis van eventuele problemen in bepaalde sectoren, om te zorgen dat het beleid en de normen op concrete gegevens berusten. Met name het programma “Europa voor de burger” is gericht op de ontwikkeling van het burgerschap van de Unie.

2.

De voorstellen zijn verenigbaar met het subsidiariteitsbeginsel, daar er enerzijds een relevant grensoverschrijdend aspect is voor de betrokken sectoren en anderzijds omdat er voorzien wordt in de totstandbrenging van een Europese ruimte van justitie en recht, die mechanismen vergt voor transnationale samenwerking en mogelijkheden voor netwerken voor geïnteresseerde professionals. Normaliter zijn deze doelstellingen niet doeltreffend te verwezenlijken met uitsluitend het optreden van afzonderlijke lidstaten.

3.

De voorstellen stroken ook met het evenredigheidsbeginsel: er is in de eerste plaats nagegaan of vorm en inhoud objectief overeen lijken te komen met wat eventueel vereist is om aan de doelstellingen te voldoen. Voorts lijkt de voor de drie programma's in totaal uitgetrokken financiering toereikend voor een doeltreffende uitvoering ervan. Verder is de financiering gehandhaafd op het niveau van de middelen voor de nu in uitvoering zijnde programma's voor dezelfde actiegebieden. Het budget kan uitdrukkelijk naar boven worden bijgesteld in geval van toetreding van een nieuwe lidstaat.

4.

Wat betreft de verbetering van de regelgeving waardeert het CvdR de effectbeoordelingen bij het voorstel, die in voldoende mate gemotiveerd en compleet zijn. Ook heeft de Commissie, tijdens de voorbereidende fase, belanghebbenden geraadpleegd; de resultaten daarvan zijn opgenomen in de effectbeoordelingen. Tevens zijn de lokale en regionale overheden op diverse niveaus geraadpleegd.

5.

Op grond van de in het meerjarig financieel kader (2014-2020) opgenomen financiële bepalingen kunnen volgens het CvdR de acties met een Europese meerwaarde worden vervolgd. Deze zijn gericht op de uitbreiding van de Europese ruimte van justitie, alsook op de verbeterde bevordering en bescherming van de rechten van de burger, zoals vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

6.

Hopelijk blijven de programma's bijdragen aan een gestaag toenemend en beter begrip van de EU bij de burger, vooral door hun actieve deelname te bevorderen, alsook aan een forse verbetering van het collectief bewustzijn.

7.

Verder zal de uitvoering van de programma's “Rechten en burgerschap” (met verwijzing naar de specifieke doelstelling “bijdragen tot de versterking van de uitoefening van de uit het burgerschap van de Unie voortvloeiende rechten”) en “Europa voor de burgers” (met verwijzing naar de algemene doelstelling (“… de capaciteit voor burgerparticipatie op het niveau van de Unie te vergroten” en de specifieke doelstelling “aanmoediging van democratische en burgerparticipatie op het niveau van de Unie, …”) het hopelijk mogelijk maken om de Europese burgers meer te doordringen van de recente mogelijkheid, die hun in Verordening (EU) nr. 211/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 over het burgerinitiatief rechtstreeks is toegekend, om wetsvoorstellen voor te leggen aan de Commissie over kwesties inzake de EU-bevoegdheden. Ook organisaties kunnen deze initiatieven nemen of deze ondersteunen.

8.

Het CvdR herhaalt zijn vastbeslotenheid en bereidheid om op de bres te staan voor de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, alsook zijn inzet om het Europese burgerschap te bevorderen.

9.

Met name wat het programma “Rechten en burgerschap” betreft, acht het CvdR het noodzakelijk dat er voor de genderdimensie op passende en doeltreffende wijze uitvoering wordt gegeven aan de suggesties uit het verordeningsvoorstel, zoals die zijn vervat in: overweging (12) inzake de voortzetting en de ontwikkeling van de drie vorige programma's, met name op het punt van het specifieke programma ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen kinderen, jongeren en vrouwen en ter bescherming van slachtoffers en risicogroepen (het Daphne III-programma) en de onderdelen “Gelijkheid van mannen en vrouwen” en “Discriminatiebestrijding en verscheidenheid” van het communautaire programma voor werkgelegenheid en maatschappelijke solidariteit Progress; artikel 4 (Specifieke doelstellingen), sub b, met name op het punt van de specifieke doelstelling inzake non-discriminatie op grond van geslacht en de gelijkheid van mannen en vrouwen.

10.

In beginsel waardeert het CvdR de voorgenomen vervanging van de zes operationele programma's voor de periode 2007-2013 door twee programma's. De beperking kan een vlotter en efficiënter beheer van de acties mogelijk maken, waardoor de middelen hopelijk gerichter zullen worden verdeeld en geografisch scheve verhoudingen (die de Commissie met verwijzing naar de lopende programma's zelf noemt in het financieel memorandum bij het voorstel) worden voorkomen.

11.

De Commissie en de lidstaten zouden de lokale en regionale overheden zo veel mogelijk bij de uitvoering van de programma's moeten betrekken, met name voor de opzet en ontwikkeling van de jaarlijkse werkprogramma's.

12.

De Commissie zou ook werk moeten maken van een verdere verfijning van de mechanismen voor preventieve controle van de kwaliteit van de verzoeken, zeker gezien de geplande, en ook correcte, mogelijkheid dat de acties ook particuliere organisaties ten goede komen.

13.

De problemen die centraal staan in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, zijn van bijzonder belang voor de lokale en regionale overheden, vooral gelet op de rechtstreekse gevolgen voor het dagelijks leven van de burgers in de Unie en voor de eigen taken van de lokale en regionale overheden, alsook gezien het feit dat de lokale en regionale overheden veel cruciale bevoegdheden hebben op gebieden die onder deze ruimte vallen.

14.

Subsidiariteit en nabijheid bij burgers en inwoners betekenen voor de lokale en regionale overheden dat zij rechtstreeks in contact staan met de zorgen en wensen van die burgers, voor wie de lokale instellingen er vaak in slagen om met innovatieve en passende oplossingen te komen.

15.

Onder verwijzing naar het programma “Europa voor de burger” zij vermeld dat deelname aan stedenbanden, wat in het programma uitdrukkelijk wordt toegejuicht, goed uitpakt voor de uitwisseling van ervaringen tussen gemeenschappen in verschillende gebieden, doordat geëxperimenteerd wordt met succesvolle initiatieven, waarbij de overheden zich ook als promotoren en facilitatoren van burgerschap kunnen opwerpen.

16.

Het CvdR staat achter de mogelijkheid, vermeld in de drie verordeningsvoorstellen, dat alle publieke instanties, waaronder lokale en regionale overheden, toegang krijgen tot de programma's. Gewezen zij echter op de eis dat de aanmeldingsprocedures niet buitengewoon ingewikkeld mogen zijn, vooral ten aanzien van de complementariteit tussen de programma's en de hiermee verbonden welkome optie om ook middelen uit andere programma's te gebruiken, mits de financiering verschillende uitgavenposten dekt.

17.

Het CvdR herhaalt de reeds in eerdere adviezen uitgesproken instemming met de doelstellingen uit de programma's; het wijst op zijn permanente inzet om de toepassing ervan te bevorderen en te begunstigen, ook in nabije landen, via de eigen organen voor samenwerking (werkgroepen, gemengde raadgevende comités, Corleap, ARLEM), uit hoofde van de relevante samenwerkingsakkoorden en in samenwerking met de Commissie.

18.

Nogmaals zij gewezen op het belang van de tot stand te brengen ruimte van vrijheid, veiligheid en recht ten dienste van de burger in een wereld gekenmerkt door toenemende mobiliteit. In het verlengde van de reeds lang bepleite bevordering door het Comité van de Regio's van een systeem op diverse niveaus ter bescherming van de grondrechten is het CvdR ingenomen met de vooruitgang in de verwezenlijking van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, waardoor de burger in het centrum van het project is komen te staan.

19.

Het blijft nodig de vraagstukken veiligheid en bescherming van rechten en fundamentele vrijheden evenwichtig op elkaar af te stemmen door toepassing van coherente instrumenten in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht: in dit verband kan niet verzwegen worden dat Europa zeker beschikt over een solide regelgevingskader voor de bescherming van de rechten van de mens, dat in de praktijk steeds verbeterd moet worden, omdat de uitoefening van die rechten feitelijk gewaarborgd moet zijn.

20.

Het is een goede zaak dat de drie programma's, ondanks de onderlinge objectieve verschillen, bijdragen aan de bewustmaking van de burgers van de Europese dimensie van hun burgerschap als instrument om betrokken te worden bij het Europese integratieproces en om de constructie van de Europese democratie te versterken.

21.

Herinnerd zij aan enkele overwegingen uit een recent goedgekeurd advies over het nieuwe meerjarig financieel kader na 2013, waar gewezen is op de noodzaak om passende middelen aan te boren ter bevordering van de grondrechten, de democratie en de participatie van de burger voor de totstandbrenging van een Europees burgerschap. Daarbij is gewezen op het primaire belang, voor het programma “Europa voor de burger”, om de partnerschappen ter ondersteuning van maatschappelijke organisaties op Europees niveau centraal te stellen. Ook moet opgemerkt worden dat de veiligheid van de EU nauw samenhangt met de bevordering van de democratie, goed bestuur en de rechtsstaat in derde landen. Het is aan de Unie deze waarden wereldwijd uit te dragen.

22.

Het CvdR herinnert eraan dat het de aandacht heeft gevestigd op de ondersteuning van diverse vormen van territoriale samenwerking ter uitvoering van projecten en acties die het Europese burgerschap handen en voeten moeten geven en die kunnen bijdragen tot minder bureaucratische belemmeringen en rompslomp, ook door verspreiding van de vele goede praktijken in verband met grensoverschrijdende diensten. Te denken valt aan praktijken op het gebied van gezondheidszorg en meertaligheid.

23.

Het CvdR hoopt dat de voor dit soort fundamentele aspecten geplande maatregelen prioriteit kunnen krijgen in de jaarlijkse werkprogramma's, met name wat betreft de programma's “Rechten en burgerschap” en “Europa voor de burger”.

24.

De samenvoeging van de zes oude programma's op het gebied van “justitie” en “rechten en burgerschap” tot twee nieuwe programma's en de herziening van het programma “Europa voor de burger” kunnen het de komende zeven programmajaren gemakkelijker maken om prioriteiten te stellen. Ook zullen daardoor de beheerskosten voor de EU dalen, zal de bureaucratie voor de begunstigden afnemen en zal het mogelijk worden projecten waarmee verschillende programmadoelstellingen worden nagestreefd, beter op elkaar af te stemmen.

25.

Het CvdR heeft er al eerder op gewezen, met name i.v.m. de problemen op het vlak van justitie, hoe belangrijk het is dat het beleid op het gebied van justitie en binnenlandse zaken wordt afgestemd op en geïntegreerd met het overige EU-beleid, in het bijzonder het buitenlands en sociaaleconomisch beleid. Een betere coördinatie van al dit beleid heeft zeker een positief effect op de algehele doeltreffendheid ervan.

26.

Het CvdR kan zich vinden in de stelling dat de bevordering van burgerschap een transversaal thema vormt dat ook in ander EU-beleid aandacht verdient. In dit verband is de beoogde synergie met het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) essentieel om ervoor te zorgen dat de toekomstige burgers van de Unie over het Europees burgerschap en hun rechten en plichten worden geïnformeerd.

27.

In dit licht hoopt het CvdR dat uitvoering wordt gegeven aan concrete oplossingen waarmee de voorgestelde programma's en andere EU-instrumenten daadwerkelijk met elkaar in verband kunnen worden gebracht en elkaar kunnen gaan aanvullen. Het verzoekt de Commissie om voortdurend informatie te verschaffen over de manieren waarop zij een en ander wil realiseren.

28.

Het is zorgwekkend dat de lokale en regionale overheden objectief gezien onvoldoende mogelijkheden krijgen om adequaat bij te dragen aan de uitwerking van de jaarlijkse werkprogramma's en de evaluatie van minstens twee van de drie specifieke programma's: in geen enkele fase van de opbouw van het Europa van de burgers mogen de lokale en regionale overheden aan de zijlijn blijven staan, aangezien zij essentiële instituties zijn die de democratische legitimiteit van besluitvormingsprocessen vergroten.

29.

De lokale en regionale overheden moeten bij monde van het Comité van de Regio's gegarandeerd formeel kunnen deelnemen aan de uitwerking van de jaarlijkse activiteitenprogramma's van de programma's “Rechten en burgerschap” en “Europa voor de burger”.

30.

Met verwijzing naar de door de Commissie tussentijds en achteraf op te stellen evaluatieverslagen over het programma “Rechten en burgerschap” vindt het CvdR dat het zelf daarover een verantwoord oordeel kan geven, zoals het dat al formeel mag doen voor het programma “Europa voor de burger”. Het pleit daarom voor een specifieke bepaling van deze strekking in het voorstel voor het programma “Rechten en burgerschap”.

31.

Voor het bepalen van de mate waarin de specifieke doelstellingen van het programma “Rechten en burgerschap” zijn gehaald, moet ook gebruik worden gemaakt van kwalitatieve en kwantitatieve gegevens over de uitoefening en toepassing van de desbetreffende rechten zelf, omdat de in dit verband genoemde ‘ervaring op Europees niveau’ geen adequaat criterium is om resultaten aan af te meten. In deze context zij erop gewezen dat het Europees Bureau voor de grondrechten (FRA) en het Europees Instituut voor gendergelijkheid zich bezighouden met de uitwerking van passende indicatoren en met vergelijkend onderzoek ter zake.

32.

Het CvdR beaamt dat de nu voorgestelde programma's via de beoogde bewustmakings- en voorlichtingsactiviteiten voor Europese burgers, van zeer groot belang zouden moeten zijn voor met name een volledige toegang tot informatie, hetgeen voor een actieve deelname aan de politiek steeds onmisbaarder wordt. Het CvdR heeft op dat laatste al eens eerder gewezen en zijn eigen leden toen opgeroepen zich in te spannen voor een echt gewaarborgde toegang tot informatie in de lidstaten.

33.

De in het programma “Justitie” beoogde voortzetting van de uitwisseling van nationaal justitiepersoneel - binnen het bredere kader van het Europees justitieel netwerk - zal langzamerhand leiden tot een grotere wederzijdse erkenning door de lidstaten van elkaars rechtssystemen en ook tot meer onderling vertrouwen.

34.

Het CvdR staat met volle overtuiging achter het specifieke voorstel voor de financiering van opleidingsactiviteiten voor justitiepersoneel, zoals bepaald in artikel 6 van het voorstel voor het programma “Justitie”. Opleiding en bewustmaking zijn immers essentieel voor de opbouw van een rechtvaardig Europa.

35.

Het CvdR beveelt aan er goed op te letten dat alle particuliere en openbare partijen die op het gebied van justitie werkzaam zijn, daadwerkelijk bij dergelijke opleidingsactiviteiten worden betrokken.

36.

De opleidingsactiviteiten die worden gefinancierd in het kader van het programma “Rechten en burgerschap” zouden ook educatie over het Europees burgerschap moeten omvatten voor scholieren en voor degenen die het burgerschap van een van de lidstaten willen verwerven, in lijn met en ter ondersteuning van het uitgangspunt om actief burgerschap onder jongeren via het onderwijs te bevorderen.

37.

Het CvdR kan zich vinden in de in het programmavoorstel genoemde financiële steun voor de ontwikkeling van online lesprogramma's, want dit sluit aan op zijn oproep om opleidingsactiviteiten m.b.t. burgerschap via de media en ICT te stimuleren.

38.

Met de programma's “Justitie” en “Rechten en burgerschap” kunnen voor de lokale en regionale overheden ook op doeltreffende wijze meer mogelijkheden worden gecreëerd voor grensoverschrijdende samenwerking inzake vraagstukken i.v.m. de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.

39.

Het CvdR staat principieel volledig achter de door de Commissie voor de drie programma's gekozen resultaatgerichte aanpak, die hoofdzakelijk is gebaseerd op een mechanisme van indicatoren om te meten in welke mate de programmadoelstellingen worden verwezenlijkt. Het wijst er echter op dat alleen het voorstel voor het programma “Europa voor de burger” een volledige lijst van indicatoren omvat en bijvoorbeeld in het programma “Justitie” voor elke doelstelling slechts één indicator wordt genoemd en alleen wordt gezinspeeld op een reeks niet nader gedefinieerde andere indicatoren. Het CvdR stelt daarom voor om een en ander meer en uitgebreider te specificeren, bij voorkeur met niet alleen kwantitatieve, maar ook kwalitatieve criteria.

40.

Het voorstel voor het programma “Europa voor de burger” is flexibeler van opzet in vergelijking met het momenteel lopende programma. Om die reden worden er vooraf geen quota vastgesteld voor de afzonderlijke acties die in het kader van het nieuwe programma kunnen worden uitgevoerd.

41.

In dit verband vindt het CvdR echter dat stedenbanden niet alleen in aanmerking zouden moeten kunnen blijven komen voor steun uit het programma, maar dat daarvoor ook vooraf nog altijd een quotum zou moeten worden vastgesteld. In het huidige programma bedraagt dat quotum bijna een derde van het totale budget en dat zou zo kunnen blijven.

42.

Derhalve pleit het CvdR ervoor om een passend deel van het totale voor het programma “Europa voor de burger” beschikbare budget te bestemmen voor activiteiten in het kader van stedenbanden, met name gelet op de belangrijke en erkende rol die stedenbanden spelen in het reeds geconsolideerde proces van het creëren van sterke en duurzame contacten tussen burgers, ook uit derde landen.

43.

Het Europees Parlement en de Raad hebben onlangs het Europees erfgoedlabel ingevoerd als instrument ter bevordering van het gemeenschappelijk cultureel erfgoed van de lidstaten met inachtneming van nationale en regionale verschillen. Voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma “Europa voor de burger” zou net als bij de inmiddels erkende onderscheiding “Europese culturele hoofdstad” ter stimulering van de Europese identiteit en het Europees burgerschap, gebruik kunnen worden gemaakt van de culturele erfgoedsites waaraan dit nieuwe label wordt toegekend.

II.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

RECHTEN EN BURGERSCHAP – COM(2011) 758 final

Wijzigingsvoorstel 1

Artikel 4, lid 2

Specifieke doelstellingen

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

2.   De indicatoren om de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen te meten, zijn onder meer de wijze waarop de eerbiediging, de uitoefening en de uitvoering van deze rechten in Europa wordt ervaren en het aantal klachten.

2.   De indicatoren om de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen te meten, zijn onder meer de eerbiediging, de uitoefening en de uitvoering van deze rechten en het aantal klachten.

Motivering

Om goed te kunnen beoordelen of de specifieke doelstellingen van het programma zijn verwezenlijkt, kan er beter concreet worden gesproken van het verzamelen van kwalitatieve en kwantitatieve gegevens. Het begrip “ervaren” zou namelijk tot vagere interpretaties kunnen leiden waarmee niet voldoende recht wordt gedaan aan de verwezenlijking van de doelstellingen.

RECHTEN EN BURGERSCHAP – COM(2011) 758 final

Wijzigingsvoorstel 2

Artikel 9, lid 1

Comitéprocedure

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

Motivering

Het CvdR acht het zinvol en noodzakelijk dat bij de goedkeuring van de jaarlijkse werkprogramma's, waarop de uitvoering van het hele programma is gebaseerd, niet alleen het comité van vertegenwoordigers van de lidstaten, dat de Commissie ondersteunt, maar ook een vertegenwoordiger van het Comité van de Regio's wordt betrokken.

Aangezien het om uitvoeringsactiviteiten van het programma gaat en de lokale en regionale overheden daar ook nauw bij zijn betrokken, draagt hun deelname aan de totstandkoming van de jaarlijkse werkprogramma's via de hen vertegenwoordigende Europese instelling (het Comité van de Regio's) ertoe bij dat deze programma's van onderop worden geformuleerd en dat daarbij ook rekening wordt gehouden met de eisen van de Europese burgers.

Bovendien is de betrokkenheid van het Comité van de Regio's bij de jaarlijkse voorbereiding in lijn met diens bevoegdheid tot het opstellen van dit officiële advies in het kader van de wetgevingsprocedure voor de goedkeuring van de verordening van het Europees Parlement en de Raad.

RECHTEN EN BURGERSCHAP – COM(2011) 758 final

Wijzigingsvoorstel 3

Artikel 12, lid 2

Toezicht en evaluatie

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

2.   De Commissie verstrekt het Europees Parlement en de Raad:

a)

uiterlijk medio 2018 een tussentijds evaluatieverslag;

b)

een verslag over de evaluatie achteraf.

2.   De Commissie verstrekt het Europees Parlement de Raad:

a)

uiterlijk medio 2018 een tussentijds evaluatieverslag;

b)

een verslag over de evaluatie achteraf.

Motivering

Het is absoluut noodzakelijk om het toezicht op en de evaluatie van de programma's “Rechten en burgerschap” en “Europa voor de burger” op elkaar af te stemmen. Voor dit laatste programma wordt in art. 14 (Toezicht en evaluatie), lid 3, van het Commissievoorstel in feite expliciet voorzien in tussentijds en achteraf door de Commissie op te stellen evaluatieverslagen. Deze verslagen worden behalve aan het Europees Parlement en de Raad ook aan het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's voorgelegd.

Er is daarom geen gegronde reden om in art. 12, lid 2, van het voorstel voor het programma “Rechten en burgerschap” het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's niet als ontvangers van de tussentijds en achteraf op te stellen evaluatieverslagen te vermelden. Dit wijzigingsvoorstel zorgt voor de noodzakelijke betrokkenheid van beide instellingen.

JUSTITIE – COM(2011) 759 final

Wijzigingsvoorstel 1

Artikel 7

Deelname

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Het programma staat open voor alle openbare en/of particuliere instanties en entiteiten die wettelijk zijn gevestigd in:

a)

de lidstaten;

b)

de EVA-landen die partij zijn bij de EER-overeenkomst, overeenkomstig de bepalingen van de EER-overeenkomst;

c)

de toetredingslanden, de kandidaat-lidstaten en de potentiële kandidaat-lidstaten, conform de algemene beginselen en voorwaarden die zijn vastgesteld in de kaderovereenkomsten die met die landen zijn gesloten met het oog op hun deelname aan programma's van de Unie;

d)

Denemarken, op basis van een internationale overeenkomst.

2.   Openbare en/of particuliere instanties en entiteiten die wettelijk zijn gevestigd in andere derde landen, met name landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, kunnen aan de acties van het programma deelnemen, wanneer dat bijdraagt aan de doelstellingen van deze acties.

1.   Het programma staat open voor alle openbare en/of particuliere instanties die wettelijk zijn gevestigd in:

a)

de lidstaten;

b)

de EVA-landen die partij zijn bij de EER-overeenkomst, overeenkomstig de bepalingen van de EER-overeenkomst;

c)

de toetredingslanden, de kandidaat-lidstaten en de potentiële kandidaat-lidstaten, conform de algemene beginselen en voorwaarden die zijn vastgesteld in de kaderovereenkomsten die met die landen zijn gesloten met het oog op hun deelname aan programma's van de Unie;

d)

Denemarken, op basis van een internationale overeenkomst.

2.   Openbare en/of particuliere instanties die wettelijk zijn gevestigd in andere derde landen, met name landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, kunnen aan de acties van het programma deelnemen, wanneer dat bijdraagt aan de doelstellingen van deze acties.

Motivering

De opsomming van potentiële begunstigden van het programma in lid 1 en 2 bevat niet nader omschreven entiteiten. Aangezien in beide leden al openbare en/of particuliere instanties worden genoemd, is de extra vermelding van “entiteiten” overbodig en moet dit woord dus worden geschrapt.

EUROPA VOOR DE BURGER – COM(2011) 884 final

Wijzigingsvoorstel 1

Artikel 9, lid 1

Comité

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

Motivering

Het CvdR acht het zinvol en noodzakelijk dat bij de goedkeuring van de jaarlijkse werkprogramma's, waarop de uitvoering van het hele programma is gebaseerd, niet alleen het comité van vertegenwoordigers van de lidstaten, dat de Commissie ondersteunt, maar ook een vertegenwoordiger van het Comité van de Regio's wordt betrokken.

Aangezien het om uitvoeringsactiviteiten van het programma gaat en de lokale en regionale overheden daar ook nauw bij zijn betrokken, draagt hun deelname aan de totstandkoming van de jaarlijkse werkprogramma's via de hen vertegenwoordigende Europese instelling (het Comité van de Regio's) ertoe bij dat deze programma's van onderop worden geformuleerd en dat daarbij ook rekening wordt gehouden met de eisen van de Europese burgers.

Brussel, 18 juli 2012

De voorzitter van het Comité van de Regio's

Mercedes BRESSO


Top