EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52012AE0478

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een programma van de Europese Unie voor sociale verandering en innovatie (COM(2011) 609 final — 2011/0270 (COD))

OJ C 143, 22.5.2012, p. 88–93 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

22.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 143/88


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een programma van de Europese Unie voor sociale verandering en innovatie

(COM(2011) 609 final — 2011/0270 (COD))

2012/C 143/17

Algemeen rapporteur: mevrouw BATUT

Het Europees Parlement en de Raad hebben op respectievelijk 25 oktober en 16 november 2011, op grond van art. 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

"Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een programma van de Europese Unie voor sociale verandering en innovatie"

COM(2011) 609 final – 2011/0270 (COD).

Op 25 oktober 2011 besloot het bureau van het Comité de afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken, Burgerschap te belasten met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden. (Algemeen rapporteur was mevrouw BATUT).

Het EESC heeft, gelet op de urgente aard van deze werkzaamheden, tijdens zijn op 22 en 23 februari 2012 gehouden 478e zitting (vergadering van 23 februari 2012) besloten mevrouw BATUT aan te wijzen als algemeen rapporteur, en heeft vervolgens onderstaand advies met 168 stemmen vóór en 2 tegen, bij 7 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het EESC heeft zich reeds in een eerder advies gebogen over het begrip sociale innovatie, waarin het heeft gewezen op de vaagheid van dat begrip en de onzekerheid die daarvan het gevolg is (1). Wel heeft het de voordelen van innovatie op de arbeidsplaats erkend (2). Er zijn bovendien veel actoren die iedere dag aan "sociale innovatie" doen zonder het te weten, gewoon om dat ze hun werk goed doen.

1.2   Het EESC verzoekt de Commissie om de doelstellingen "sociale innovatie" en "sociale verandering" te definiëren in haar PSVI (3). Dit zijn experimentele begrippen. Zij mogen de nationale sociale stelsels of de arbeidswetgeving niet vervangen. Mensen aan het werk helpen is dan misschien goed voor het concurrentievermogen, maar de crisis mag geen voorwendsel zijn om systemische veranderingen door te voeren die van de uitzondering de regel maken.

1.3   Het EESC wenst dat in het onderhavige programma schriftelijke clausules worden opgenomen, om te waarborgen dat de maatregelen van sociale innovatie aanvullende elementen zijn die niet concurreren met de sociale rechten en de sociale stelsels van de lidstaten of met de rechtszekerheid die zij bieden aan hun leden.

1.4   Het EESC beveelt aan dat de Commissie haar ontwerp baseert op de doelstelling ‧onderlinge aanpassing van de sociale grondrechten op de weg van de vooruitgang‧ (4), om de onderlinge verschillen terug te dringen en aldus de mobiliteit te vergemakkelijken.

1.5   De Commissie zou volgens het EESC moeten uitleggen welke gevolgen worden verwacht van de synergie tussen het Progress-programma, Eures en de Microfinancieringsfaciliteit, welke banden er zijn met de Europese fondsen (met name het ESF en het EFSO (5)) en of hun beheersregels – waarvan de zichtbaarheid te wensen over laat – verenigbaar zijn.

1.6   Het EESC wenst dat de rol van de sociale partners en de ngo's duidelijk wordt vermeld in de drie pijlers van het PSVI.

1.7   Het EESC vraagt om een flexibiliteitsclausule op te nemen in het PSVI, zodat het na een tussentijdse evaluatie kan worden aangepast. In 2017 zal een tijdelijke balans worden opgemaakt van de sociale ontwikkelingen, die zal worden voorgelegd aan het Europees Parlement en voor advies aan de raadgevende comités en hun representatieve organisaties.

1.8   Indien de drie pijlers deel blijven uitmaken van één programma, dan zou de titel volgens het EESC moeten worden gewijzigd in "Programma ter ondersteuning van sociale vooruitgang, mobiliteit en inclusie".

1.9   Met betrekking tot het Progress-programma is het EESC van mening dat het zaak is:

in kaart te brengen welke soorten banen dankzij Progress in het leven zijn geroepen;

de verwezenlijkingen te publiceren en de positieve resultaten zichtbaarheid te geven en uitwisselbaar te maken, door hiervoor een onlinethesaurus op te zetten;

een definitie te geven van "sociale experimenten" en van het toepassingsgebied, de actoren, de acties en de potentiële begunstigden;

ervoor te zorgen dat projecten met een gender- en/of non-discriminatiedimensie in aanmerking blijven komen voor steun;

Progress niet meer hoofdzakelijk op administratieve analyse- en meetactiviteiten te richten maar meer concrete resultaten na te streven;

de documenten en controleprocedures te vereenvoudigen;

de rol van sociale ondernemingen voor de sociale diensten van algemeen belang te preciseren;

de synergie tussen het PSVI en resp. het EFSO en het ESF uit te leggen, en de bestuursregels te preciseren die moeten worden toegepast, afhankelijk van de mate waarin een sociale onderneming een sociaal doel nastreeft.

1.10   Met betrekking tot de Eures-pijler beveelt het EESC aan:

de oorspronkelijke geest van Eures in stand te houden, met regionale bevoegdheden en de deelname van de sociale partners;

het beginsel te bevestigen dat het aanbod van fatsoenlijke arbeidsplaatsen prevaleert boven het aanbod van microkredieten en microbanen;

de doelstelling te bevestigen dat mobiliteit moet worden bevorderd en sociale dumping moet worden bestreden;

een wijziging van de rechtsgrondslag aan te kondigen, door Eures open te stellen voor particuliere arbeidsbemiddelingsdiensten (6) en aan te geven wat de gevolgen zullen zijn ten aanzien van het ESF en de toewijzing van de middelen;

zich te buigen over de dubbele financiering van Eures (door het PSVI en het ESF), de gevolgen van de overlapping tussen begrotingen en de controlemethoden;

een definitie van "gerichte mobiliteit" te geven; in kaart te brengen welke soorten contracten dankzij Eures zijn ondertekend; te discussiëren over de nieuwe centrale rol van de Commissie;

te hameren op het belang van de meeneembaarheid van alle sociale rechten en van systemen voor de gelijkwaardigheid van kwalificaties;

maatregelen voor digitale inclusie toe te voegen.

1.11   Met betrekking tot de pijler "microfinanciering en sociaal ondernemerschap" beveelt het EESC aan:

rekening te houden met het subsidiariteitsbeginsel;

de invoering van een verdeelsleutel tussen de lidstaten te overwegen;

een schaal vast te stellen voor de steun en de begunstigden nauwkeuriger te definiëren (omvang van de sociale ondernemingen die hiervoor in aanmerking komen);

het project zichtbaarheid te geven om burgers die voor microfinanciering in aanmerking komen te beschermen tegen ongereguleerde en gewetenloze kredietverleners, en ervoor te zorgen dat informatie over microfinanciering op de startpagina's van relevante internetsites staat, in alle talen van de Unie;

explicieter te zijn over de rol van het EIF en de EIB en hun hefboomeffect;

regels vast te stellen voor kredietverleners, opdat zij hun verantwoordelijkheid volledig op zich nemen.

2.   De context

2.1   De strategie van de sociale agenda voor het Europa van de 21e eeuw maakt deel uit van de EU 2020-strategie. Het voorstel betreffende een programma voor sociale verandering en innovatie (hierna: het PSVI) sluit hierop aan. Zoals het Comité voor sociale bescherming heeft vastgesteld wordt één op de vijf personen in Europa bedreigd door armoede en sociale uitsluiting, en wordt deze tendens momenteel nog versterkt door de sociale gevolgen van de crisis. De maatregelen van de EU en de lidstaten zijn erop gericht om vóór 2020 ten minste 20 miljoen mensen een uitweg uit de armoede te bieden. De belangrijkste instrumenten voor werkgelegenheid en sociale inclusie zijn onder meer het ESF, Progress, het Elfpo (7), het EFRO en microfinancieringen.

2.2   Algemene doelstellingen van het programma

2.2.1   In de huidige periode, waarin de nationale begrotingen in crisis verkeren, stelt de Commissie voor de drie bestaande programma's (Progress, de Europese microfinancieringsfaciliteit en Eures) te bundelen ten einde de keuzes te rationaliseren en het gebruik van de middelen beter te controleren.

2.3   De zwaartepunten van het nieuwe programma

2.3.1   In het uit 2006 daterende Progress-programma voor werkgelegenheid en maatschappelijke solidariteit wordt voorgesteld scoreborden voor de Europese sociale situatie in te voeren, om de nationale situaties te kunnen vergelijken.

2.3.1.1

Voor de periode 2014-2020 is Progress erop gericht de werkgelegenheid te bevorderen, vergelijkbare gegevens te verzamelen, lessen te trekken uit de ervaringen om een resultaatgerichte benadering te bevorderen, de capaciteit van Europese netwerken van maatschappelijke organisaties te ontwikkelen en de sociale beleidsdoelstellingen van de Unie uit te breiden, met een budget van 575 miljoen euro, oftewel 82,1 miljoen euro per jaar, waarvan 17 % moet worden besteed aan sociale experimenten.

2.3.2   Eures is het Europese netwerk tussen de Commissie en de openbare diensten voor arbeidsvoorziening (ODA's). Voortgekomen uit vroegere activiteiten van de vakbonden en de sociale partners, bevordert het de mobiliteit van werknemers in grensregio's. Sinds 2002 heeft Eures drie doelstellingen: ontwikkelen van een Europees portaal voor beroepsmobiliteit, tot stand brengen van grensoverschrijdende partnerschappen tussen ODA's en de sociale partners, en opstellen van activiteitenplannen voor de lidstaten, voor het tot elkaar brengen en de compensatie van aanbiedingen van en aanvragen om werk (20 miljoen euro). Eures strekt zich uit over de hele Unie, en de lidstaten gebruiken 70% van het Eures-budget voor "activiteitenplannen".

2.3.2.1

Voor de periode 2014-2020 streeft Eures ernaar om in het kader van het PSVI 143 miljoen euro (20,5 miljoen euro per jaar) uit te trekken voor mobiliteit in alle regio's van de Unie, met name voor jongeren, en om op Europees niveau statistieken op te stellen, informatie te verspreiden, jaarlijks de balans op te maken van de uitwisselingen, het portaal te verbeteren door deze meertalig te maken, Eures in de nabije toekomst open te stellen voor particuliere arbeidsbemiddelingsdiensten, en te zorgen voor een programma van nationale activiteiten die door het ESF worden gefinancierd.

2.3.3   De microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting (2010) is erop gericht de toegang tot microkrediet te verbeteren voor mensen die zich in een moeilijke arbeids- en/of kredietsituatie bevinden. Zelfstandige werknemers en sociale micro-ondernemingen komen hiervoor in aanmerking. Het programma wordt beheerd door het Europees Investeringsfonds: kredietverlenende financiële instellingen kunnen een beroep doen op het EIF en de EIB om zich in te dekken tegen eventuele verliezen en de liquiditeit veilig te stellen. Voor de periode 2010-2013 heeft het programma 200 miljoen euro bijeengebracht voor de 27 lidstaten.

2.3.3.1

Voor de periode 2014-2020 wordt nog altijd gestreefd naar een verbetering van de toegang tot microfinanciering en het sociaal ondernemerschap, door garanties te bieden op leningen tot 25 000 euro. Hiervoor wordt een budget van 191,6 miljoen euro voor 7 jaar (27 miljoen euro per jaar) uitgetrokken.

2.4   Elementen van het voorstel

2.4.1   De voor het nieuwe PSVI voorgestelde begroting bedraagt 958 miljoen euro, wat slechts 10 % meer is dan in 2007. Het programma sluit aan op de EU 2020-strategie en is gebaseerd op dezelfde beginselen: partnerschappen, coördinatie, voorafgaande voorwaarden, gezonde begrotingssituatie, versterking van de samenwerking en de territoriale samenhang, en voortzetten van de vereenvoudiging.

2.4.2   De Commissie, die vooral streeft naar een structurele verandering van de Europese samenleving door een "modernisering" van het sociaal beleid van de lidstaten te bevorderen (8), stelt voor:

synergie te creëren tussen de drie programma's onderling en met het Europees Sociaal Fonds;

geharmoniseerde procedures vast te stellen voor informatie, communicatie, verspreiding, beheer en evaluatie;

zich meer te concentreren op grote projecten met een sterke Europese meerwaarde, met zo min mogelijk kosten.

2.4.3   Het programma heeft vijf doelstellingen:

versterken van het draagvlak voor de doelstellingen van de Unie op het gebied van werkgelegenheid, sociale zaken en uitsluiting;

bevorderen van goed bestuur, wederzijdse leerprocessen en sociale innovatie;

moderniseren van de Europese wetgeving en ervoor zorgen dat zij wordt toegepast;

bevorderen van de geografische mobiliteit;

verbeteren van de toegang tot microfinanciering.

3.   Algemene opmerkingen van het EESC

3.1   Het EESC kan zich vinden in het voorstel om de steunmaatregelen van de EU voor werkzoekenden te rationaliseren, en houdt rekening met het feit dat het niet gemakkelijk is een programma voor een periode van 7 jaar voor te bereiden terwijl het vorige programma nog twee jaar loopt.

3.2   Het vindt het jammer dat de doelstelling ‧onderlinge aanpassing van de sociale grondrechten op de weg van de vooruitgang‧, die erop is gericht de onderlinge verschillen terug te dringen en de mobiliteit te vergemakkelijken, niet als algemene doelstelling is opgenomen (9).

3.3   Het herinnert eraan dat de Unie op het gebied van sociaal beleid en cohesiebeleid een met de lidstaten gedeelde bevoegdheid heeft (10). De Unie heeft dit hoe dan ook te respecteren, net als de algemene voorschriften van artikel 9 VWEU (11) en van de artikelen 8 en 10.

3.4   In dat verband hoopt het EESC dat de twee grote vraagstukken gelijke kansen en non-discriminatie, die tot nu toe altijd met het sociaal beleid werden geassocieerd en werden toevertrouwd aan DG Justitie, onder Progress blijven vallen, omdat discriminatie vaak leidt tot beloningsverschillen en sociale ongelijkheid. Gelijke kansen en non-discriminatie zijn opgenomen in overweging nr. 10 en de artikelen 7 en 8 van het voorstel voor een verordening betreffende het ESF (12), en de gelijke kansen staan nog altijd in het sociaal hoofdstuk van het Verdrag.

3.5   Het EESC vindt het jammer dat de synergie die wordt verwacht van de combinatie van het Progress-programma, Eures en de microfinancieringsfaciliteit, niet meer aandacht krijgt in het PSVI. Ook had rekening kunnen worden gehouden met de rol van de regio's. En de concrete mogelijkheden voor synergie met andere Europese programma's – bijvoorbeeld voor onderwijs, jeugdwerkgelegenheid en het kerninitiatief "Je eerste Eures-baan" – zijn ook niet onderzocht.

3.6   Om het nieuwe programma verder toe te lichten is het zaak een evaluatie te maken van de werkelijk verstrekte middelen, de benuttingsgraad en de praktische problemen waarop de projecten zijn gestuit (bijvoorbeeld op het gebied van microfinanciering en het scheppen van banen). Bovendien legt de Commissie niet uit hoe de sterke Europese meerwaarde wordt bepaald op grond waarvan nieuwe maatregelen in aanmerking komen voor steun. Zo baseert zij de doelstellingen op onzekere elementen, die des te onzekerder zijn omdat het vorige programma nog niet is geëvalueerd, en is de schatting van de meerwaarde van het nieuwe programma op zijn minst subjectief.

3.7   Net als in het voorstel voor een ESF-verordening is het EESC van mening dat de plaats en rol van de sociale partners ook in de drie pijlers van het PSVI hadden moeten worden genoemd. De ESF-tekst kent hen een "vitale rol op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en sociale inclusie" toe (13).

3.8   Ook wijst het erop dat de rol van de ngo's in het (gedeeltelijk door het ESF gefinancierde) PSVI had moeten worden genoemd. In de overweging nr. 9 (14) van het voorstel voor een ESF-verordening staat immers: "Een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de door het ESF ondersteunde acties hangt af van een goed bestuur en een goed partnerschap tussen alle betrokken territoriale en sociaaleconomische actoren, met name de sociale partners en niet-gouvernementele organisaties".

3.9   De maatschappelijke organisaties worden wel genoemd in het PSVI (15), en het EESC is van mening dat hun plaats moet worden gedefinieerd. Dan zouden zij een rol kunnen spelen bij de uitvoering van het beleid.

3.10   Het EESC is van mening dat de Commissie bij de geplande maatregelen rekening moet houden met de digitale inclusie (16), omdat de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën een transversale hefboom voor inclusie en de werkgelegenheid zijn.

4.   Over de methode

4.1   Het EESC merkt op dat de ontwerptekst de titel "programma van de Europese Unie voor sociale verandering en innovatie" (PSVI) heeft meegekregen, en dat hierin drie oude acties van de Unie worden voortgezet zonder innovatieve elementen. De Commissie stelt weliswaar voor de drie pijlers te richten op sociale verandering en innovatie via sociale experimenten, maar verzuimt de doelstelling "sociale innovatie" te definiëren, noch in de overwegingen, noch in de tekst zelf, noch in de evaluatie vooraf.

4.2   De in verschillende landen verrichte academische studies op het gebied van "sociale innovatie" gaan uit van de gedachte dat het productie-consumptiemodel aan het eind van zijn Latijn is, en concluderen dat de sociale structuren moeten worden herzien door een herverdeling van de rollen tussen de verschillende categorieën actoren en belangen. Aangezien er geen stabiele definitie van innovatie is, leidt dit ertoe dat ondernemingen – al dan niet sociale ondernemingen – niet goed weten welk governancemodel zij moeten kiezen, en dat er onzekerheid heerst over de vertegenwoordiging van de werknemers en de vorm van de sociale dialoog (17). Volgens deze onderzoekers zal de sociale verandering zich ook doen gevoelen in de socialezekerheidsstelsels. Het gaat erom het Europese "sociaal model" te herzien zonder harde wetgeving, maar via experimenten. De Progress-pijler (18) bevordert "wetenschappelijk gefundeerde beleidsvorming en innovatie, in samenwerking met de sociale partners, maatschappelijke organisaties en andere belanghebbende partijen".

4.3   De Commissie promoot deze "sociale experimenten" in haar tekst, zonder iets te zeggen over hoe die innovatie en verandering eruit moeten zien. Dit is een sociologische aanpak die burgers zonder een flauw benul van de uiteindelijke doelstelling danig in de war kan brengen. Het EESC is van mening dat eerst zou moeten worden gekeken waarom de markt, de overheidsdiensten en de Europese steun niet hebben beantwoord aan de sociale behoeften, en waarom er geen herverdeling van de rijkdom heeft plaatsgevonden om personen in moeilijkheden hun autonomie te waarborgen, met inachtneming van de beginselen van het Handvest van de grondrechten.

4.4   Het EESC denkt dat het zaak is te weten welke maatschappelijke verandering wordt nagestreefd met iedere innovatie, iets wat met de "bottom up"-methode en de onderhavige ontwerpverordening, die van deze methode gebruik maakt, onmogelijk is.

4.5   Socialezekerheidsstelsels die door de burgers worden beschouwd als duurzaam, genieten een sterke legitimiteit. Het EESC is van mening dat "het testen en het op grotere schaal toepassen van innovatieve oplossingen voor de aanpak van sociale behoeften" (19) ertoe kan leiden dat de brede solidariteit wordt gereduceerd tot cliëntelisme en het uiteenvallen van het sociale stelsel en de representatieve structuren.

4.6   Volgens het EESC zou het onderhavige programma moeten waarborgen dat de sociale innovatiemaatregelen de nationale sociale rechten (20) en socialezekerheidsstelsels aanvullen en hier niet mee concurreren. De sociale innovatie zou de op wetgeving gebaseerde stelsels en de langetermijnveiligheid die deze bieden, ook aan de meest kwetsbare personen, niet in het gedrang mogen brengen.

4.7   Meer nog dan de systemische sociale hervormingen zou de toegang tot werk, huisvesting en vervoer een echte sociale verandering voor kansarme groepen betekenen. Mensen die in de Europese Unie wonen, hebben vooral behoefte aan fatsoenlijke arbeidsplaatsen. Het programma zou ook moeten ingaan op het huisvestingsvraagstuk, omdat dit iets is wat eenieder die actief is op het gebied van werkgelegenheid en inclusie aangaat (21).

4.8   Het EESC herinnert eraan dat op het gebied van de sociale bescherming in eigenlijke zin (22), artikel 153, lid 4 VWEU het recht van de lidstaten onverlet laat om de fundamentele beginselen van hun socialezekerheidsstelsel vast te stellen, en niet belet dat een lidstaat maatregelen met een hogere graad van bescherming handhaaft of invoert zolang deze verenigbaar zijn met de Verdragen.

5.   Specifieke opmerkingen

5.1   Het EESC zou graag zien dat in de ontwerpverordening wordt herinnerd aan het subsidiariteitsbeginsel, en dat er een definitie van de verwachte "sterke meerwaarde" in wordt opgenomen.

5.2   Over Progress

5.2.1   De definities van de acties, actoren en potentiële begunstigden van het voorstel volstaan niet (23). In de tekst wordt niet gezegd of rekening wordt gehouden met de standpunten van de sociale partners (24) en de ngo's, met name voor de vaststelling van een serie indicatoren (25).

5.2.2   Het Progress-programma heeft "moeilijk meetbare" doelstellingen en maakt gebruik van "subjectieve variabelen", terwijl het financieel memorandum het over een resultaatgerichte beheersaanpak heeft (26). De impact op de werkgelegenheid wordt niet gemeten, de methode lijkt daarvoor ook niet geschikt. Volgens het EESC zouden met de reeds verzamelde gegevens lessen moeten worden getrokken uit de ervaringen, en zou een onlinethesaurus van positieve resultaten beschikbaar moeten worden gesteld. Alvorens verder te gaan zou volgens het EESC moeten worden gekeken welke banen zijn gecreëerd dankzij de steun. Zo zou worden voorkomen dat de Commissie aanbevelingen voor structurele hervormingen doet op basis van weinig betrouwbare evaluaties.

5.2.3   Er gaapt een kloof tussen de doelstellingen en de middelen: de aangekondigde financiering, waarmee de drie pijlers voor 2014-2020 10 % meer middelen krijgen ten opzichte van 2007, opent geen nieuwe mogelijkheden.

5.2.4   In het voorstel wordt te veel belang gehecht aan het beheer (27): het geld van de belastingbetaler zou de burgers rechtstreeks moeten helpen. Het zou bijvoorbeeld belangrijk zijn te weten welk deel ten goede komt aan de bestrijding van armoede.

5.2.5   De evaluatie van in het verleden gesteunde projecten kan extra kosten met zich meebrengen wanneer hiervoor een beroep wordt gedaan op externe controle-instanties. De documenten en procedures zouden volgens het EESC moeten worden vereenvoudigd en gestandaardiseerd.

5.2.6   Wat de sociale ondernemingen (28) betreft wenst het EESC:

te herinneren aan het subsidiariteitsbeginsel en de verantwoordelijkheid van de lidstaten;

een definitie te zien van hun rol binnen de sociale diensten van algemeen belang;

te weten welke synergie er is tussen het programma en het voorstel voor een verordening van 7 december 2011 over het "Europees Fonds voor Sociaal Ondernemerschap", dat de ontwikkeling van sociale ondernemingen moet bevorderen (door de toekenning van een EFSO-label);

nader in te gaan op de bestuursregels, afhankelijk van de mate waarin een sociale onderneming een sociaal doel nastreeft, de regels voor investeerders en de rol van de banken, zo nodig met solvabiliteitsvoorschriften;

dat zelfstandige ondernemers in aanmerking komen voor steun.

5.3   Over Eures

5.3.1   Eures zal voor 15 % worden gefinancierd door het PSVI, en verder grotendeels door het ESF. De overlapping tussen de begrotingen van de programma’s maakt het er voor de burger niet eenvoudiger op: de structuurfondsen worden geregionaliseerd volgens NUTS2, maar dit geldt niet voor de middelen van het PSVI.

5.3.2   De nationale en grensoverschrijdende activiteiten zullen door het Europees Sociaal Fonds worden gefinancierd, en de Europese activiteiten (29) door het PSVI. De participatieregels voor de sociale partners en ngo's zullen van toepassing zijn op het ESF-gedeelte, maar niet op het programma voor sociale verandering en innovatie.

5.3.3   Het EESC vraagt zich af of het wel nuttig is om zulke uiteenlopende onderdelen in één programma onder te brengen, omdat de begrotingscontrole nog moeilijker zal zijn dan in de vorige configuratie. De verdeling van de financiering tussen het ESF, de Commissie en de lidstaten zou duidelijker moeten zijn. Dit houdt in dat er andere regels moeten worden toegepast voor de comitéprocedure en de controle op de uitvoeringshandelingen van de Commissie (30).

5.3.4   Het EESC vraagt zich af of het wenselijk is dat de Commissie een gecentraliseerd systeem opzet en de regionale dynamiek van Eures afremt, terwijl de ervaringen met de sociale innovatie hebben laten zien dat de actoren in het veld hiervoor het meest aangewezen zijn. Het Parlement heeft zijn budget in 2007 zelfs willen opschroeven (31). Het EESC herinnert eraan dat de mobiliteit geen doel op zich is, maar alleen kan helpen wanneer een baan in een andere lidstaat van de Unie moet worden gezocht.

5.3.5   Het EESC denkt dat het nuttig zou zijn om in de tekst in te gaan op:

het beginsel dat het aanbod van fatsoenlijke arbeidsplaatsen prevaleert boven het aanbod van microkredieten en microbanen;

de doelstelling dat de mobiliteit moet worden bevorderd en sociale dumping moet worden bestreden;

de soorten arbeidscontracten die dankzij Eures zijn ondertekend;

de definitie van gerichte mobiliteit;

de aangekondigde wijziging van de rechtsgrondslag van Eures (32);

het belang van de meeneembaarheid van de sociale rechten van mobiele burgers en nieuwe teksten over de gelijkwaardigheid van kwalificaties (33).

5.3.6   Het EESC acht het van belang dat de rol van de sociale partners in Eures duidelijk wordt gehandhaafd.

5.4   Over de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap

5.4.1   Het EESC wenst dat de burgers uitgebreid over het programma worden geïnformeerd om te voorkomen dat zij ingaan op online-aanbiedingen van microfinanciering door de informele economie tegen woekertarieven (noodzaak van digitale inclusie). We mogen niet vergeten dat de in art. 22 genoemde personen kwetsbare personen zijn, die andere vormen van steun nodig hebben dan microkrediet en concurrerende activiteiten. Deze laatste kunnen risicovol zijn en een valstrik betekenen, en kunnen nooit een betaalde baan vervangen.

5.4.2   Het EESC zou willen dat wordt nagegaan of de invoering van een verdeelsleutel voor het programma tussen de lidstaten haalbaar is.

5.4.3   Het EESC acht het zaak om het verwachte hefboomeffect van het EIF en de EIB meer te benadrukken, en duidelijk te definiëren wie de begunstigden zijn. Immers, voor een persoon die zijn baan heeft verloren (art. 22, lid 1, a), een sociale onderneming (art. 22, lid 3) met werknemers en een begroting en een zelfstandige ondernemer en zijn micro-onderneming heeft het bedrag van 25 000 euro totaal verschillende consequenties, en de door de kredietverleners gevraagde waarborgen verschillen dan ook navenant. Het volgende zou dan ook moet worden verduidelijkt:

wat onder "sociaal" wordt verstaan in deze pijler;

wie de begunstigden zijn, en met name de omvang van de sociale ondernemingen die in aanmerking komen;

wat een "sociale micro-onderneming" is;

de uitvoeringsmodaliteiten van de steun en de exacte geboden dekking (100 % ?);

criteria om eventueel een schaal vast te stellen voor de steun;

maatregelen om de controle achteraf te vereenvoudigen, de opstelling van jaarbalansen te vergemakkelijken en de kosten van de controles terug te dringen.

5.4.4   Wat de kredietverleners betreft:

zouden duidelijker regels moeten worden opgesteld om ervoor te zorgen dat zij hun rol kunnen uitoefenen zonder dat de kredietnemers worden opgezadeld met extra en verborgen vereisten;

zou moeten worden voorzien in een evaluatie om snel de balans te kunnen opmaken.

5.4.5   Het EESC hoopt dat de meerwaarde van deze maatregelen hoger zal uitvallen dan de geschatte meerwaarde van het vorige programma, namelijk dat per verstrekte microlening 1,2 banen werden gecreëerd (34).

Brussel, 23 februari 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Advies van het EESC, PB C 100, blz. 77, 30-4-2009.

(2)  Advies van het EESC, PB C 132, blz. 22, 3-5-2011.

(3)  PSVI: Programma voor sociale verandering en innovatie, COM(2011) 609 final.

(4)  Art. 151 VWEU.

(5)  Europees Sociaal Fonds en Europees Fonds voor Sociaal Ondernemerschap.

(6)  Werkprogramma van de Commissie voor 2012, COM(2011) 777 final.

(7)  Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling.

(8)  COM(2011) 609 final: par. 1 van de Toelichting en art. 4, lid 1, onder c).

(9)  Art. 151, lid 1, VWEU.

(10)  Art. 4, lid 2, onder b) en c), VWEU.

(11)  Advies van het EESC, PB C 24, blz. 29, 28-1-2012.

(12)  COM(2011) 607 final.

(13)  COM(2011) 607 final, zie par. 5 van de Toelichting.

(14)  COM(2011) 607 final, overweging nr. 9.

(15)  COM(2011) 609 final, overweging nr. 9.

(16)  Advies van het EESC, PB C 318, blz. 9, 29-10-2011.

(17)  Social innovation Review, Standford Graduate School of Business, Fall 2008, J.A. Phills, K. Deiglmeier, D.T. Miller; Social Innovation, J. Howaldt & M. Schwarz, IMO-Dortmund, mei 2010; Transformations et Innovation sociale en Europe: quelles sorties de crise?, N. Richez-Battesti & D. Vallade, P.U de Louvain-Cahiers du CIRTES 5, sept. 2010, blz. 45; S. Bacq & F. Janssen, ibid, blz. 207.

(18)  Art. 3 a) van het ontwerp en advies van het EESC, PB C 255, blz. 67, 14-10-2005.

(19)  Art. 9, lid 1 en art. 3 - met een zeer brede reikwijdte – COM(2011) 609.

(20)  Art. 151, lid 1, VWEU.

(21)  Artt.1, 7, 15, 24, 34, lid 3 en 52, lid 3 van het Handvest van de grondrechten, art. 8 van het EVRM, en artt. 30 en 31 van het herziene Europees Sociaal Handvest.

(22)  COM(2011) 609, art. 4, lid1 a) en b).

(23)  Bijv: de voorafgaande evaluatie, blz. 42

(24)  COM(2011) 609, art. 15, a) en c).

(25)  COM(2011) 607, art. 6.

(26)  "Financieel memorandum voor voorstellen", par. 1.4.3 (bijlage bij COM(2011) 609 final,, blz. 32).

(27)  COM(2011) 609 final, art. 5, lid 3.

(28)  Advies CESE PB C 24, blz. 1, 28-01-2012.

(29)  Portaal en initiatief "Je eerste Eures-baan".

(30)  Verordening (EU) nr. 182/2011.

(31)  EP, resolutie van 15-09-2007.

(32)  Mededeling COM(2011) 777 final.

(33)  Voorstel voor een richtlijn van 19-12-2011 (COM(2011) 883 final).

(34)  "Financieel memorandum voor voorstellen", par. 2.1.2, Indicatoren voor de resultaten (bijlage bij COM(2011) 609 final,, blz. 37).


Top