Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62011TN0268

Zaak T-268/11 P: Hogere voorziening ingesteld op 26 mei 2011 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 15 maart 2011 in zaak F-120/07, Strack/Commissie

OJ C 232, 6.8.2011, p. 31–31 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/31


Hogere voorziening ingesteld op 26 mei 2011 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 15 maart 2011 in zaak F-120/07, Strack/Commissie

(Zaak T-268/11 P)

2011/C 232/56

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en B. Eggers, gemachtigden)

Andere partij in de procedure: Guido Strack (Keulen, Duitsland)

Conclusies

De rekwirerende partij verzoekt het Gerecht:

het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 15 maart 2011 in zaak F-120/07, Strack/Commissie, te vernietigen, voor zover dat Gerecht daarbij de exceptie van onbevoegdheid van de Commissie afwijst;

elke partij te verwijzen in de eigen kosten van de hogere voorziening en in die van de procedure in eerste aanleg.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert de rekwirerende partij in wezen drie middelen aan.

1)

Eerste middel: schending van het recht van de Unie bij de uitlegging van artikel 4 van bijlage V bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”)

Om beginnen heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken (hierna: „GVA”) artikel 4, lid 1, van bijlage V bij het Statuut aldus uitgelegd dat het geen betrekking heeft op de overdracht van vakantiedagen bij langdurige ziekte, hetgeen in strijd is met het recht van de Unie en met de vaste rechtspraak.

2)

Tweede middel: schending van het Recht van de Unie door de onjuiste bepaling van de werkingssfeer van artikel 1 sexies, punt 2, van het Statuut

Voor heeft het met een ontoereikende motivering de werkingssfeer van artikel 1 sexies, punt 2, van het Statuut ten onrechte aldus uitgelegd, dat het voor de instellingen de algemene verplichting omvat om de ambtenaren met betrekking tot alle arbeidsvoorwaarden op het gebied van de bescherming van de gezondheid ten minste de normen van de op grond van artikel 153 VWEU vastgestelde richtlijn te waarborgen, hetgeen eveneens in strijd is met het recht van de Unie. Artikel 1 sexies, punt 2, dat in het kader van de hervorming van het Statuut in 2004 is ingevoerd, beoogt echter slechts een leemte aan te vullen met betrekking tot de in het Statuut ontbrekende technische voorschriften over de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de ambtenaren in de zetel van de instellingen (bijvoorbeeld bescherming tegen brand en gevaarlijke stoffen, ventilatie, ergonomie, etc). Zo is het thans op grond van het Statuut mogelijk om de technische minimumvoorschriften in de richtlijnen respectievelijk de omzetting ervan door het nationale recht toe te passen. Het voorschrift kan en moet echter geen betrekking hebben op de definitief door de vaststeller van het Statuut geregelde arbeidsvoorwaarden met betrekking tot de overdracht van vakantiedagen en de vergoeding voor niet-opgenomen verlof. Door tot deze conclusie te komen, heeft het GVA niet alleen de betrokken voorschriften van het Statuut en de rechtspraak van het Gerecht geschonden, maar ook het rechtszekerheidsbeginsel.

3)

Derde middel: procedurefout

Ten slotte heeft het GVA de procedurevoorschriften geschonden, doordat het ambtshalve als eerste grief een schending van artikel 1 sexies, punt 2, van het Statuut heeft onderzocht en de facto een voorschrift van het Statuut buiten toepassing heeft gelaten, zonder dat een exceptie van onwettigheid was aangevoerd en de Raad en het Parlement van de Europese Unie de mogelijkheid tot interventie hebben gehad.


Top