Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62011CN0241

Zaak C-241/11: Beroep ingesteld op 19 mei 2011 — Europese Commissie/Tsjechische Republiek

OJ C 232, 6.8.2011, p. 16–17 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

6.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 232/16


Beroep ingesteld op 19 mei 2011 — Europese Commissie/Tsjechische Republiek

(Zaak C-241/11)

2011/C 232/27

Procestaal: Tsjechisch

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: Z. Malůšková, N. Yerrell en K. Ph. Wojcik, gemachtigden)

Verwerende partij: Tsjechische Republiek

Conclusies

vaststellen dat de Tsjechische Republiek de haar bij het arrest Commissie/Tsjechische Republiek (C-343/08) opgelegde verplichtingen en bijgevolg ook de krachtens artikel 260 VWEU op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 8, 9, 13, 15 tot en met 18 en 20, leden 2 tot en met 4 van richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (1), en aldus niet aan de krachtens artikel 22, lid 1, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen te voldoen;

de Tsjechische Republiek veroordelen om de Commissie op de rekening „eigen middelen van de Europese Unie” volgende bedragen te betalen:

de forfaitaire som van 5 644,80 EUR voor elke dag achterstand bij het vaststellen van de bij het arrest Commissie/Tsjechische Republiek (C-343/08) opgelegde maatregelen, vanaf de dag van de uitspraak van dat arrest (14 januari 2010)

tot op de dag van uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak, of

tot op de dag waarop de Tsjechische Republiek de bij het arrest Commissie/Tsjechische Republiek (C-343/08) opgelegde maatregelen vaststelt, indien die dag zou voorafgaan aan de dag van uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak, en

een dwangsom van 22 364,16 EUR voor elke dag achterstand bij het vaststellen van de bij het arrest Commissie/Tsjechische Republiek (C-343/08) opgelegde maatregelen, vanaf de dag van uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak tot op de dag waarop de Tsjechische Republiek de bij het arrest Commissie/Tsjechische Republiek (C-343/08) opgelegde maatregelen vaststelt; en

de Tsjechische Republiek verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Op 14 januari 2010 wees het Hof zijn arrest in zaak C-343/08, Commissie/Tsjechische Republiek (2), waarin het oordeelde dat „[d]oor niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 8, 9, 13, 15 tot en met 18 en 20, leden 2 tot en met 4, van richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, […] de Tsjechische Republiek de krachtens artikel 22, lid 1, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet [is] nagekomen”.

De Tsjechische Republiek heeft de Commissie er vooralsnog niet van op de hoogte gesteld dat zij de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen heeft vastgesteld om aan de artikelen 8, 9, 13, 15 tot en met 18 en 20, leden 2 tot en met 4, van richtlijn 2003/41/EG te voldoen en aldus de krachtens artikel 22, lid 1, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen na te komen. De Commissie is derhalve van mening dat de Tsjechische Republiek de haar bij het arrest in zaak C-343/08 opgelegde maatregelen niet heeft vastgesteld. Overeenkomstig artikel 260, lid 2, VWEU kan de Commissie, indien zij van oordeel is dat de betrokken lidstaat niet het nodige heeft gedaan om gevolg te geven aan het arrest van het Hof, de zaak voor het Hof brengen en daarbij het bedrag vermelden van de door de betrokken lidstaat te betalen forfaitaire som of dwangsom die zij in de gegeven omstandigheden passend acht. Op basis van de in de mededeling van de Commissie over de tenuitvoerlegging van artikel 228 van het EG-Verdrag [SEC (2005) 1658] neergelegde methode, betoogt de Commissie dat het Hof de in haar conclusies vermelde forfaitaire som en dwangsom moet opleggen.


(1)  PB L 235, blz. 10.

(2)  Nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.


Top