EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52010AE1174

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Groene banen”

OJ C 48, 15.2.2011, p. 14–20 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

15.2.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 48/14


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Groene banen”

2011/C 48/04

Rapporteur: de heer IOZIA

In een brief van 7 juni 2010 heeft mevrouw MILQUET, vicepremier en minister van werk en gelijke kansen, alsook verantwoordelijk voor immigratie- en asielbeleid, het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) namens het Belgische EU-voorzitterschap en overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie om een verkennend advies verzocht over

Groene banen.

De afdeling Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 2 september 2010 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 15 en 16 september gehouden 465e zitting (vergadering van 16 september 2010) het volgende advies uitgebracht, dat met 142 stemmen vóór en 3 stemmen tegen, bij 8 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Voorstellen en aanbevelingen

1.1

Daar het EESC verwacht dat alle sectoren een belangrijke bijdrage zullen leveren om de broeikasgassen te beperken, wil het eerst en vooral opmerken dat er nu beter kan worden gesproken van „banen die groener moeten worden gemaakt” (greening jobs) dan van „groene banen” (green jobs).

1.2

De Unie stelt voor zichzelf vaak ambitieuze doelstellingen vast, zonder de daarvoor benodigde instrumenten of middelen aan te geven. Ook aan „banen die groener moeten worden gemaakt” zijn reeds vele woorden verspild zonder dat daarbij concrete initiatieven zijn genomen. Commissie, Raad en Parlement zouden met een Europees plan voor de bevordering van groene banen moeten komen en het Europees Economisch en Sociaal Comité is erg ingenomen met het initiatief van het Belgische voorzitterschap, dat dit thema tot een van zijn prioriteiten heeft gemaakt. Een en ander kan een bijzonder belangrijk antwoord bieden op de werkgelegenheidscrisis waaronder heel Europa gebukt gaat.

1.3

Het EESC beveelt de Commissie aan een specifieke mededeling uit te brengen over het groener maken van banen. De Commissie kan daarbij uitgaan van de analyse van de gegevens die thans door het ESF-comité worden behandeld en van het werkdocument dat DG EMPL aan het voorbereiden is. Het thema is van een dermate groot strategisch belang dat het zonder meer een uitvoerige en grondige bespreking verdient.

1.4

Het EESC is ervan overtuigd dat de EU een wezenlijke bijdrage kan leveren aan het streven om gemeenschappelijke instrumenten en doelstellingen vast te leggen en om lidstaten waarvan het economisch en technologisch potentieel minder groot is, die doelstellingen, samen met de andere lidstaten, te helpen verwezenlijken. Bij alle communautaire maatregelen zou voldoende aandacht moeten worden besteed aan het scheppen van groenere banen (mainstreaming).

1.5

Om aan de grote behoefte aan financiële middelen te voldoen kan ook worden gedacht aan de structuurfondsen en het cohesiefonds die voor dat doel kunnen worden ingezet zodra de concrete voorwaarden voor hun gebruik en overdraagbaarheid zijn vastgesteld. Een duidelijk beleid in die zin zou de vooruitzichten voor groene banen concreter kunnen helpen maken. In het volgende financieringsprogramma (2010-2020) zal rekening moeten worden gehouden met deze dringende noodzaak en zullen de middelen die via de verschillende structuurfondsen beschikbaar zijn, daarop moeten worden afgestemd, vanuit een totaalvisie en met bijzondere aandacht voor de reële resultaten en de doeltreffendheid van de programma's.

1.6

Een cruciale rol is voor het Europees Sociaal Fonds (ESF) weggelegd. Ter ondersteuning van de Europa 2020-strategie die gericht is op „slimme, duurzame en inclusieve groei”, moet het ESF worden hervormd en moet het meer worden gericht op concrete prioriteiten die meer met de nieuwe strategie samenhangen. Het ESF-comité heeft in juni van dit jaar een advies over de toekomst van het ESF uitgebracht, waarin wordt gewezen op de noodzaak het fonds te oriënteren op versterking van de werkgelegenheid, met expliciete verwijzing naar groene banen. Volgens het EESC is het niet noodzakelijk voor deze groene banen een zesde pijler van het fonds in het leven te roepen maar moeten de middelen veeleer gerichter worden toegekend voor activiteiten die ertoe kunnen bijdragen de koolstofvoetafdruk te verminderen.

1.7

Om tegemoet te komen aan de financiële eisen van programma's ter ondersteuning van omscholing, kan het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (European Globalisation Adjustment Fund - EGF) een nuttig instrument zijn dat de toegankelijkheid zou kunnen vergroten; deze is immers thans beperkt tot ondernemingen met ten minste 500 werknemers – een aantal dat zou kunnen worden verminderd tot 50 werknemers.

1.8

Volgens het EESC zijn de Europese sectorale raden voor werkgelegenheid en competenties (ESR's) een bijzonder goede zaak, die de nodige steun verdient. Deze raden zouden „essentiële ondersteuning moeten bieden bij het in goede banen leiden van sectorale veranderingen, met name als het gaat om het voorspellen van de ontwikkeling van de behoeften op het vlak van werkgelegenheid en vaardigheden, en om het afstemmen van de vaardigheden op vraag en aanbod”. Deze raden zouden moeten voortbouwen op en bijdragen aan de verdere ontwikkeling van datgene wat reeds tot stand is gebracht, zoals het Europees kwalificatiekader (EKK), het Europees systeem voor de overdracht van studiepunten (ECTS), het Europees systeem voor studiepuntenoverdracht voor beroepsonderwijs en -opleiding (ECVET), het Europees referentiekader voor kwaliteitsborging in beroepsonderwijs en -opleiding (EQARF) en Europass (1).

1.9

De schier onoplosbare problemen die ontstaan doordat het momenteel ontzettend moeilijk is hiervoor geld te vinden op de markten, zouden o.m. kunnen worden opgelost met de oprichting van een „Soeverein Europees Fonds”. Het beheer van dat fonds zou aan de EIB kunnen worden toevertrouwd, die nu al uitstekend werk verricht door steun te verlenen aan maatregelen ten gunste van energie-efficiëntie en door investeringen waartoe in het kader van het burgemeestersconvenant (Covenant of Mayors) wordt besloten, mee te helpen financieren.

1.10

Volgens het EESC is er behoefte aan een nieuw plan: een Marshall-plan voor milieu en maatschappelijke duurzaamheid en voor een nieuwe soort groei; dit plan moet verenigbaar zijn met het vermogen van de planeet om haar entropie-gehalte (anders gezegd: „de veroudering”) zoveel mogelijk intact te laten. Een specifiek Europees plan zou recht doen aan de ingrijpende verandering waarmee we zo spoedig mogelijk moeten leren omgaan, om tot groei te komen, een andere groei, een groei die het milieu respecteert, duurzaam is en tot vooruitgang leidt zoals door de Verdragen nagestreefd wordt. Zo wordt stof tot denken aangereikt voor de vaststelling van indicatoren die verder gaan dan alleen het BBP-criterium.

1.11

Het is van essentieel belang om de burgers o.m. via passende en gerichte voorlichting de noodzaak te doen inzien van een duurzaam economisch beleid. Een goed voorbeeld van ondersteuning van de voorlichting van burgers is het programma Life+, dat het EESC ook graag in de volgende financieringsperiode 2010-2020 verlengd zou zien.

1.12

De overgang naar een nieuw groeimodel in goede banen leiden, is zonder meer een aanzienlijke taak voor Europese, nationale en subnationale overheden en de sociale partners. In de sectorgebonden en tussen bonden onderling gevoerde sociale dialoog zouden specifieke projecten moeten worden doorgevoerd waarmee wordt vooruitgelopen op de te verwachten consequenties van die verandering voor de productiesystemen van de diverse betrokken sectoren. Op bedrijfsniveau is het zaak een permanente dialoog tussen de sociale partners tot stand te brengen en te werken met duidelijke doelstellingen ten aanzien van de beroepsvereisten, de verbetering van vaardigheden en het vermogen om op processen vooruit te lopen. De analyse van aan de Europese en nationale wetgeving ontspruitende energie- en klimaatprogramma's moet gepaard gaan met beleid voor een grondige effectbeoordeling.

1.13

In de overgangsperiode zullen ten gevolge van maatregelen ter ontwikkeling van activiteiten met minder koolstofuitstoot tal van kansen op nieuwe banen worden gecreëerd maar zouden anderzijds ook tal van arbeidsplaatsen verloren kunnen gaan. Daarom moeten er op tijd adequate instrumenten worden ingesteld waarmee inkomenssteun kan worden verleend en omscholing kunnen worden gefinancierd. De sociale partners en lokale overheden spelen in dat verband een doorslaggevende rol. Voorts is het van belang O&O te stimuleren en na te gaan welke richting de technische ontwikkeling uitgaat en waar nieuw werkgelegenheidspotentieel ontstaat.

1.14

Financiële prikkels en financieringen zijn - soms zelfs drastisch - teruggedraaid door begrotingsbeleid, waardoor banen verloren zijn gegaan. Zo is het bijvoorbeeld in Spanje gegaan, in de sector wind- en fotovoltaïsche energie. Het is wenselijk ervoor te zorgen dat overheidsinvesteringen en regelgeving ongewijzigd blijven, en dat veranderingen te voorzien en zo mogelijk wereldwijd overeengekomen zijn, zodat de bedrijfsplanning van particuliere ondernemingen evenmin aan schommelingen onderhevig is.

1.15

De groeistrategie van de Europese Unie is nog steeds gebaseerd op O&O. In de Europa 2020-strategie voor een slimme, duurzame en inclusieve groei is het streefdoel gehandhaafd dat minstens 3 % van het jaarlijkse BBP in O&O wordt geïnvesteerd.

1.16

Ten minste 50 % van de opbrengsten uit de verkoop van emissierechten moet worden geïnvesteerd in ondersteuning van energie-efficiëntie en bevordering van groene economie. Er moet een overheveling komen van middelen van bedrijven die het meeste vervuilen naar bedrijven die bijdragen aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Voor de sectoren waarvoor de emissierechtenregeling niet geldt (zoals het vervoer over de weg en over zee), moeten alternatieve maatregelen worden getroffen.

1.17

Groene banen stimuleren (het EESC gebruikt liever het concept van duurzame banen voor een duurzame economie), moet gebeuren door een mix van maatregelen die belonen en maatregelen die straffen, naar analogie met de emissierechtenregeling. Dan komt daar genoeg geld voor vrij, zonder dat de toch al overbelaste overheidsfinanciën nog verder onder druk worden gezet. Dit is een cruciaal punt in de financiering en vereist dat alle partijen meewerken, omdat de EU 2020-strategie en de steunregelingen niet kunnen functioneren als de lidstaten geen budgettaire speelruimte meer hebben. Aan bedrijven die inspanningen leveren om de kwaliteit van hun banen te verbeteren en op een duurzamere manier te produceren, moeten voordelen worden gegund en steun worden verleend. Het bedrijfsleven is vragende partij voor een duidelijk en vast regelgevingskader met bepalingen die zo mogelijk wereldwijd zijn overeengekomen. Een algemeen aanvaarde en spoedige oplossing voor de kwestie van het Europees octrooi zou zonder twijfel een stap in de goede richting zijn.

1.18

De overheidsgelden moeten in eerste instantie worden gebruikt voor ondersteuning van degenen die hun zogenoemde „zwarte” baan kwijtraken: een „zwarte” baan is werk waarbij veel broeikasgassen worden uitgestoten en het milieu ernstig wordt vervuild. Een hoog bedrag moet worden uitgetrokken voor de vorming van werknemers die een gepast opleidingstraject moeten volgen, dat in het teken staat van het streven naar levenslang leren.

1.19

Volgens het EESC kan het EGKS-model daarbij dienstig zijn, daar dit het heeft mogelijk gemaakt een andere, even belangrijke overgang, nl. van steenkool op aardolie, in goede banen te leiden; uiteraard moet thans ook rekening worden gehouden met de ontwikkelingen die zich in de tussentijd hebben voorgedaan. Dit model voorzag in een sterke betrokkenheid van de sociale partners, die zoals het EESC andermaal opmerkt, een hoofdrol toebedeeld moeten krijgen bij de verwachte ingrijpende verandering, en in duurzame plannen voor ondersteuning.

1.20

Veel aandacht moet er ook zijn voor het streven naar gendergelijkheid als het gaat om mogelijkheden om onderwijs of een beroepsopleiding te volgen. Ook de hoogte van de lonen en de kwalificaties van vrouwen moeten dezelfde zijn als bij mannen. Zo moet worden begonnen te denken aan een basisvorming in groene economie en een „greening education”. Daarnaast moet ook de sociale dialoog een voorbeeldfunctie hebben voor het voortdurende leerproces m.b.t. een groene economie.

1.21

Zo werken in de sector „hernieuwbare energie” ongeveer net zoveel vrouwen als mannen als administratief medewerker, maar zijn vrouwen slechts dun gezaaid als het gaat om werk waar een hogere beroepsbekwaamheid voor nodig is of om meer vaktechnisch werk, zoals installatie en onderhoud.

1.22

Het EESC heeft al eerder in een advies gewezen op het belang van de rol van onderwijs en opleiding in een koolstofarme samenleving. Met die overweging in het achterhoofd heeft het een samenwerkingsprotocol ondertekend met de nationale Stichting Carlo Collodi voor het „Pinocchio”-project: de bedoeling is om de houten pop Pinochio voortaan te gebruiken als logo voor Europese campagnes voor energie- en milieu-educatie (2)

1.23

Lessen en cursussen op dit gebied moeten al op school worden aangeboden alsook door de arbeidsmarktdiensten van de overheid.

1.24

De kloof tussen de vraag naar beroepskrachten en het aanbod aan opleidingsmogelijkheden moet worden overbrugd door alle betrokken actoren meer te laten samenwerken. Er zou overal in de EU voortdurend overleg moeten worden gepleegd tussen beroepsopleidingsdeskundigen van de sociale partners, vertegenwoordigers van arbeidsmarktdiensten van de overheid en vertegenwoordigers van lokale en regionale overheden. Hun samenwerking is nodig om de vraag naar beroepskrachten en de behoefte aan opleidingen vroeg genoeg te kunnen inschatten.

1.25

Jongeren kunnen ook worden gestuurd in de richting van duurzamere banen door de invoering van een Europees systeem voor de certificering van bekwaamheden. Door een dergelijk systeem wordt bovendien de weg vrijgemaakt voor een Europese arbeidsmarkt en wordt het recht op mobiliteit een voldongen feit. Vooralsnog is dat laatste het meest in het oog springende voorbeeld van een recht waarvan in de praktijk niets terechtkomt omdat de stelsels voor onderwijs en opleiding inadequaat zijn en niet op elkaar zijn afgestemd. Het ESCO-project (European Skill, Competencies and Occupations taxonomy) zal een cruciaal instrument zijn om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen, met name in de context van deze zogenoemde nieuwe banen. Ook zou het een goede zaak zijn het EURES-netwerk (intra-Europese mobiliteit) bij een en ander te betrekken.

1.26

Ondernemingen en vakbonden hebben tot taak om opleidingsactiviteiten te sturen en voortdurend samen te werken voor optimale resultaten. In veel Europese landen is vormgegeven aan die samenwerking door de oprichting van bilaterale instituten of van welbepaalde beroepsopleidingsinstellingen die voortdurend samenwerken. Dat voorbeeld zou moeten worden verspreid aan de hand van een specifiek programma in het kader van de Europa 2020-strategie, waarin kennis deel uitmaakt van de drie gestelde prioriteiten.

1.27

Ook voor de sociale en burgerdialoog is een rol weggelegd. Een baanbrekend programma zoals hierboven bedoeld, kan onmogelijk worden uitgevoerd zonder de betrokkenheid van de maatschappelijke organisaties. De sociale partners kunnen zich ertoe verbinden om banen voortdurend „groener te maken”. In cao-onderhandelingen kan aan de doelstellingen „energie-efficiëntie” en „zuinig omgaan met energie” een plaats worden gegeven, waarbij daadwerkelijk uitgespaarde kosten deels in de vorm van collectieve premies kunnen worden verdeeld. Hiervan bestaan reeds enkele voorbeelden in het Verenigd Koninkrijk en in andere landen.

1.28

Om de hele samenleving voor een duurzame economie te mobiliseren, zijn duidelijke doelstellingen nodig, maar ook: voorlichting voor iedereen, diepgaande maatschappelijke en politieke samenhang en gemeenschappelijk inzetbare instrumenten. De EU kan een bijzonder belangrijke rol spelen. Dit kan door wetgeving uit te vaardigen waarmee dit streven wordt gesteund – in feite is dit al het geval met het klimaatpakket -, maar vooral ook door voor het nationale en lokale bestuursniveau een samenhangende werkwijze voor te stellen ter bevordering van dialoog en gedachtewisseling. Het is hoog tijd om meer gewicht toe te kennen aan een gemeenschappelijk energie- en milieubeleid. Het EESC heeft al gezegd voorstander te zijn van een „Europese openbare dienst voor energie” (3) Gezien de grote moeilijkheden waarvoor de EU staat, valt er in eerste instantie veel te zeggen voor een systeem waarin de lidstaten meer samenwerken op energiegebied. Daartoe zou bijvoorbeeld kunnen worden uitgegaan van onderlinge koppelingen tussen netwerken en van de geleidelijke invoering van „smart grid”, ofwel slimme netwerken die heel nuttig kunnen zijn omdat daarmee de verdeling van energie in goede banen kan worden geleid. Het EESC, het Italiaanse CNEL en de Franse en Spaanse ser's werken in dit verband samen om een gemeenschappelijk voorstel uit te werken. M.b.t. het toenemend gebruik van hernieuwbare energiebronnen moet niet alleen aan de ontwikkeling van de netwerken worden gedacht maar moet vooral ook het probleem van de opslag worden opgelost.

1.29

De burgers moeten worden overtuigd van de grote betekenis van wat hier wordt voorgesteld, omdat daar buitengewoon veel inzet en middelen voor nodig zijn, net zo buitengewoon als de tijden waarin we leven: er moet worden afgestapt van de thans gangbare consumptie- en groeimodellen, die geleidelijk aan moeten worden ingeruild voor andere modellen die wars zijn van overmaat, en milieuvriendelijker en menselijker zijn.

1.30

De rol van de media en de betrokkenheid van de burgers en de verenigingen is in dit verband van fundamenteel belang. Goede voorlichting, die voldoende duidelijk en transparant is wat de doelstellingen betreft, kan uitstekende vruchten afwerpen.

1.31

Beleid om bedoelde aanpassingen door te voeren, moet worden gericht op de burgers, maar ook op werknemers, bedrijfsvoerders, ondernemers en overheidsdiensten. Met minder moet méér worden bereikt. Dat betekent op energiegebied dat de intensiteit van het energieverbruik (eenheid energie per eenheid BBP) moet worden verminderd en dat de EROEI (energie-opbrengst uit energie-investering) voortdurend moet worden verbeterd.

1.32

Ook organisaties van ondernemingen hebben – vooral op hun grondgebied - een belangrijke rol te spelen: zij kunnen informatie verspreiden en onder ondernemingen een cultuuromslag ten gunste van duurzaamheid teweeg brengen. Voor de onderverdeling in districten voor duurzame en geïntegreerde energie waar veel synergiewerking tot stand kan worden gebracht (bv. op het gebied van cogeneratie), is coördinatie nodig en moeten organisaties zowel ondernemingen als overheidsdiensten terzijde staan.

1.33

Boekdelen spreekt het voorbeeld van de geothermie. In Zweden konden warmtepompen en een gunstige regelgeving voor geothermie worden ontwikkeld doordat het bedrijfsleven daar achter stond en de overheid ervoor gewonnen was en heeft besloten om warmtepompen een kans te geven. In Lombardije gebeurt iets soortgelijks: dankzij een gunstige wetgeving worden ondernemingen ertoe aangespoord om voor „gesloten circuit”-oplossingen te kiezen, die niet schadelijk zijn voor het milieu en een heel hoge EROEI opleveren.

1.34

Van groot belang is ook de bijdrage van de landbouw aan „groene” werkgelegenheid. Landbouwers moeten aan grote uitdagingen het hoofd weten te bieden: gedistribueerde opwekking van energie, benutting van biomassa en terugdringing van het gebruik van bio- en pesticiden.

1.35

Waaruit moet EU-optreden ten gunste van een duurzame economie en van groenere banen, die voldoen aan de Europese criteria inzake „goede arbeidsomstandigheden” die door de Europese Raad van maart 2007 reeds zijn vastgesteld, dus voornamelijk bestaan? Stabiele regelgeving, grote betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, een buitengewone mobilisering van kapitaal en intellectuele vermogens, steun voor O&O, overzichtelijke programma's ter begeleiding van de overgang, onderwijs en opleiding voor een uitstootarme samenleving, steun voor een beleid dat gericht is op milieuvriendelijke mobiliteit in en buiten steden, en lancering van een buitengewoon - en naar behoren door de Europese fondsen gesteund - programma voor een duurzame economie en het creëren van factoren voor een nieuwe groei.

2.   Inleiding

2.1

Het Belgische EU-voorzitterschap heeft het EESC om een advies verzocht over een thema dat tot zijn prioriteiten behoort, nl. dat van arbeidsmarktmaatregelen die bevorderlijk zijn voor de overgang naar een economie met geringe broeikasgasuitstoot.

2.2

Het EESC heeft al een initiatiefadvies over een soortgelijk onderwerp uitgebracht (4): „Bevordering van duurzame groene banen in het kader van het EU-energie- en klimaatveranderingspakket”; het onderhavige advies vult dit vorige aan en diept het verder uit.

2.3

Het besef dat niet meer aan een grondige herziening van het groeimodel valt te ontkomen, is inmiddels doorgedrongen tot het grote publiek.

2.4

Er moet een strategisch programma voor de lange termijn worden uitgewerkt om de EU in staat te stellen het hoofd te bieden aan de uitdagingen als gevolg van

de programma's voor energie-efficiëntie;

de klimaatverandering;

de geleidelijke krimping van de koolwaterstofvoorraden;

de noodzaak om onafhankelijker te worden van uit landen buiten de EU ingevoerde energie;

de noodzaak om verouderde en vervuilende elektriciteitscentrales geleidelijk te vervangen;

het streven naar maatschappelijke, economische en milieuduurzaamheid.

Met dat programma moeten alle problemen worden opgelost die zich voordoen in dit tijdsgewricht van veranderingen.

2.5

Dit beleid zal de arbeidsmarkt zeker niet onberoerd laten. Sectoren die vooral zullen worden beïnvloed, zijn de bouw, vervoerssector, energievoorziening en netwerkvorming: dat zijn dan ook de sectoren die hun huidige productiemodellen radicaal zullen moeten gaan aanpassen.

2.6

Die veranderingen zullen ernstige problemen met zich meebrengen inzake aanpassingen en omschakelingen alsook beroeps- en territoriale mobiliteit, vooral in landen die erg afhankelijk zijn van energiebronnen die veel broeikasgassen uitstoten (bv. olie en steenkool), die een energievretende industrie hebben (bv. cement- en aluminiumfabrieken) en waar het bedrijfsleven voornamelijk het hoofd boven water weet te houden omdat energie er niet duur is.

2.7

De verwachting is dat Europa in 2030 een positief saldo zal hebben van ruim een miljoen arbeidsplaatsen. Die prognose moet worden bijgesteld vanwege het schadelijke effect voor de groei van beleid om het overheidstekort te stabiliseren, waardoor het economisch herstel langer op zich zal laten wachten. Tot dusverre zijn er - vooral in de energiesector - groene banen gecreëerd doordat steun is verleend aan beleid ten gunste van hernieuwbare energie (m.n. fotovoltaïsche zonne-energie, thermische en windenergie) en van de productie van hybride, elektrische en op gas aangedreven auto's in de automobielindustrie.

2.8

Prikkels voor nieuwe gebouwen en renovatiewerken zijn erg belangrijk geweest voor de ontwikkeling van een duurzame industrie, die inmiddels duidelijk voor ogen heeft welke taken haar wachten, maar ook welke mogelijkheden er zijn om werkgelegenheid te creëren: die kansen liggen in het opknappen van openbare en particuliere woningen en de energie-efficiënte renovatie van overheidsgebouwen voor bestuursinstanties en dienstverlening, van kantoorgebouwen en van onroerend goed voor industrieel gebruik.

2.9

Er moet een nieuw concurrentievermogen worden nagestreefd en bevorderd. Innovatieve producten die milieuvriendelijker zijn, schonere productieprocessen en zuiniger verbruik zijn de sleutels voor een nieuw tijdperk van ontwikkeling en vooruitgang. Als Europa een voortrekkersrol wil blijven spelen in het overgangsproces naar een uitstootarme economie, moet het de industrie helpen haar concurrentievermogen op peil te houden; dit geldt bij uitstek voor het mkb dat het meeste risico loopt om van de markt verdrongen te worden. De Small Business Act moet ten uitvoer worden gelegd, met name wat innovatie betreft.

2.10

Er moet prioritair rekening worden gehouden met de eisen en behoeften van de ondernemingen en de werknemers in plaats van dirigistische maatregelen van bovenaf op te leggen. De Commissie moet meer op een dergelijke bottom-up aanpak ingesteld zijn en bij de oriëntatie van de EU-strategie bijzondere aandacht schenken aan deze eisen. De algemene doelstelling moet zijn het creëren van factoren voor een nieuwe duurzame groei, met respect voor het milieu, maar toch met veel ruimte voor banen en mogelijkheden voor vooruitgang.

2.11

Wat betreft de bilaterale en multilaterale betrekkingen met derde landen en met name China, India en Brazilië, is het zaak te voorzien in voorlichtings- en uitwisselingsprogramma's inzake toegepaste en over te nemen goede praktijken.

3.   Duurzame economie en bevordering van groene banen

3.1

De mogelijkheid voor Europa om te blijven meespelen in de wereldeconomie staat of valt met zijn vermogen om het leiderschap te behouden op het gebied van hernieuwbare energie, waar dat leidersschap nu al aan het wankelen is gebracht door de felle opkomst van de Aziatische economieën, China en Taiwan op kop. De nieuwe Amerikaanse regering wil het hiaat invullen door veel te investeren in deze sector, waar het al een enorm potentieel heeft. De recente gebeurtenissen in de Golf van Mexico, met name de milieuramp met het booreiland Deepwater Horizon (nota bene ook nog op de Dag van de Aarde), is een impuls om nog sneller te besluiten om op een duurzame economie over te gaan.

3.2

Er is enorm veel vakkennis nodig om de uitdagingen van het klimaat- en milieubeleid aan te kunnen. Geen enkele sector of activiteit kan zich ten gronde aan dit beleid onttrekken. Er zijn aanzienlijke inspanningen nodig op het gebied van programmering, coördinatie en vaststelling van prioriteiten, alsook om de nodige financiële middelen te vinden. In eerste instantie moet er evenwel een goed beleid worden uitgestippeld, dat kan steunen op de nodige technische capaciteit en voldoende personeel.

3.3

De arbeidsmarkt zal zich moeten aanpassen aan deze verandering: er moeten voor werknemers die achterhaald werk doen, nieuwe banen worden gevonden, terwijl tegelijkertijd moet worden gezorgd voor opleidingen in de nieuwe beroepsbekwaamheden die noodzakelijk worden.

3.4

Arbeidsmarktdiensten van de overheid zullen alles op alles moeten zetten om het hoofd te bieden aan een transitie waar honderdduizenden werknemers de gevolgen van zullen ondervinden. Er is dan ook beslist behoefte aan kwaliteitsberoepsopleidingen waarbij mannen en vrouwen evenveel kansen krijgen. Het komt op de overheidsdiensten aan: zij moeten instaan voor de kwaliteit van die vorming, zij moeten gendergelijkheid garanderen en zij moeten het startschot geven voor werkgelegenheid.

3.5

Ook van particuliere ondernemingen wordt een grote inzet gevraagd: zij moeten de technologische sprong maken die nodig is om van een economie die voornamelijk op koolwaterstoffen draait op een koolstofarme, duurzame economie over te stappen.

3.6

Vooral het mkb zal veel hulp nodig hebben. Alle goede bedoelingen van het bankwezen ten spijt wordt het voor kleine en middelgrote ondernemingen toch steeds moeilijker en duurder om aan leningen te komen. De kapitaalmarkt is er zeker niet aan toe om al op korte termijn veel krediet te verlenen.

3.7

Banen die in een groene economie worden gecreëerd, moeten per definitie goed en navenant betaald kwaliteitswerk bieden. Wat moet daarvoor worden gedaan? Daar kan alleen daadwerkelijk voor worden gezorgd als de sociale partners en de overheidsdiensten voortdurend onderling overleg plegen. Zo kunnen belastingmaatregelen helpen om het evenwicht in stand te houden van een systeem dat moet afrekenen met de felle concurrentie van degenen die momenteel de energiebronnen in handen hebben en die niet bereid zijn om markten en winsten op te geven.

3.8

De kosten van de transitie kunnen onmogelijk helemaal worden afgewenteld op de eindprijzen. Ook is ondenkbaar de belastingbetaler daarvoor te laten opdraaien. Daarom zou in ieder geval op dit gebied belastingharmonisatie tussen de lidstaten geboden moeten zijn. Uit de recente crisis in de eurozone is eens te meer gebleken dat belastingstelsels en –heffingen toe zijn aan harmonisatie.

4.   De rol van de Unie: de structuurfondsen

4.1

DG EMPL heeft een aantal interessante overwegingen geformuleerd als antwoord op door het EESC gestelde vragen. Hieronder volgt een samenvatting daarvan.

4.2

In artikel 3 van de algemene structuurfondsenverordening wordt duurzame ontwikkeling als een van de prioriteiten van de Gemeenschap aangemerkt en worden de lidstaten aangemoedigd in hun programma's aandacht te schenken aan groei, concurrentievermogen, werkgelegenheid, sociale integratie, bescherming van het milieu en verbetering van de kwaliteit ervan.

4.3

In artikel 3 van de ESF-verordening wordt gesteld dat het ESF initiatieven moet ondersteunen ter verbetering van het aanpassingsvermogen van werknemers, ondernemingen en ondernemers door met name de ontwikkeling van kwalificaties en vaardigheden en de verspreiding van milieuvriendelijke technologieën te bevorderen.

4.4

Er kan geen cijfer worden geplakt op het grote aantal ESF-interventies op het gebied van groene banen en ontwikkeling van vaardigheden daar deze noch een prioriteit, noch een uitgavencategorie vormen (in de zin van art. 2 van de ESF-verordening). Gelet op het zeer algemene karakter van de definitie van groene banen (alle banen kunnen groener worden gemaakt) is het volgens het EESC niet nodig een zesde specifieke categorie voor groene banen in het leven te roepen maar is het veeleer zaak de bepalingen inzake de aanpassings- en omscholingsprogramma's kracht bij te zetten.

4.5

Met het oog op een interventie van de structuurfondsen t.b.v. een soort Europees „Marshallplan” is het in het kader van de huidige financiële programmering erg moeilijk om de bestaande operationele programma's te wijzigen. Er kunnen specifieke acties voor de volgende programmeringsperiode worden gepland waarmee de verschillende structuurfondsen in het kader van de Europa 2020-strategie op hun eigen actiegebied zouden worden toegespitst (EFRO en cohesiefonds op infrastructuur en huisvesting, ESF op ondersteuning van beroepsopleidingsprogramma's en aanpassing van vaardigheden).

4.6

Bij de volgende financiële programmering (2014-2020) zou ervoor kunnen worden gekozen het groener maken van banen aan te merken als specifieke prioriteit in de ESF-strategie, die verder zou gaan dan het horizontale beginsel van duurzame ontwikkeling. Aldus zou de tenuitvoerlegging van de betreffende projecten op concretere wijze kunnen worden bevorderd en beter worden gevolgd. Het staat evenwel niet vast dat dit de meest doeltreffende manier is. Volgens het EESC is horizontale ondersteuning geboden van alle acties die gericht zijn op vermindering van het milieueffect en de CO2-voetafdruk. Alle productieve activiteiten en diensten van zowel overheid als particulieren moeten bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen inzake reductie van de broeikasgassen en terugdringing van door de mens veroorzaakte vervuiling tot op een duurzamer niveau.

4.7

De Commissie zet zich actief in op O&O-gebied, in overeenstemming met de door de Unie aangegane verbintenissen. DG EMPL heeft recentelijk bij de beheersautoriteiten van door het ESF gefinancierde projecten een enquête gelanceerd m.b.t. vaardigheden en het groener maken van banen, samen met een studie over „Het ESF en duurzame ontwikkeling”. Deze documenten zullen in het kader van het ESF-comité worden verspreid en besproken. Het EESC hoopt dat deze informatie zal worden verspreid en gepubliceerd in een ad-hocmededeling van de Commissie, waarin tevens rekening zal worden gehouden met de conclusies van het werkdocument van de Commissie over groene banen, dat thans door DG EMPL wordt voorbereid. In de mededeling zouden de verschillende mogelijkheden voor de „bevordering van groene banen” moeten worden onderzocht, om aldus voor de volgende financiële programmering een aantal besluiten ter zake te kunnen voorbereiden.

5.   Zwarte banen versus groene banen

5.1

De overgang zal tevens gepaard gaan met groot banenverlies. De nieuwe sociale markteconomie van de EU moet ook een antwoord bieden aan de werknemers die door de verandering zullen worden getroffen. Met het oog daarop kunnen initiatieven worden genomen die o.m. gericht zijn op beroepsomscholingstrajecten, maatregelen ter ondersteuning van het inkomen, ondersteuning van territoriale mobiliteit, enz. In het kader van de sectorgebonden en tussen bonden onderling gevoerde sociale dialoog op Europees, nationaal en territoriaal niveau moet worden nagegaan hoe met het oog op een inclusief groeimodel op de veranderingen kan worden geanticipeerd en hoe ze kunnen worden beheerd.

5.2

Ten aanzien van de arbeidsverhoudingen is een coöperatief en participatief model geboden, waarbij ambitieuze gemeenschappelijke doelstellingen moeten worden vastgesteld om het economisch systeem te versterken en het op sociaal en milieugebied steeds duurzamer te maken.

5.3

Maar afgezien van de nieuwe banen moet vooral ook de „oude” werkgelegenheid worden aangepast en wat „groener”, d.i. duurzamer, worden gemaakt. In alle bedrijven en op zowel openbare als particuliere werkplekken moeten er programma's voor energie-efficiëntie komen. Een nieuwe bewustwording met het oog op een zuiniger verbruik zal middelen vrijmaken die elders kunnen worden ingezet. Vakbondsovereenkomsten met het oog op meetbare doelstellingen en winstverdeling tussen bedrijven en werknemers kunnen nuttig zijn om een breed publiek bewust te maken van het belang van energiebesparing.

6.   Mobiliteit in en buiten de stad

6.1

In het kader van een beleid dat gericht is op het terugdringen van broeikasgassen moet de voorkeur worden gegeven aan openbaar vervoer, tram, bus, metro en trein voor verplaatsingen buiten de stad. Door het gebruik van de eigen wagen te ontmoedigen, met name in de stad, zal er meer werkgelegenheid worden gecreëerd in de sector van het openbaar vervoer dat steeds schoner moet worden. Elektrische bussen die op groene waterstof of op koolwaterstoffen met lage uitstoot zoals methaan rijden, worden nu reeds in de Europese hoofdsteden gebruikt. De overheid draagt een verantwoordelijkheid in de verspreiding van schoon vervoer dat ze kan bevorderen via overheidsopdrachten die deze vervoerswijzen bevoordelen.

6.2

Experimenten met mobility managers in bedrijven hebben in een aantal gevallen lovenswaardige resultaten opgeleverd; het zijn dan ook praktijken die moeten worden verspreid en steeds doeltreffender moeten worden gemaakt. Er moet meer gebruik worden gemaakt van deze „green managers”, die het milieueffect en de uitstoot door het bedrijf moeten proberen te beperken, niet alleen in de productiecyclus maar ook in de kantoren, bij het vervoer van de geproduceerde goederen, bij de bevoorrading met grondstoffen of halfafgewerkte producten, zo mogelijk met inachtneming van het nabijheidsbeginsel.

6.3

De door de Commissie voorgestelde nieuwe digitale agenda kan ook aanzienlijk bijdragen aan groene groei, groene economie en het groener maken van banen. Telewerken kan in tal van gevallen het werk groener helpen maken, door het energieverbruik voor het woon-werkverkeer aanzienlijk te verminderen. De Europese sociale partners hebben reeds geruime tijd daartoe een raamovereenkomst gesloten. De Commissie zou telewerken doeltreffend moeten ondersteunen via initiatieven die de verspreiding ervan kunnen bevorderen. In het kader van de acties ter reductie van de uitstoot zouden ook informatiecampagnes, conferenties, studies over de ontwikkeling van activiteiten en goede praktijken moeten worden gepland. Als dankzij de huidige technologieën werknemers veel werkzaamheden van thuis uit zouden kunnen verrichten, zouden deze werkzaamheden aldus meer op kwaliteit dan op kwantiteit worden gericht en moet er worden gekeken naar de specifieke werkomstandigheden van de betrokkenen.

7.   Het maatschappelijk middenveld en de bevordering van groene banen

7.1

Het staat als een paal boven water dat het maatschappelijk middenveld een bijzonder belangrijke invloed heeft op een succesvolle aanpak van de uitdaging waarmee we thans worden geconfronteerd. Het EESC is ervan overtuigd dat indien de overheid en a priori de Europese Unie niet alles in het werk stellen om de sociale partners bij een en ander te betrekken, om hun een actieve en positieve rol toe te bedelen, om hen aan initiatieven en projecten te laten deelnemen en om hen in hun organisatie te steunen bij het nastreven van een duurzame economie, de resultaten bij de verwachtingen zullen achterblijven en Europa definitief de afspraak met de nieuwe vooruitgang zal missen.

Brussel, 16 september 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  PB C 347 van 18.12.2010, blz. 1.

(2)  PB C 277 van 17 november 2009, blz. 15 t/m 19.

(3)  PB C 175 van 28.07.2009, blz. 43PB C 128 van 18.05.2010, blz. 65-68PB C 306 van 16.12.2009, blz. 51-55.

(4)  Zie het EESC-advies van 14 juli 2010 over „Bevordering van duurzame groene banen in het kader van het EU-energie- en klimaatveranderingspakket”, rapporteur: IOZIA), dat tijdens de zitting van 14 en 15 juli 2010 is goedgekeurd.


Top