Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52012XR1031

Resolutie over de prioriteiten van het Comité van de Regio's voor 2013 in het licht van het werkprogramma van de Europese Commissie

OJ C 277, 13.9.2012, p. 1–5 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

13.9.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 277/1


Resolutie over de prioriteiten van het Comité van de Regio's voor 2013 in het licht van het werkprogramma van de Europese Commissie

2012/C 277/01

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

gelet op de Mededeling van de Commissie over het werkprogramma van de Commissie voor 2012 „Een nieuw Europees elan omzetten in tastbare resultaten” (1),

gelet op zijn Resolutie van 15 december 2011 over de prioriteiten van het Comité van de Regio's voor 2012 in het licht van het wetgevings- en werkprogramma van de Europese Commissie (2),

gelet op zijn Resolutie van 16 februari 2012 voor de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad 2012 over het ontwerpverdrag inzake stabiliteit, coördinatie en governance in de Economische en Monetaire Unie (3),

gelet op het op 16 februari 2012 overeengekomen Protocol voor samenwerking tussen de Europese Commissie en het Comité van de Regio's,

overwegende dat het zijn voornaamste standpunten kenbaar wil maken over het werkprogramma van de Europese Commissie voor 2013,

De toekomst van de Europese Unie

1.

is ervan overtuigd dat de Europese Unie, die het hoofd moet bieden aan enorme uitdagingen om een uitweg uit de heersende financiële, economische, sociale en politieke crisis te vinden, dringend behoefte heeft aan een ambitieus werkprogramma van de Europese Commissie voor 2013 dat bevorderlijk is voor duurzame groei, banengroei en levenskwaliteit in Europa en de burgers weer vertrouwen geeft in het Europese integratieproces;

2.

is van mening dat herstel moet berusten op twee even belangrijke pijlers voor structurele hervormingen, nl. aanzwengeling van de groei en begrotingsdiscipline;

3.

is voorstander van verdergaande economische integratie en een betere onderlinge afstemming tussen alle bestuurslagen van beleidsprioriteiten, inkomsten en uitgaven, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de autonomie en bevoegdheden van nationale, regionale en lokale overheden; verzet zich op grond van de beginselen van subsidiariteit en multilevel governance tegen iedere vorm van impliciete of expliciete renationalisering of centralisering van beleid;

4.

vraagt de Europese Commissie met klem om weerstand te bieden aan pogingen om de in de Verdragen overeengekomen democratische procedures van de Europese Unie door het sluiten van intergouvernementele overeenkomsten te omzeilen, zonder evenwel afbreuk te doen aan de in het Verdrag van Lissabon genoemde mogelijkheden voor nauwere samenwerking;

5.

verwijst naar zijn al eerder ingenomen standpunt (4) dat van een vroegtijdige goedkeuring van het meerjarig financieel kader voor 2014-2020 eind 2012 een belangrijk signaal uitgaat, nl. dat de Europese Unie in staat is om wereldwijde uitdagingen met haar eigen strategie voor groei, werkgelegenheid en concurrentievermogen aan te gaan, en een voorwaarde is voor de waarborging dat het cohesiebeleid zonder onderbreking zal worden voortgezet;

6.

benadrukt eens te meer dat de middelen die voor de begroting van de Europese Unie worden vastgelegd, als investeringen moeten worden beschouwd, dat voorstellen om te bezuinigen op programma's die onderdeel zijn van de EU-agenda voor groei, van de hand moeten worden gewezen en dat er nieuwe eigen middelen in het leven moeten worden geroepen, vooral met het oog op de vervanging van de nationale bijdragen aan de begroting van de Europese Unie;

7.

herhaalt dat de lokale en regionale overheden ten zeerste betrokken willen worden bij de vereenvoudiging van de EU-fondsen en de herziening van de financieringsregels, teneinde de administratieve rompslomp te verminderen, het hefboomeffect van publieke fondsen op Europees, nationaal en regionaal niveau te vergroten en de Europese belastingbetalers te garanderen dat er transparant gehandeld en rekenschap afgelegd wordt;

8.

is van oordeel dat de Europese Commissie een analyse zou moeten maken van de gevolgen voor lokale en regionale overheden van het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en governance in de Economische en Monetaire Unie, met vooral aandacht voor de vraag hoe wordt verzekerd dat de begrotingsautonomie van lokale en regionale overheden onaangetast blijft;

9.

meent dat toereikend vermogen van lokale en regionale overheden tegelijk groei kan bewerkstelligen door zinvolle investeringen, bijvoorbeeld in projecten die worden gecofinancierd door EU-fondsen en openbare aanbestedingen. Het CvdR is voorstander van pogingen om voor begrotingsdiscipline te zorgen, met name als middel om een einde te maken aan hoge staatsschulden die een bedreiging vormen voor de solidariteit tussen generaties;

10.

roept de Commissie nogmaals op om artikel 9 VWEU (de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming en de bestrijding van sociale uitsluiting) in al haar voorstellen te laten doorklinken; dringt er derhalve bij de Commissie op aan om in het kader van het Europese Semester evenwichtige aanbevelingen te formuleren en in wetgeving i.v.m. de financieel-economische crisis met bedoelde Verdragsverplichtingen rekening te houden;

11.

dringt er bij de Europese Commissie op aan om samen met het Comité van de Regio's een Europese wet op administratieve procedures uit te werken;

Europa 2020-strategie en het Europees semester

12.

benadrukt dat met het Europees semester een bijdrage moet worden geleverd aan economische groei, begrotingsdiscipline en structurele uitdagingen, maar dat de Europese Commissie en de lidstaten de gevolgen van deze maatregelen voor de autonomie van lokale en regionale overheden ook zorgvuldig van tevoren moeten bekijken en monitoren;

13.

is zeer ingenomen over het nieuwe „pact voor groei en werkgelegenheid” dat de Europese Raad van juni 2012 heeft vastgesteld; staat achter diens pleidooi om „op elk bestuursniveau in de Europese Unie alle hefbomen, instrumenten en beleidsvormen” in te zetten teneinde de doelstellingen van de Europa 2020-strategie te verwezenlijken (5);

14.

steunt de inspanningen van de Europese Commissie om de governancebepalingen en met name de toepassing van het partnerschapsbeginsel te verbeteren wat de uitwerking, uitvoering en evaluatie van de nationale hervormingsprogramma's betreft; roept de Europese Commissie niettemin op om in alle landenspecifieke aanbevelingen deze aspecten te beoordelen;

15.

wijst er nogmaals op dat in de nationale hervormingsprogramma's resultaatgerichte structuren (bv. territoriale pacten) moeten worden opgenomen (6) en dat initiatieven om op lokaal en regionaal niveau concurrentievermogen en innovatie te bevorderen (bv. de uitreiking van het keurmerk „Ondernemende regio van Europa”), erkenning moeten krijgen en moeten worden gesteund;

16.

kijkt ernaar uit om zijn samenwerking met de Europese Commissie in de loop van de Europa 2020-beleidscyclus verder op te voeren en wil graag worden betrokken bij de voorbereiding van de jaarlijkse groeianalyse;

17.

stelt voor dat de Europese Commissie om de zoveel tijd de balans opmaakt van de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-vlaggenschipinitiatieven, met name door verslag uit te brengen over de mate waarin lokale en regionale overheden daarbij worden betrokken;

18.

verzoekt de Europese Commissie om in 2013, ter gelegenheid van de tussentijdse evaluatie van de Europa 2020-strategie, aan te geven hoe zij de betrokkenheid van lokale en regionale overheden daarbij wil vergroten;

19.

dringt erop aan dat het subsidiariteitsbeginsel altijd in acht wordt genomen als onbenutte middelen uit de structuurfondsen naar een nieuwe agenda voor groei worden doorgesluisd en dat lokale en regionale overheden daarbij worden betrokken;

20.

moedigt de Europese Commissie aan om voor oplossingen voor de meest heikele problemen te blijven ijveren, zoals dat van de werkloosheid onder jongeren, 55-plussers en kansarmen, zonder daarbij de belangrijke rol van lokale en regionale overheden uit het oog te verliezen; vraagt de Europese Commissie vooral om een ontwerp uit te werken voor een aanbeveling van de Raad voor een verordening betreffende een jeugdgarantie; roept ertoe op om aan de nationale banenplannen een concrete lokale en regionale dimensie toe te voegen;

21.

verzoekt de Commissie om ervoor te zorgen dat in de op handen zijnde aanbeveling over kinderarmoede en het welzijn van kinderen de voorstellen uit het CvdR-advies van februari 2012 over kinderarmoede worden verwerkt, met name het voorstel voor de goedkeuring van een alomvattende strategie tegen kinderarmoede en sociale uitsluiting waarbij zowel het nationale als het lokale en regionale bestuursniveau zijn betrokken, alsook het voorstel voor de opzet van een monitoringsysteem waarvoor van solide indicatoren wordt uitgegaan en dat is gekoppeld aan de bestaande regelingen voor verslaggeving onder het VN-verdrag inzake de rechten van het kind; is ervan overtuigd dat in 2013 de weerslag van de crisis op kinderarmoede moet worden geanalyseerd, en wel aan de hand van de specifieke rapportages van de lidstaten ter zake in het kader van de NHP's en de Europa 2020-strategie;

Begroting van de Europese Unie

22.

wijst er nogmaals op dat de begroting van de Europese Unie in tijden van crisis en bezuinigingen zoveel mogelijk en op alle bestuursniveaus (7) als hefboom moet dienen voor cofinanciering met overheids- of particulier kapitaal; betreurt dat dit hefboom- en multiplicatoreffect niet grondig kan worden geëvalueerd, omdat de nodige statistische gegevens ontbreken;

23.

staat achter het voornemen van de Europese Commissie om verslag uit te brengen over de kwaliteit van de overheidsuitgaven (8) en adviseert om bij de berekening van het begrotingstekort lopende uitgaven en investeringen gescheiden te houden om te voorkomen dat investeringen met een netto winst op de lange termijn als minpost worden opgevoerd;

24.

benadrukt met name de mogelijkheid van synergiewerking tussen de begrotingen van de Europese Unie, de lidstaten en de lokale en regionale overheden, op voorwaarde dat er systemen voorhanden zijn waardoor die begrotingen naar behoren en daadwerkelijk kunnen worden gecoördineerd, zoals interoperabiliteit tussen overheidsinstanties die over begrotingszaken gaan, geharmoniseerde boekhoudregels voor overheidsfinanciën en begrotingscycli en vergelijkbare begrotingsstructuren; verzoekt de Europese Commissie om een Groenboek uit te brengen met een overzicht van mogelijke concrete maatregelen op dit gebied;

Eengemaakte markt, kleine en middelgrote ondernemingen en industrie

25.

roept de Europese Commissie ertoe op om in haar werkprogramma voor 2013 ook een Wetgevingspakket eengemaakte markt III op te nemen, waarin alle resterende beleidsinitiatieven van het wetgevingspakket eengemaakte markt zouden moeten voorkomen waarvoor nog geen actie is ondernomen en een evenwichtige verhouding moet worden aangehouden tussen de economische, sociale en governance-pijlers met inachtneming van de vier fundamentele vrijheden;

26.

zou willen dat de Europese Commissie zich vooral toelegt op de verdere verbetering van de grensoverschrijdende mobiliteit van arbeid door bescherming van de rechten van werknemers en dringt aan op een beter systeem voor de erkenning van kwalificaties ter ondersteuning van de mobiliteit van beroepsbeoefenaren;

27.

moedigt de Europese Commissie aan tot intrekking van haar voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de uitoefening van het recht om collectieve actie te voeren in de context van de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting, dat aanleiding heeft gegeven tot een vroegtijdige subsidiariteitswaarschuwing van 12 nationale parlementen;

28.

benadrukt het belang van de rol die kleine en middelgrote ondernemingen voor de heropleving van economie en werkgelegenheid op lokaal en regionaal niveau spelen, waarvan de betekenis nog kan toenemen als kleine en middelgrote ondernemingen, universiteiten en lokale en regionale overheden aan EU-programma's voor de financiering van onderzoek en innovatie deelnemen;

29.

dringt er bij de Europese Commissie op aan om kleine en middelgrote ondernemingen gemakkelijker toegang tot financiering en overheidsopdrachten te bieden en hun administratieve rompslomp nog verder terug te dringen;

30.

gaat ervan uit dat de Europese Commissie hem bij de herziening van het vlaggenschipinitiatief „Industriebeleid” zal betrekken;

31.

steunt het verzoek van het Europees Parlement aan de Commissie om uiterlijk in januari 2013 op basis van artikel 114 VWEU met een voorstel te komen voor een richtlijn om alle legaal in de EU verblijvende consumenten toegang tot basisbankdiensten te garanderen;

32.

dringt eens te meer aan op een agenda voor sociale huisvesting die duidelijkheid schept over de op sociale huisvesting van toepassing zijnde mededingingsregels en lokale en regionale overheden in staat stelt fatsoenlijke en betaalbare sociale huisvesting aan te bieden, menging van sociale groepen te bevorderen en discriminatie te bestrijden;

33.

vraagt de Europese Commissie om na de intrekking van een eerste voorstel voor een verordening betreffende het statuut voor Europese onderlinge maatschappijen, op korte termijn met een herzien ontwerpvoorstel te komen;

Energie

34.

dringt met klem aan op een follow-up in 2013 van het Stappenplan Energie 2050 als garantie dat lokale en regionale overheden in staat worden gesteld om hun bijdrage aan de bevordering van gedecentraliseerde duurzame energie en energie-infrastructuur zoals slimme netwerken te leveren, als onmisbare voorwaarde voor hulpmiddelenefficiëntie en de groene economie; verzoekt de Europese Commissie daarom om een alomvattend investeringskader met een tijdspad tot 2030 uit te werken, zodat marktspelers en lokale en regionale overheden de nodige zekerheid wordt geboden;

35.

vraagt de Europese Commissie om na te gaan welke mogelijkheden er zijn voor een aanvullend decentraal beheerd financieel instrument om de uitvoering van SEAP's (actieplannen voor duurzame energie) door regionale en lokale overheden en vooral ook door de partners van het burgemeestersconvenant te stimuleren; staat achter een betere bundeling van maatregelen voor de financiële ondersteuning van energie-efficiëntie en -behoud in toekomstige financieringsprogramma's van de Europese Unie (9);

36.

verzoekt de Europese Commissie maatregelen te nemen om problemen met verbindingen tussen lidstaten en tussen regio's in lidstaten op te lossen en om de microproductie van energie, en de inbedding hiervan in de distributienetten, te vergemakkelijken;

37.

dringt erop aan dat de toegang tot leningen van de Europese Investeringsbank op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie voor kleine en middelgrote ondernemingen en lokale en regionale overheden wordt vergemakkelijkt;

Regionaal beleid

38.

acht het beslist noodzakelijk dat de streefdatum van begin 2013 wordt gehaald voor de goedkeuring van het wetgevingspakket voor het cohesiebeleid 2014-2020, omdat lokale en regionale overheden programma's van structuurfondsen dan op 1 januari 2014 van start kunnen laten gaan;

39.

meent dat EUROSTAT en de nationale bureaus voor de statistiek zouden moeten voorzien in de behoefte aan sneller beschikbare en vergelijkbare gegevens over regionale bbp's;

40.

wijst er nogmaals op dat de territoriale dimensie van EU-beleid moet worden meegenomen op een manier die meer samenhang vertoont en stringenter is en stelt voor dat de Europese Commissie die beide factoren in haar toekomstige activiteiten met het oog op effectbeoordelingen laat meespelen en daarvan regelmatig verslag uitbrengt (10);

41.

vindt dat de Europese Commissie de regeling voor de tijdelijke detachering van EU-ambtenaren zou moeten uitbreiden naar het subnationale niveau (in plaats van zich alleen te richten op het nationale niveau), zodat binnen de Europese instellingen een beter inzicht ontstaat in de manier waarop de EU-wetgeving en EU-projecten in de praktijk op lokaal en regionaal niveau worden uitgevoerd;

Vervoer

42.

kijkt uit naar het aangekondigde voorstel voor het toekomstige havenbeleid van de Europese Unie, dringt erop aan dat dit voorstel aan een territoriaal-effectbeoordeling wordt onderworpen en is bereid mee te werken aan die exercitie;

43.

wijst op het belang van duurzame mobiliteit in steden en stelt voor om het gebruik van elektronische en slimme vervoerbewijzen voor alle vormen van vervoer (zoals bus, trein, veerboot, carpooling, bike sharing en tolheffing op snelwegen) te bevorderen, met als doel om de interoperabiliteit van vervoerwijzen te vergroten en het gebruik van het openbaar vervoer te stimuleren;

Milieu

44.

stelt vast dat de voornaamste redenen waarom er geen schot meer zit in de verbetering van de luchtkwaliteit, zijn dat het bronbeleid van de Europese Unie ambitie ontbeert en dat nationale maatregelen ontbreken. Een groot deel van de lasten en verantwoordelijkheden als het erom gaat de problemen in verband met de kwaliteit van de lucht op te lossen, zijn bij lokale en regionale overheden gelegd (11); is benieuwd naar de voorstellen die ter gelegenheid van de komende herziening van de EU-wetgeving inzake luchtkwaliteit zullen worden gedaan voor de manier waarop deze problemen moeten worden opgelost;

45.

rekent erop dat die herziening zal worden aangegrepen om de streefdoelen en termijnen van het bronbeleid van de Europese Unie voor emissies en immissies gelijk te trekken en vooral om de Richtlijn inzake nationale emissiegrenswaarden kracht bij te zetten teneinde achtergrondconcentraties te verminderen; gaat ervan uit dat de normen voor de NO2/NOx- en deeltjesuitstoot van voertuigen strenger worden gemaakt en dat er ook maatregelen worden genomen tegen emissies van schepen, luchtvervoermiddelen en landbouw, terwijl de indicatoren en criteria voor het meten van die emissies worden vereenvoudigd; dringt erop aan dat beleidsmaatregelen van de Europese Unie om de luchtkwaliteit te verbeteren, in EU-beleid op andere gebieden, zoals dat voor vervoer, huisvesting, industrie, energievoorziening en klimaat, worden verwerkt;

46.

dringt erop aan dat in de strategie van de Europese Unie voor de aanpassing aan de klimaatverandering een apart hoofdstuk wordt opgenomen dat aan specifieke aanpassingsmaatregelen op regionaal en lokaal niveau is gewijd en dat richtsnoeren en steunregelingen voor lokale en regionale besluitvormers worden vastgelegd; dringt erop aan dat ook wordt nagegaan welke mogelijkheden er zijn om een werkgroep voor aanpassingsstrategieën in bijzonder kwetsbare regio's van de Europese Unie op te richten waarin het Comité van de Regio's, het DG Klimaatactie, het Europees Milieuagentschap, het GCO en lokale en regionale netwerken en verenigingen zijn vertegenwoordigd;

Landbouw en maritiem beleid

47.

wijst op de noodzaak van een doelgerichte mededeling over een nieuwe regeling van de Europese Unie voor de kwaliteit van lokaal geproduceerde levensmiddelen, omdat dergelijke lokale producties zowel in de landbouw als in de verwerking van landbouwproducten tot levensmiddelen banen opleveren, wat goed is voor de lokale en regionale economie;

48.

meent dat grotere flexibiliteit van de Commissie gewenst is ten aanzien van haar bijdrage aan een oplossing van de huidige stagnatie tussen het Europees Parlement en de Raad omtrent de rechtsgrondslag voor meerjarenplannen voor de visserijsector; hoopt dat de Commissie, in het kader van het pakket voorstellen voor de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid, meer voorstellen doet ten gunste van een decentraler visserijbeleid en passende uitvoeringsmaatregelen die op de behoeften en problemen van de kustgebieden en aan binnenwateren grenzende regio's zijn afgestemd;

49.

de ontwikkeling van een „zeegebiedstrategie”, als een instrument voor een geïntegreerd maritiem beleid, is een goede zaak. Dergelijke strategieën, zoals de strategie die in 2013 zal worden goedgekeurd voor het Atlantisch gebied, moeten echter een sterkere territoriale dimensie krijgen. Ook moet hierbij de lering die uit strategische de macroregionale aanpak kan worden getrokken ter harte worden genomen;

Burgerschap van de Europese Unie

50.

dringt erop aan dat de lokale en regionale dimensie niet uit het oog wordt verloren als initiatieven worden genomen waarmee wordt voortgebouwd op de rechten van burgers, als initiatieven worden genomen om die rechten te consolideren en als pogingen worden ondernomen om het vertrouwen van de burgers in de (instellingen van de) EU te herstellen; benadrukt dat kinderen en jongeren hierbij betrokken moeten worden, aangezien zij in staat zijn om hun rechten en verantwoordelijkheden als burgers uit te oefenen; doet een beroep op de Commissie om zich hierop te richten bij haar activiteiten in het kader van het Europees Jaar van de burgers (2013), waaraan het zelf van plan is om een bijdrage te leveren;

51.

verbindt zich ertoe om, samen met de andere instellingen van de Europese Unie, aan de follow-up van succesvolle Europese burgerinitiatieven bij te dragen;

Landen rondom de Europese Unie en de positie van Europa in de wereld

52.

dringt erop aan dat de toegang van lokale en regionale overheden uit landen van het ENB (Europees nabuurschapsbeleid) tot de voor de betrokken gebieden bestemde specifieke steunregelingen van de EU wordt vergemakkelijkt en is voorstander van de openstelling van bestaande programma's (bv. EGTS) voor partners in nabuurlanden;

53.

bevestigt zijn bedoeling om de vrucht afwerpende samenwerking met de Europese Commissie in het kader van het LAF(lokale bestuursfaciliteit)-programma voort te zetten om lokale capaciteitsopbouw te helpen verbeteren en in kandidaat- en prekandidaatlanden de kennis van de (procedures van de) Europese Unie te vergroten; verzoekt de Europese Commissie om na te gaan of het mogelijk is om dit programma ook open te stellen voor lokale overheden in de landen van het ENB;

54.

vertrouwt erop dat de Europese Commissie zijn aanbevelingen bij de uitwerking van haar werkprogramma voor 2013 niet in de wind zal slaan en draagt zijn voorzitster op om onderhavige resolutie aan de voorzitter van de Europese Commissie, de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van het Europees Parlement, het Cypriotische EU-voorzitterschap en de komende Ierse en Litouwse EU-voorzitterschappen voor te leggen.

Brussel, 19 juli 2012

De voorzitter van het Comité van de Regio's

Mercedes BRESSO


(1)  COM(2011) 777 final

(2)  CdR 361/2011 fin

(3)  CdR 42/2012 fin

(4)  CdR 318/2010 (corapporteurs: Mercedes Bresso en Ramón Valcárcel Siso)

(5)  Conclusies van de Europese Raad van 28 en 29 juni 2012, blz. 7

(6)  CdR 72/2011 (rapporteur: Markku Markkula)

(7)  CdR 318/2010 (corapporteurs: Mercedes Bresso en Ramón Luis Valcárcel Siso)

(8)  Zie COM(2012) 299 final, par. 2.1

(9)  CdR 85/2012 (rapporteur: Brian Meaney)

(10)  CdR 273/2011 (rapporteur: Luc Van den Brande)

(11)  CdR 329/2011, rapporteur: Cor Lamers


Top