Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52010AE0765

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Opties voor etikettering inzake dierenwelzijn en de oprichting van een Europees netwerk van referentiecentra voor de bescherming en het welzijn van dieren” (COM(2009) 584 definitief)

OJ C 21, 21.1.2011, p. 44–48 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

21.1.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 21/44


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Opties voor etikettering inzake dierenwelzijn en de oprichting van een Europees netwerk van referentiecentra voor de bescherming en het welzijn van dieren”

(COM(2009) 584 definitief)

2011/C 21/08

Rapporteur: de heer NIELSEN

De Commissie heeft op 28 oktober 2009 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag te raadplegen over het

Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Opties voor etikettering inzake dierenwelzijn en de oprichting van een Europees netwerk van referentiecentra voor de bescherming en het welzijn van dieren

COM(2009) 584 final.

De gespecialiseerde afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 6 mei 2010 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 26 en 27 mei 2010 gehouden 463e zitting (vergadering van 26 mei) het volgende advies uitgebracht, dat met 106 stemmen vóór en 2 stemmen tegen, bij 1 onthouding, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Er moet een etiketteringsregeling komen die consumenten objectieve informatie verschaft, zodat zij dierlijke producten kunnen kiezen die meer dan voldoen aan de minimumvereisten van de EU voor dierenwelzijn. De etikettering dient betrouwbare informatie te bevatten die begrijpelijk is voor consumenten en zo een herkenbare garantie te bieden.

1.2   De regeling is bedoeld om normen op wetenschappelijke basis te beoordelen en onderling te vergelijken. Zij moet vrijwillig geharmoniseerd en marktgericht zijn; zij dient gebaseerd te worden op certificering en moet gebruikt kunnen worden in combinatie met bestaande particuliere labels en kwaliteitslabels, mits daarbij aan bepaalde criteria wordt voldaan. De regeling moet ook stroken met internationale toezeggingen en onder dezelfde voorwaarden van toepassing zijn op producten die in de EU worden ingevoerd.

1.3   Het EESC is ingenomen met de gedetailleerde studies die op instigatie van de Commissie zijn verricht om een beeld te krijgen van de impact van de diverse opties voor een etiketteringsregeling en een Europees netwerk van referentiecentra. Uit deze studies blijkt duidelijk dat een regeling van het soort dat hierboven uiteen is gezet de meest realistische optie is; dit is ook in overeenstemming met eerdere aanbevelingen van het EESC over dit onderwerp (1).

1.4   De Commissie geeft echter niet aan waar zo'n garantieregeling aan moet voldoen of in welke volgorde van prioriteit de opties moeten worden gezien. Zij geeft wat dit betreft geen uitsluitsel, ook al zijn de meeste voorstellen onrealistisch. Het was zinvoller – en beter – geweest als de Commissie met een concreet voorstel was gekomen dat als uitgangspunt voor verdere discussie had kunnen dienen. Zeker omdat de Raad de Commissie twee jaar geleden specifiek verzocht om zich bij haar verdere standpuntbepaling op de aanbevelingen van het EESC te baseren.

1.5   Het is zaak dat onnodig lange discussies worden vermeden. Dit is des te belangrijker omdat de resultaten van het Welfare Quality Project (WQ) (2) in praktijk moeten worden gebracht en volop gebruik moet worden gemaakt van het netwerk van betrokken instellingen en de toegewijde inzet van de onderzoekers. Aan het discussiëren over theoretische opties, zonder dat het tot concrete voorstellen komt, moet niet te veel tijd worden besteed.

1.6   Het WQ-project heeft dus een solide basis opgeleverd voor de ontwikkeling van wetenschappelijke indicatoren die in de eerste plaats te maken hebben dierenwelzijn en -gedrag, maar indirect ook met de gehanteerde productiesystemen en -methoden, en die in een later stadium eventueel gebruikt kunnen worden voor classificatiedoeleinden en voor een transparante, betrouwbare voorlichting van de consument.

1.7   Het EESC is daarom voor de oprichting van een Europees netwerk ter voortzetting van het WQ-project. In aansluiting op zijn eerder gedane aanbevelingen wijst het EESC erop dat een combinatie van de etiketteringsregeling en een centraal gecoördineerd netwerk de beste optie is. De betrokken partijen moeten echter wel een grote inbreng krijgen in de werking van de regeling en in de uitwerking van de normen.

1.8   De voorgestelde regeling is bedoeld als een aanvulling op al bestaande EU-kwaliteitsregelingen, waarbij „gereserveerde vermeldingen” worden gebruikt voor de beschrijving van organische producten en productiesystemen voor eieren, alsook op regels voor geografische aanduidingen en traditionele specialiteiten, waarbij het accent ligt op productiemethoden en oorsprong en niet op dierenwelzijn.

2.   Achtergrond

2.1   Meetbare indicatoren, strengere normen voor dierenwelzijn, etikettering en de oprichting van een Europees netwerk zijn de pijlers van het actieplan van de Commissie voor dierenwelzijn. (3) De bedoeling is dat consumenten meer mogelijkheden krijgen om dierlijke producten te kiezen die op een diervriendelijker manier zijn vervaardigd dan volgens de EU-minimumvereisten zou moeten. Dat kan bijvoorbeeld door de voorlichting over dierenwelzijn te verbeteren, door normen uit te werken en door via een Europees netwerk voor de bescherming en het welzijn van dieren best practices te ontwikkelen en toe te passen. Als spreekbuis van het maatschappelijk middenveld – en gezien de diversiteit van zijn ledenbestand – mag het EESC zeker bevoegd heten om een flexibele en efficiënte regeling van de grond te helpen krijgen.

2.2   Het verslag is opgesteld na een verzoek van de Raad in mei 2007 om na te gaan welke opties er zijn voor etikettering inzake dierenwelzijn. Uitgangspunt daarvoor was het verkennende advies van het EESC en de daaropvolgende conferentie. (4) De Raad vroeg de Commissie om de beschikbare opties voor etikettering inzake dierenwelzijn te onderzoeken en daarbij terdege rekening te houden met de aanbevelingen van het EESC, dat was ingegaan op de praktische aspecten van een overeenkomstig de resultaten van het WQ-project en op basis van welzijnsindicatoren in te voeren etiketteringsregeling. Evenals het EESC beval ook de Raad aan om in de hele EU een informatiecampagne te houden over dierenwelzijnsnormen en de etiketteringsregelingen.

2.3   De bijlagen bij het verslag bevatten breed opgezette externe onderzoeken naar de beschikbare mogelijkheden voor zowel etikettering als informatievoorziening. Ook wordt er ingegaan op bepaalde aspecten van de oprichting van een Europees netwerk. Conform het verzoek van de Raad is het de bedoeling om over het verslag en de diverse studies een interinstitutioneel debat op gang te brengen dat voor de Commissie als uitgangspunt kan dienen voor verdere overwegingen.

2.4   Het verslag van de Commissie en de bijgevoegde samenvatting van de uitgevoerde studies geven een overzicht van de beschikbare opties, inclusief allerlei verplichte of vrijwillige etiketteringsregelingen, maar zij bestempelt geen van deze opties als prioriteit. Het is echter wel duidelijk dat een toekomstige regeling per definitie in consumentvriendelijke informatie moet voorzien, aan wetenschappelijke criteria dient te voldoen en de steun moet hebben van onafhankelijke certificeringsorganen, niet mag leiden tot concurrentievervalsing en in overeenstemming moet zijn met internationale afspraken.

2.5   Volgens de Commissie kan een Europees netwerk van referentiecentra dierenwelzijnsnormen en -criteria harmoniseren, bestaande middelen coördineren, helpen bij de uitwisseling van best practices, onafhankelijke informatie verschaffen en overlappingen voorkomen. De opties zijn: op de huidige voet doorgaan zonder extra maatregelen, een gecentraliseerde aanpak, een gedecentraliseerde aanpak, of een meer taakspecifieke strategie met centrale en decentrale elementen.

2.6   De Commissie zal daarbij kijken naar zaken als administratieve rompslomp, kosten en het verband tussen etiketteringsregelingen en productkwaliteit, bijvoorbeeld in de biologische landbouw. Zij zal daarbij voortbouwen op de resultaten van het WQ-project en aandacht besteden aan alle eventuele sociale, economische en ecologische gevolgen. Ook is zij van plan om door middel van verder onderzoek na te gaan of de in eerdere onderzoeken aangehaalde meningen van consumenten zijn veranderd, en zo ja waarom.

3.   Enkele opmerkingen

3.1   Het Comité staat nog steeds achter het actieplan van de Commissie inzake het welzijn van dieren (5) en is blij dat het Protocol betreffende de bescherming en het welzijn van dieren een prominentere plaats heeft gekregen in het Verdrag van Lissabon, waaruit blijkt dat de belangstelling voor dit onderwerp is toegenomen (6).

3.2   Uit onderzoek is gebleken dat er behoefte is aan een meer samenhangende en gecoördineerde aanpak van de bescherming en het welzijn van dieren in de EU. Het grote aantal vrijwillige etiketteringsregelingen en kwaliteitssystemen in de lidstaten kan verwarring scheppen en tot een ongerechtvaardigd en ondoordacht onderscheid tussen producten leiden en een ongelijk speelveld voor de betrokken producenten en verdelers creëren.

3.3   Consumenten kunnen prioriteit geven aan dierenwelzijn op basis van ethische, kwaliteitsgerelateerde of andere overwegingen, maar gebrek aan documentatie kan tot wantrouwen tegenover de geldigheid en betrouwbaarheid van marketingboodschappen leiden. Objectieve en wetenschappelijk verantwoorde documentatie is derhalve van essentieel belang om de handel in dierlijke producten die de Europese minimumnormen overtreffen te stimuleren. Het spreekt voor zich dat etikettering alleen het gewenste effect kan bereiken als de verstrekte informatie gemakkelijk te begrijpen is en als de consument zich voldoende bewust is van de betekenis ervan en openstaat voor het ontvangen van informatie.

3.4   Er is dus behoefte aan een concrete waarborg, gebaseerd op objectieve en betrouwbare informatie, en het Comité is dan ook groot voorstander van maatregelen in die richting, zoals het in zijn advies van 2007 al heeft aangegeven. Het Comité is dankbaar voor het vele werk dat sindsdien is verricht en begrijpt dat hier veel tijd in is gaan zitten.

3.5   Wel zou het nuttiger zijn geweest als de Commissie de beschikbare opties in volgorde van prioriteit had vermeld en een of meerdere voorstellen, waaronder een voorstel op de aanbevelingen van het Comité, als uitgangspunt voor het lopende politieke proces had genomen. De uitgebreide studies die hebben plaatsgevonden, bevestigen duidelijk de aanbevelingen van het Comité, nl. dat een etiketteringssysteem, objectief gezien, vrijwillig, geharmoniseerd en marktgestuurd moet zijn als het een praktisch en werkbaar kader wil bieden voor de handel in dierlijke producten die de minimumnormen voor dierenwelzijn overtreffen.

3.6   De Commissie zou ook gebruik moeten maken van het vele werk dat onder leiding van Europa op dit terrein is verricht; kennissystemen die zowel de leverancier als producent van goederen en diensten informeren en markgerichte actie en reactie van de consument stimuleren. Voorbeelden daarvan zijn: het Fair Trade-keurmerk, de Forest Stewardship Council (Raad voor duurzaam bosbeheer), de Marine Stewardship Council (Raad voor marien beheer) en de Rainforest Alliance. De essentiële onderdelen moeten betrekking hebben op systeembeheer, reikwijdte, doelstellingen en normering; zij moeten onafhankelijke evaluatie, effectbeoordeling en kosten-batenanalyses mogelijk maken en ook toezicht houden op publieke claims en promotie (7).

3.7   Door onderzoek te coördineren kan efficiënter gebruik worden gemaakt van de middelen en met het oog hierop is het, althans volgens het Comité, belangrijk dat het interinstitutionele overleg wordt opgevoerd. Dit geldt vooral met het oog op de noodzaak om de resultaten van het WQ-project zo snel mogelijk in de praktijk te brengen en de betrokkenheid van onderzoekers te bevorderen en door te gaan op basis van de conclusies tot dusver, zonder al te veel tijd te verspillen aan de discussie over theoretische opties zonder concrete voorstellen. Netwerken met onderzoekers in belangrijke, niet tot de EU behorende landen is ook van essentieel belang voor de verdere verspreiding van onderzoeksresultaten en een beter begrip van het EU-beleid. Dit is belangrijk voor toekomstige handelsbetrekkingen.

De etiketteringsregeling

3.8   Hoewel de studie niet tot een duidelijke conclusie komt met betrekking tot de etiketteringsregeling, wordt toch – zij het indirect – aangegeven dat de meest realistische optie een flexibele rechttoe-rechtaan-regeling is die op alle belangrijke punten aansluit bij de aanbevelingen en voorstellen van het Comité, d.w.z. een regeling die wetenschappelijk verantwoord, marktgericht en vrijwillig is en kan worden gebruikt in combinatie met bestaande particuliere labels en kwaliteitslabels.

3.9   Het Comité is daarom nog steeds van mening dat de regeling op de volgende onderdelen moet zijn gebaseerd:

de voorgestelde referentiecentra moeten de vereiste objectieve criteria vaststellen en de gehele levenscyclus van de dieren beoordelen. Deze moeten worden vertaald in concrete en realistische productieomstandigheden, teneinde de best mogelijke interactie tussen onderzoek, ontwikkeling en de toepassing van nieuwe technologieën te bereiken (8);

de criteria moeten worden vertaald in richtsnoeren (9) die van toepassing zijn op de etiketteringsregeling, niet in de laatste plaats om toetsing en controle door een onafhankelijk orgaan mogelijk te maken, op grond van input die door de desbetreffende stakeholders wordt geleverd;

producenten en consumenten kunnen dierlijke producten vervolgens op vrijwillige basis van een door de EU erkend logo voorzien, als waarborg dat deze voldoen aan richtsnoeren die strenger zijn dan de EU-minimumnormen;

er kunnen bijvoorbeeld drie verschillende niveaus van richtsnoeren zijn, die strenger zijn dan de minimumnormen, afhankelijk van hoe belangrijk dit is voor de specifieke diersoort of het product in kwestie (10);

het toezicht op de naleving van specifieke voorschriften en op de wijze waarop het label wordt gebruikt geschiedt via zelfcontrole en door een onafhankelijke instantie (11).

3.10   Met deze regeling is het „de markt” die het gebruik en de toepassing van het logo controleert, en niet de overheid. Doordat de bestaande labels op vrijwillige basis kunnen worden voorzien van het logo (samen met een systeem van sterren, kleuren of punten), wordt ook het probleem van te veel labels die te veel informatie bevatten over de producten opgelost. Zo bereikt de informatie belangstellende en gemotiveerde consumenten en wordt het vertrouwen in het systeem versterkt door een solide wetenschappelijke basis en onafhankelijke certificering.

3.11   In het tijdschema dat voor de lancering van de regeling is vastgesteld, moet rekening worden gehouden met de behoeften van de markt; producentenorganisaties, bedrijven en detailhandel zouden de regeling echter voor hun eigen producten kunnen gebruiken, mits deze producten aan de strengere eisen voldoen, en zouden deze als dusdanig in de handel kunnen brengen. Het is bijvoorbeeld belangrijk dat de regeling aansluit bij de groeiende tendens in de richting van „branding”, waarbij de detailhandel andere methoden gebruikt dan etikettering om duidelijk te maken dat het product diervriendelijk is.

3.12   De regeling kan onder soortgelijke voorwaarden ook worden toegepast op geïmporteerde producten, zonder dat er problemen ontstaan in verband met de WTO-regels; de WTO staat vrijwillige etiketteringsregelingen namelijk toe, mits zij geschikt zijn en onder dezelfde voorwaarden kunnen worden toegepast door producenten uit derde landen.

3.13   Een dergelijke marktgerichte aanpak vooronderstelt onder meer dat de regeling voldoende aantrekkelijk is voor consumenten en handelaren, en dat de productiekosten worden gecompenseerd door verbeterde markttoegang en hogere prijzen.

Een Europees netwerk en referentiecentra

3.14   Bestaande onderzoeksorganen in de EU moeten bij de zaak betrokken worden voor een objectieve en vlotte ontwikkeling van bepalingen voor dierenwelzijn. Daarom staat het EESC achter de oprichting van een Europees netwerk op dit gebied dat gecoördineerd wordt door één of meer referentiecentra (ENRC) en georganiseerd is in de trant van bestaande referentiecentra voor dierenwelzijn. (12)

3.15   De Europese Autoriteit voor de Voedselveiligheid, het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek en de nationale referentiecentra hebben tot op zekere hoogte te maken met dierenwelzijn, maar zijn niet gekwalificeerd om dit terrein in de gehele EU te coördineren. Het netwerk dient het werk van deze EU-organen aan te vullen en niet over te doen. In feite zouden alle aspecten van commercieel gebruik van dieren aan bod moeten komen, onafhankelijk van externe belangen.

3.16   Het netwerk zou de volgende, onderling samenhangende taken moeten krijgen:

in kaart brengen en bijhouden van indicatoren en andere elementen om dierenwelzijn op wetenschappelijke basis te beoordelen, met inbreng van de diverse betrokkenen;

beoordelen van de impact van maatregelen en verbeteringen omtrent dierenwelzijn;

uitvoering van onderzoek, verdere ontwikkeling van de wetenschappelijke basis voor de actualisering van voorschriften;

verstrekken van informatie en communiceren over de toepassing van de voorschriften; bijdragen aan een wereldwijd proactiever beleid voor dierenwelzijn.

3.17   De beste aanpak voor dit project is voortzetting van de contacten met het bestaande WQ-netwerk, samen met het grotere netwerk in belangrijke niet-EU-landen. Het WQ-project heeft zo de basis gelegd voor de ontwikkeling van een labelregeling door de uitwerking van op dieren gebaseerde indicatoren die later gebruikt kunnen worden bij de classificatie om transparante en betrouwbare consumenteninformatie te schragen.

3.18   Een onafhankelijk orgaan moet de door het netwerk voorgestelde normen goedkeuren. Aangezien stakeholders voor een goed werkende regeling actief bij de zaak betrokken moeten worden, dienen zij zoveel mogelijk bij te dragen aan de besluitvorming, zeker voor de uitwerking van de strategie en de formulering van een werkprogramma.

Andere aspecten

3.19   Het EESC-voorstel voor etikettering voor dierenwelzijn is gebaseerd op de beste, thans beschikbare wetenschappelijke kennis en evaluaties. Door de geharmoniseerde vereisten kunnen consumenten een weloverwogen aankoop doen, en daardoor ook de producenten belonen. Daartoe moeten er echter stappen worden genomen voor een groter bewustzijn van dierenwelzijn, normen en etikettering via informatie- en educatiecampagnes. Ondanks de duidelijke behoefte aan Europese coördinatie, zou dit op regionaal en nationaal niveau moeten worden georganiseerd en uitgevoerd, daar de ervaring leert dat centrale EU-informatiecampagnes in de lidstaten niet aanslaan.

3.20   De geschetste voorstellen druisen niet in tegen de bestaande EU-regeling voor biologische landbouw, die ook betrekking heeft op vele aspecten van dierenwelzijn. Aangenomen mag worden dat dierenwelzijn met betrekking tot biologische producten genoeg aandacht krijgt via de geleidelijke toepassing van de normen als die eenmaal beschikbaar zijn; zo wordt het welzijn een factor in de controlevoorschriften voor zulke producten, zonder dat er extra administratieve kosten ontstaan. Consumenten associëren biologische landbouw met hogere normen voor dierenwelzijn; biologische producten met een EU-logo zouden ze moeten herkennen.

3.21   De voorgestelde regeling is eigenlijk bedoeld ter aanvulling op bestaande EU-kwaliteitsregelingen die „gereserveerde vermeldingen” gebruiken in productiesystemen voor eieren, en op regels voor geografische aanduidingen en traditionele specialiteiten. Deze regelingen hebben ook als uitgangspunt productiemethoden en oorsprong, niet het dierenwelzijn, hoewel deze aspecten tot op zekere hoogte als zodanig opgevat worden. Maar consumenten zijn bekend met deze regelingen, die gehandhaafd moeten worden. Meer verplichte of vrijwillige vereisten voor het gebruik van „gereserveerde vermeldingen” op basis van productiesystemen zouden vermeden moeten worden, aangezien speciale productievoorwaarden niet geschikt zijn voor regulering volgens de complexe EU-wetgevingsprocedures, wat ook zonneklaar is, bijv. bij de bepaling van EU-minimumnormen.

3.22   De mededeling van de Commissie inzake het kwaliteitsbeleid voor landbouwproducten bevat een voorstel om richtsnoeren uit te werken voor particuliere en nationale voedingscertificeringsregelingen. (13) Deze richtsnoeren moeten de consument tegen misleidende informatie helpen beschermen, terwijl het tegelijkertijd aan de markt wordt overgelaten om te reageren op de bezorgdheid van de consument over dierenwelzijn. De richtsnoeren zullen van certificering een belangrijk onderdeel van het EU-voedselbeleid maken.

3.23   De voorgestelde regeling heeft geen betrekking op specifieke religieuze kwesties, aangezien etikettering uitsluitend naleving garandeert van vereisten voor dierenwelzijn die uitdrukkelijk verdergaan dan EU-minimumvereisten.

3.24   Het ENRC zou een belangrijke rol moeten spelen in de bevordering van het welzijn van alle vertebraten die voor commerciële doeleinden worden gehouden, dus ook bijv. voor vis en pelsdieren, waarvoor dezelfde criteria zouden moeten gelden als voor levend vee. Dit geldt ook voor laboratoriumdieren, waarvoor het Europees Centrum voor de validatie van alternatieve methoden (ECVAM) alternatieven evalueert voor het gebruik van dieren voor wetenschappelijke doeleinden.

Brussel, 26 mei 2010.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  Het verkennende advies van het EESC over etikettering voor dierenwelzijn van 15 maart 2007 werd opgesteld op verzoek van het Duitse voorzitterschap van de Raad (PB C 161, 13.7.2007, blz. 54).

(2)  Welfare Quality® was een door de EU gefinancierd programma dat liep van 2004 tot 2009. Er deden zo'n 250 onderzoekers en in totaal 39 instellingen en universiteiten uit 13 Europese landen en belangrijke derde landen aan mee. Bij dit project werden op wetenschappelijke basis normen voor dierenwelzijn ontwikkeld en praktische strategieën uitgewerkt om dierenwelzijn onderdeel te maken van de hele keten: van veehouderijpraktijken naar productie- en distributiesectoren en vandaar naar marketing en relevante consumentenvoorlichting.

(3)  COM(2006) 13 van 23.1.2006.

(4)  De conferentie „Dierenwelzijn - verbetering door labelen?” vond plaats op 28 maart 2007 en was georganiseerd door het Europees Economisch en Sociaal Comité, de Europese Commissie en het Duitse voorzitterschap. In de conclusies van de Raad stond duidelijk dat „rekening moet worden gehouden met de aanbevelingen van het Europees Economisch en Sociaal Comité in zijn verkennend advies” (2797e zitting van de Raad Landbouw en Visserij, Brussel, 7 mei 2007).

(5)  Zie het advies van het EESC over het Communautair actieplan inzake de bescherming en het welzijn van dieren 2006-2010, PB C 324 van 30.12.2006, blz. 18.

(6)  Artikel 13 van het VWEU luidt: „(…) houden de Unie en de lidstaten ten volle rekening met de eisen inzake het welzijn van dieren als wezens met gevoel, onder eerbiediging van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en de gebruiken van de lidstaten, met name met betrekking tot godsdienstige riten, culturele tradities en regionaal erfgoed.”. Dit bindende voorschrift vervangt de gentleman's agreement (d.w.z. het protocol) die eerst van kracht was en geeft het Hof van Justitie van de Europese Unie bijv. de bevoegdheid om geschillen te beslechten.

(7)  Een dergelijke regeling moet ook ISO 65-erkenning nastreven (algemene voorschriften voor instanties die productcertificeringssystemen toepassen).

(8)  Volgens het WQ-project moeten de beoordelingen hoofdzakelijk zijn gebaseerd op het gedrag van dieren („welzijnsindicatoren”) in plaats van op productiesystemen („input en middelen”). In de praktijk komt dat erop neer dat productiesystemen worden beoordeeld aan de hand van hun impact op het gedrag van dieren. De indicatoren moeten alle belangrijke omstandigheden voor de diersoort in kwestie omvatten: fokken, ruimte en stalling, mogelijkheid tot natuurlijk gedrag, dagelijkse inspectie, ziekte- en gezondheidsaspecten, spenen, operatieve ingrepen en vervoer naar slachthuis, verdoving en slachting. De regeling stimuleert ook vrijwillige innovatie en verbeteringen in individuele gevallen.

(9)  Voorgesteld wordt de term „richtsnoeren” te gebruiken om verwarring met „normen”, die door Europese normeringsinstanties volgens speciale procedures worden vastgesteld, te voorkomen.

(10)  Het WQ-project kent een classificatie in drie niveaus: uitstekend (hoogste niveau), zeer goed (goed welzijn) en bovenminimaal.

(11)  Een instantie of organisatie of een speciale certificatie-instelling die overeenkomstig de relevante Europese en internationale ISO-normen in EN - ISO - 17000 werkt of als certificeringsorgaan conform EN – ISO – 45011 is geaccrediteerd.

(12)  De Commissie gebruikt de term „Europees netwerk van referentiecentra” (ENRC), maar waar het hier om gaat is een netwerk van onderzoekseenheden die, net als in de sector dierlijke gezondheid, gecoördineerd worden door één of meer referentiecentra (zo mogelijk één per soort) en die op basis van indicatoren normen voor dierenwelzijn voorstellen die ter goedkeuring aan een onafhankelijk orgaan worden voorgelegd. Het advies gaat niet in op de organisatie van deze organen; het beperkt zich ertoe dat de relevante partijen erbij betrokken worden.

(13)  COM(2009) 234 van 28 mei 2009.


Top