Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62011CN0271

Zaak C-271/11: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Symvoulio tis Epikrateias (Raad van State, Griekenland) op 31 mei 2011 — Techniko Epimelitirio Ellados (TEE) e.a./Ypourgoi Esoterikon, Dimosias Dioikisis kai Apokentrosis, Metaforon kai Epikoinonion, Oikonomias kai Oikonomikon

OJ C 232, 6.8.2011, p. 19–21 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/19


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Symvoulio tis Epikrateias (Raad van State, Griekenland) op 31 mei 2011 — Techniko Epimelitirio Ellados (TEE) e.a./Ypourgoi Esoterikon, Dimosias Dioikisis kai Apokentrosis, Metaforon kai Epikoinonion, Oikonomias kai Oikonomikon

(Zaak C-271/11)

2011/C 232/32

Procestaal: Grieks

Verwijzende rechter

Symvoulio tis Epikrateias

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Techniko Epimelitirio Ellados (TEE), Syllogos Ellinon Diplomatouchon Aeronafpigon Michanikon (SEA), Alexandros Tsiapas, Antonios Oikonomopoulos, Apostolos Batategas, Vasilios Kouloukis, Georgios Oikonomopoulos, Ilias Iliadis, Ioannis Tertigkas, Panellinios Syllogos Aerolimenikon Ypiresias Politikis Aeroporias, Eleni Theodoridou, Ioannis Karnesiotis, Alexandra Efthymiou, Eleni Saatsaki

Verwerende partijen: Ypourgoi Esoterikon, Dimosias Dioikisis kai Apokentrosis, Metaforon kai Epikoinonion, Oikonomias kai Oikonomikon (ministeries van Binnenlandse Zaken, Overheidsadministratie en Decentralisatie; Transport en Communicatie; Economische Zaken en Financiën)

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 2 van verordening nr. 2042/2003, gelezen in samenhang met artikel M.B. 902, sub b, punt 1, in bijlage I bij deze verordening en gelet op artikel AMC M.B. 102 (c), punt 1 (sub 1.1-1.4, 1.6 en 1.7), in bijlage I bij besluit nr. 2003/19/RM/28.11.2003 van het EASA inzake aanvaardbare wijzen van naleving van verordening nr. 2042/2003, aldus worden uitgelegd dat de nationale wetgever bij de vaststelling van aanvullende maatregelen voor de toepassing van die verordening de vrijheid heeft om de taak van de inspectie van het luchtvaartuig, voor de beoordeling of dit voldoet aan de geldende luchtwaardigheidsvereisten, op te splitsen over meerdere categorieën gespecialiseerde inspecteurs, waarvan elke slechts in een bepaald opzicht de luchtwaardigheid van het toestel controleert? Is meer bepaald met deze verordening verenigbaar een nationale regeling zoals de onderhavige, die voorziet in luchtwaardigheidsinspecteurs (Airworthiness and Avionics Inspectors), vliegdienstinspecteurs (Flight Operations Inspectors), cabineveiligheidsinspecteurs (Cabin Safety Inspectors) en inspecteurs van diploma’s en vergunningen (Licensing Inspectors)?

2)

Zo ja, moet artikel M.B. 902, sub b, punt 1, in bijlage I bij verordening (EG) nr. 2042/2003 aldus worden uitgelegd dat iedere persoon die belast wordt met de herbeoordeling van slechts een bepaald onderdeel van de luchtwaardigheid van een luchtvaartuig, een ervaring van vijf jaar moet hebben met betrekking tot alle aspecten die verband houden met de waarborgen voor de permanente luchtwaardigheid van een luchtvaartuig, of is het voldoende wanneer hij een ervaring van vijf jaar bezit met de specifieke taken die hem worden opgedragen en op het gebied van zijn eigen specialisme?

3)

Indien het antwoord op de vorige vraag zou luiden, dat volstaan kan worden met een vijfjarige ervaring met de specifieke taken voor het met de herbeoordeling belaste personeel, voldoet dan een nationale regeling als de onderhavige, die bepaalt dat de luchtwaardigheidsinspecteurs (Airworthiness and Avionics Inspectors) die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op en de controle van de luchtvaartuigen, de goedgekeurde onderhoudsorganisaties en de luchtvervoerders overeenkomstig de ICAO-handleiding (doc 9760), tenminste een vijfjarige werkervaring moeten hebben in een onderhoudsploeg en onderhoudswerkzaamheden moeten hebben verricht, aan het vereiste in voornoemd artikel M.B. 902, sub b, punt 1, in bijlage I van verordening nr. 2042/2003, dat het met de herbeoordeling belaste personeel beschikt over „ten minste vijf jaar ervaring in permanente luchtwaardigheid”?

4)

Zo ja, is een nationale bepaling als de onderhavige, die de houders van een onderhoudsvergunning in overeenstemming met Deel 66, in bijlage III bij verordening (EG) nr. 2042/2003 gelijkstelt aan de houders van met de luchtvaart verband houdende titels van hogere onderwijsinstellingen, door voor te schrijven dat beide categorieën personen, om als luchtwaardigheidsinspecteurs gecertificeerd te worden, ervaring moeten hebben in een werkomgeving waar luchtvaartuigen worden onderhouden, verenigbaar met verordening nr. 2042/2003?

5)

Moet onder „vijfjarige ervaring in de permanente luchtwaardigheid” volgens artikel M.B. 902, sub b, punt 1, van bijlage I bij verordening nr. 2042/2003, mede gelet op het bepaalde in artikel AMC M.B. 102 (c), punt 1 (sub 4 en 5), van bijlage I bij besluit nr. 2003/19/RM van het EASA, mede de praktijkervaring worden begrepen die eventueel is verworven in het kader van een studie voor het behalen van een relevante academische titel, of alleen de ervaring die is opgedaan onder reguliere arbeidsomstandigheden, buiten de studie om, nadat deze is voltooid en de desbetreffende titel behaald?

6)

Is, volgens de in de vorige vraag genoemde bepaling van verordening nr. 2042/2003, onder de vijfjarige ervaring in de permanente luchtwaardigheid ook de ervaring begrepen die is verworven tijdens de eventuele eerdere uitoefening, nog vóór de inwerkingtreding van genoemde verordening, van taken op het gebied van de herbeoordeling van de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen?

7)

Moet artikel M.B. 902, sub b, punt 2, van bijlage I bij verordening nr. 2042/2003 aldus worden uitgelegd, dat de houder van een vergunning voor het onderhoud van luchtvaartuigen overeenkomstig Deel 66 (bijlage III) bij de genoemde verordening, om als inspecteur te kunnen worden geselecteerd, vóór deze selectie een aanvullende opleiding moet hebben gevolgd op het gebied van de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen, of is het voldoende dat deze opleiding plaatsvindt na de eerste selectie, maar vóór de daadwerkelijke uitoefening van de taken van inspecteur?

8)

Moet artikel M.B. 902, sub b, punt 3, van bijlage I bij verordening nr. 2042/2003, waarin wordt bepaald dat het met de herbeoordeling belaste personeel moet beschikken over een „formele training in luchtvaartonderhoud”, aldus worden uitgelegd dat als zodanige training kan worden aangemerkt een door de nationale wetgever ingevoerd opleidingssysteem met de volgende kenmerken: i) de opleiding vindt plaats nadat de betrokken persoon uitsluitend op grond van formele vereisten als inspecteur is geselecteerd, ii) de opleiding verschilt niet naar gelang van de aan de geselecteerde personen gestelde formele eisen, en iii) dit opleidingssysteem voorziet noch in een procedure en criteria voor de beoordeling van de betrokkene, noch in een afsluitende toetsing aan het einde van de opleiding ter verificatie van zijn bekwaamheden?

9)

Moet artikel M.B. 902, sub b, punt 4, van bijlage I bij verordening nr. 2042/2003, waarin wordt bepaald dat het met de herbeoordeling belaste personeel moet beschikken over „een functie met aangepaste verantwoordelijkheden” aldus worden uitgelegd, dat de functie met aangepaste verantwoordelijkheden een kwalificatie is waarover een persoon moet beschikken om als inspecteur gecertificeerd te kunnen worden, in de zin dat hij in zijn vorige werkkring een hogere functie diende te hebben? Of dient deze bepaling aldus te worden uitgelegd, mede gelet op artikel AMC M.B. 902 (b), punt 3, van bijlage I bij besluit nr. 2003/19/RM van het EASA, dat deze persoon, na zijn eerste selectie als inspecteur, bij de instantie die bevoegd is voor de inspectie van de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen moet worden aangesteld in een functie waarin hij bevoegd is om die instantie te vertegenwoordigen?

10)

Wanneer het genoemde artikel M.B. 902, sub b, punt 4, van bijlage I bij de verordening de tweede vermelde betekenis heeft, kan een nationale regeling volgens welke de inspecteur wordt gecertificeerd na zijn theorie- en praktijkopleiding, zodat hij herbeoordeling van de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen kan uitvoeren en voor rekening van de bevoegde instantie zelfstandig de herbeoordelingsformulieren kan ondertekenen, dan geacht worden met de verordening in overeenstemming te zijn?

11)

Wanneer genoemd artikel M.B. 902, sub b, punt 4, van bijlage I bij verordening nr. 2042/2003 de tweede vermelde betekenis heeft, is hiermee dan in overeenstemming een nationale bepaling als de onderhavige, die bepaalt dat het voor de eerste selectie als inspecteur, wenselijk is dat de betrokkene voorafgaand is bevorderd „tot hogere rangen in de hiërarchie, met verantwoordelijkheid voor een onderhoudsploeg voor luchtvaartuigen”?

12)

Moet verordening (EG) nr. 2042/2003, die niet regelt of en onder welke omstandigheden de personen die vóór de inwerkingtreding ervan inspecteurstaken uitoefenden en de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen controleerden, bevoegd zijn deze taken ook te blijven uitoefenen na de inwerkingtreding van deze verordening, aldus worden uitgelegd dat zij de nationale wetgever de verplichting oplegt ervoor te zorgen dat personen die inspecteurstaken uitoefenden bij de inwerkingtreding van de verordening (of eventueel ook reeds eerder), automatisch opnieuw als inspecteur werden gecertificeerd, zonder voorafgaande selectie- en evaluatieprocedure? Of moet verordening nr. 2042/2003, die is gericht op verbetering van de veiligheid van het luchtvervoer en niet op waarborging van de arbeidsrechtelijke positie van het personeel van de instantie van een lidstaat die bevoegd is voor de herbeoordeling van de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen, aldus worden uitgelegd dat, mede gelet op hetgeen artikel AMC M.B. 902, sub b, punt 4, van bijlage I bij besluit 2003/19/RM van de EASA dienaangaande bepaalt, de lidstaten slechts de mogelijkheid wordt geboden om, wanneer zij dit opportuun achten, personen die vóór de inwerkingtreding van die verordening inspecties uitvoerden, in dienst te houden als inspecteurs voor de herbeoordeling van de luchtwaardigheid van luchtvaartuigen, zelfs wanneer deze personen niet over de bij de verordening vereiste kwalificaties beschikken?

13)

Wanneer beslist zou worden dat verordening (EG) nr. 2042/2003 aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten verplicht zijn om personen automatisch, zonder voorafgaande selectieprocedure, opnieuw te certificeren die reeds inspecteurstaken uitoefenden vóór de inwerkingtreding van de verordening, is dan met die verordening verenigbaar een nationaalrechtelijke bepaling als de onderhavige, volgens welke deze personen, om opnieuw als inspecteurs gecertificeerd te worden, daadwerkelijk inspecteurstaken moesten uitoefenen, niet op het tijdstip van de inwerkingtreding van de genoemde verordening, maar op dat van de — latere — inwerkingtreding van de betrokken nationaalrechtelijke bepaling?


Top